woensdag 16 augustus 2017

Leren bloggen met De Laatste Vuurtorenwachter


Net als elke schrijver heeft ook de blogger a room with a view. Ik geef tien tips voor de inrichting ervan. De cijfers verwijzen naar bovenstaande fotografische afbeeldingen.
Centraal in het leven van de blogger staat de fauteuil [1]. Deze van mij is een afdankertje van een Oostends hotel. Hij zit een beetje hard, vandaar dat ik er kussens aan toevoeg. Beginnende bloggers kan ik aan zo’n vuurtorenwachterzetel helpen, want dat hotel had wel meer zitjes weg te geven. Mijn garage staat er vol van. Wilt u dat ik er een voor u apart zet, draai dan 7 9 7 2 0 4 en vraag naar Will.
Onmisbaar is de laptop [2]. Dat is een computer die u op de schoot kunt zetten. Met een bureaumodel is het schier onmogelijk, dat begrijpt u ook wel, om vanuit een fauteuil te bloggen.
Bijzonder nuttig is de poef [3]. Hij laat u toe tijdens het bloggen de benen te strekken, wat goed is voor de bloedcirculatie. Bijkomend voordeel is dat u er de laptop op kunt plaatsen wanneer u het bloggen even onderbreekt, bijvoorbeeld om een kakje te doen.
Zelf ben ik een groot voorstander van het gebruik van de lessenaar [4]. Wanneer de blogger behoefte heeft om uit een boek te citeren, dan laat de lessenaar dat gemakkelijk toe, zoals de foto het demonstreert.
Optioneel is het contragewicht [5] dat de lessenaar in balans houdt. Omdat mijn vensterbank niet erg breed is zou de lessenaar er anders afdonderen. Een andere mogelijkheid bestaat erin de vensterbank te verbreden, maar dat is kostelijk, temeer daar de klusjesman van de gelegenheid gebruik zal maken om waterleiding en elektriciteitsnet te hernieuwen, alsmede een spouwmuur aan te brengen.
De ventilator! [6] De laptop die ik gebruik dateert van voor Trumps presidentschap en is derhalve niet aangepast aan de door hem nagestreefde milieucatastrofe. De ventilator helpt het toestel af te koelen, alsmede mijn benen.
Elke blogger dient over een calpin [7] te beschikken, waarin hzij notities plaatst: invallen, boodschappenlijstjes, citaten, eerder opgezochte vertalingen… Mijn calpintje is van het chique merk Moleskine, maar die uit de Action zijn mijns inziens even goed.
Bijzonder nuttig zijn wasspelden [8]. Dit eenvoudige hulpmiddel laat de blogger toe om nog meer op de lessenaar te plaatsen. De speld kan achteraf, samen met potloden, gommen, calpintje, oorwatjes en andere fikfak in de lessenaar opgeborgen worden. (Wel eerst het contragewicht [5] verwijderen.)
Zelf raad ik aan om een DAB-radio [9] aan te schaffen. Ten eerste wordt de blogger dan niet langer geplaagd door de storende FM-ruis, ten tweede kunt u op DAB luisteren naar Klara Continuo, die voortdurend mooie muziek uitzendt, zonder dat u zich nog langer hoeft te ergeren aan de kinderachtige tussenkomsten van Bart Stouten op Klara. Ten derde kunt u daar ook luisteren naar een zender die continu het meest recente radionieuws herhaalt, waardoor u het bloggen niet op ongepaste tijdstippen hoeft te onderbreken.
Laat me u ten slotte mijn weerstationnetje [10] aanprijzen. De werking is simpel. Wanneer het regent staat het mannetje buiten. Als het vrouwtje buiten staat regent het ook, maar dan staat de centrale verwarming aan.
Zonder dank.

Flor Vandekerckhove  

maandag 14 augustus 2017

Bij de zijnen


Iemand zei me dat hij Georges gezien had, en, zo voegde hij eraan toe: ‘Hij is nog goed bij de zijnen. Ik moest even nadenken. Wat betekent het Vlaamse bij de zijnen ook alweer? Ik gaf het denken al gauw op en riep: ‘Ha, die Georges! Ik wist niet eens dat hij nog leefde’. Dat was niet gelogen, ik wist het niet.
‘Hij leeft zeker nog’, zei die andere, ‘hij woont in het oudemannenhuis, en hij is nog goed bij de zijnen.’
‘Bij de zijnen?' vroeg ik, 'in het oudemannenhuis?’
‘Ja’, zei die andere, ‘nu hij nog goed bij de zijnen is, moet je hem eens opzoeken.’
De nadruk die hij op dat vreemde bij de zijnen legde liet me begrijpen dat het een kwestie van tijd was. Als ik Georges nog bij de zijnen wilde meemaken dan moest ik hem nu opzoeken.
Ik deed het meteen. Bij de in- en uitgang bleef ik geduldig wachten. Want die deur opent zich met een nummerslot en ik ken die combinatie uiteraard niet, maar toen een bezoeker de code intikte kon ik met hem mee. Ik liep de gang af en keek naar de naamkaartjes. Bij het tweede had ik al prijs: Georges.
De kamerdeur stond open en ik ging naar binnen. Georges lag in bed en was zichtbaar verwonderd me daar te zien. Wat wederzijds was, want ook ik was erg verwonderd hem hier te zien. Hij keek me met grote ogen aan en zei niets.
‘Jij bent toch Georges?’ vroeg ik onzeker.
De man ging rechtop zitten en vroeg me wie ik was. Voor iemand die bij de zijnen was stelde hij toch wel merkwaardige vragen. Ik zei dat we waarschijnlijk verre familie van elkaar waren.
‘Hoe ver?’ wilde hij weten, maar daar kon ik geen goed antwoord op geven. Ik maakte me ervan af: ‘Zeer ver.’
‘Wat kom je hier doen?’ vroeg hij vervolgens. Ook daarop kon ik geen goed antwoord geven, het waren gewoon te moeilijke vragen. Ik begon te denken dat mijn bezoek te laat kwam en dat men hem hier gauw zou weghalen om hem achteraan te herbergen, in het gedeelte van het oudemannenhuis waar degenen verblijven die niet meer bij de hunnen zijn.
‘Dan ga ik maar weer’, zei ik en ik keerde op mijn stappen terug. Toen ik de uitgang van het oudemannenhuis bereikte en naar buiten wilde gaan, riep iemand me onverwachts toe: ‘Waar gaat u naartoe?’
Ik keerde me om, zag dat het een verpleegkundige was. Ik antwoordde naar waarheid dat ik naar huis ging.
‘Kom maar met me mee’, zei de man. Hij nam me vriendelijk maar kordaat bij de arm en gidste me doorheen de gangen tot helemaal achteraan, tot achter de deur met het nummerslot, tot in het gedeelte waar degenen zoals ik verblijven, tot bij de mijnen als het ware.

Flor Vandekerckhove

zaterdag 12 augustus 2017

Het vierspan van de hippodroom


— Natuurgebied D’Heye, waar eertijds de hippodroom van Bredene gevestigd was. Op de achtergrond zien we de kerk en de watertoren van Bredene Dorp.—

'Hier is ’t gebeurd’, zegt hij, ‘hier vlak voor je neus.' Ik luister naar de oude man die ik in zijn rolwagen tot hier geduwd heb. We bevinden ons op D’Heye in Bredene en meer bepaald in de bocht waar de Koerslaan zich naar de Batterijstraat slingert. We kijken uit over een weiland waarin grote brokstukken liggen, restanten van wat ooit de tribune van een paardenrenbaan geweest is.
Ik heb de man in café Krugerhof ontmoet. Daar ben ik heen gefietst om meer te vernemen over een kwestie die ik in onderstaande alinea probeer samen te vatten.
Op 29 maart 2001 krijgt volksvertegenwoordiger Gilbert Vanleenhove antwoord op een parlementaire vraag. Het betreft natuurgebied D’Heye. Dat antwoord bevat een intrigerende passage: ‘De ruiters van de voormalige hippodroom (…) kunnen als historische relicten (…) in het gebied behouden blijven.’ (°) Hoezo, de ruiters kunnen behouden blijven?
De waardin van Krugerhof heeft me de man aangewezen als iemand die er alles van weet. ‘In die tijd was ik een verwoed stroper en ik had overal stroppen staan’, zo gaat hij van start ‘en hier stonden er vier.’ Zijn arm wijst in vier verschillende richtingen. ‘Ik kwam mijn strikken inspecteren en ja, het bleek vier keer raak te zijn. Vier grote konijnen. Haast te schoon om waar te zijn, nietwaar?’
— Detail uit het ministeriële antwoord op de vraag 
van Vlaams volksvertegenwoordiger Vanleenhove. —
Zijn verhaal neemt een wending. ‘Er was nog iets,’ zegt hij, ‘Toen ik de eerste strop opende hoorde ik een stem die zei: “Kom en zie!” en dat herhaalde zich bij de tweede, derde en vierde. Telkens was er dat “Kom en zie!”. Het was best akelig. Ik wilde er meteen weer vandoor gaan.’
Terwijl zijn blik over D’Heye dwaalt vertelt hij verder: ‘Nu zag ik in de verte een vierspan naderen. Eerst traag, daarna vlug en op den duur razendsnel. De paarden waren bedekt met een doek, ze trokken een lijkwagen, en de koetsier gaf ze flink de zweep. Vluchten kon niet meer. De paarden vertrappelden me alsof het niets was, waarna ik ook de lijkwagen over me heen kreeg. De wielen waren als messen en ze sneden me beide benen af.’
Ik kijk naar de deken die de plaats bedekt waar ’s mans benen plachten te zitten en ik ben erg onder de indruk. Maar het verhaal is hiermee niet afgelopen.
Ik lag daar te midden van een plas bloed en zag dat het vierspan achter die brokstukken,’ en hij wijst me de restanten van de hippodroomtribune aan, ’een bocht maakte en langs de andere kant terugkwam. De koetsier liet de paarden naast me stoppen, nam mijn twee benen onder de arm, legde ze in de corbillard en ging er te vierklauw weer vandoor. Toen ik weer bij bewustzijn kwam lag ik in het hospitaal.’
Ik zie dat de man uitgeput is en ik beslis hem naar het Krugerhof terug te duwen. Daar vraagt de waardin me of hij het verhaal van het vierspan verteld heeft. Ik knik.
‘Ik weet nog altijd niet wat ik ervan moet denken’, zegt ze, ‘maar een ding is zeker. Telkens als het volle maan is horen we hier het draven van de paarden over D’Heye.’ En ze wijst in de richting van de plek waar de man me zijn verhaal verteld heeft.
Flor Vandekerckhove

(°) Vraag nr. 136 van 29 maart 2001 van de heer Gilbert Vanleenhove. Te lezen op https://docs.vlaamsparlement.be/docs/bva/atomiseringen/ato2000-2001/nr13/dua/136.pdf.

woensdag 9 augustus 2017

Het oneigenlijke gebruik van de Cap Arcona

— Het Duitse passagiersschip Cap Arcona voer in betere tijden tussen Hamburg en Zuid-Amerika. Het schip was 206 meter lang en werd in 1927 gebouwd. De foto's die verder in dit stuk afgedrukt worden geven een idee van de luxe aan boord. —

De Cap Arcona is bijzonder luxueus: koninklijke suite, victoriaanse cabines, kostbaar meubilair, tennisveld, wintertuin, sportzaal… Tijdens WOII, na de Duitse inval in Polen, wordt het schip naar Dantzig (Gdansk) gestuurd om er als logies voor de Kriegsmarine te dienen.
In 1944 moeten de bezetters de stad verlaten: de Russen komen! De Arcona wordt ingezet om Duitsers uit de stad te evacueren. Op weg naar Kopenhagen heeft het schip af te rekenen met motorpech en zelfs na reparatie lijkt het einde van de Cap nabij.
Het vaartuig wordt op 14 april 1945 verankerd in de baai van Lübeck. Op dezelfde dag beslist SS-chef Himmler dat geen enkele gevangene uit de uitroeiingskampen levend in handen van de geallieerden mag vallen. Opdat de praktijken voor altijd verborgen zouden blijven begint de SS alle kampbewoners te liquideren.
Hen ter plekke doden gaat te traag. Daarom stuurt de SS de resterende gevangenen de weg op; de beruchte dodenmarsen. Die zijn even tragisch als efficiënt. Velen komen onderweg om. De overlevenden komen aan in Lübeck.
Om geen enkel spoor na te laten beslist de SS hen aan boord te brengen van vaartuigen die ze nadien in volle zee zal laten torpederen. De gevangenen krijgen bevel om naar de haven te marcheren, waar de Cap Arcona voor anker ligt en ook de cargoschepen Thielbek, Athen en Deutschland
Op 18 april 1945 meldt de SS dat de schepen in een ‘speciale operatie’ ingezet worden. Kapitein Heinrich Bertram (Cap Arcona) en zijn collega John Jacobsen (Thielbek) krijgen het hele verhaal te horen. Jacobsen deelt zijn bemanning mee dat hij weigert de opdracht uit te voeren. Hij verliest meteen het bevel over het schip en wordt gedegradeerd.
Op 20 april begint de inscheping. Kapitein Nobmann van de Athene moet 2.300 weggevoerden en 280 SS-ers naar de Cap Arcona brengen, die vier kilometer ver in ’t water ligt. Als de cargo het luxeschip nadert weigert kapitein Bertram de ‘passagiers’ aan boord te halen. 
Op 26 april komt de SS met de kapitein ‘onderhandelen’. Hij heeft twee opties: of hij neemt de gevangenen aan boord, of hij krijgt de kogel. Bertram capituleert.
Het schip wordt onder SS-toezicht in orde gebracht: alles wat kan dienen om aan de verdrinkingsdood te ontsnappen wordt weggeborgen. Tegelijk wordt het transport van 6.500 gevangenen tot een goed einde gebracht. Al vlug verandert het luxeschip in een hel. Dagelijks sterven er aan boord twintig tot dertig mensen.
De Athene voert zijn laatste traject naar de Cap Arcona uit op 30 april, dit keer niet om nog meer mensen aan boord te brengen, maar om een aantal gevangenen van boord weg te halen. De situatie is immers zo erg dat de SS-bewakers niet meer kunnen overleven op het schip vol rottende lijken.
Op 30 april 1945 vernemen de gedeporteerden dat Hitler zelfmoord gepleegd heeft en dat Berlijn door de Russen ingenomen is. Maar nog steeds komen gevangenen aan in de haven en ook zij moeten een plaats op de doodsboten krijgen.
Op 3 mei liggen de duikboten klaar, wachtend op het sein om de Cap Arcona te torpederen, maar de Britse tanks staan ook al voor de stad. Diezelfde ochtend heeft een Brits verkenningsvliegtuig de Cap Arcona opgemerkt. De gevangenen wuiven enthousiast, maar omdat er vanaf de cargo Athene geschoten wordt gaat het vliegtuig de hoogte in tot waar het moeilijk is om de identiteit van de mensen vast te stellen. Tegelijk hebben Britse officieren contact opgenomen met het Zweedse Rode Kruis dat al verschillende pogingen ondernomen heeft om de gevangenen van de schepen weg te halen. De officieren krijgen de nodige informatie en ze beloven om met de gevangenen rekening te houden.
Te laat, zo blijkt, om de geplande raid te stoppen. De RAF-vliegtuigen zijn al in de baai aangekomen. Vier eskaders staan paraat om hun bommen te droppen.
In de baai hebben de Duitsers hun gevechtsboten voorzien van witte vlaggen; de Cap Arcona, Athen, Thielbek en Deutschland voeren echter nog steeds uitdagend de swastika.
Om 14,30 uur wordt het bevel gegeven. De gevangenisschepen worden gebombardeerd en gemitrailleerd. Aan boord breekt paniek uit. De gevangenen die niet in het bombardement gedood worden, niet in de daaropvolgende brand omkomen en niet verdrinken, proberen zich vast te klampen aan alles wat drijft. Velen onder hen komen door onderkoeling om, anderen worden nog in het water doodgeschoten.
Duitse vissers slagen erin enkele drenkelingen te redden. Aan wal vragen deze overlevenden aan de Britten om reddingssloepen naar de doodsschepen te sturen. Intussen is de Thielbek al aan het zinken. Van de 2.800 gedeporteerden op dat schip zullen er slechts 50 de aanval overleven; hetzelfde lot is de moedige, gedegradeerde kapitein Jacobsen beschoren.
Op de Cap Arcona zijn er 4.500 gevangenen, slechts 316 worden gered. De gevangenen van de Athen hebben meer geluk, zij worden alle gered. In totaal sterven in de baai in een half uur tijd 7.500 gevangenen van 28 verschillende nationaliteiten. Tragisch detail: vier dagen later is de oorlog afgelopen.
Flor Vandekerckhove


P.S.: Inmiddels is er een interessante reactie op dit stuk gekomen , druk onderaan op 'reacties'.

André Migdal. ‘Les plages de sable rouge’, 444 pp. Paris 2001. De auteur bevond zich als gevangene aan boord van de Athen tijdens het bombardement.

dinsdag 8 augustus 2017

Guthrie, Whitman, Dylan, Bragg, Wilco, Claus en… ik

— In wijzerzin, beginnend links bovenaan: Walt Whitman, Woody Guthrie, Bob Dylan, De Laatste Vuurtorenwachter, Hugo Claus, Billy Bragg. —

Dik twee jaar geleden publiceer ik hier een verhaal dat Het nichtje van Hugo Claus heet. De inspiratie komt uit een song van Billy Bragg en de Amerikaanse band Wilco. De song heet Walt Whitman’s Niece. De nieuwe muziek is van de Brit Billy Bragg en de oude tekst is van de legendarische Woody Guthrie.
Guthrie heeft ook Bob Dylan geïnspireerd. We mogen zelfs zeggen dat Woody Guthrie — This machine kills fascists — Dylans mentor is.
In zijn memoires (°) schrijft Dylan: 'Ik zei tegen mezelf dat ik Guthries grootste discipel zou worden. Dat leek me de juiste weg. Ik had zelfs het idee dat ik familie van hem was. (…) Eén ding was zeker en dat was dat Guthrie mij nog nooit gezien of van me gehoord had, maar ik had het gevoel dat hij tegen me zei: "Ik ga binnenkort weg, maar laat dit karwei in jouw handen achter. Ik weet dat ik op je kan rekenen".' Later gaat Dylan regelmatig op bezoek bij Woody Guthrie die doodziek in een hospitaal ligt. Dylan wijdt een meesterlijk geschreven bladzijde aan het Greystone Hospital in Morristown, een plek waar je echt niet wil toeven en hij vervolgt: ‘Tijdens een van mijn bezoekjes had Woody me verteld over een paar dozen met liedjes en gedichten die hij had geschreven en die niemand ooit had gezien en waar nog geen muziek bij gemaakt was, ze lagen weggeborgen in de kelder van zijn huis op Coney Island en ik mocht ze hebben. Als ik er iets mee wilde doen, moest ik langsgaan bij zijn vrouw Margie en uitleggen wat ik kwam doen. Zij zou ze voor me uitpakken. Hij legde me uit hoe ik het huis moest vinden.’
Vervolgens neemt Dylan ons mee op pad. Hij neemt de metro naar de terminus in Brooklyn en van daar gaat het te voet verder: ‘Aan de overkant van een veld zag ik iets wat eruitzag als een rij huizen en ik liep ernaartoe, maar toen bleek ik door een moeras te lopen. Ik zonk tot aan mijn knieën in het water, maar bleef doorlopen — bleef op de lichten letten terwijl ik verder liep, ik zag niet echt hoe ik er anders moest komen. Toen ik aan de andere kant uit kwam, was mijn broek van mijn knieën tot beneden doorweekt, stijf bevroren en mijn voeten bijna gevoelloos, maar ik vond het huis en klopte op de deur.’
Pech, Margie is niet thuis, er is een kinderoppas voor zoontje Arlo, maar niemand weet iets van die liedteksten. Dylan keert onverrichter zake weer naar huis.
‘Veertig jaar later’, vervolgt Dylan, ‘vielen deze teksten in handen van Billy Bragg en de groep Wilco. Zij maakten er muziek bij, wekten die liedjes tot leven en namen ze op, allemaal onder supervisie van Woody’s dochter Nora. Deze artiesten waren vermoedelijk nog niet eens geboren toen ik de tocht naar Brooklyn maakte.’ Wat de mannen van Wilco betreft heeft Dylan gelijk, maar Billy Bragg (°1957) was toen toch al een tiener.
Wat me weer naar het begin van dit stukje brengt, waar ik meld dat ik hier in deze blog een verhaal geschreven heb dat door een van die songs geïnspireerd werd.
Flor Vandekerckhove

(°) Bob Dylan. Kronieken. Amsterdam Nijgh & Van Ditmar. 311 pp.


zondag 6 augustus 2017

De nekker van de Nukker

— Schermafdruk van Google Street View. —   

Je kent de uitdrukking: een goed verhaal bestaat uit tien procent inspiratie en negentig procent transpiratie. Dat komt doordat de inspiratie gewoon op straat te rapen valt. Je moet je alleen maar bukken.
Bob Dylan zegt dat zo: ‘Verderop krabde een vent in een leren jasje het ijs van de voorruit van een met sneeuw bedekte zwarte Mercury Montclair. Achter hem snelde een priester in een purperen gewaad over het kerkplein door een geopende poort op weg naar een heilige taak. Daar in de buurt zeulde een jonge vrouw, blootshoofds, gelaarsd, een tas met wasgoed door de straat. Er waren een miljoen verhalen, gewoon alledaagse New York-dingen, als je er oog voor had. Het lag altijd recht voor je neus (…)’ (°)
Deze woorden indachtig begeef ik me op pad. Van de Duinen gaat het via ’t Dorp naar de Fritz Vinckelaan en vandaar naar de Nukkerbrug, waar ik, naast het water van de Noord-Ede, de Nukkerstraat neem.
Moeite kost het me nauwelijks. Dank zij Google Street View moet ik geeneens uit mijn zetel komen. En kijk, daar ligt ze al te rapen, de inspiratie.
Ter hoogte van de apotheek ontwaar ik een duister personage. Ik neem een schermafdruk en, hopla!, de tien procent inspiratie is binnen.
Nu begint het serieuze werk. Wie is deze figuur? En waarom zie ik hem juist daar, in de Nukkerstraat?
Laat me eens kijken; Nukkerwijk, Nukkerbrug, Nukkerstraat… Wat betekent al dat genukker eigenlijk? Waar komt dat vreemde woord vandaan?
Het zijn vragen die me regelrecht naar de negentig procent transpiratie leiden. Want om meer te weten moet ik me naar de heemkring Ter Cuere begeven. Niet via de virtuele wereld van Google Street View, maar in real life, in weer & wind, al stampend, met mijn velo.
In het heem is het erg druk. Jef Stroobant,  Raymonde Schram en Roland Vanmassenhove zijn met stoelen in de weer. Ik toon de schermafdruk en vraag naar hun mening. Roland meent Zorro te herkennen en Jef vermoedt dat het om een lookalike van Bobbejaan Schoepen gaat; Raymonde raadt me aan om het aan Willy Degoe te vragen.
Willy wijst me er eerst op dat ik vergeten ben mijn lidgeld te betalen en nadat ik dat geregeld heb haalt hij een tekst van de volkskundige auteur Karel Clybouw uit de kast, waarin, zo verzekert hij me, ik alles zal vinden wat ik zoek. (°°)
— De Nukkerbrug vooraleer hij in 1959 vernieuwd en
verbreed werd. Aan de overkant van de Noord-Ede zien
we rechts het ook al in 1881 bestaande 'Estaminet De
Nukkerbrug'. Over de herkomst van het woord
estaminet 
staat hier een interessant verhaal. —
Dat is niet eens overdreven. Clybouw onderzoekt alle mogelijkheden van het woord nukker. Een ervan trekt mijn aandacht.
In 1931 kopieert onderwijzer Clybouw een niet ondertekend oud handschrift: ‘In Vlaanderen was eertijds de Nekker of Waterduivel aanzien als een nachtzwervend dier, gelijkenden aan eenen wangedrocht dat traagzaam liep rond den reiger in de nabijheid van waterloopen, en een gerucht miek gelijkende aan een gerammel van ketens. Het bijgeloof aan den Waterduivel was sterk ingeworteld bij ons volk gedurende de XVII en XVIII eeuwen. De Nukkerbrug te Breedene had vroeger ook eene droevige beroemdheid bij onze inwoners en de dorpelingen vreesden dezen gevaarlijke weg des nachts te moeten voorbijkomen. Het volksgeloof zag in den weerwolf of waterduivel eene vervloekte ziel, veroordeeld om des nachts op de aarde rond te dolen, of ook nog was het een schepsel, verbonden door zekere overeenkomst aan den duivel voor een tijdperk van zeven jaren. Hij ontving voor loon een plaket (16 cents) daags, maar indien hij zijnen dienst niet getrouw vervulde, werd hij geweldig overladen met stokslagen. (…)’
Nekker wordt nukker. De waternekker! Ik had het moeten weten, want ik heb hier eerder al iets over deze kwelgeest geschreven. Meer zelfs, ik heb er daar al een eigen verhaal aan gewijd.
Heb ik in de Nukkerstraat de waternekker a.k.a. de nukker gezien? Wie zal ’t zeggen?! En nu de slotvraag: is dat een portootje waar hij aan nipt?
Flor Vandekerckhove

(°) Bob Dylan. Kronieken. Amsterdam Nijgh & Van Ditmar. 311 pp.
(°°) Karel Clybouw. Noord-Ede, Nukkerbrug, Nekkers. Wahrheit und Dichtung. In Jaarboek 1981 van heemkring Ter Cuere.

vrijdag 4 augustus 2017

Het onfortuinlijke schoolschip

— Het onfortuinlijke schoolschip. Inzet: links commandant Fourcault. Rechts: aalmoezenier Cuypers. Beide mannen kwamen in de scheepsramp om het leven. (Foto uit de verzameling van de Oostendse heemkring © K.O.H.G.K. De Plate.) —   

Het zeilschip Mercator, de driemaster die in de Oostendse jachthaven als blikvanger fungeert, is nu een museum, maar ooit is het een schoolschip geweest. Jongens die een carrière in de koopvaardijvloot ambieerden kregen aan boord hun opleiding.
De Mercator heeft vier voorgangers. Over de eerste, de Compte de Smet de Naeyer, zo genoemd naar de minister die opdracht tot de bouw gaf, vind ik iets terug in Het Visserijblad jaargang 1956. (°)
Het artikel werd geschreven door Edouard — Wardje — Vanalderweireldt (°1907-†1989), een Oostendse volkskundige auteur, destijds vermaard om zijn indrukwekkende fotocollectie.
— Cadetten in opleiding voor een zeemanscarrière herdenken
de ramp met ‘s lands eerste schoolschip.
(Foto uit de verzameling van Marcel Vanalderweireldt.) —
    
Vanalderweireldt herdenkt de scheepsramp die in 1956 vijftig jaar eerder gebeurd is. De in 1904 gebouwde driemaster vaart op 11 april 1906 pas voor de tweede keer uit en krijgt in het Kanaal, ter hoogte van het eiland Wight, met storm te maken. ‘Van uur tot uur werd de diepgang groter, zonder dat men aanvankelijk een verklaring voor dit eigenaardige verschijnsel wist te vinden. Tot men plotseling de oplossing van het raadsel ontdekte: het schoolschip had als ballast een lading cementblokken aan boord en dagen lang hadden deze blokken het indringende water opgezogen met het gevolg dat de lading van dag tot dag zwaarder werd. Het feit dat het water door de cement werd opgezogen, verklaart tevens dat het zo lang duurde voor men er achter kwam dat er een lek in het schip was, pas toen de cementblokken verzadigd waren, begon het water in het laadruim zichtbaar te worden.’
Op dat moment is het al te laat. Pompen blijkt hopeloos en tegen de morgen geeft de kapitein bevel de reddingssloepen in zee te laten. De eerste slaat om en wordt meteen onbruikbaar. ‘De tweede boot bestemd voor zestien personen maar bemand met tweeëntwintig had meer geluk, en kwam veilig te water. De bemanning haastte zich van het snel zinkende schip weg te komen. Een derde sloep werd te water gelaten, maar sloeg tegen de romp van het schoolschip te pletter. De twee overige reddingsboten werden daarna uitgezet, maar werden door een golf gegrepen en kapseisden. Nadat de laatste reddingsboten verdwenen waren sprongen twee officieren en twee kadetten over boord en klampten zich  aan het wrak van een sloep vast, zij werden met veel moeite door de reeds overbevolkte sloep opgepikt.’
Commandant Fourcault (45) weigert de commandobrug te verlaten ‘en zou recht als een kaars de diepte ingaan.’
Op 19 april om 6,55 uur vergaat het schip. Aan boord bevindt zich nog 33 man, waaronder 18 cadetten, waarvan de oudste 22 is en de jongste 18. De 26 overlevenden worden dertien uur later door een Franse viermaster opgemerkt en aan boord genomen.
Flor Vandekerckhove


(°) Ed. Vanalderweireldt. Belgisch schoolschip “Compte de Smet de Nayer [sic] verging in de Golf van Gascogne. 33 zeelieden lieten er het leven. In Het Visserijblad, 13 april 1956.

dinsdag 1 augustus 2017

Het monster van De Pit

— De zwart-witfoto die ik vele jaren geleden van de Spuikom gemaakt heb. Inzet: de foto van dokter Robert Kenneth Wilson. —    

Bovenstaand beeld van de Spuikom (alhier bekend als De Pit) dateert van vele jaren geleden. In die tijd placht ik mijn zwart-witfoto’s nog zelf te ontwikkelen. Heeft het beeld me verbaasd toen het in de doka langzaam zichtbaar werd? Ik weet het niet meer. De foto kwam in een doos terecht en die doos ging naar de zolder.
Enkele jaren later ging ik op reis naar Schotland, waar ik het Loch Ness bezocht, een meer van bijna 60 vierkante kilometer, en wereldbekend omwille van een onbekend waterdier dat monster van Loch Ness genoemd wordt — Nessie voor de vrienden.
Het bestaan van Nessie wordt betwijfeld. Toch zijn er duizenden (!) die beweren het dier gezien te hebben. Er bestaan foto’s van en er zijn boeken over geschreven. Een van die boeken bracht ik mee naar huis.
Daarin viel me vooral de foto op die in 1934 door dokter Robert Kenneth Wilson gemaakt werd. Daarop is het silhouet zichtbaar van een lange nek die uit het water steekt. De foto liet me aan iets denken, maar ik kon toen niet meteen bedenken waar dat aan was.
Inmiddels weet ik het wél. Ten behoeve van de lezers heb ik de foto van dokter Wilson hierboven op mijn Spuikomfoto geplaatst. U zult toegeven dat de twee dieren meer dan oppervlakkig op elkaar gelijken.

— De Spuikom op 30 juli 2014. (Foto Tanya Koelbergs.)  —
Herbergt de Spuikom een miniversie van het monster van Loch Ness? Heb ik in De Pit een jong van Nessie gefotografeerd?
Er zijn hoe dan ook redenen om aan te nemen dat er in de Spuikom iets aan de hand is. Op de site Badstad.be staat een getuigenis uit 2014 van ene Tanya Koelbergs: ‘Mijn man, onze kinderen en ikzelf maakten een vroege wandeling langs de Spuikom in Bredene. Plots hoorden we in de verte een zware plons. En tot onze grote verbazing zagen we plots die grote walvis uit het water springen.’
Uiteraard vergist mevrouw Koelbergs zich. Er bestaat geen enkele manier om een walvis in de Spuikom te krijgen. Alleen toeristen kunnen zoiets bedenken.
Gelukkig had Tanya Koelbergs de reflex om het dier te fotograferen, waardoor we nu de twee foto’s met elkaar kunnen vergelijken; enerzijds de zwart-witfoto die ik vele jaren geleden gemaakt heb en anderzijds de recente kleurenfoto van Koelbergs. Waaruit alvast deze conclusie te trekken valt: als het waar is dat ik destijds een klein Loch Ness monstertje in De Pit gekiekt heb, dan is het ook waar dat het dier inmiddels verschrikkelijk gegroeid is.

Flor Vandekerckhove