vrijdag 17 november 2017

Zinloos geweld

— Georgette Vandekerckhove en ondergetekende, in woonzorgcentrum Jacky Maes. —

We zitten gevieren in ’t salon van het woonzorgcentrum. Georgette (87) en Simonne (92) zijn er, zoals steeds, en er is deze keer nog iemand, waarvan de naam me ontsnapt, maar waarvan ik me herinner dat ze 96 is. Laat me toe dat ik haar Maria noem. Veel kans ook dat het juist is, want er wonen nogal wat Maria’s in dat rusthuis.
Simonne is de enige die de krant nog leest. Of ik het gehoord heb van die rellen in Brussel. Dat heb ik inderdaad gehoord, ja. 
En dat het vroeger geen waar geweest zou zijn.
‘Zinloos geweld’, zegt Maria.
‘Dat bestond vroeger niet’, zegt Georgette, ‘zinloos geweld.’
Ik zeg dat ik dat sterk durf te betwijfelen. Waarop Simonne een bijzonder straf verhaal vertelt, een geschiedenis waarover ik nooit eerder gehoord heb. ‘Mijn schoonzuster’, zegt ze, ‘heeft een zoon gehad die in een messengevecht gedood is. Dat gevecht ging tussen een jongensbende van ’t Sas en een van de Opex. Ze hebben nooit geweten wie de dader was.’
‘Zie je wel’, zeg ik, ‘zinloos geweld is van alle tijden’.
‘Maar wat vroeger zeker niet bestond, zegt Simonne, ‘dat waren meisjesbenden, zoals die van Brugge, rond ’t station.’
‘In onze tijd had je de Dietsche Meisjesscharen’, zegt Maria, ‘dat was ook crapuul.’
Flor Vandekerckhove


P.S. Over rivaliserende jongensbenden halverwege de vorige eeuw publiceerde ik eerder in deze blog een verhaal dat Niemand heet.

donderdag 16 november 2017

De man achter Lenin


Bovenstaand schilderij hangt in Sint-Petersburg, in een appartement dat ooit door de aangetrouwde familie van Stalin bewoond werd. Het is een doek van de Sovjetkunstenaar Michael G. Solokov (1897-1953) en het beeldt Lenin uit die van de trein stapt. Op 3 april 1917 komt de opperbolsjewiek thuis uit Zurich waar hij in Ballingschap geleefd heeft. Na een reis die hem doorheen oorlogvoerend Europa voert komt de trein uiteindelijk aan in het Finlandstation van Petrograd, toentertijd de hoofdstad van Rusland. De Britse auteur Catherine Merridale heeft over die treinreis een mooi boek geschreven. (°)
Het schilderij staat op de kaft van dat boek afgedrukt. Betere vlag om Merridales lading te dekken is nauwelijks te vinden.
Het is ook een bijzonder interessant doek, omdat het een schoolvoorbeeld van socialistisch realisme betreft: techniek en beeldtaal zijn eenvoudig, het tafereel valt gemakkelijk te begrijpen, het doek straalt optimisme uit, we zien de zogezegde werkelijkheid in haar evolutionaire ontwikkeling.
Dat ‘zogezegde’ staat daar natuurlijk niet toevallig. Want ook dit zijn kenmerken van het socialistisch realisme: kunst is propaganda en een kritische houding tegenover Stalin is onmogelijk.
— Een parodie op het socialistisch realisme. De man achter
Lenin is mijn grootvader Edmond Vandekerckhove. —
Wat in dit geval met de realiteit strookt is dat Lenin en zijn medereizigers bij aankomst in het Finlandstation een warm onthaal krijgen. Maar een interessant detail levert de man die achter Lenin afgebeeld wordt. Wat zegt auteur Catherine Merridale over hem? ‘Afgezien van Lenin is er nog één andere figuur die de toekomst recht in de ogen mag kijken. Zijn blik boort zich door het duister van de trein, zijn donkere snor laat er geen misverstand over bestaan wie dit is (…) Zonder zich iets aan de ongemakkelijke feiten te laten liggen, heeft Solokov Stalin te midden van de illustere passagiers afgebeeld. De schilder heeft Stalin zelfs — alhoewel de latere dictator zich helemaal niet in Lenins wagon bevond — een trede boven wijlen de leider neergezet, waarmee hij de suggestie wekt dat deze man Lenins mentor of gids was. In de jaren dertig waren zulke verdraaiingen van de werkelijkheid niet ongewoon.’
In de werkelijkheid staat Stalin niet achter Lenin, hij is met die trein ook niet meegereisd. Maar wie staat daar dan wel? Vandaag is de techniek — in dit geval Photoshop — voldoende ontwikkeld om de stalinistische vervalsing te parodiëren. In het detailbeeld dat ik hiernaast plaats valt duidelijk mijn grootvader, Edmond — Mongsje — Vandekerckhove te herkennen. En mijn grootmoeder maar denken dat hij in het café van Alida zat!
Flor Vandekerckhove

[Elders in de blog staat nog een bespreking van zo’n socialistisch realistisch schilderij. Het betreft 'Nieuw Moskou' van Joeri Pimenov en het staat hier.]


(°) Catherine Merridale. Lenin in de trein – De reis naar de revolutie. 2016. Nieuw Amsterdam Uitgevers. 288 pp.

woensdag 15 november 2017

Oorwurm

— Still uit het filmpje waarin Tom Waits It''s Alright With Me
op heel eigen wijze interpreteert. Kijk hier 
Of ik weet wat een oorwurm is.
‘Da’s een beest dat in je oor kruipt’, antwoord ik.
‘Neen’, zegt Simonne (92), ‘het is iets anders.’
Ik zit in het salon van het woonzorgcentrum. Buiten hangt er onweer in de lucht. Straks moet ik nog enkele kilometers stappen en ik ben mijn paraplu vergeten mee te nemen.
‘Een oorwurm is een lied dat in je hoofd blijft hangen, zonder dat je ’t wilt.’
‘Ha ja,’ zeg ik, ‘Gisteren heb ik heel de dag tegen mijn goesting lopen neuriën van: It’s alright with me. Mijn vriendin werd er zot van en ik nog meer.’
‘Zie je wel’, zegt Simonne, ‘da’s een oorwurm.’
‘Is dat een oorwurm?’ vraagt Georgette (78).
 ‘Ik denk dat het een lied van Cole Porter is,’ zeg ik, ‘maar ik heb het leren kennen van Tom Waits. Er bestaat een filmpje waarop je hem het lied ziet zingen. Het staat op youtube.’
‘Youtube is van na onze tijd,’ zegt Georgette.
‘En Tom Waits ook’, zegt Simonne, ‘Hoe gaat dat filmpje?’
Ik kijk om me heen, zie dat er niemand anders toekijkt, sta op en begin midden in dat rusthuis rondjes te draaien, met mijn armen te zwaaien en gekke bekken te trekken, zoals Tom Waits, zij het met veel minder daadkracht: It's the wrong time and the wrong place/ Though your face is charming, it's the wrong face/ Lalalala lalala lala [omdat ik niet heel de tekst ken] (…)/ That it's all right with me…’
 ‘Ja, dat ken ik’, zegt Simonne enthousiast, ‘dat is van Cole Porter.’ Ze richt zich tot Georgette en vraagt: 'Ken jij Cole Porter?’
Georgette lacht een beetje en zegt niets.
‘Is daar echt een film van gemaakt?’ vraagt Simonne. Ze kan het maar moeilijk geloven.
Nu wordt het buiten toch wel heel erg donker en ik maak me klaar om op te stappen. Ik wil de bui voor zijn, neem vlug afscheid, beloof dat ik volgende week weer op bezoek kom, zet mijn kraag recht en trek de straat op.
Op het ogenblik dat de hagelbui in volle hevigheid losbarst bevind ik me nog maar halverwege, op een weg te midden de velden. Nergens beschutting. It's the wrong time and the wrong place.
Tegen de tijd dat ik de tramhalte bereik ben ik doorweekt, maar in mijn hoofd blijft Tom Waits zingen van that it's all right with me.
Ik sta nog maar in het deurgat als mijn geliefde al begint te lachen. ‘Waar heb jij gezeten,’ vraagt ze, ‘je bent helemaal doorweekt.’
Ik schud de hagel van mijn jas en terwijl ik gekke pasjes maak in weer een nieuwe poging om Tom Waits te imiteren, zing ik: Though your smile is lovely, it's the wrong smile…’
‘Ha neen’, zegt ze. ‘Zit je nu nog altijd met dat lied in je hoofd?’
‘Dat is geen lied’, antwoord ik, ‘dat is een oorwurm.’
Flor Vandekerckhove

maandag 13 november 2017

Franco leeft, al is hij dood

— Frederick Seidel (°1936)

Vlak nadat ik een stukje over Osip Mandelstam gepubliceerd heb leert iemand me een bijzonder mooie vertaling van diens Stalin Epigram kennen. Het staat in een voetnoot onder Mandelstam: vermoord omwille van een gedicht. Je moet die noot zeker (nog eens) lezen, want dat is toch wel bijzonder goed gedaan, die vertaling, veel beter dan wat ik daarvan gemaakt heb.
Een andere ontdekking is de Argentijn Humberto Costantini, waarvan ik een gedicht vertaalde dat in deze blog onder Werken aan Ongemak staat.
En van de Amerikaan Charles Reznikoff heb ik een ijzingwekkende strofe uit Huiselijke taferelen in ’t Nederlands omgezet. Ooit ga ik daar verder aan werken. Mijn vensterbank kreunt al een tijdje onder ’t gewicht van de vijfhonderd bladzijden die Testimony telt, de bundel waaruit ik dat kleine stukje vertaald heb.
Nu stoot ik onverwachts op de Amerikaan Frederick Seidel. Die behoort niet meteen tot mijn maatschappelijke klasse, hij is upper-upperclass, zij het in een Amerikaanse variant. Hij schoffeert dat upper-upperclassmilieu wel graag, wat hem dan weer erg leesbaar maakt voor gedeclasseerde halfintellectuelen, zoals ik.
De Guardian publiceert in 2006 een interview waarin Seidel zichzelf als volgt op de links-rechts-as plaatst: ‘Mijns inziens is het aangewezen om kritisch te zijn voor links. Aan de andere kant heb ik helemaal geen sympathie voor rechts. Het is zo brutaal dat het verwerpelijk is. Je bent er bang van, maar dan bang op een minachtende manier.’
Bovenstaande zinnen zijn nuttig om het gedicht te doorgronden dat al door de titel mijn oog weet te trekken: Generalissimo Francisco Franco Is Still Dead. Die titel werpt me ver terug in de tijd. Ik herinner me 1975 als het jaar waarin Franco maar niet wil sterven. Tussen de anti-Francobetogingen door hoor ik voortdurend nieuwsberichten die telkens melden dat de generalissimo nog steeds leeft. Die berichten maken na Franco’s overlijden school in satires die melden dat Franco nog steeds dood is.
Ik weet niet wanneer Seidel dit gedicht geschreven heeft, maar ik mag vermoeden dat de inkt nog niet heel droog is. Ik vind het op de website van de London Review of Books. Daar zegt men dat het op 16 november in de papieren versie van de LRB gepubliceerd wordt. Mijn vertaling is dan ook, denk ik, een primeur.
Mag ik, terwijl ik Franco lees, Trump denken? Ik denk het wel (Make Spain great again!). En mag jij al lezend aan de Catalaanse crisis denken? Van mij wel (long may Franco reign!) Zelf heb ik er een stukje Vlaamse bodem in gelegd, waar ik ‘Is now a roaring lion with a mane’ vertaal als ‘Is nu de leeuw die klauwt zo groot’.
Tenslotte nog dit: al mijn vertalingen zijn het werk van een dilettant. Wie wil mag meehelpen, want het is niet eenvoudig om de rijmelarij aan te houden waarmee Seidel — om de hoeders van de goede smaak te choqueren? —zijn gedicht volpropt.
Flor Vandekerckhove

P.S. Evenmin is het eenvoudig om het gedicht en de vertaling mooi leesbaar naast elkaar te publiceren. Ik hoop dat het me technisch lukt. Ik verontschuldig me als ’t resultaat visueel niet erg bevredigt.


zaterdag 11 november 2017

CLR James: de kleine kantjes van een groot intellect

— De jonge trotskist CLR James spreekt op Trafalgar Square in Londen (1935) —   

Over Cyril Lionel Robert James heb ik hier al een stukje gepubliceerd en ik heb daar ook al een boek (°) van hem besproken. In dat boek ontleedt James de roman Moby Dick van Herman Melville.
Moby Dick is een van de zeldzame romans die ik de jongste jaren (uit)gelezen heb. Meer: het is een van de weinige romans waarin ik me herken, meer bepaald in de figuur van Ismaël, de verteller. Over die verwantschap heb ik ginder al een stukje gepubliceerd.
CLR James noemt kapitein Achab uit dat boek een hatelijk personage, maar hij is ook bijzonder kritisch voor Ismaël en doordat ik mezelf enigszins met Ismaël identificeer is hij ook kritisch voor mij: ‘Wie herkent Ismaël niet? Hij wil een gewone zeeman zijn, iemand van het volk. Maar het is niet zo dat hij van arbeiders houdt. Het is dat hij autoriteit haat en elke vorm van verantwoordelijkheid. Hij wil geen commandeur zijn, maar evenmin een kok… Wat is er aan de hand met deze jongeman? (…) Hij verdraagt de nauwe, benauwde, beperkte ervaring niet die de beschaving hem aanbiedt. Hij haat de hebzucht, de leugens, de schijnheiligheid. Aldus afgesloten van de buitenwereld slaagt hij er evenmin in om uit zichzelf te breken.’
Beide auteurs, Melville en James, hebben bijgedragen tot mijn zelfkennis. De eerste heeft me laten begrijpen dat de dingen nooit vergeefs zijn. Zelfs als alles mislukt rest er toch het verhaal dat verteld kan worden. Is Ismaël niet de enige die de scheepsramp overleeft? Is hij het niet die ons over de jacht op de witte walvis vertelt en ons zodoende de ervaring doorgeeft? Zorgt hij zodoende niet dat wij, lezers uit de XXIste eeuw, er ons voordeel mee kunnen doen?
James heeft me dan weer doen inzien dat er aan de figuur van Ismaël een kwalijk kantje kleeft. ‘Ismaëls leven er in elke blok. En ze zijn gevaarlijk, vooral wanneer ze hun eigen milieu verlaten en tussen de arbeiders werken en leven. Want wanneer Achab, de alleenheerser, de mannen omkocht met geld en drank en hen ophitste om hem te volgen in zijn monomane queeste, dan klopte en juichte Ismaël, de man uit een goeie familie en met een goeie opleiding, met de rest mee. Zijn onderwerping aan de totalitaire waanzin was compleet.’
Maar wie hier CLR James leert kennen, kan ook de vraag opwerpen of het geen autokritiek van de auteur betreft. James verwijt Ismaël zijn individualisme, maar ook hijzelf ‘wil geen commandeur zijn, evenmin een kok…’
— Er bestaat een mooie docu over James.
De titel komt van een van zijn essays:
Every Cook Can Govern. —
In The Marxism of C.L.R. James (°°) wijdt Paul Le Blanc uit over de kleine kantjes van deze grote intellectueel. Hij citeert daarbij mensen die tot zijn strekking behoord hebben: ‘James en een paar anderen deden het serieuze intellectuele werk en lieten vervolgens de correcte politieke lijn circuleren…’ Iemand anders zegt: ‘Onze kleine groep had nobele en grote ideeën over het creëren van een betere wereld voor de mensen, wereldwijd, maar als individuen leidden ze nauw afgebakende levens (…)’ Nog iemand anders zegt verwonderd te zijn over James’ ‘onmogelijkheid om op een objectieve manier naar zichzelf te kijken.’
Dat laatste zou wel eens waar kunnen zijn. In het slothoofdstuk van zijn 'walvisboek' heeft James het over zijn verblijf op Ellis Island, waar hij in 1952 wacht op zijn uitwijzing uit de VSA. Naast hem bevinden zich ook leden van de communistische partij. Hij ziet hoe ze daar het onrecht aanklagen. Ze doen het op een nietsontziende manier en verdienen aldus het respect van zowel de gevangenen als hun bewakers… maar niet van James. Over de activist M schrijft hij: ‘Je had een lange en goed doorleefde ervaring betreffende communisme en communisten nodig om te begrijpen dat M eigenlijk even gek was als Achab.’ En waarmee houdt James zich daar bezig? ‘Ik kwam op 11 juni aan op Ellis Island en begon onmiddellijk aan dit boek te werken.’ Je moet toch al ver wegkijken om daar dan Ismaël niet in te herkennen.
Flor Vandekerckhove

(*) CLR James. Mariners, Renegates & Castaways, The Story of Herman Melville and the World We Live In. 1953. Nieuwe uitgave (2001). Uitg.: Dartmouth College Press. ISBN13: 978-1-58465-094-2. 182 ps.
(°°) The Marxism of C.L.R. James in Paul Le Blanc, Left Americana. The Radical Heart of US History. 2017. Haymarket Books, Chicago. USA. 304 pp.



vrijdag 10 november 2017

De toverfluit

Niets is zo vervelend als het aanschouwen van een opera. En de stoeltjes in dat Gentse operagebouw helpen ook niet. Ze zitten zo hard dat het schier onmogelijk is om heel dat spel uit te zitten. Ook vraag ik me telkens af waar ik mijn knieën moet laten. Zo’n opera consumeren, dat is afzien. Geloof me, ik kan het weten, ik ben een abonnee.
Ik heb ongeveer alles geprobeerd om de ervaring draaglijk te maken. Ik heb een intense poging ondernomen om op een andere manier naar de dingen te leren kijken, met een Otelloblik als ’t ware, maar ik ben er niet in geslaagd. Ik heb geprobeerd om La Bohème van Puccini aan een mij bekende cafébazin te koppelen, kwestie van de zaak behapbaar te maken, maar ook dat levert alleen maar pijnlijke knieën op. Voor ik naar Armida van Rossini ging kijken heb ik me met een essay van Leonard Pfeiffer gewapend, waarin hij zijn liefde voor het genre bezingt, maar het enige wat ik me van die opera nog herinner is een pijnlijk gat.
Weet je waar ik veel genoegen aan beleefd heb? Aan Mozarts Così fan tutte, maar dan niet aan de versie die ik in het Gentse operagebouw gezien heb, maar aan de pornoversie die filmmaker Tinto Brass er in All Ladies Do It van gemaakt heeft.
Gelukkig heb ik inmiddels toch een manier gevonden om die bittere operakelk telkens tot de droesem te ledigen, en er iets anders aan over te houden dan pijnlijke gewrichten. Van zodra ik neerzit begin ik een eigen versie van het verhaal te bedenken. In dit geval heeft het een ietwat afwijkende versie van Mozarts Toverfluit opgeleverd. 
’t Is waar dat een mens die mijn versie leest zich vragen kan stellen over de kwaliteit van mijn verdorven verbeelding, maar mijn bewerking heeft alvast het voordeel dat ze extreem kort is. En gratis!

Flor Vandekerckhove

donderdag 9 november 2017

De boog van de laatste Viking


— Links: Voerman Raymond Vansieleghem (°1897 - †1955) in zijn vrachtwagen. Hij staat voor de echtelijke woning in de Duinenstraat. Dat huis heeft later etages gekregen en gele gevelstenen, maar het bestaat nog steeds. Eertijds was dat nummer 239, nu 303. Op de gevel stond destijds: ‘R. VANSIELEGHEM VOERMAN’ en het telefoonnummer.
Rechts: Remi Vanghelewe (80). In 1954 was hij het jongste lid van de Bredense handbooggilde De Vikingers. Remi bezit nog altijd Raymonds boog die hij later van weduwe Marie Dekuyper cadeau gekregen heeft. —

Op het neergelaten rolluik wordt een kruisbeeld aangebracht. Mannen die passeren ontbloten het hoofd, vrouwen slaan een kruis. 
Het huis staat schuin tegenover het onze, en wordt bewoond door voerman Raymond Vansieleghem en zijn echtgenote Marie Dekuyper, bobonne. Ik moet zeggen werd bewoond, want op die zomerse dag in 1955 is Raymond schielijk overleden. Ik herinner me die dag.
Raymond is in zijn vrachtwagen gestorven. De auto, die onbeheerd achterblijft, wordt door zijn zoon Robert naar huis gereden. Ik zie hoe nonkel Robert er traag mee voorbij ons huis rijdt. Hij ziet er geslagen uit, getekend door het onverwachte verlies.
Iedereen kijkt sprakeloos toe. Ik ben zes, maar begrijp toch dat er iets onomkeerbaars gebeurd is. Raymond, die er in mijn perceptie altijd geweest is, zal er opeens nooit meer zijn.
’s Anderendaags gaat mijn moeder de laatste eer bewijzen. Ik steek mee de straat over en moet daar in de gang wachten, terwijl moeder en bobonne zich in de voorplaats afzonderen. Ik vang een glimp op van de overledene die daar opgebaard ligt. Het is voor het eerst dat ik een overleden mens zie, maar ik ben vooral onder de indruk van de zwarte baldakijn waarmee de rouwkamer ingericht werd, ten teken dat hier een pikzwart drama plaatsgrijpt. (Bobonne zal de rest van haar leven in 't zwart gekleed gaan.)
Vandaag, tweeënzestig jaar later, word ik weer aan Raymond herinnerd. Dat komt door een stukje dat ik eerder over de Bredense Handbooggilde De Vikingers gepubliceerd heb. Marc Blomme bezorgt me de namen van de boogschutters en dan schrijft hij dit: ‘De enige nog in leven zijnde schutter is Remi Van Ghelewe. Hij was toen pijlenraper, 17 jaar oud, en kon zo aan wat extra zakgeld komen. Omdat hijzelf geen boog had mocht hij deze van de andere leden gebruiken. Later — er was toen al geen schuttersgilde meer — kreeg hij de boog van Robert Vansieleghem.’
Dat laatste verheugt mijn nicht Nadine, want zij heeft zich lang afgevraagd waar de boog van haar vader gebleven is. Prompt begeeft ze zich naar Remi Van Ghelewe. Daar leert ze hoe de vork aan de steel zit: Bij Remi en Eliane verneem ik dat die boog niet van mijn vader Robert is, maar van Raymond Vansieleghem, mijn grootvader. Remi heeft de boog van bobonne gekregen na het overlijden van Raymond. Remi heeft die boog nog altijd en hij is er nog steeds aan gehecht.’
Dat de laatste nog in leven zijnde Vikinger aan die boog gehecht is valt licht te begrijpen, want, zeg nu zelf, wat is een Viking zonder zijn boog. Toch belooft hij Nadine dat hij ’t haar zal laten weten mocht hij ter zake ooit enige onthechting voelen opborrelen.

Flor Vandekerckhove

dinsdag 7 november 2017

Die ochtend op de Boekenbeurs

— In het bos werd een gele Renault Dauphine gedumpt (eigen foto) —

Terwijl ik in een boek aan ’t bladeren ben, stoot iemand me aan: ‘Gelooft u in zo’n dingen?’ Haast meteen herken ik Alain Remue, de man die televisiemakers vinden als er vermiste personen gezocht moeten worden.
Het boek dat ik aan ‘t inkijken ben heet Atlas van de imaginaire verklaringen en gaat over waanwetenschappen. Het is erg mooi uitgegeven, een plezier om in te bladeren. ‘Ik geloof nergens in,’ antwoord ik naar waarheid.
‘Ik heb een collega die erg goed is in zo’n patafysica,’ zegt Remue, ‘hij is betrokken bij het onderzoek naar de Bende van Nijvel.’
‘Ja,’ zeg ik, ‘een mens zou voor minder naar waanwetenschappen grijpen.’
Daar moet Remue om lachen. ‘Maar hij boekt er wel resultaat mee.’
Terwijl we in de mensenzee richting uitgang sjokken vertelt hij over een getuige, een man die de Bende in Aalst aan ’t werk gezien heeft. En hoe die opmerkt dat de Bende zich na de overval splitst. Vluchten doen ze niet met één auto, maar met twee. Die tweede auto kan de getuige niet zien, want hij ligt op de grond in Delhaize, maar hij hoort hem wel wegscheuren. Nu komt de collega van Remue op de proppen. Hij vraagt de getuige om zich het motorgeluid te herinneren en daarbij aan een kleur te denken. Geel, zegt de getuige om iets te zeggen. Dan vraagt hij die man om zich nogmaals op het geluid te concentreren en aan een automerk te denken. Renault, zegt de man om ervan af te zijn. De flik roept zijn mannen bij elkaar en zegt: We zoeken een gele Renault! 
Ik kijk naar Remue en hij kijkt naar mij: ‘Jawel,’ zegt hij, ‘en dat zonder dat die getuige ook maar iets gezien heeft.’
We zijn inmiddels tot bij de uitgang van de Boekenbeurs geraakt en passeren moeiteloos de controleurs die de tassen op gestolen waar moeten controleren. ‘En weet je wat de collega’s onlangs ontdekt hebben?’ 
Neen, dat weet ik niet. 
‘In het bos, op het perceel waar de Reus van de Bende een caravan heeft staan, vinden ze het wrak van een gele Renault Dauphine.’
Toeval, denk ik meteen, maar dat zeg ik hem niet. Wat ik wel zeg is dit: ‘Sorry, meneer Remue, maar ik moet me nu naar de tram haasten.’
Remue gaat zijn eigen weg en ik stap op de 6 die me naar Antwerpen-Centraal brengt. Pas wanneer de trein rijdt durf ik het boek, dat ik op de beurs ontvreemd heb, van onder mijn jas te halen. Ik blader verder in de Atlas van de imaginaire verklaringen; echt een heel leuk boek om in te grasduinen.
Flor Vandekerckhove


° Willem Vanhuyse. Atlas van de imaginaire verklaringen — Handboek voor de patafysicus. 2017. Lannoo. 384 pp.

zondag 5 november 2017

Kan je verhalen wissen met een nekschot?


De affiche Aan het Poolse front is bedoeld voor het blad 
van het Kozakkenleger, waarvoor Isaak Babel reportages 
schrijft. De tekst is van de futuristische dichter Vladimir Majakovski: 
De commune versterkt zich in het zoemen van de kogels…
Ook de reportages van Babel voor die krant zijn propagandistisch. 
Zijn verhalen daarentegen heeft de legerleiding niet zien aankomen. 
Volgens de biograaf van Babel heeft de schrijver ermee 
zijn doodsvonnis getekend.
In 1940 wordt de Russische schrijver Isaak Babel op bevel van Stalin vermoord. Uit de verhoren blijkt dat hem trotskisme en spionage aangewreven wordt. We weten dat die beschuldigingen nergens op slaan, want veel meer dan thee met Trotski valt Babel niet te ‘verwijten’.
Waarom werd Babel vermoord? Adrien Le Bihan zoekt in zijn recente Babelbiografie (°) naar een verklaring die wortelt in de oorlogsjaren 1920-21.
In die tijd is er oorlog tussen de Sovjets en de Polen. Het Rode Leger wordt aangevoerd door Michael Toechatsevski (°°), vertrouweling van Leon Trotski. Babel is tijdens die oorlog een embedded journalist in een van de legeronderdelen, de Eerste Cavalerie. Die staat onder bevel van Semion Boedjonny, die tegen Stalin aanleunt. Volgens Le Bihan gaan Stalin en Boedjonny in die oorlog zo’n beetje hun eigen gang, en die spoort niet altijd met de algemene strategie van het Rode Leger.
De Russische opmars loopt uiteindelijk dood voor de poorten van Warschau. Stalin geeft Toechatsevski de schuld; die toont dan weer aan dat de weifeling van Boedjonny de zege belet heeft. De kwestie heeft de Russen blijkbaar lang bezig gehouden. Zegt Le Bihan: ‘Een Sovjetrapport uit 1984 zal de Eerste Cavalerie ervan beschuldigen de orders van Moskou niet opgevolgd te hebben.’
Tijdens die oorlog houdt Babel een notitieboekje bij, waaruit hij zijn beroemde De rode ruiterij zal distilleren. Vaak wordt Boedjonny daarin voorgesteld als onhandig en besluiteloos. Babel heeft daar overigens geen politieke bedoelingen mee; het is hem om de literatuur te doen. Maar…
Boedjonny kan er niet om lachen. Stalin evenmin, zegt Le Bihan, want in het dispuut over de Poolse veldtocht heeft Stalin er belang bij dat Boedjonny als een vernuftig militair strateeg voorgesteld wordt, kwaliteiten die op Stalin moeten afstralen.
Het tijdschrift Rood Braakland publiceert in april-mei 1924 de eerste verhalen van De rode ruiterij. Dat tijdschrift wordt geleid door de bolsjewiek Voronski die, net als Trotski, van mening is dat schrijvers als Babel — fellow-travellers — een rechtmatige plaats in de sovjetliteratuur hebben. 
De biograaf van Babel toont aan dat er na publicatie meteen een campagne tegen de auteur opgezet wordt. Die wordt evenwel in de kiem gesmoord, want Rood Braakland is een tijdschrift dat door de nog maar pas overleden Lenin gesteund werd. De lastercampagne wordt al in september hernomen. Er verschijnt een vlammende tekst, ondertekend door generaal Boedjonny, maar wellicht geschreven door een groep die het op de fellow travellers gemunt heeft, en vooral op de succesrijke Babel, ‘een verrot restant van de burgerlijke intellectuelen’. De tekstschrijvers zijn naar eigen zeggen verwonderd dat Voronski ‘de bladzijden van een literair sovjettijdschrift openstelt voor de laster van deze vijand van de arbeidersklasse’. Ten onrechte maakt Babel er zich geen zorgen om.
In 1928 lanceert Stalin een indrukwekkend initiatief om de literaire productie in de USSR naar zijn hand te zetten. Hij spaart moeite noch kosten om daarbij Maxim Gorki voor zijn kar te spannen. Lenin heeft die Gorki in 1921 naar het buitenland gestuurd, want de communisten houden wel van zijn boeken, maar niet van zijn bemoeienissen. Stalin wil hem terughalen en zal daar in 1931 ook in slagen.
1928 is ook het jaar waarin Isaak Babel voor de tweede keer hard aangevallen wordt. Weer vertrekt de aanval van Boedjonny. Die schrijft een brief naar de dan nog steeds in het buitenland verblijvende Gorki. Over Babel zegt Boedjonny: ‘Hij vindt dingen uit die nooit plaatsgevonden hebben, hij slingert vuil naar onze beste communistische bevelhebbers, geeft zijn verbeelding de vrije loop, liegt gewoon…’ Gorki neemt het op voor Babel en Stalin beslecht de zaak: ‘De Rode Ruiterij is zo slecht niet.’
Hoezo? Heeft Le Bihal er in voorgaande bladzijden niet op gewezen dat Stalin dat boek ongenegen is? Jawel, maar eerst moet Gorki weer binnengehaald worden. Boedjonny moet zijn beurt afwachten.
Pas nadat Gorki overleden is slaat Stalin toe. Babel wordt in 1939 opgepakt en komt in de beruchte Loebjanka terecht. Daar wordt hij in 1940 met een nekschot afgemaakt. Zegt biograag Adrien Le Bihan: ‘Stalin wilde de auteur van De rode ruiterij laten verdwijnen en met hem zijn boek.
Flor Vandekerckhove
  
(°) Adrien Le Bihan. Isaac Babel, L’écrivain condamné par Staline. 2015. Paris, ed. Perrin. 343 pp. 
(°°) Michael Toechatsjevski overleeft de Grote Terreur van Stalin niet. Vermelden we nog dat hij een knap violist was die soms met Dmitri Sjostakovitsj musiceerde. Die laatste is in het verlengde van de zaak Toechatsjevski  slechts per toeval aan een gewisse dood ontsnapt. Ik schreef daar eerder een stuk over dat toepasselijk Op het nippertje heet.