woensdag 30 november 2016

Hoe de koe zichzelf bevrijdt

— Na haar overlijden kreeg Emily een standbeeld. —
De bevrijding van de koeien kan enkel het werk van de koeien zelf zijn.
Het gebeurt wel meer dat u bij het lezen van mijn teksten de wenkbrauwen fronst, maar zo bruin, zult u opmerken, heb ik het eerder nog nooit gebakken.
Die zin staat daar evenwel niet zomaar. Kenners zullen er iets van Marx in lezen. Die schreef eerder al, meer bepaald in 1864: ‘De bevrijding der arbeidersklasse kan slechts het werk van de arbeiders zelf zijn’.
Die koeien heb ik er 152 jaar later bij gezet omdat ik hier een essay gelezen heb van een doorgewinterde dierenrechtenactivist. Volgens Jason Hribal moet Marx de dieren in het begrip arbeidersklasse insluiten. Dat essay, Animals are Part of the Working Class, is doorspekt met moeilijke citaten en geleerde rederingen, bijgevolg een beetje te moeilijk voor mij, en daarom ga ik al rap op zoek naar een praktijkvoorbeeld. Zodoende stoot ik op de wonderbaarlijke geschiedenis van Emily de koe.
In 1995 wordt een koe aan het slachthuis geleverd. Het dier ontsnapt en vlucht naar de nabijgelegen bossen. Men probeert haar nog te vangen, maar ze is haar achtervolgers te vlug af. Zes weken lang verstopt ze zich in het woud. Men probeert haar met hooi te lokken, maar de koe loopt niet in de val. Getuigen zien hoe ze samen met een hert op veilige plekken graast. (In de terminologie van Hribal heet het dat het hert de koe zonder menselijke tussenkomst leert grazen.) Het slachthuis geeft de zoektocht ten langen leste op en verkoopt de koe voor een symbolische dollar aan een plaatselijke vegetarische gemeenschap.  Uiteindelijk komt de koe uit de bossen tevoorschijn en onder de naam Emily the Cow graast ze de rest van haar leven rustig op de weiden van de pacifistische-vegetarische stichting die haar gekocht heeft. Ze sterft in 2004. Na haar dood wordt daar een standbeeld voor haar opgericht.
Het geval van Emily the Cow is niet uniek. Ook koe Moly B. is op soortgelijke manier aan een gewisse dood ontsnapt. Ze vlucht over de treinsporen, vernielt de opgeworpen politieversperringen, zwemt over een rivier en blijft zelfs te poot nadat drie verdovende pijltjes op haar afgeschoten worden. Ze heeft zoveel indruk gemaakt dat, wanneer ze uiteindelijk gevangen wordt, men beslist haar toch maar niet te slachten.
Ik vind nog langdurige en succesrijke ontsnappingen: schapen, apen, varkens… Er is ook een geval bekend van olifanten die antilopen uit een kooi bevrijden.
Soms wordt zo’n vluchteling nooit meer gepakt. De dolfijn Takoma werd door het Amerikaanse leger ingezet in Irak. In de terminologie van dierenbevrijder Jason Hribal heet het alzo: ‘Takoma the dolphin was a soldier in the US military’. Ze hielp bij het opsporen van mijnen. Maar in 2003 deserteerde ze en ze werd nimmer weergevonden. 
Heeft Jason Hribal een punt? Ik zou het niet weten. Wat ik wel weet is dit: zolang er mensen zijn als die Jason… is alle hoop nog niet verloren.
Flor Vandekerckhove

dinsdag 29 november 2016

Toni Erdmann, The Dude op latere leeftijd

— Links: The Dude uit The Big Lebowski. Rechts Toni Erdmann uit de gelijknamige film: pruik en foptanden. —
Een vader weet niet wat zijn kinderen over hem denken. Dat besef ik al sinds ik The Big Lebowski gezien heb. Ik ben daar indertijd naartoe gaan kijken omdat mijn dochter zei dat ze in The Dude haar vader herkent.
De gebroeders Coehn schetsen in die film een niet geheel onsympathieke, maar toch vooral erg luie, tijdverspillende nietsnut. Tijdens de voorstelling frons ik meermaals de wenkbrauwen: zo kijkt mijn dochter dus naar mij, haar vader. Ik die altijd wel ergens mee bezig ben. En ik kan niet eens bowlen!
Ouders en kinderen, het blijft een ingewikkelde oefening. Daar moest ik onlangs weer aan denken, toen ik naar Toni Erdmann ging kijken, het meesterwerk van de Duitse Maren Ade. Gedurende 2 uur en 42 minuten tekent zij op magistrale wijze de verhouding tussen de ambitieuze dochter Ines en Winifried, haar ambitieloze en vooral erg grapjassende vader.
De vlakke carrière van Winifried is ten einde gekomen. Daar gaapt het zwarte gat van het pensioen. De hond is dood. Hij is alleen. En hij vindt het een goed idee om zijn in het buitenland levende dochter onaangekondigd een bezoek te brengen.
Daar wordt vader Winifried ten volle geconfronteerd met het leven zoals het voor zijn kind is: snel, meedogenloos, oppervlakkig, helemaal in het teken van het neoliberalisme in het tijdperk van de globalisering. Hij ziet dat zijn kind niet gelukkig is.
Daar wil hij iets aan doen. Winifried gaat over tot de actie en spaart daarbij moeite noch geld. Uiteraard doet hij dat op zijn manier, met grappen en grollen, pruiken en scheetkussens, toestanden die vooral hemzelf amuseren en soms ook wel eens een omstander, maar helaas nooit zijn dochter. Zij wil er alles aan doen om in de wereld serieus genomen te worden. De grappen & grollen van haar vader dragen daar maar weinig toe bij, integendeel.
We mogen hard lachen om de alzo ontstane situaties, maar die lach kan de tragiek niet verhelen. Die mens wil zijn kind waarden meegeven, maar die blijken onbruikbaar te zijn in de bikkelharde, neoliberale wereld waarin dat kind terechtgekomen is.
Zo nu en dan is er een moment waarop het wel nog kan, de vervreemding opheffen, maar dat moment is van zo’n korte duur dat vader Winifried de tijd niet krijgt om er een foto van te maken. Moraal: er zal meer nodig zijn dan een scheetkussen om de mensen weer bij elkaar te brengen en het leven een beetje zinvol te maken.

Flor Vandekerckhove

zondag 27 november 2016

Bladeren in Partisan Review

— Een jongensclubje. De redactie van Partisan Review
in
 1938. Philip Rahv staat bovenaan in 't midden,
Dwight MacDonald rechts, FW. DuPee links. —
Partisan Review is een Amerikaans cultureel tijdschrift. Het blad kent een merkwaardige geschiedenis die in 1934 aan de rand van de communistische partij (CPUSA) ontspruit en in 2003 aan de rechterzijde van het politieke spectrum uitdooft. Maar vanaf 1937 tot in de Tweede Wereldoorlog is het een onafhankelijk links blad geweest, waarin invloedrijke auteurs een linkse, antistalinistische visie op kunst & cultuur naar voor schuiven.
De universiteit van Boston heeft alle edities van dat tijdschrift hier online gezet. Je kunt die vanuit je luie zetel lezen. Je moet daar echt eens naar surfen, want ’t is mooi gedaan. Je hoort de pagina’s ritselen terwijl je doorheen een tijd reist waarin intellectuelen zich achter boude stellingen scharen zoals deze: ‘We zijn de mening toegedaan dat elk magazine dat in de voorhoede van de literatuur een plaats nastreeft een revolutionaire strekking zal hebben; maar we zijn er eveneens van overtuigd dat zo’n magazine ondubbelzinnig onafhankelijk zal zijn.’
In 1937 heeft Partisan Review (PR) met de CPUSA gebroken. Tegelijkertijd wil de redactie niet van de ene partij in de andere sukkelen, wat er in die context op neer komt dat het een afstand bewaart ten aanzien van de trotskisten.
In Interviews with Dwight Macdonald zegt de PR-redacteur daarover: ‘Ik heb twee brieven van Leon Trotski, en ik heb de indruk dat, alhoewel Trotski niet wilde dat Partisan Review de Amerikaanse trotskistische organisatie zou vervoegen, hij toch wel dacht dat het magazine zich absoluut voor het trotskisme zou uitspreken.’
Die brieven staan ook in de essaybundel Leon Trotsky on Literature and Art. De ene heet The Future of Partisan Review. De andere Arts and Politics (in Our Epoch). Die tweede werd ook afgedrukt in Partisan. Je moet maar eens door het nummer van augustus 1938 ritselen.
Die tweede brief is een klassieker van het trotskisme. Trotski schrijft daarin dat een revolutionaire politieke partij geenszins de bedoeling mag/kan hebben om wie dan ook een kunstvisie op te leggen.
De eerste brief lees ik nu voor het eerst. De redacteurs van PR zijn wel heel slimme mensen, schrijft Trotski, maar ze verdedigen zich tegen de stalinisten zoals ‘jonge dames zich tegen de beledigingen van herrieschoppers verdedigen. “Waarom worden we aangevallen”, klaagt u, “ wij willen alleen maar leven en laten leven”.’
Ik blader verder in de jaargangen van PR en in het mei-juninummer van 1952 lees ik dat redacteur Philip Rahv er inderdaad een moraal van leven en laten leven op nahoudt: ‘Als we in deze omstandigheden de meedogenloze uitbreiding van de massacultuur niet kunnen tegenhouden, dan kunnen we er ons ten minste afzijdig van houden en haar gunsten weigeren.’ Leven en laten leven dus, zoals de ouwe zei.
Dat betekent uiteraard niet dat het blad geen interessante bijdragen van interessante mensen publiceert. Ik ritsel verder. Veel kans dat ik op iets stoot dat me inspireert.

Flor Vandekerckhove

zaterdag 26 november 2016

De grote cowboystaking


— Shoe Bar Chuck Wagon, Hoodlum Wagon and Some of the
Boys
, 1912, een foto van cowboyfotograaf Erwin E. Smith. —
Op 23 maart 1883 kreeg een groep cowboys opdracht om de kudde naar de markt te brengen. Ze wilden boter bij de vis en omdat het geld er niet meteen kwam legden ze het werk neer. De actie nam uitbreiding en gedurende bijna drie maaanden kregen zeven grote ranches met een werkstaking te maken waarbij 325 cowboys betrokken waren.
In de jaren tachtig vonden kapitaalkrachtige investeerders de weg naar de ranches. Net als nu bracht die toevloed van vers kapitaal rationalisaties met zich mee. Net als nu was het jan met de pet die ervoor moest opdraaien, maar in dat geval was die pet een stetson. Waar de cowboys voorheen een deel van hun loon in kalveren uitbetaald kregen en er soms een kleine eigen kudde mochten op nahouden, werd daar nu een einde aan gemaakt. Omdat het cowboyloon toch al klein was leidde die nieuwlichterij tot grote ontevredenheid.
Cowboy Tom Harris legde een klein stakingsfonds aan en probeerde in de streek vakgenoten te mobiliseren. Met wisselend succes. Het aantal stakers schommelde in die periode tussen 30 en 325.
Net zoals vandaag kregen de stakers ook toen de media tegen zich. Kranten hadden het over aanvallen op ranchers, brandstichting en het doden van dieren. Harris werd omschreven als ‘bold and bad’. Veel meer dan stemmingmakerij bleek het niet te zijn.
De ranchers boden een kleine loonsverhoging aan en ontsloegen iedereen die het daarmee niet eens was. Na 2,5 maanden was de staking doodgebloed.
Je kunt achteraf op twee manieren naar de grote cowboystaking kijken. Volgens de enen kadert de actie dat in het individualisme dat cowboys eigen zou zijn. Cowboys zijn, in die visie, vrije individuen die over de weide prairies trekken, en er maar moeilijk mee kunnen leven dat ze letterlijk ‘ingeperkt’ worden. Nieuwe ranchers waren inderdaad begonnen hun weiden te omheinen, wat het cowboywerk uiteraard minder noodzakelijk maakte. Ook de ontwikkeling van een uitgebreid spoorwegnet maakte in die tijd veel cowboyhanden overbodig.
Cowboy Jack Burns (Kirk Douglas) zegt het in Lonely Are The Brave, waarover ik hier eerder al iets geschreven heb: ‘A Westerner likes open country. That means he's got to hate fences. And the more fences there are, the more he hates them.
Anderen zien in de grote staking een teken dat de cowboys zich in die tijd, even goed als arbeiders elders in de wereld, beginnen te verenigen. Met die interpretatie zou cowboy John Sullivan het wellicht eens geweest zijn. Ook over die Sullivan schreef ik hier eerder al een stukje. Daarin vind je trouwens een link naar ’s mans biografie die gratis van het internet geplukt kan worden.
Flor Vandekerckhove

woensdag 23 november 2016

Tarzanboom

—De Tarzan in de Duinbossen van De Haan. (Eigen foto) —
In de jaren vijftig was de wijk waar we woonden onze hele wereld. Ten noorden werd die afgebakend door de zee, ten zuiden door de polders, in het oosten fungeerde de Visserskapel als grenspaal en ten westen was er de oude molen. Het waren grenzen die wij, spelende kinderen, zelden overschreden.
Soms deden we het toch. We fietsten naar de Spuikom of we trokken via het strand westwaarts naar het Fort Napoleon en oostwaarts naar D’Heye. Of we spoedden ons naar de Duinbossen van De Haan, want daar stond een boom die dringend beklommen moest worden: de Tarzanboom.
Daar moest ik aan denken toen ik enkele dagen geleden het stukje over de Caesarsboom schreef, die in Lo erg gekoesterd wordt. Ik herinnerde me opeens die Tarzanboom en ik schreef er iets over in dat stukje.
Ivan Schamp reageerde meteen: ‘Ja dat klopt’, schreef hij enthousiast, ‘de Tarzanboom staat in het bos recht tegenover het Medisch Psychisch Instituut van het Gemeenschapsonderwijs. Ik herinner me dat mijn vader met mij naar die boom trok om hem te beklimmen. Ik meen dat ik er ook eens met jou en met nog anderen naartoe getrokken ben, alweer met de fiets, wellicht om ook jullie die boom te leren kennen. Wat ik ook nog weet is dat jij tot in de kruin van de boom geklommen bent en ik met moeite tot halverwege. Schrik! Later heb ik op mijn beurt de Tarzanboom aan mijn drie kinderen leren kennen. Ook zij hebben de boom tot in de top beklommen.’ Ivan laat nog weten dat hij me dit bericht vanuit Tenerife stuurt. De tijd dat onze wereld zich beperkte tot de wijk waarin we woonden ligt ver achter ons.
Schamp beschrijft de plek nauwkeurig en omdat ik toch in De Haan moet zijn, ga ik die opzoeken. Rechtover het MPI trek ik het bos in. Al gauw kom ik aan de rand van een duinpan. Die mag je niet betreden. Er staat niet alleen een bordje dat je daarop wijst, er is ook een omheining die het je belet. Aan de overkant zie ik hem staan, de Tarzan!
Nog altijd oogt hij indrukwekkend. Meer dan vroeger zelfs, want de tijd heeft aan de bodem gevreten en de boom toont ons nu niet alleen zijn indrukwekkende takken, maar ook zijn machtige wortels. Ik vraag me af of de Tarzan op die manier nog een lang leven beschoren is.
De boswachter is niet in de buurt en ik kruip over de draad. Niet om in de top van die boom te klimmen — dat zou ik niet meer durven/kunnen — maar om hem van nabij te fotograferen.
Terwijl ik dat doe valt me, vlak naast de Tarzan, nog een boom op. Ook die kun je tot boven beklimmen. Mag ik die buurboom de Jane noemen? Of is dat overdreven?
Flor Vandekerckhove

maandag 21 november 2016

Tot mij spreekt de geest

Wanneer we het visrestaurant binnenkomen trekt er een koude rilling over mijn rug. Ik weet niet hoe dat komt. Met z’n zessen installeren we ons aan een lange tafel.
Aanleiding vormt Lucs verjaardag. We zijn uitgenodigd. Als cadeau had ik vooraf iets willen schrijven, maar het is er niet van gekomen. Daarom betaalt mijn vriendin nu het aperitief.
Aan een tafeltje herken ik een professor, een grondwetspecialist. Er is nog volk. De waard is druk in de weer.
Aan onze tafel zitten de vrouwen tegen de muur, de mannen er recht tegenover. Dat is confronterend, want voor me zitten een hotelmanager, een verpleegkundige en een bibliothecaris; stuk voor stuk mensen die voor het inkomen zorgen en hogerop willen. Aan de mannenkant word ik geschraagd door twee kunstschilders. Niks inkomen, drie mannen die er alles aan gedaan hebben om niet hogerop te geraken. Misschien kan ik daar iets over schrijven.
Ik hoor iets aan de muur krabben. Ik vraag de vrienden of ze dat ook horen. Dat blijkt niet het geval te zijn.
Garnaalkroketten, vis, koolhydraten, ijs. We spreken over fundamentele schilderkunst en het weer, over de afwezigheid van vernieuwing en de kinderen. Iedereen drinkt wijn & cava en ik drink bruisend water. Komt het daardoor dat ik, als enige, een klagende stem doorheen de muur meen te horen?
‘Horen jullie dat niet?’ Ik vraag het iets te luid en in het restaurant verstommen prompt de gesprekken. Zelfs de professor luistert aandachtig met ons mee. Niemand zegt een stem te horen. Zelfs Luc, die altijd wel iets hoort, hoort deze keer niets. Ik zwijg er verder over, maar er is wel degelijk een stem en hij komt uit de muur.
Bij het afscheid vraag ik de uitbater een visitekaartje. Hij heet Edgar en zegt me dat hij de kleinzoon van de Duitse bakker is. Dat verklaart veel. Ik heb die bakker nooit gekend, maar over diens pand heb ik hier een stukje geschreven. Zou Edgar iets uit dat huis geërfd hebben, een geest bijvoorbeeld?
Alzo eindigt dit vignet dat ik geschreven heb als verjaardagsgeschenk voor Luc Martinsen die onlangs 65 geworden is. Het is gebaseerd op gebeurtenissen die zich op 19 november afgespeeld hebben in het restaurant De Yot. Op de website van deze onderneming lees ik dat Edgar de Oostendse heemkundige auteur Desnerck R. onder de arm genomen heeft om die merkwaardige naam uit te leggen. Ge moet daar maar eens naar kijken.

Flor Vandekerckhove

zondag 20 november 2016

De boom van Julius Caesar



Wie Lo vanuit het westen binnenwandelt, doet dat via een middeleeuwse stadspoort die zo smal is dat je er ernaast moet lopen.
Je denkt bij jezelf: die poort is zo oud als de straat. Dat is onjuist. De poort werd gebouwd in 1250, maar de straat is veel ouder. Die is zo oud dat Julius Caesar via Lo naar Brittannië getrokken is. Naast de poort staat zelfs een boom waaraan Caesar zijn paard heeft vastgebonden.
In Lo zijn ze daar uiteraard trots op. Ze hebben een passerelle rond de tronk gebouwd en een trap, zodat de wandelaar Caesars boom langs alle kanten kan aanschouwen. Er komt ook een stem uit de muur die het verhaal vertelt. Verder doen ze er alles aan om de boom recht te houden. De stam is dichtgemetseld, ijzeren stangen ondersteunen de takken.
Ik maak mijn huiswerk. Caesar heeft Brittannië omstreeks 55 v. Chr gepenetreerd. Als dat Caesars boom is dan betreft het een mirakel. Zo’n taxusboom kan immers nooit tweeduizend jaar oud worden.
De site van ’s lands onroerend erfgoed leert me wat er van aan is. 250 jaar oud schat men daar de boom. Maar: J. Chalon vermeldt in zijn "Merkwaardige bomen" van 1924 dat zich hier reeds in 1050 een Venijnboom bevond.’ Is die voorganger dan Ceasars boom?
— Rond Caesars boom werd een passerelle gebouwd
en een trap, zodat je de boom goed kunt bekijken. —
‘De 'Caesarslegende' ontstond in de 17de eeuw,’ zeggen de erfgoedbeschrijvers, ‘J.B. Gramaye, historiograaf van de aartshertogen Albrecht en Isabella schrijft in 1612 voor het eerst dat Caesar te Lo voorbijkwam. Zo ontstond de legende dat hij er zijn paard aan de Taxus vastbond.’ 
’t Is hoe dan ook een mooi verhaal en het geeft me zin om elders in ’t land op merkwaardige bomen af te stappen. Want er zijn er nog.
Ik kan beginnen in De Haan waar de Tarzanboom staat. Die heet officieel niet zo, dat is de naam die wij er in onze kindertijd aan gaven. Een indrukwekkend takkenstelsel liet ons toe tot in de top te klimmen. Dat zou vandaag niet meer mogen, ik zou het trouwens ook niet meer kunnen. Ik vraag me af of hij er nog altijd staat.
Van de Onzelievenherenboom in Kortessem schiet nauwelijks iets over. Stormen, bliksems en rukwinden hebben de zomereik klein gekregen. Naast het povere restant staat een bordje dat vermeldt dat de bokkenrijders daar bijeenkwamen.
In Lummen staat de Duizendjarige Eik. De stamomtrek is 6,3 meter. Ook daar weer een zweem van geschiedenis, want op die plek werden de plaatselijke heksten verbrand.
De Achtzalighedenboom heeft oorspronkelijk acht takken en wordt daarom naar de acht zaligsprekingen van Christus genoemd. De grove den staat in Lille nog altijd overeind, maar niet lang meer, want in 2014 maakt Het Laatste Nieuws bekend dat zijn einde nakend is.
Wat je op zo’n wandeling ook kunt aantreffen zijn spijkerbomen. Ze hebben een geneeskrachtige werking die je kunt oproepen door er een nagel in te slaan. In Poperinge is er zo’n spijkerboom. In Ons Heeren Boompje ‘worden spijkers en vijzen gedreven. In de haag hangen kledingstukken, fopspenen, bijsluiters en dergelijke’. Een vuile boel is dat, als je 't mij vraagt, maar toch een die je eens gezien moet hebben.

Flor Vandekerckhove

vrijdag 18 november 2016

Veelwijverij op Vlaamse televisie!

Niets is wat het lijkt in de
spektakelmaatschappij.
Een middenklassengezin zit in een schuitje dat draaiend van het watervalletje dendert. Ik kijk geconcentreerd naar de reclamespot. Opspattend water, dolle pretparkpret.
Telkens die commercial het scherm passeert wordt mijn aandacht getrokken door de vader, een atletisch gebouwde medemens. Zijn haarsnit is correct, zijn kleren zijn correct, zijn lach is correct. Hij heeft er echt plezier in, dat zie je. Hij houdt van zijn gezin en van het pretpark. Hij is een gezonde mens, een hardwerkende Vlaming, een modelvader, een voorbeeldige pretparkbezoeker en een super echtgenoot. Ik denk dat vrouwen hem sexy vinden.
Ik ken die mens, maar ik kan hem niet thuiswijzen. Telkens ik de spot zie passeren breek ik me het hoofd. Waar heb ik die man al eerder gezien?
Ik wacht op het nieuwsoverzicht, maar eerst wordt me nog iets van Willems getoond, een fabrikant van veranda’s. Ik zie een klassieke, een moderne en een protserige veranda. De advertentie sluit af met beelden van een gezin dat toeslaat. Contract getekend. Handdruk. Willems blij, vrouw glundert, man lacht.
De man… Het is díe man…
Nu vraag ik je: hoe groot is de kans dat je twee keer gefilmd wordt en daarmee ook twee keer op de tv komt? Die kans is klein, antwoord je. Dat is juist, maar ze is niet onbestaand. Onmogelijk is het niet dat een mens in twee verschillende televisiespotjes terechtkomt.
Dat is, denk ik eerst nog, wat dat gezin overkomen is. Nadat het gezin dolle pretparkpret beleefd heeft is het met de middenklassenwagen naar Willems gereden om daar een veranda te kopen. Het gezin wordt twee keer gefilmd. De twee advertenties tonen me dezelfde aantrekkelijke, lachende, gelukkige mensen.
Ik wacht tot ik de Willemsreclame nog eens te zien krijg. Dan valt het me op. De vrouw waarmee de man die veranda koopt… Dat is niet de vrouw waarmee hij eerder in dat pretparkschuitje zat. Na het pretparkbezoek heeft hij zijn eerste vrouw thuis afgezet om daarna, met zijn tweede vrouw, een veranda te gaan kopen.
Zo zie je maar. Hagelwitte tanden, aanstekelijke lach. Je denkt dat je een voorbeeldige familieman te zien krijgt, een mens om jaloers op te zijn, een voorbeeld voor het mannendom, de ideale schoonzoon… Blijkt dat het een bigamist is.
Flor Vandekerckhove

donderdag 17 november 2016

De hartstocht heerst, de vertelling overleeft

Hoe is de oppergangster van Odessa, de genaamde Benja Krik, koning der rovers, erin geslaagd de hand te winnen van de mooie Tsilja, dochter van Eichbaum, een rijkaard ‘die op één na zestig melkkoeien bezat?’ Isaak Babel, mijn lievelingsauteur, heeft het erover in De koning, een van zijn Verhalen van Odessa.
Eichbaum weigert beschermgeld te betalen en dus overvalt de gangster diens erf: ‘Ze kwamen ’s nachts, negen mannen gewapend met lange stokken. De stokken waren omwikkeld met geteerde jute. Negen brandende sterren ontvlamden op Eichbaums erf. Benja hakte de sloten van de stal en begon de koeien een voor een naar buiten te leiden. Een kerel met een mes wachtte ze op. Met één slag velde hij een koe en plantte zijn mes in het koeienhart. Op de bloeddoordrenkte aarde bloeiden de fakkels als vurige rozen, en er knalden schoten.’
De herenboer buigt het hoofd en komt tot een gedwongen overeenkomst met de gangsterkoning. Maar intussen is er nog iets anders gebeurd. ‘Tijdens de overval, in die verschrikkelijke nacht toen de neergestoken koeien loeiden en de kalfjes uitgleden in hun moeders bloed, toen de fakkels dansten als zwarte maagden en de melkmeiden gillend terugdeinsden voor de lopen van de vriendelijke brownings — in die verschrikkelijke nacht was de dochter van de oude Eichman, Tsilja, in een laag uitgesneden nachtpon het erf opgerend. En de overwinning van de Koning was zijn nederlaag geworden.’
Twee dagen later komt de Benja Krik weer bij Eichbaum. Deze keer om de hand van diens dochter te vragen. De gangster biedt de verbouwereerde vader een indrukwekkende bruidschat aan: ‘En hij kreeg zijn zin, Benja Krik, omdat hij hartstochtelijk was, en hartstocht heerst over de wereld.’
Isaak Babel opent hier een van de twee luiken die ons zijn visie tonen: passie regeert de wereld!
Wat zit er achter het andere luik? In Froim Gratsj, een ander Odessaverhaal, hebben Benja’s mannen de bolsjewieken geholpen om in in die stad het Witte leger te verslaan en nu willen ze, als beloning, de toelating om drie dagen ongehinderd te plunderen. Die krijgen ze niet, maar Benja Krik doet het toch: ‘En daarom haalden ze alle manufacturenwinkels aan de Aleksandrovski Prospekt leeg. Vervolgens verplaatsten ze hun activiteiten naar de kredietcoöperatie. Nadat ze de cliënten hadden voorgelaten, gingen ze de bank binnen en wendden zich tot de bedienden met het verzoek de zakken met geld en kostbaarheden in een op straat wachtende auto te zetten.’
De bolsjewieken laten het niet straffeloos passeren, ze elimineren de gangsters, inclusief de legendarische, oude Froim Gratsj. Jonge bolsjewieken hebben daar geen gevoelens bij, want in de nieuwe staat is er geen plaats voor zo’n profiteurs. Maar Borovoj, een oude rechercheur, inwoner van Odessa en communist, is er toch enkele ogenblikken het hart van in: ‘Daarna leefde hij op, en begon de uit Moskou overgekomen Tsjekisten opnieuw te vertellen over het leven van Froim Gratsj, over zijn gehaaidheid, zijn ongrijpbaarheid, zijn minachting voor zijn medemens, al die wonderlijke verhalen die nu tot het verleden behoorden…’
Eerst regeert de passie, zegt Babel daar, maar daarna nemen de verhalen het over: wie schrijft die blijft.
Flor Vandekerckhove


° Isaak Babel, Verhalen. Meulenhoff, A'dam. 2001. 573 ps.

woensdag 16 november 2016

Uit de wind wegblijven


Onderweg passeer ik Dirk. Ik ken hem al van in de lagere school. Hij is 68, net iets ouder dan ik. Hij heeft in de vismijn gewerkt, nu is hij met pensioen. Ik vraag hem of hij nog actief is. Godver neen, antwoordt hij, ik doe geen slag meer. Hij zegt het met indrukwekkend veel overtuiging. Hij is op weg naar de Lidl, zegt hij ook, want straks gaat het hevig waaien. Hij is niet van plan om zijn huis te verlaten als ’t zo hard waait.
De Lidl ligt links, mijn huis rechts. Onze wegen scheiden. Ik voel dat de wind in kracht toeneemt en denk na over het soort gesprekken dat ik deze dagen voer. Dirk is met pensioen, hij is op rust gesteld. Over zo’n dingen gaan die gesprekken, en over het weer.
Er zijn er andere. Dat ondervind ik wanneer ik thuis mijn mailbox opentrek. Een bericht van Bernard. Ook hij is de 65 gepasseerd, maar hij is niet op rust gesteld.
Hij formuleert een commentaar op een blogstukje. Daarin ga ik op zoek naar de namen van oud-schoolkameraden. Bernard vindt dat een mij onwaardige bezigheid: WAAR HOU JIJ JE MEE BEZIG? EEN MANIER VAN OMGAAN MET HET OUDER WORDEN? WAAR IS DE WELLUST EN BRUTALITEIT VAN WELEER?’ Hij schrijft het in kapitalen, het zit hem hoog.
De brutaliteit van weleer ben ik onderweg verloren, dat is waar. Wellust daarentegen is er nog à volonté, maar ik loop er niet meer mee op straat. Ik ben daarin een beetje zoals Dirk: als 't waait blijf ik binnen.
Flor Vandekerckhove 

zondag 13 november 2016

De jongens van het hoger middelbaar


Mijn middelbare schoolopleiding genoot ik in het Oostendse O.-L.-Vrouwecollege. Eerder heb ik foto’s van de drie lagere klassen gepubliceerd. Je kunt die hier bekijken. Daar hebben we met verenigde krachten al wat namen op kunnen plakken, toch blijven er nog vraagtekens staan.
Ik heb ook foto's van de drie hogere klassen, meer bepaald van de afdeling die Wetenschappelijke A heet(te). Ik ga nu op zoek naar de namen. Nummers die ik eerder al op jongens uit de lagere klassen gekleefd heb, en wier gezicht ik ook in de hogere klassen herken, neem ik mee, ook van degenen wier naam (hopelijk voorlopig) onbekend blijft.
Wie fouten ontdekt, wie namen aan de lijst kan toevoegen, wie iets wil meedelen betreffende een van die jongens, kan contact met me opnemen: florvandekerckhove@telenet.be.
Namen die me bekend gemaakt worden, zal ik in ‘t blauw aan de lijst toevoegen. Namen die in ’t rood staan kun je aanstippen, je wordt dan naar andere blogposten gevoerd waar al iets over de mens in kwestie gezegd wordt.
Voilà. We hebben nu in totaal zes foto’s. Drie staan er hier, de andere drie vind je hieronder. Daarop staan in totaal 85 mensen afgebeeld (tenzij ik sommigen twee nummers gegeven heb).
1. Piet Verleyen - 2. Jean-Pierre Casier - 3. Flor Vandekerckhove - 4. Bernard Staelens - 5. Wilfried Laforce - 6. Henri Vandermeulen - 7. André Meyer - 8. Daniël Decorte - 9. Daniël Vandenbussche - 84. Wilfried Reynaert - 10. Jan Stas - 11. Ronny Goethals - 12. Pierre Van Rie - 13. Johan Marote - 14. Daniël Vandenberghe -15 Bernard Vanneuville - 16. Willy De Keyser - 17. Norbert Vandamme - 18. klastitularis Jozef ‘Lambik’ Vandewiele - 19. Marc Cromphout - 20. Marc Van Middelem - 21. Paul Vandorpe - 22. Ronny Beyen (†) - 23. Danny Tilleman - 24. Marc Messiaen - 25. Fernand Devos - 26. Jackie Hoogenboom - 27. Roger Grauwet - 28. Paul Joye - 29. Daniël Boydens - 30. Luc Verhelst - 31. André Verburgh - 32. Koenraad Levecke (†) - 33. klastitularis Alfons Vandenbussche a.k.a. Wuptje - 34. Norbert Van Neuville - 35. Werner Verbiest - 85 in 5 mod A: Johan Marote - 36. Jozef Passchijn - 37. Ludo Van Kerschaever? - 38. Jacques Chandler (†) - 39. Daniël Pots - 40. Albert Declercq - 41. Adelin Claeys - 42. Raf Van Zandweghe - 43. Honoré Pitteljon - 44. Jean-Pierre Boentges - 45. René Deweert - 46. Freddy Buffel - 47. Arthur Legein - 48. Daniël Boydens - 49. Noël D'Hulst/ in 5 mod.A: Marc Cromphout - 50. klastitularis Michel Duyck - 51. Jean-Pierre Somers - 52. Philippe Michel - 53. Ronald Provoost - 54. Ronan Dewilde - 55. Jacques Ghesquière - 56. Eric Vanden Broecke - 57. Robert Allemeersch - 58. Wilfried Reynaert – 59. Bert Tas. – 60. Patrick Stoops – 61. Marc Lannoo – 62. Luc Vandepitte (is ook 76) – 63. Daniël of Roger Passchijn – 64. Daniël Gunst – 65. Daniël Jonckheere (†) – 66. Hubert Muyle – 67. Klastitularis Frans Vandewalle (†2005) – 68. Robert Morreel – 69. Jozef Lust (†) – 70. Hugo Vandenbussche – 71. Johan Cnudde – 72. Edmond of Raymond Vandamme – 73. Klastitularis Berquin – 74. Declerck? – 75. Marc Vandevelde – 76. Luc Vandepitte (is ook 62) – 77. Jan Van Eennoo – 78. Yves Desmullie – 79. Jacques Bedert – 80. Frank Proot – 81. Wilfried Vernaillen – 82. Directeur Carron. – 83. Klastitularis Roger Ramon, aka Plong. 
Flor Vandekerckhove




zaterdag 12 november 2016

Met Hemingway in Parijs

— Zo moet de rue Mouffetard er uitgezien hebben toen Ernest Hemingway er rondfietste. —

Wanneer het geld op is keer ik uit Parijs terug naar huis. In Bredene probeer ik nu, met de hulp van Ernest Hemingway, toch nog een beetje Parijs bij me te houden. 
In 1922 woont Hemingway vlak bij het hotel waar ik deze week verbleven heb. Hij schrijft erover in zijn herinneringen die in 1964, na zijn dood, gepubliceerd worden: ‘Ik woonde in de rue Cardinal Lemoine op een bovenhuis van twee kamers die geen warm water hadden en geen eigen toiletgelegenheid behalve dan een antiseptisch reservoir dat niet oncomfortabel was voor iemand die gewend was aan een openluchtprivaat in Michigan. Met een fraai uitzicht en een goede matras met veren als comfortabel bed op de vloer en platen aan de muur die we mooi vonden, was het een gezellige, vrolijke woning.’
De rue Cardinal Lemoine, waarover Hemingway het heeft, begint op de Place Contrescarpe. Aan de andere kant van het plein is er de rue Mouffetard waar het hotel staat waarin ik gelogeerd heb. Ook die straat beschrijft Hemingway in zijn herinneringen, ‘die wonderbaarlijke smalle drukke straat die naar de Place Contrescarpe leidde.’
De buurt komt al eerder ter sprake in diens korte verhaal De sneeuw van de Kilimanjaro (1936). In de vertaling die in 1967 verschenen is heet die berg in ’t Nederlands Kilimandzjaro. Progressieve spelling veronderstel ik.
Harry, die met zijn gezellin in Afrika is om er te jagen, heeft daar een infectie opgelopen die hem nu met koudvuur opzadelt. Hij denkt dat zijn einde nabij is, ook omdat de gieren al aan ’t wachten zijn: ‘Het veldbed, waarop hij lag, stond in de brede schaduw van een mimosaboom en terwijl hij over deze schaduwplek heen naar de geel belichte vlakte keek, zag hij drie van de grote vogels obsceen gehurkt op de grond zitten en een stuk of twaalf door de lucht zeilen (…)’
— Op de begraafplaats Père-Lachaise sta ik bij de Mur des 
Fédérés waar 147 leden van de Commune zonder vorm 
van proces gefusilleerd werden. Hemingway heeft het erover
 in zijn verhaal. (Eigen foto) —
Hij denkt na over al de zaken waarover hij nog niet geschreven heeft. Over de Place Contrescarpe bijvoorbeeld, ‘waar de bloemenventers op straat hun bloemen verfden en waar de verf over het plaveisel stroomde (…) Hij kende daar toen alle buren, omdat ze allemaal arm waren.’
‘Je zag daar twee soorten mensen op dat plein: de dronkaards en de sportkerels. De dronkaards trachtten hun armoede te vergeten door te drinken (dat sprak nogal vanzelf), en de sportkerels door hun oefeningen. Zij waren afstammelingen van de Communards en zonder moeite volgden zij een zekere politiek. Zij wisten wie hun vaders hadden doodgeschoten, hun familieleden, hun broers en hun vrienden, toen de Versailles-troepen hun intocht deden en de stad veroverden na de Commune en allen doodschoten, die eelt op hun handen hadden, petten droegen of op andere wijze verrieden [sic] dat zij arbeiders waren. En in die armoedige buurt tegenover een Boucherie Chevaline en een wijnhandel, was hij begonnen te schrijven; dat was het begin van zijn literaire loopbaan. Van geen enkele andere Parijse buurt had hij zó gehouden (…)’ 
Of het daar nog altijd vol telgen van de Communards loopt valt sterk te betwijfelen, maar Hemingways voorliefde voor die buurt is ook vandaag nog gemakkelijk te begrijpen.
Flor Vandekerckhove


° Ernest Hemingway. Dag en nacht feest: herinneringen aan Parijs. Vertaald door John Vandenbergh. Amsterdam; Loeb, 1980. 
° Ernest Hemingway. De sneeuw van de Kilimandzjaro en andere verhalen. Vertaald door Hans Edinga. Amsterdam Uitg. Contact, 1967.