vrijdag 7 februari 2014

Kelderverhalen (I)


Waarom was ik ook alweer de kelder ingestuurd? Dat weet ik niet goed meer, maar het valt misschien nog uit te vissen, want de hoofdzaken mag ik vergeten zijn, sommige details herinner ik me wel degelijk.
Ik ben nog klein, dat weet ik doordat ik mezelf aan de keukentafel zie zitten. Ik herinner me de verhoudingen: de tafel is groot en ik ben klein. Het is in de voormiddag, dat weet ik ook, want ik voel de drukte van de ochtend op me wegen, een drukdoenerij van grote mensen, gedoe waarvan ik weet dat het pas na de middag zal afnemen. Het is warm en het zal nog warmer worden, want de zon heeft bijlange zijn hoogste punt nog niet bereikt. Het is zomer, het is vakantie, de toeristen zijn er, er moet geld in ’t laatje komen, het is druk, ik voel de stress die erdoor veroorzaakt wordt. Hoe oud is een kind dat al zo’n dingen weet?
Ik zit aan de keukentafel, heb geen honger en daardoor blijft de boterham onaangetast voor me liggen. Ik probeer een vlieg te vangen die me telkens weer te vlug af is. Ik sla hier, ik sla daar, ik sla overal. Weer ontsnapt de vlieg, weer vliegt hij een wijle in het rond en weer zoekt hij de kandijsuiker van mijn boterham op. En dan schrik ik van de gebiedende stem van mijn moeder die me naar de kelder stuurt. Als haar ogen uitpuilen, weet ik dat ze niet langer tegenspraak duldt. Ze staan bol. Hoe oud ben je eigenlijk als je dat al weet?
Ik buig het hoofd en druip terneergeslagen af, maar het is een toneeltje dat ik opvoer, want ik ben in deze niet de verliezer, wel de winnaar. Ik heb de boterham niet opgegeten. Is het daarom dat ze me naar de kelder stuurt? Ja, dat denk ik wel.
Met gebogen hoofd en neergeslagen ogen trek ik de kelderdeur achter mij dicht. In de gang draait mijn moeder het slotje om. Ik wacht enige tellen om er zeker van te zijn dat ze zich niet bedenkt, recht dan het hoofd en ga zitten op de bovenste trede van de houten trap die helemaal naar beneden leidt.
Mijn moeder is er kennelijk in geslaagd om me onderweg de overgebleven boterham in de hand te duwen, waardoor mijn overwinning meteen weer teniet gedaan wordt. Ik probeer te wenen, het lukt me niet. Het lukt me wel om de boterham weg te gooien, de kelder in, waar hij als een witte vlek op de grauwe grond onderaan de trap blijft liggen.
Voor de rest weet ik er niet veel meer van, toch niet van die eerste keer dat ik die dag in de kelder opgesloten word. Ik herinner me dat mijn moeder er mij weer uit komt halen. Dat ze me beminnelijk toelacht. Dat de keukentafel tegen die tijd helemaal geruimd is. De ochtend is gelukkig weer voorbij.
Wat ik me ook herinner is dat ik diezelfde dag nog eens in de kelder opgesloten wordt. Twee keer inderdaad. Misschien heeft het nu met het middageten te maken of met het avondmaal, daar zijn mij geen beelden van bijgebleven. Ik weet ook hoe dat komt. Het komt doordat er die tweede keer iets in die kelder gebeurd is dat mijn verdere leven getekend heeft, een evenement waardoor de nevenzaken naar de vergetelheid geblazen worden, waaruit ze nimmer meer tevoorschijn komen.
Voor de tweede keer die dag draaide moeder het slotje om. Weer ging ik me bovenaan de keldertrap neerzetten. Weer keek ik naar beneden, weer keek ik recht in de kelder die me op zo’n jonge leeftijd al vertrouwd geworden was. En toen merkte ik het op. De boterham die ik eerder die dag de trap afgesmeten had, en die daar eerst nog als een witte vlek was blijven liggen, was er nu niet meer. Ik wreef me de ogen uit, keek opnieuw en neen, er was geen twijfel mogelijk, de boterham was weg, hij was verorberd. En niet door mij.
Flor Vandekerckhove
Een reactie posten