vrijdag 14 februari 2014

Vijf kelderverhalen


Waarom was ik ook alweer de kelder ingestuurd? Dat weet ik niet goed meer, maar het valt misschien nog uit te vissen, want de hoofdzaken mag ik vergeten zijn, sommige details herinner ik me wel degelijk.
Ik ben nog klein, dat weet ik doordat ik mezelf aan de keukentafel zie zitten. Ik herinner me de verhoudingen: de tafel is groot en ik ben klein. Het is in de voormiddag, dat weet ik ook, want ik voel de drukte van de ochtend op me wegen, een drukdoenerij van grote mensen, gedoe waarvan ik weet dat het pas na de middag zal afnemen. Het is warm en het zal nog warmer worden, want de zon heeft bijlange zijn hoogste punt nog niet bereikt. Het is zomer, het is vakantie, de toeristen zijn er, er moet geld in ’t laatje komen, het is druk, ik voel de stress die erdoor veroorzaakt wordt. Hoe oud is een kind dat al zo’n dingen weet?
Ik zit aan de keukentafel, heb geen honger en daardoor blijft de boterham onaangetast voor me liggen. Ik probeer een vlieg te vangen die me telkens weer te vlug af is. Ik sla hier, ik sla daar, ik sla overal. Weer ontsnapt de vlieg, weer vliegt hij een wijle in het rond en weer zoekt hij de kandijsuiker van mijn boterham op. En dan schrik ik van de gebiedende stem van mijn moeder die me naar de kelder stuurt. Als haar ogen uitpuilen, weet ik dat ze niet langer tegenspraak duldt. Ze staan bol. Hoe oud ben je eigenlijk als je dat al weet?
Ik buig het hoofd en druip terneergeslagen af, maar het is een toneeltje dat ik opvoer, want ik ben in deze niet de verliezer, wel de winnaar. Ik heb de boterham niet opgegeten. Is het daarom dat ze me naar de kelder stuurt? Ja, dat denk ik wel.
Met gebogen hoofd en neergeslagen ogen trek ik de kelderdeur achter mij dicht. In de gang draait mijn moeder het slotje om. Ik wacht enige tellen om er zeker van te zijn dat ze zich niet bedenkt, recht dan het hoofd en ga zitten op de bovenste trede van de houten trap die helemaal naar beneden leidt.
Mijn moeder is er kennelijk in geslaagd om me onderweg de overgebleven boterham in de hand te duwen, waardoor mijn overwinning meteen weer teniet gedaan wordt. Ik probeer te wenen, het lukt me niet. Het lukt me wel om de boterham weg te gooien, de kelder in, waar hij als een witte vlek op de grauwe grond onderaan de trap blijft liggen.
Voor de rest weet ik er niet veel meer van, toch niet van die eerste keer dat ik die dag in de kelder opgesloten word. Ik herinner me dat mijn moeder er mij weer uit komt halen. Dat ze me beminnelijk toelacht. Dat de keukentafel tegen die tijd helemaal geruimd is. De ochtend is gelukkig weer voorbij.
Wat ik me ook herinner is dat ik diezelfde dag nog eens in de kelder opgesloten wordt. Twee keer inderdaad. Misschien heeft het nu met het middageten te maken of met het avondmaal, daar zijn mij geen beelden van bijgebleven. Ik weet ook hoe dat komt. Het komt doordat er die tweede keer iets in die kelder gebeurd is dat mijn verdere leven getekend heeft, een evenement waardoor de nevenzaken naar de vergetelheid geblazen worden, waaruit ze nimmer meer tevoorschijn komen.
Voor de tweede keer die dag draaide moeder het slotje om. Weer ging ik me bovenaan de keldertrap neerzetten. Weer keek ik naar beneden, weer keek ik recht in de kelder die me op zo’n jonge leeftijd al vertrouwd geworden was. En toen merkte ik het op. De boterham die ik eerder die dag de trap afgesmeten had, en die daar eerst nog als een witte vlek was blijven liggen, was er nu niet meer. Ik wreef me de ogen uit, keek opnieuw en neen, er was geen twijfel mogelijk, de boterham was weg, hij was verorberd. En niet door mij.

II
We naderden de zonnewende, de dagen waren langer & heter geworden, de nachten vreemd genoeg eveneens. Het toeristische seizoen naderde zijn absolute hoogtepunt, net zoals de zenuwachtigheid van mijn ouders. Onze straat rook naar zand en zonneolie. Het wegdek zinderde van de hitte en mijn ouders zinderden eveneens. Zonnekloppers waren ‘s morgens lijkbleek van de tram gestapt en wanneer ze ‘s avonds weer op vervoer wachtten, deden ze dat in de kleur van gekookte kreeft. Op die dag werd ik weer eens in de kelder opgesloten.
De aanleiding is me ontgaan. Ze zal mij destijds niet geïnteresseerd hebben. Ik was tijdens die hete zomer immers in een volgend stadium van mijn jonge leven beland. Of die fase een naam heeft in de ontwikkelingspsychologie weet ik niet. Evenmin weet ik met zekerheid te zeggen in welk jaar die verandering zich afspeelt, maar misschien kunnen we het uitvlooien. Het moet vóór 1954 geweest zijn, want in dat jaar kopen mijn ouders een huis dat kelderloos is. In de keldertijd kan ik hooguit vijf zijn.
In de kelder had ik enkele dagen eerder een boterham de trap afgekeild. Die was daar beneden maar kort blijven liggen. Toen ik diezelfde dag voor de tweede keer opgesloten werd, lag dat brood er niet meer. Een simpel feit voorwaar, onbelangrijk voor iedereen die niet in die kelder zat, en dus onbelangrijk voor iedereen, behalve voor mij.
De kelder veranderde erdoor. Erin opgesloten worden leek me niet langer een straf te zijn. Telkens mijn moeder het slotje omgedraaid had, begon ik aan een nieuwe etappe van een soort ontdekkingsreis. De kelder was geen strafhok meer, maar een onderwereld die ontdekt moest worden. Telkens ik erin opgesloten werd — en in mijn herinnering gebeurde dat dagelijks minstens één keer — kweet ik me van mijn missie. Voor het eerst in mijn leven had ik een taak, een zelfopgelegde taak nog wel. Aan mij kwam het toe om te ontdekken welke kelderbewoner mijn boterham opgegeten had.
Mijn tactiek was simpel, zoals je dat van zo’n jong kind ook wel kunt verwachten. Ik installeerde me bovenaan de trap en keek naar beneden, recht naar de plek waar de boterham gelegen had. Ik keek en keek en keek en fantaseerde boterhameters tot wanneer de echte zich bekend zou maken.
Spinnen die daar wel degelijk aanwezig waren, kregen in mijn fantasie al gauw gezelschap van een muis die daar misschien ook wel was en van een rat die er hopelijk niet was. Die beesten werden gevolgd door mollen, regenwormen, varkens, katten, honden, slangen, een aapje dat op een miniversie van King Kong leek, twee krokodillen die uiteraard via het riool in de kelder terecht kwamen (en daar gelukkig elkaar opaten), een kelderkip met vier poten, inktvissen die niet alleen uit zee konden kruipen maar ook door de straten glijden tot ze door ’t keldergat die ene boterham hadden zien liggen, haaien, boze wolven die sneeuwwitje opgegeten hadden, vette waterkoeien waarvan een mens zich afvraagt hoe die door dat keldergat konden geraken, groene strandarenden, gore reptielen allerhande die ik wel kon tekenen maar niet benoemen en die vanuit exotische streken op de geur van zonneolie afgekomen waren, lieve eenhoorns die me toelachten, domme emoes die een kolkend geluid maakten,… Alles passeerde de revue, een opzienbarende stoet van mogelijkheden en onmogelijkheden die me vreemd genoeg niet belette om op die trap in slaap te vallen.
Vind je dit een knullig einde? Wat wil je? De zon nadert de Kreeftskeerkring, 't zijn lange, hete dagen. Ik ben moe, ik val in slaap, ik ben een kind.

III.
Wakker werd ik doordat mijn neus jeukte. Ik keek recht in het gezicht van Rolf die me met een pluimpje aan ‘t kietelen was. ‘Dag slaapkopje,’ zei hij, ‘wie ben jij?’
‘Ik woon hier’, antwoordde ik een beetje naast de kwestie.
‘In deze kelder?’ Rolf keek verwonderd om zich heen. Hij keek naar de gesloten kelderdeur, naar het matte glas dat vanuit de gang een flauw licht in de kelderruimte liet vallen en naar de damesjurk die naast die deur aan een kleerhanger opgehangen was. Het leek hem geen woonplaats te zijn voor een kleine jongen als ik. 'Hier is niet eens een WC', constateerde hij.
Dus corrigeerde ik mezelf en zei: ‘En ook in het huis dat erboven staat.’
De aanwezigheid van Rolf beangstigde me geenszins. Ik weet niet hoe dat komt, want ik was van nature toch eerder een angstig kind en Rolf was een ferm stuk ouder dan ik, wellicht meer dan tien jaar. Nog minder valt het te verklaren dat ik meteen de naam kende van deze jongen die ik nooit eerder gezien had en waarover niemand me ooit iets verteld had. Van zodra ik hem zag voelde ik grote gevoelens van vriendschap in me opborrelen. Was het daardoor dat ik geen angst voelde?
‘Wat doe jij hier?’ Nu was het mijn beurt om vragen te stellen.
‘Ik kom kijken of hier geen boterham te ritselen valt,’ antwoordde Rolf.
‘Ik zal er morgen een naar beneden gooien,’ beloofde ik, ‘maar dan moet je me eerst zeggen of je al naar school gaat.’
Rolf begon luid te lachen, onbedaarlijk zelfs, zo luid dat ik vreesde dat mijn moeder het zou horen. ‘Ik ga helemaal niet naar school,’ zei hij, terwijl hij de tranen uit zijn ogen wreef, ‘want ik ben een berenjager.’
Mij verwonderde het niet dat ik een berenjager in mijn ouderlijke woning zag.  Want ik had eerder al opkopers van konijnenvellen ontmoet, verkopers van tweedehandswagens, scharenslijpers, vertegenwoordigers van koffie die Zwarte Kat heette, werklozen, iemand met maar één been, belastingcontroleurs, Franstaligen en voddenrapers; niet in de kelder uiteraard, maar boven in de winkel. En al die mensen hadden me weten te boeien, wellicht omdat ze anders waren, anders dan mijn ouders.
‘Vertel,’ riep ik nu verlangend, ‘vertel me een berenverhaal.’
Rolf ging een beetje verder van me af zitten, alsof hij enige ruimte nodig had om zijn verhaal met brede armgebaren te illustreren en hij vertelde me dat hij eerder die dag al naar de grote stad geweest was, waar hij aan een optocht van berenjagers had deelgenomen. Er was wel volk op afgekomen, maar veel had de betoging toch niet opgeleverd, niets eigenlijk, want de eisen van de berenjagers werden niet ingewilligd. De oude koning had de troon wel moeten afstaan, en misschien kon dat een overwinning genoemd worden, maar diens opvolger was meteen op die troon gaan zitten. En het zag er niet naar uit dat de berenjagers met die jonge monarch beter af waren, 'want', zo voegde Rolf daar nog aan toe, 'De Koning Drinkt en hij draagt De Hoed van Geeraard de Duivel.'
Een tijdje zaten we zwijgend naast elkaar, Rolf en ik, terneergeslagen omwille van zoveel onbegrip vanwege het koningshuis jegens de zaak van de berenjagers. Voor het eerst in mijn leven verkeerde ik in een impasse. Zelf kon ik die zaak niet vooruithelpen, want ik was nauwelijks vijf, ik kon alleen maar wachten en hopen op een initiatief van Rolf die wel tien jaar ouder was dan ik, en die de belangen van de berenjagers door en door kende.
‘Ik heb een idee’, zei Rolf opeens, ‘Omdat jij het dapperste kind bent dat ik vandaag ben tegengekomen, benoem ik je tot generaal van mijn berenjagersleger; generaal Slaapkopje! Morgen gaan we samen op berenjagerspad, dat beloof ik je. Maar dan moet jij zweren dat je weer een boterham voor me meebrengt, want je hebt dat eerder al beloofd en ik heb er honger van gekregen.
Ik beet hard op mijn wijs- en middenvinger, toonde de inkeping die erop af te lezen stond en zegde plechtig: ‘Ik zweer het.’
Net op het moment dat mijn moeder het slotje heromdraaide en de deur opentrok, verdween Rolf door het keldergat de wijde wereld in. Een ogenblik vreesde ik dat ze het opgemerkt zou hebben, dat ze nog een glimp van Rolf zou opgevangen hebben, maar moederlijk als ze was zag ze alleen maar vrees in mijn ogen en zei sussend: ‘Je moet geen schrik meer hebben. Kom maar uit de kelder. En ga je nu braaf zijn?’
Ik stond recht, zei ‘Rolf’ en zij antwoordde: Ja, het is al goed, kom nu maar naar buiten.’
Het gebeurde wel meer dat ik dingen zei die mijn ouders niet begrepen. Daardoor wist ik dat het geen zin had om het hun uit te leggen. Dat gold zeker in dit geval, want de koningskwestie had de geesten in die tijd al meer dan genoeg beroerd. Nu de zaak beklonken was, vonden mijn ouders dat het tijd werd om die kwestie achter zich te laten en de blik, gauw gauw, naar de toekomst te wenden.

IV.
Sinds ik in de kelder Rolf had leren kennen, voelde ik een almaar toenemend verlangen om gestraft te worden. Dat verlangen zat diep in mij, dieper dan mijn buikje zelfs, het zat zo diep dat ik vermoedde dat het in mijn ziel zat. Soms deed ik daarom al eens iets waarvan ik vermoedde dat het een straf zou uitlokken. Dat was moeilijker dan je denkt, want ik begreep niet altijd welke straf er te verwachten viel, er was immers niet alleen de kelder, er waren ook andere middelen om een kind bij de les te houden. Evenmin begreep ik ten volle welke daden een straf opleverden en welke niet. Bovendien kon eenzelfde daad soms wel, soms niet een straf opleveren. Wanneer ik moedwillig probeerde stout te zijn, vond mijn mama dat soms heel charmant. Je kon er geen touw aan vastknopen, niet aan de al dan niet strafbare daden, niet aan de straffen die er al dan niet op volgden, niet aan mijn mama die deze dan wel gene daad al dan niet schattig vond en daar een kwartier later al helemaal anders over dacht.
Maar het was gelukkig ook niet nodig dat ik daar veel energie in stak. Mijn mama vond zelf wel regelmatig een reden om me richting kelder te sturen. Omdat ik geen honger had bijvoorbeeld, dat was een gemakkelijke, of omdat ik liet blijken hoe verdrietig ik was, omdat ik ergens een eigen mening over had, omdat ik over en weer liep, omdat ik te moe was om over en weer te lopen, omdat ik te luid lachte wanneer ik haar zag struikelen, omdat ik ergens géén mening over had, omdat ik probeerde door het raam te klauteren, omdat ik mij daarna op de grond neerlegde en daar wild met mijn voetjes in ’t rond stampte, omdat ik steentjes tegen een venster smeet, omdat ik in mijn broek geplast had, omdat mijn papa niet op tijd naar huis kwam, omdat ik een potlood in het sleutelgat stak en het er vervolgens niet meer uit kreeg, omdat ik een blad uit een boek scheurde, omdat ik mijn driewieler in de gang liet staan, omdat ik een plooimeter op een heel eigen manier begon te ontplooien en daar ook in volhardde toen de meter brak, omdat ik op blote voeten liep, omdat ik een vork in het tafelkleed stak, omdat ik mijn hoofd tussen de openingen van de trapleuning stak, omdat ik een eerlijk gevonden stuk van twintig frank in mijn broekzak zitten had… Ik som alleen maar op wat ik me herinner.
Het was maar water, toch werd ik ervoor gestraft. Ik had een stoel tot tegen de gootsteen geschoven en was met de vaat beginnen spelen. Ik had hard met mijn handjes op het water in de teil geslagen en kijk, schuimende golven overspoelden de dijk aan de rand van de teil en de watermassa zocht zich een levensechte en niet te stuiten weg naast de gootsteen, waar het via het kastje onder het aanrecht de lager geleden gebieden overspoelde, met alle gevolgen van dien voor de bewoners die onder luid geweeklaag de watersnood onder ogen moesten zien. Alsof dat niet genoeg was, werd die ene vloedgolf gevolgd door vele andere, want de grote overstroming van 1953 had grote indruk op me gemaakt. Het was echt veel te prettig om ermee op te kunnen houden, dus vloog ik de kelder in.
Daar zal Rolf me op te wachten. Ik had helaas geen boterham voor hem kunnen ritselen. Hij begreep het, want Rolf begreep alles. Rolf was mijn omgekeerde: ik begreep weinig, haast niets, ik begreep alleen maar dat het met Rolf prettig toeven in de kelder was.
Nadat mama de deur achter me gesloten had, zei Rolf: ‘Ha, daar komt generaal Slaapkopje eindelijk op het appel’ En hij toonde me een grote, rode appel die hij uit een mand genomen had. Waarom hij ‘het appel’ zei en niet ‘de appel’ begreep ik niet, maar Rolf gaf me de gelegenheid niet om over zo’n details te piekeren. ‘Geen boterham?’ zei hij, ‘Da’s niet erg, we hebben een appel en da’s genoeg om samen op weg te gaan. Kom generaal, we gaan samen welgemutst op stap, zoals de Stadsmuzikanten van Bremen dat destijds ook al deden, hop met de beentjes.’
‘Leve het appel’, riep ik, en ik beet een stuk van de appel. We togen op weg, naar beneden, de trap af, de kelder in. Intussen leerde hij me een lied waarvan hij zei dat het onze hymne was, en waarvan ik tot vandaag de tekst onthouden heb: Astrid en de baby / Astrid en de Baby / Astrid en de baby yeah /  En Leopold die is pépé / En Marie-Josée die speelt ermee. Ik begreep niet wat het woord hymne wilde zeggen, maar ik vond het wel een leuk liedje.
Toen we bij het keldergat gekomen waren, stak Rolf zijn hoofd erdoor zodat hij de straat kon zien. ‘Generaal Slaapkopje’, zei hij plechtig, ‘voor mijn ogen ontplooit zich de schoolstrijd. Ik zie mannen in lange, zwarte jurken die achter kinderen aanzitten. Ze hebben het op de ziel van ’t kind gemunt en helaas niet alleen maar op de ziel. Er zit maar één ding op, we moeten hier in de kelder een eigen onderwijsnet uitbouwen, zodat we de kinderzielen redden van de zwartrokken. No pasarán!’
No pasarán! Waar haalde hij het? Dat vond ik een hele goeie.  Ik had er ook geen idee van wat een onderwijsnet was, maar ik wist wel zeker dat Rolf ergens een net zou vinden waarmee hij de ziel van ’t kind zou redden, hij was tenslotte een berenjager.
Dit gezegd zijnde werd het tijd om naar onze uitgangspositie terug te keren. Dat deden we onder ’t zingen van onze hymne die ik luid keelde. Ook toen ik alweer op mijn gewone plek bovenaan de keldertrap zat en Rolf door het keldergat verdwenen was, zong ik nog altijd luid van Astrid en de baby yeah…
Mijn mama trok met een ruk de deur open. Ik toonde haar lachend het klokhuis van de rode appel en zegde fluisterend: ‘Kijk mama, het appel.’ Ze hoorde het niet eens, ik zag verwilderd ongeloof in haar ogen. Daarom voegde ik er luid aan toe: ‘No pasarán!
‘Wat…’ riep ze, ‘wat ben je…’ Ze geraakte niet uit haar woorden, dat hoorde ik wel. Ze moest er mijn papa bij halen. ‘Marcel, Marcel!’ riep ze, ‘Hij zit hier te zingen! Hij zit hier in de kelder te zingen, Ik straf hem en hij zit me hier gewoon uit te lachen, ik weet niet wat ik met die kleine moet aanvangen.’ Mijn papa kwam naast haar staan, keek me aan, snoof verachtelijk en zei: ‘Gauw!’

V.

De beroemde Cubaanse portrettist Alberto Korda fotografeert in 1960 
Che Guevara en diens echtgenote Aleida March. 
De foto is te zien in het Centro de Estudios Che Guevara en La Habana, Cuba. 
 Rolf wordt op de foto aangeduid met een pijl. Het beeld is vrij van copyright.
Daarna sloot mijn mama me nooit meer op. Dat was spijtig, want daarmee verdween het onderaardse leven dat ik enige tijd met Rolf gedeeld had. Met haar pedagogische koerswijziging vernietigde mama onbewust de kelderwereld die me lange tijd geholpen had om de bovenwereld te kunnen dragen; een onderwereld die daarenboven merkwaardig creatieve antwoorden wist te formuleren op de vele moeilijk te ontcijferen vragen die de wereld boven de kelder me tsunamigewijze toewierp. De kelder werd zodoende mijn eigen Pompeï die onder de lava van moeders woede-uitbarstingen begraven lag, waar hij onaangetast bleef liggen tot hij in deze vertelling weer ontdekt zou worden.
Ik ervoer de nieuwe situatie niet als een nederlaag. Ze had me iets van groot belang geleerd, iets wat me verder door ‘t leven zou helpen. Ik had geleerd no pasarán te zeggen, tot hier en niet verder, hier kom je niet door, hier hou ik stand. Ik had geleerd dat het me hielp,  — no pasarán! — dat mijn mama voor zo'n woorden terugdeinsde; een levensles! De woorden vergezelden me sindsdien op mijn levenspad als waren ze beschermengelen, en ze doen dat vandaag nog steeds.
Niet veel later verhuisden mijn ouders van de Golfstraat naar de Duinenstraat, waar ze een kelderloos huis gingen betrekken. In kelders heb ik Rolf dan ook nooit meer gezien. Maar in de bovenwereld heb ik wel nog eens een glimp van hem opgevangen. Twee keer eigenlijk.
Toen ik, veel later, voor het eerst de tram nam om in Oostende school te lopen, en ik door het raam van die tram naar de wereld van mijn kindertijd keek die achter me kleiner en kleiner aan ’t worden was, zag ik Rolf, zo meen ik toch, boven op het duin staan. Hij zwaaide. Ik zwaaide terug. En samen met mij zwaaiden en joelden alle kinderen die met die tram voor ’t eerst naar de Oostendse school trokken. Als ik het me goed herinner dateert die toch wel merkwaardige tramervaring uit 1962. 
Daar is uiteraard iets vreemds mee. Om duidelijk te maken wat dat is, moet ik u even uit de jaren zestig wegtrekken en een sprongetje naar de jaren tachtig maken.
In 1987 maakte ik een reis naar Cuba, waar ik in Havanna onder andere het Centro de Estudios Che Guevara ging bezoeken. Op een van de aldaar tentoongestelde foto’s zie je Che met zijn echtgenote Aleida March door de straten van Havanna wandelen. 1960. Hij wordt er te midden van het volk gefotografeerd door Alberto Korda.
Mijn oog werd al vlug aangetrokken door een figuur links achteraan in beeld. Daar herkende ik meteen Rolf in. Ik twijfelde niet, dit was ontegensprekelijk de Rolf die ik in de kelder had leren kennen! Het beeld schokte me. Rolf was in 1960 in Cuba geweest. Wat vreemd is, en des te vreemder omdat ik hem twee jaar later, vanuit een tramraam, op dat duin in Bredene had zien staan zwaaien.
Sommige dingen kunnen niet met zekerheid verklaard worden, maar de tijd brengt toch wel raad, zo heb ik mogen ondervinden. Om dat te illustreren dien ik u nogmaals te verzoeken in de teletijdkabine te stappen.
Niet heel lang geleden deed iemand de moeite om mijn stamboom te onderzoeken. Die mens deed dat grondig. Zowel langs moeders- als langs vaderszijde volgde hij de familiesporen tot ze in een ver verleden in de nevel van de tijd verdwenen.
Veel kun je met zo’n stamboom niet aanvangen. Maar ik hield er toch wel een interessante ontdekking aan over. Mijn moeder bleek een nicht te hebben waarvan ik het bestaan niet kende. De nicht, een leeftijdgenote van mijn mama, was net zoals mijn grootmoeder en haar kind, in de jaren dertig vanuit Gent naar Bredene afgezakt. Hadden ze dat samen gedaan? Waren ze, op de vlucht voor de crisis, op hetzelfde tijdstip aan de kust beland?
Ik zal het nooit te weten komen. Mama is vele jaren geleden overleden en dat moet ook het geval zijn voor de nicht die, zo leerde me die stamboom, Rachel bleek te heten.
Wel weten we dat Rachel in 1937 een kind baart. Rachel is dan veertien. In de doopregisters blijft de naam van de vader onvermeld. Een alleenstaande moeder van veertien! Komt het daardoor dat niemand me eerder over deze vrouw en haar kind verteld heeft? De schok is des te heviger wanneer ik in de stamboom de naam van het kind lees… dat Rolf blijkt te heten. Het stamboek maakt niet duidelijk wat er verder met deze Rolf gebeurd is. Maar het document bewijst wel degelijk dat er een Rolf bestaan heeft.
De enigen die nog iets over het vooroorlogse verleden van mijn moeder kunnen navertellen zijn de telgen van de familie B. Hun ouders zijn in de jaren dertig met mijn mama bevriend. In die familie herinnert men zich, zij het vaag, mijn moeder; beter gezegd, daar herinnert men zich wat er destijds over haar verteld wordt. En ook over haar nicht Rachel die tijdens de zomers als jong meisje in de plaatselijke horeca zou gewerkt hebben. In 1935 zou dat in pension L’Aurore geweest zijn en in 1936 in hotel d’Anvers. Daar zijn geruchten over en die hebben te maken met een groep Duitse schrijvers en intellectuelen die, op de vlucht voor de Nazi’s, tijdens de zomer in Bredene neerstrijken.
Centrale figuren bij de Bredense inwijkelingen zijn Egon Erwin Kisch en zijn levensgezellin Gisela. Kisch schrijft reportages, romans en toneelstukken. De bundel die hij in 1924 onder de titel Der rasende Reporter publiceert heeft hem beroemd gemaakt. Ook Arthur Koestler komt in Bredene zijn intrek nemen. Hij wil er werken aan het vervolg van Jaroslov Haseks bekende verhaal De avonturen van de brave soldaat Schweik. Het voorschot laat hem toe twee maanden in Bredene te verblijven. Het boek wordt nooit voltooid. Kisch en Koestler hebben in Bredene inderdaad maar weinig tijd om te schrijven, want ze werken als een magneet op de vele emigranten die een beetje verder, in Oostende, verblijven.
Tot hun bezoekers behoren de schrijvers Irmgard Keun en Joseph Roth. Volgens mijn bronnen hebben ook Willy Münzenberg en Otto Katz in Bredene verbleven. Die eerste was een uitgever die een vooraanstaande rol in de Comintern speelde. De tweede was, onder het pseudoniem André Simone, zijn rechterhand, en onder zijn echte naam was hij militair attaché bij de Spaanse ambassade in Parijs. In de familie B. heeft men altijd vermoed dat Rolf het kind was van Willy Münzenberg die de jonge Rachel had weten te verleiden.
Is dat waar? Ik kan het deze propagandist van het communisme niet meer vragen. Hij werd door zijn partij al gauw van trotskisme beschuldigd, waarna hij in 1938 uit het Centraal Comité gezet werd. In 1939 hield hij de eer aan zichzelf, hij verliet de KPD. In de zomer van 1940 werd zijn lijk in een bos gevonden. Vermoed wordt dat Stalin de opdracht gaf om hem te vermoorden.
Het is zoals ik al zei: sommige dingen kunnen niet met zekerheid verklaard worden, terwijl we toch wel zeker weten dat ze gebeurd zijn. Daardoor komt het ook dat ik er tot vandaag van overtuigd blijf dat Rolf inderdaad de zoon van Münzenberg is en dat hij op een of andere manier in de voetsporen van zijn vader getreden is. Neen, het is geen toeval dat hij op die foto niet zo ver van Che staat, en dat hij in 1960 in Havanna verblijft.
Flor Vandekerckhove
Een reactie posten