zondag 28 april 2013

Waar waart gij in 1956


Werenfried van Straaten, alias de spekpater.
In 1956 ben ik twintig. Om elke hoek valt er weer een ander avontuur te beleven.  In dat jaar participeer ik zelfs, weliswaar buiten medeweten van mijn echtgenote, aan een triootje.  Dat herinner ik me nog goed.  
Ik herinner me 1956 ook als een politiek belangrijk jaar. In Polen wordt een volksopstand neergeslagen. In Hongarije is er een revolutie aan de gang. In de kerken van Vlaanderen wordt gecollecteerd en vrachtwagens komen aan huis oude kleren ophalen.  Parochies organiseren papierslagen en met de opbrengst worden Hongaarse kerkboeken aangekocht. De man achter al dat activisme heet Werenfried van Straaten, alias de spekpater. Zijn organisatie, Oostpriesterhulp, wordt in die tijd wereldberoemd.
Je weet hoe ‘t gaat met zo’n politieke gebeurtenissen. Een mens gaat daar niet ongestraft aan voorbij.  Dat is zeker van toepassing op wie zich in 1956 in Boedapest bevindt.  Dat geldt dus ook voor Andras Horvat die zich daar in die dagen tot het katholicisme bekeert. Van de spekpater krijgt hij een nieuwe bijbel en ouwe kleren.
In de jas vindt Horvat een papiertje waarop een adres vermeld staat, een adres aan gene zijde van het ijzeren gordijn, een adres in België. De kersverse katholiek beschouwt dat als een teken Gods. Hij memoriseert het adres, eet het briefje op en betaalt een chauffeur die hem clandestien het land uitsmokkelt. Dat alles weet ik doordat Horvat het later op zijn proces vertelt.
Zelf bemoei ik me niet met spekpaters. Ik lees wel over die gebeurtenissen en ik beklaag de mensen uit het Oostblok, maar ik denk niet dat de kerkboeken van Werenfried een verbetering zijn. Toch word ook ik door de gebeurtenissen meegesleurd.
In de krant zie ik in die dagen een merkwaardige annonce staan. Een koppel zoekt een jongeman die als derde wil participeren in een triootje.  Ik verdien mijn bete broods als vertegenwoordiger, waardoor ik voor zo’n dingen tijd kan maken zonder dat mijn echtgenote iets vermoedt.  Ik ga op het aanbod in en maak kennis met twee veertigers die hun uitgedoofde seksleven zodoende nieuw leven willen inblazen. 
Het is hun eerste keer en dat geldt ook voor mij.  Zenuwachtig zijn we alle drie. Gelukkig staat de kruik met Bols op tafel. We drinken om onze schroom weg te masseren. Dat lukt aardig, want Bols is babbelwater. Uiteraard gaat het over de Hongaarse gebeurtenissen die het nieuws overheersen en over het solidariteitswerk waarin ze zich beiden geëngageerd hebben. Ik luister beleefd, veins bewondering voor zoveel menslievendheid en wacht op wat komen zal.
Ze willen me in de slaapkamer de vrucht van hun solidariteitswerk tonen. Het is een doorzichtige truc om me naar het bed te loodsen. Dus ja, ik wil dat wel bekijken.  We gaan de trap op, eerst de man, dan de vrouw en ik als laatste. Vlak voor me beweegt zij uitnodigend haar kont, zo herinner ik het me als de dag van gisteren. Ja, ze doet dat goed.
In de kamer zie ik stapels kleren liggen die de twee gecollecteerd hebben. Te midden van die stapels staat een groot bed. De man tatert maar door. Werenfried hier, spekpater daar, Oostpriesterhulp overal.  Ik knik en knik en knik, en streel intussen, geveinsd achteloos, de indrukwekkende kont van zijn echtgenote.
Terwijl ze zich tegen me aandrukt vult ze haar man aan. Weet ik dat zij ook Hongaarse vluchtelingen opvangen? Neen, dat weet ik niet.  Mijn ogen blinken van de wellust die ik als interesse probeer te camoufleren.
Wacht, zegt de echtgenoot, ik ga iets halen. De vrouw en ik laten ons meteen op het bed vallen. Opgepept als we zijn, strelen we ongegeneerd elkaars lichaam, ik kom handen, lippen en ogen tekort.
Wanneer de man weer boven komt, zijn wij al zover heen dat we nauwelijks nog aandacht voor hem kunnen opbrengen.  Logisch zou zijn dat hij zich bij ons spel voegt, maar hij wil me per se een strookje tonen waarop zijn adres getikt staat, een adres dat hij, zo hoor ik hem almaar vager zeggen, hier en daar in jaszakken steekt van kleren die door zijn spekpater over het ijzeren gordijn gegooid worden. Ik vind het allemaal heel storend, want de vrouw is mij intussen aan ‘t pijpen.
De man neemt mijn desinteresse verkeerd op en maakt zich kwaad.  Hij blijkt een geweldenaar te zijn en wil me een vuistslag toedienen. Die weet ik maar nipt te ontwijken, waardoor zijn armzwaai verder gaat en hij zijn echtgenote vlak in het gezicht treft. Een tand doorboort haar bovenlip (maar gelukkig niet mijn paal).  Haar bloed komt op mijn onderbroek terecht. Ik moet u niet vertellen dat de sfeer hierdoor naar de vaantjes is. We zijn alle drie meteen ontnuchterd. In een zee van wederzijdse verontschuldigingen zoeken we uit hoe het verder moet. Er komt geen antwoord.
Zij gaat koffie zetten. In de stapel zoekt de man geschikt ondergoed. Ik wil er niet moeilijk over doen en wissel dat ondergoed voor mijn bebloede onderbroek die in de stapel verdwijnt.
Ik wil naar huis, wat ze beiden begrijpen.  Na de koffie nemen we afscheid.  Ik verlaat het huis met het nieuwverworven inzicht dat zo’n triootje niets voor mij is. Thuis prop ik het ondergoed van de spekpater diep in de vuilnisbak.
Een week later schrik ik me een hoedje.  In de krant lees ik dat die twee in hun woning dood aangetroffen werden. Een Hongaarse vluchteling, Andras Horvat genaamd, wordt aangehouden.
Ik word als getuige opgeroepen, want mijn naam staat op de brief waarin ik voor dat triootje solliciteer. Waardoor ik verplicht word het ook aan mijn echtgenote op te biechten. Gedurende heel dat proces ligt mijn bebloede onderbroek daar tussen het vele bewijsmateriaal dat tegen de Hongaar gebruikt wordt. Andras Horvat ontkent de beschuldigingen, maar wordt toch veroordeeld.
[In 1989 wordt het ijzeren gordijn opzijgeschoven. De spekpater overlijdt in 2003. Hongarije wordt in 2004 lid van de Europese Unie. Andras Horvat heeft zijn straf uitgezeten en is in 2005 weer naar Hongarije verhuisd. Dit verhaal uit 1956 is daardoor erg ongeloofwaardig geworden, maar mijn echtgenote heeft in dat jaar wel degelijk de scheiding aangevraagd.]
Flor Vandekerckhove

dinsdag 23 april 2013

In memoriam John Gheeraert (1939–2003)


John Gheeraert (1939-2003)
TIEN JAAR GELEDEN, op 17 mei, overleed John Gheeraert.  De germanist schreef verschillende romans en novellen: Paardjes uit Polen (1981), De non (1983); Boogie Woogie (1986); De glazen benen van de generaal (1991)… 
Veel verhalen van Gheeraert spelen zich af in zijn geboortestad Oostende.  Komt het daardoor dat hij veelal als Oostendenaar omschreven wordt? Het grootste deel van zijn leven bracht hij nochtans in Bredene door. 
Vindt u dat laatste een detail? Daarin verschilt u dan van mening met de Bredense oud-burgemeester Willy Vanhooren.  Hij vindt het storend dat inwoners van Bredene die enige bekendheid verwerven in de pers prompt Oostendenaars genoemd worden. De stad annexeert blijkbaar niet alleen zo nu en dan Bredense grond (Liefkemores, spuikom…) maar ook de faam van Bredenaars.
Hoe dan ook, bekend werd Gheeraert vooral door zijn opzoekingen met betrekking tot schrijvers die ooit aan de kust (en ja, vooral in Oostende) verbleven.  Dat verblijf liet al eens sporen na, zowel in het werk van die auteurs als in hun biografieën, en John wist erg veel van die sporen te traceren. Dat leverde boekjes op die onze kijk op Oostende danig verbreed hebben: Als d’oude Peperbusse vertelt (1976), Vertellingen uit het Zeepaardje (1978), Zolang de duinhelm wuift (1992); Stefan Zweig, een Weense flaneur in Vlaanderen (2000)… In Ode aan Oostende (1977), een boek gecentreerd rond beeldend werk van Regnier De Herde (1914-2004), sprokkelde John Gheeraert citaten van 70 auteurs die iets over hun verblijf alhier geschreven hadden.
Het laatst gepubliceerde boek van Gheeraert heet De geheime wereld van James Ensor. (1) Dat Ensorboek staat wellicht goed op zijn plaats als we het ergens tussen de romans en de documentaires in zetten.  Vandaag zou het wellicht onder de wervende titel literaire non-fictie verkocht worden.  In het boek verdedigt Gheeraert de stelling dat Ensor sterk beïnvloed werd door de zeer occulte madame Blavatsky, een Russin die inderdaad in de buurt van Ensor gewoond heeft. Het is ook in Oostende dat Blavatsky aan De geheime leer schreef, een boek dat de synthese zou maken tussen wetenschap, religie en filosofie, maar dat mijns inziens vooral onleesbaar is. (2)
Hoe zat dat eigenlijk met de relatie Blavatsky-Ensor?  Werd Ensor door haar beïnvloed? De visie van Gheeraert werd achteraf betwist.  Critici merkten op dat veel van diens beweringen op interpretaties en veronderstellingen berustten en niet op harde bewijzen. Gheeraert rechtvaardigde zich dan weer door te stellen dat Ensor er alles aan gedaan had om de invloed van Blavatsky te verdonkeremanen. Kortom: welles nietes.
Els Snick bouwde o.a. voort op het
pionierswerk van John Gheeraert
Wie evenwel bereid is het suspension of disbelief toe te passen zal toegeven dat dit Ensorboek het meest volgroeide werk van de auteur is. Zelf vind ik het een buitengewoon mooi verhaal. Zijn kennis over het Oostende uit Ensors tijd is enorm, het leven van de stad en van de grootmeester wordt in het boek prachtig verwoord.
Dat John Gheeraert met zijn visie geen school zou maken is ook een feit. Dat deed hij dan weer wel met Bericht uit Bredene, een klein boekje dat in 1987 gepubliceerd werd.  Centraal daarin staat het verblijf van Duitse emigranten in Bredene en het bezoek dat ze daar van collega-lotgenoten uit Oostende kregen. (3) 
Dat werk kreeg navolging. De bekende journalist Marc Schaevers publiceerde in 2001 Oostende, de zomer van 1936 (4), een boek waarvan de krant De Standaard terecht opmerkte dat er maar weinig nieuwe dingen in te ontdekken waren. John was hem inderdaad een straatlengte voor geweest, het meeste wat Schaevers te vertellen had vonden we al eerder weer bij Gheeraert. De journalist werkte het verhaal alleen maar verder uit.
Van een ander kaliber is Els Snick.  Haar proefschrift werkte ze om tot een bijzonder leesbaar, aan te raden boek dat de geëmigreerde auteur Joseph Roth op zijn tocht door België en Nederland volgt. Het werd onlangs gepubliceerd. (5)  In haar nawoord stelt ze: ‘De Oostendse periode werd eerder onderzocht door de germanist John Gheeraert, die pionierswerk verrichtte over de aanwezigheid van Duitse emigranten aan de Belgische kust.  Verder stelt Snick dat ze ook nog materiaal gekregen heeft van Dina Clybouw, de weduwe van John, een echte Bredense!
Flor Vandekerckhove

(1) John Gheeraert, De geheime wereld van James Ensor. Ensors behekste jonge jaren (1860-1893).  Uitg. Houtekiet. 189 ps. 2001. ISBN 90 5240 602 2.
(2) Het boek van Blavatsky is in zijn geheel te lezen op het internet: http://www.theosofie.net/onlineliteratuur/geheimeleer/index.html.)
(3) John Gheeraert, Bericht uit Bredene. Vermaarde joodse emigranten in Vlaanderen. Uitg. C. De Vries – Brouwers A’dam/A’pen. 55 ps. 1987. ISBN 90-6174-358-3.  Over dat verblijf had ik het in Een razende reporter in Bredene al eerder in deze blog. (http://florsnieuweblog.blogspot.be/2013/03/de-razende-reporter-in-bredene.html). In Het Vrije Visserijblad V/2013 (ps 19 e.v.) schreef ik over deze emigranten: Merkwaardige bezoekers in Oostende tijdens de zomer van 1936.
(4) Mark Schaevers, Oostende, de zomer van 1936. Uitg. Atlas A’dam/A’pen. 142 ps. 2001. ISBN 90-450-0595-6.
(5) Els Snick, Waar het me slecht gaat is mijn vaderland. Joseph Roth in Nederland en België. 160 ps. 2013. Uitgeverij Bas Lubberhuizen. 2013. ISBN 978 90 5937 3266.

zaterdag 13 april 2013

Ko den duivel van Breninge


De Hellepoort van de beeldhouwer Rodin.Het werk werd nimmer
voltooid. Rodin werkte eraan tot zijn dood in 1917.
We bevinden ons in Dudzele, ten huize van een boerenmeid van 74 jaar, wier grootvader in Bredene gewoond heeft. Zij vertelt een wonderlijk verhaal en ze doet het in haar eigen woorden. 
‘Ko zat zonder werk en hij ging achter werk zoeken. Langs de weg kwam hij een feteure tegen en Ko ging uit de weg.
- Ge ziet er zo triestig uit, zei dien here die in de feteure zat.
- Zou ’t anders kunnen, zei Ko, ‘k Zoek werk en k vind er gene.
- Wil je bij mij werken? Vroeg dien here.
- Ba ja’k zei Ko. En hij kreeg een schone heure en eten en drinken. Maar hij moest tekenen voor vijf jaar.
Ko was vijf jaar weg en als hij were kwam moest hij vertellen waar hij geweest was.
- Ik was daar in een kurieus schoon kasteel, zei Ko, ‘k Had goed eten en drinken en ‘k moest maar juiste de mensen binnenlaten.
Dat kasteel waar dat Ko portier was, dat was d’ helle. En had hij binnen die vijf jaar moeten doodgaan Ko had voor Pietje geweest.’
Ik vind die getuigenis in een editie van Biekorf. (1) Dat tijdschrift is, zo vermeldt de kaft, ‘een leer- en leesblad voor alle verstandige Vlamingen’. Het werd in 1890 gesticht door Guido Gezelle en bestaat nog steeds.
Zelf dacht ik dat Bredene met deze Ko over een unicum beschikte, de enige levende mens die ter helle voer en daar nog van terugkwam ook. Mijn vermoeden bleek op onwetendheid te berusten, want op het alwetende internet viel mijn oog daarna op een Duits boek over vertelcultuur. (2)  Ook in dat boek wordt er over Ko den duivel van Breninge geschreven. Maar onze Ko blijkt geenszins uniek te zijn. De auteur heeft weet van wel vijftien varianten. 
Een 65-jarige vrouw uit Denderleeuw vertelt een gelijkaardig verhaal.  Ook in Lede en Denderbelle zijn mensen over en weer ter helle gevaren. In 1922 vertelt een vrouw uit Noord-Frankrijk van ‘De Portier van de Helle’.  In 1958 meent iemand het zeker te weten: ‘Duivelsportier van de hel is een jongen uit Koekelare’. En wat dacht je van deze? Een 80-jarige boerin uit Watou vertelt in 1965 over een jongen die naar de hel verwenst werd en na drie jaar terugkwam.
Ko van Breninge mocht daar volgens de boerenmeid goed zijn brood verdiend hebben, maar een 79-jarige landarbeider uit Tiegem weet dat er een reukje aan het geld zat: ‘Hellejongen verdient veel geld dat ander geld doet branden.’ Een verhaal dat me enigszins aan de gewezen politicus Frank Vandenbroucke laat denken.
Een echtpaar uit Koekelare heeft weet van een hellejongen die door zijn vader voor een jaar aan de duivel verkocht werd, iemand anders meent dat het de stiefmoeder was die de koop sloot.  Een vader uit Werken blijkt iets soortgelijks gedaan te hebben en ook in Opgrimbie werd zo’n getuigenis opgetekend. En ja, hier en daar blijkt die jongen eveneens Ko te heten.
Waarmee Bredene voor mij weer een beetje meer onttoverd werd dan het al was.  Treurnis vulde mijn gemoed en ik besloot de beker tot de droesem te ledigen. Het werd een queeste. Waar was het dat de echte Ko destijds woonde?  Was het in Bredene, Koekelare, Tiegem of Frans-Vlaanderen?  Opnieuw drong ik het internet binnen. Ik ging dieper en dieper en voelde aan de toenemende hitte dat ik de oplossing naderde. Op een site die legenden uit het Wijnendalebos bundelt (3), las ik een samenvatting van De hellejongen, een verhaal van Karel de Gheldere (1839-1913): ‘Een jongen woonde bij zijn stiefmoeder, hij kon haar aanwezigheid nauwelijks verdragen. Hij verliet met zijn vader het huis op zoek naar werk. Na een tijdje bereikten ze Wijnendalebos. Een ridder, die in werkelijkheid de duivel was, kwam op hun pad. Hij vertelde een dienstknecht te zoeken. Na wat gepraat trok de jongen bij hem in dienst. Zo werd hij gedurende 3 jaar portier van de hel. Na deze tijd keerde hij terug naar zijn dorp en vertelde er zijn wedervaren.’
De Gheldere beschrijft de legende in zijn werk ‘Landliederen’ (1883). De auteur was geneesheer in Koekelare en daar meende men zeker te weten dat Ko op de Koekelareberg of Belhutteberg het levenslicht zag.
De volkskundige professor Stefaan Top voegt er een uitleg aan toe (4): ‘Dit gedicht bevat allerlei traditionele legende-elementen, wat bewijst dat de auteur bekend was met het populaire verhaalcultuur van zijn tijd. Deze legende werd vrij goed bekend in Koekelare, waar wordt gezegd dat het in de omgeving heeft plaatsgevonden rond 1820. Het verhaal is bekend, zelfs in andere delen van Vlaanderen (…).’ En ja, dus ook in Bredene.
Flor Vandekerckhove

(1) Biekorf, 58ste jaar, nr 10, 1957. p.300.
(2) Walter De Gruyter, Erzählkultur: ‪Beiträge zur kulturwissenschaftlichen Erzählforschung : Hans-Jörg Uther zum 65. Geburtstag‬, 2009. 540 ps.
(4) Stefaan Top. The Hell Boy: A Flemish Devil Legend as Case Study Concerning Literacy versus Orality. (http://www.volkskunde.be/index.php?action=page&group_id=20000041&lang=NL)

donderdag 11 april 2013

Work in Progress (X)


In 1954 konden mijn ouders het winkelhuis van
roste Miel kopen. De foto waarop ik samen met mijn
moeder en vader sta dateert van 1959.
[Op mijn vierenzestigste verjaardag begon ik een autobiografie te schrijven, meer bepaald een min of meer verbeelde variante op het genre. Ik hoop een eerste versie af te hebben op de dag dat ik vijfenzestig word. Zo nu en dan presenteer ik een nieuw hoofdstuk. Wie (eerst) eerdere hoofdstukken wil lezen, drukt op een van de labels onderaan.]

X.
Op 7 december 1954 bevinden mijn ouders zich in het kantoor van Mr. Justin Boedts, notaris te Eernegem. Daar zijn ook aanwezig Camillus Vansevenandt, mijn grootoom, u inmiddels bekend als roste Miel, en zijn echtgenote Eugenie Vandekerckhove.  Zij verkopen hun ‘woonhuis, dienstig voor handelshuis, met alle aanhorigheden en medegaande erve, onder bebouwden en niet bebouwden grond, en met af- en aankleven, oppervlakkig groot, volgens titelen, drie aren zeven centiaren twintig decimeter vierkant; gestaan en gelegen te Bredene-aan-Zee, Duinenstraat, nummer: 206.’  Mijn ouders zijn er de kopers van. De verkoopprijs bedraagt 400.000 frank, waarvan de helft meteen op tafel gelegd wordt.
200.000 frank, dat is in 1954 een indrukwekkende som voor mensen die ik in voorgaande hoofdstukken als armoelijders getypeerd heb. Het is dan ook niet verwonderlijk dat ik in de paperassen lees dat ze dat bedrag volledig geleend hebben. De NV Hypothecaire Beleggingskas geeft hun twintig jaar om het geld weer te betalen.  Op de andere helft van het aankoopbedrag moeten Miel en Eugenie nog een beetje wachten, want ook dat geld hebben mijn ouders niet. Die tweede 200.000 frank moeten ze eveneens lenen, maar niet van de Hypothecaire Beleggingskas, wel van Miel en Eugenie zelve die erop rekenen hun geld in schijven, verspreid over vele jaren, in handen te krijgen. In het begin moeten die afbetalingen, zo legt de notaris uit, jaarlijks tienduizend frank bedragen, de laatste jaren worden dat schijven van vijfentwintigduizend.  De eigendom zal door Miel en Eugenie op uiterlijk 1 mei 1955 ter beschikking van mijn ouders gesteld worden.
Wat een verandering!  De gezinssituatie ondergaat in enkele dagen een complete metamorfose. Op 6 december 1954 hebben mijn ouders nog niets, maar die nacht passeert de sint. Wanneer ze zich ’s anderendaags naar notaris Boedts begeven, hebben ze twee leningen op zak. Een ervan laat hun toe om de helft van de verkoopprijs van een huis te betalen. Met het bedrag van de andere lening, 25.000 frank, vereffenen ze de notariskosten, want ook dat geld hebben ze niet van zichzelf. Wanneer ze die avond weer naar huis rijden zijn ze eigenaars geworden, bezitters van een huis, uitbaters van een eigen winkel en mensen met schulden.
Weg uit de Golfstraat, op naar de Duinenstraat! Weg van de huurmarkt, op naar de private eigendom! Weg uit de precaire situatie, op naar de middenklasse! Meer, groter, verder, vlugger!  Gauw!
Of het voor mij een verschil uitgemaakt heeft? 
Voor een kind is de maatschappelijke situatie waarin zijn ouders verkeren een gegeven feit waarvan de essentie nauwelijks bevraagd wordt en daardoor ook maar moeilijk begrepen kan worden. Voor een kind is die situatie ondoorgrondelijk.  Al wat je ziet is de oppervlakte ervan. Als er schaarste dreigt dan ervaar je die natuurlijk wel, en dat heb ik ook gedaan. Ik zag ook wel dat er elders meer geconsumeerd werd, ook in arbeidersgezinnen. Ik zag dat andere mensen, in tegenstelling tot mijn ouders, op vakantie gingen. Ik zag dat kinderen op zondagen zakgeld van hun ouders kregen, iets wat ik thuis niet moest vragen. Ik constateerde wel dat al die verschijnselen in tegenspraak waren met het bewustzijn dat thuis regeerde als zouden wij, van de middenstand, het beter hebben dan de buren die niet over zo’n handelshuis beschikten.  Dat de sprong naar de middenklasse alleen maar gemaakt kon worden door al de rest — het leven! — eraan ondergeschikt te maken is te complex opdat een kind dat zou begrijpen. Er was natuurlijk wel de stripfiguur Dagobert, de rijke vrek uit de familie van Donald Duck, die me had kunnen laten verstaan dat kapitaalbezit en consumptie niet hetzelfde zijn en dat er wel degelijk een maatschappelijke laag mensen bestaat die tegelijk veel bezit en toch weinig consumeert, maar daarvoor was de afstand tussen mijn ouders en de stripfiguur Dagobert te groot. De rijke Duck had een berg geld waar hij bovenop kon zitten, erin wegduiken of er gangen in graven, thuis had ik zo’n berg nooit zien liggen.
Heeft het toetreden tot de middenklasse ook gevolgen gehad die verder reiken dan al de kleine frustraties waarmee je als kind geconfronteerd wordt? Draag je er nog gevolgen van eens je de kindertijd ontgroeid bent? Draag je dat nog mee nadat je het ouderlijk huis verlaten hebt? Wordt een kind er voor de rest van zijn leven door getekend?
In Engeland is dat heel zeker het geval, zo luidt het cliché, daar is je klassenpositie determinerend. Dat cliché wordt me bevestigd door de Britse omroep BBC die de resultaten publiceerde van The Great British Class Survey. Die enquête heeft nogal wat ophef gemaakt.  Meer dan 160.000 Britten namen eraan deel. Het onderzoek distilleerde uit de antwoorden zeven verschillende klassen: upperclass, gevestigde middenklasse, technische middenklasse, nieuwe welvarende arbeiders, traditionele arbeidersklasse, opkomende dienstverleners en het precaire proletariaat.
Kan ik met die begrippen iets aanvatten? Laat me eens kijken.  Na de aankoop van het huis schuiven mijn ouders in toenemende mate op richting middenklasse.  Heeft die statusverhoging ook voor mij iets opgebracht dat mijn leven verbeterd heeft? Heeft de maatschappelijke opgang van mijn ouders mijn toekomst beïnvloed? Zoiets moet, denk ik, toch objectief af te lezen zijn van de maatschappelijke situatie waarin ik me vandaag bevind.  Helaas is die situatie voor mezelf een raadsel, altijd geweest eigenlijk, en de jongste jaren meer dan ooit.  Laat me je dat uitleggen.
Zelf behoor ik niet tot de middenstand.  Ik leef van een uitkering, een werkloosheidsuitkering, en beschik daardoor maar over weinig koopkracht. Wat me dicht bij de situatie van het precaire proletariaat brengt. Maar ik ken nogal wat lieden die tot die groep behoren, mijn kennissenkring situeert zich in dat milieu, waardoor ik wel degelijk weet dat mijn situatie van de hunne verschilt. Ja, ik ben er inderdaad beter aan toe.
Werken heb ik nooit erg graag gedaan.  Ik werk al lang niet meer, toch niet in de betekenis dat ik een put graaf voor een ander. Dankzij een vernuftig gebruik van technieken die tot de sociale spitstechnologie behoren, kan me al vele jaren onledig houden met wat ik graag doe, schrijven bijvoorbeeld. Waardoor ik me in een maatschappelijke positie beweeg die me, zo nu en dan toch, bijvoorbeeld in de Gentse opera, dicht bij lieden van de upperclass brengt. Eén blik op die mensen volstaat dan weer om te beseffen dat mijn situatie ook erg veel van de hunne verschilt. Ja, ik ben er wel degelijk slechter aan toe.
Niet bij het precair proletariaat, niet bij de upperclass, niet bij de middenstand… Ik vind mezelf niet weer op de sociale ladder. Waar bevind ik me eigenlijk in dat sociaal spectrum dat de Britten in zeven stukken verdeeld hebben? Misschien kunnen de enquêteurs van de BBC me verder helpen. Ik laat me registreren en neem deel aan de enquête.  Het kost me twintig minuten om de vragen te beantwoorden. De website heeft daarna één seconde nodig om me te classificeren.
Of ik tot het precaire proletariaat behoor dan wel tot de upperclass wordt me evenwel ook daar niet meegedeeld. Wel wordt mijn economisch kapitaal op 70% geschat.  Mijn inkomen mag dan lager zijn dan dat van de gemiddelde Brit, toch heb ik een grotere spaarboek.  Dat komt ongetwijfeld doordat ik weinig behoeften heb, daardoor weinig consumeer en op ’t einde van de maand geld overhoud.  Dat is wel degelijk iets dat ik van huis uit meegekregen heb. Daar werd elke frank twee keer omgedraaid.  Het is iets wat je blijkbaar verinnerlijkt en een leven lang met je meedraagt.  Kapitaal heb ik volgens de BBC ook doordat ik in een eigen huis leef dat ik in die enquête duurder ingeschat heb dan de gemiddelde Brit dat voor zijn woonst doet. Dat huis heb ik van mijn ouders geërfd.  De maatschappelijke sprong die mijn ouders destijds in het zweet hun aanschijns gemaakt hebben, heeft me blijkbaar geen windeieren gelegd. Het is een inzicht dat voor het eerst tot me doordringt en dat ik wellicht nooit overdacht zou hebben, mocht ik op mijn vierenzestigste niet besloten hebben om deze autobiografie te schrijven.
Naast dat soort kapitaal zijn er nog andere, zo menen de BBC-enquêteurs.  Mijn sociaal kapitaal, zo leren ze daar uit mijn antwoorden, kan onmogelijk verbeterd worden, want het bedraagt nu al 100%.  Ik mag me het grootste deel van de tijd solitair, in mijn zetel achter het raam, ophouden, toch blijk ik een optimaal sociaal netwerk te hebben. Dat komt natuurlijk doordat ik al vele jaren als journalist actief ben. Journalisten mogen inderdaad iedereen aanspreken, hoog en laag, want alle mensen staan liever in de krant dan in de regen en ons kent ons en ’t ene plezier is ’t andere waard. En dan beschik ik ook nog over cultureel kapitaal.  Dat is, zo zegt de uitslag van de enquête me tenslotte, hoger dan dat van 80% van de Britten. Dat komt wellicht doordat er ook in het Verenigd Koninkrijk maar weinig mensen naar de opera gaan.
Tijd om te concluderen, want dit saaie hoofdstuk duurt al te lang. Dat heeft ongetwijfeld te maken met het veldwerk dat ik heb moeten verrichten — de notariële akten, de BBC-enquête — en dat, voorspelbaar als het was, de vaart uit dit boek getrokken heeft, maar goed. Maakt het voor mij een verschil uit dat mijn ouders in 1954 de sprong naar de middenstad gemaakt hebben?  Is de toekomst van hun kind daardoor rooskleuriger geworden?  Heb ik de behoorlijk hoge persoonlijke enquêteresultaten aan mijn afkomst te danken?
Ongetwijfeld! Mijn opvoeding in dat middenstandsmilieu ging gepaard met een schoolopleiding die in mijn familie nooit eerder voorgekomen was. Het is die opleiding die voor mij de deur tot het culturele en het sociale kapitaal geopend heeft.  Dat mijn inkomen dan weer lager is dan dat van de gemiddelde Brit heeft niets met mijn ouders te maken, maar met bewuste keuzes van mezelf en ook wel met persoonlijke tekortkomingen die ik koester omdat ze deel uitmaken van mijn identiteit; tekortkomingen die u al lezend in dit boek wel zult ontdekken. 
Dat de maatschappelijke opgang van mijn ouders mijn latere leven lichter gemaakt heeft, wil niet zeggen dat mijn kindertijd een lacheding geweest is. Ik word al gauw ingezet in de commerce. Ik word wel degelijk geconfronteerd met de bekrompenheid van het middenstandsmilieu dat ik als schraapzuchtig, kleinzielig, bedrieglijk en oppervlakkig ervaren heb. Mijn vader draait er zijn hand niet voor om zijn klanten te bedriegen, zo zie ik dat als kind ook wel. Ik kan daar veel voorbeelden van geven.  Niet zolang geleden is me ter ore gekomen dat zijn bedrieglijke praktijken groter waren dan wat ik al wist. Het is een negatief kantje van mijn vader dat ik ook in mezelf ervaren heb en waar ik tot vandaag mee worstel. Mijn moeder van haar kant begint zich pretentieus te gedragen. Ze vindt van zichzelf dat ze boven haar klanten staat en ze spreekt op een neerbuigende manier over de mensen die — om de hoek! — achteraan de Golfstraat wonen, een straat die ze achter zich gelaten heeft.  Dat zijn niet zo’n goeie voorbeelden voor een kind. Het zijn ook invloeden waaraan je niet gemakkelijk ontsnapt, zo heb ik later moeten ondervinden.
Door de aankoop van het huis ontstond ook de dwingende noodzaak om ‘er te geraken’. Om het doel te bereiken werden alle collectieve waarden aan de kant geschoven en vervangen door een kwalijk individualisme dat vandaag de hele maatschappij doordrongen heeft, en waarvan de middenstandsgeneratie van mijn ouders de voorhoede vormde.
Ik las als kind al heel gauw de krant. Tijdens de week was dat Het Volk en op zondag het magazine van die krant, dat heel toepasselijk Ons Zondagsblad heette. Uit dat Zondagsblad herinner ik me een reportage waarin voorspeld werd dat elkeen zich in het jaar 2000 in individuele kleine eenmanshelikopters zou voortbewegen. Die voorspelling is niet uitgekomen, maar het schetste wel correct de toenemende individualisering waarvan ik thuis de kiemen zag.
Het Volk, de krant van de christelijke arbeidersbeweging, werd door mijn ouders al gauw ingeruild voor Het Laatste Nieuws, een liberaal blad, dat nauwer bij hun nieuwe maatschappelijke positie aansloot.  Waar mijn ouders voorheen voor de katholieken gestemd hadden, ging de voorkeur van mijn vader voortaan consequent uit naar de liberalen.  Mijn moeder durfde al eens politiek te shoppen, wat volgens haar echtgenoot veelal een verloren stem opleverde. 
In 1960 was het land in een diepe crisis terechtgekomen. De kolonie was onafhankelijk geworden, de werkloosheid danig toegenomen, de overheidsschuld swingde de pan uit, in Wallonië werden een aantal koolmijnen gesloten. De regering had een herstelplan afgekondigd dat een forse sociale afbraak inhield, de zogenaamde Eenheidswet. De socialistische vakbond had daar een algemene staking tegen georganiseerd die in 1961 mislukt genoemd kon worden, maar de regering was wel gevallen.
In dat jaar werd ik twaalf. Ik herinner me de gesprekken in de winkel over die Eenheidswet en vooral over de stakingacties ertegen. Dat er in de confrontaties tussen gendarmerie en stakers vier doden gevallen waren, was voor mijn vader het punt niet, wel dat de Waalse metaalarbeiders in Brussel winkelruiten ingegooid hadden. Ik vond toen al dat de verontwaardiging van mijn vader scheefgericht was.  En, veel later, toen wijlen Margareth Thatcher het over poor shopkeepers had die hun etalages vernield zagen door de Britse mijnwerkers die in 1984 en 1985 tegen haar nefaste beleid actie voerden, vond ik dat nog steeds. Maar ik had gemakkelijk praten, want ik was, zoals gezegd, geen middenstander en had bijgevolg zelf geen etalage die vernield kon worden.

donderdag 4 april 2013

Volksverhalen uit Bredene


Terwijl ik destijds stof aan ’t garen was om er mijn roman De Poldergeesten van Bredene mee te vullen, viel mijn oog op het vreemde verhaal van een Bredenaar die naar de naam Ko luisterde. Hij zou de enige mens zijn die levend ter helle gevaren is. Meer zelfs, hij is er ook levend van teruggekomen!  En jawel, hij woonde alhier aan de Blauwe Sluis.  Het staat geschreven en gedrukt in het boek Volksverhalen uit Oost- en West-Vlaanderen. 
Als de term ervaringsdeskundige enige betekenis heeft, dan geldt dat zeker voor deze Ko.  Zo’n mens moet tijdens zijn hellevaart ontiegelijk veel verhalen gesprokkeld hebben.  Helaas zijn die niet ter ore gekomen van de samenstellers, want ik vind verder in die bundel geen enkele andere volkse vertelling over / door een Bredenaar.
Misschien, zo denkt een mens vervolgens, brengt het internet soelaas.  Na enig googelen stoot ik op de Vlaamse Volksverhalenbank.  Ik duik er midden in en mijn scherm vult zich met 29 steekkaarten, werk van studenten die daarvoor in 1958 en 1967 naar Bredene gekomen zijn. Neen, het verhaal van Ko staat daar niet bij. Maar wel veel andere die ons leren dat het leven in Bredene destijds niet gemakkelijk was.
Neem nu de jonge timmerman die behekst werd door de vrouw van zijn voorganger: Wanneer de jongen een plank had vast getimmerd, kwam ze even later weer los. De onderpastoor heeft de jonge timmerman negen dagen lang overlezen.’
Negen dagen overlezen is lang, maar niet onnodig, want behekst werden Bredenaars soms al van in de wieg. Zo wist iemand in 1958 aan zo’n student te vertellen dat er in Bredene een kindje behekst werd nadat het van een buurvrouw een kusje gekregen had. Het kind kreeg ‘de oude man’, een volkse benaming voor rachitis, ook wel ‘Engelse ziekte’ genoemd omdat ze in de achttiende en negentiende eeuw in Londense industriegebieden frequent voorkwam. Rachitis wordt veroorzaakt door een tekort aan vitamine D en calcium. Meest opvallende symptomen: verkromming van ledematen door spierspanning; een groot rechthoekig hoofd; een kielvormige borst; kromming van de benen; kromming van de ruggengraat.
Hoe het dat kind vervolgens vergaan is, wordt niet verteld. Misschien heeft het de ziekte overleefd en is het, eens volwassen, krom zoals het was, ter helle gevaren. Het blijft gissen.  Want we treffen wel meer Bredenaars aan op ongezellige plaatsen. Ook in 1958 vertelt een informant dat zijn vader ooit ongewild op het kerkhof beland is ‘omdat de waternekker hem had doen verdwalen’. De waternekker!
Wie thuis bleef moest de waternekker niet vrezen. Daar moest je alleen maar goed op de kachel letten. Dat gold zeker als je deel uitmaakte van een vissersgezin. Geklop in de kachel wees immers op de dood. Dat werd in 1896 bewezen toen een Bredens koppel zo’n geklop hoorde. Later bleek dat de zoon acht dagen eerder verdronken was.
Met het bezorgen van zo’n boodschappen moest je oppassen, want dat kon kwalijke gevolgen hebben. Een zwangere vrouw had horen zeggen dat het schip waarop haar man aan boord was, met man een muis vergaan zou zijn. Van angst beviel de vrouw van een doodgeboren kind. Neen, dan reageerde een andere vrouw uit ’t Dorp wel efficiënter.  Zij had een sleutel in een kerkboek gestoken opdat de vissers veilig zouden terugkeren.
Wie geen zin had om sleutels in kerkboeken te steken kon op bedevaart naar de Visserskapel trekken. Het verhaal van dat kapelletje luidt volgens een student als volgt: ‘Bij de duinen van Bredene lag een Mariabeeld. Men zette het beeld in het kapelletje dat ter ere van Onze Lieve Vrouw was gebouwd. Op een dag haalde de pastoor het Mariabeeld uit de kapel en zette het in de kerk. De volgende ochtend stond het Mariabeeld vreemd genoeg opnieuw in het kapelletje.’ Een beetje kort door de bocht is ’t, zoals ’t daar staat. Kan dat beeldje daar niet door de waternekker gelegd zijn?
Correct beschreven lijkt ons het volgende: ‘Een visser had tijdens een storm beloofd dat hij een grote kaars naar het kapelletje van Bredene zou brengen als hij veilig mocht thuiskomen. Toen de visser thuis was, besloot hij uit gierigheid toch maar een klein kaarsje te laten branden. Eén van de jongens die op het schip werkte en dus alles had gehoord, verborg zich achter een beeld in het kapelletje. Toen de visser een klein kaarsje in de kapel kwam zetten, sprak de grapjas met een fijn stemmetje: "En je had nochtans een hele grote beloofd". De visser schrok, maar zag even later wel dat hij voor de gek werd gehouden.’
Gierig was niet alleen die visser, ook een Bredense melkverkoopster kon er wat van: ‘In de duinen in Bredene spookte het. Er was daar een waterput die de hele tijd riep: "Water en melk!" Een melkverkoopster kwam vroeger altijd water uit die put halen om bij de melk te gieten.’
Een aantal Bredense volksverhalen lijken eerder kwajongensstreken te zijn: ‘Sommige grapjassen haalden een krab van het strand en zetten een kaars op de rug van het dier. Wanneer een voorbijganger zoiets op een kerkhof zag, geloofde hij dat er een dode uit zijn graf was gekomen.’ Of ze zijn het gevolg van overmatig alcoholgebruik: ‘Een man had een wit paard in het water zien zitten en was zo bang geworden dat hij een vriend was gaan halen. Toen het tweetal terugkwam, stelden ze vast dat het zogenaamde paard niets meer was dan de weerkaatsing van het maanlicht in het water.’ Ik denk dat ik in mijn jeugd ook zoiets meegemaakt heb.
Wat denk je van deze: ‘Een man uit Bredene die toverboeken bezat, kon de koeien op hun achterste op de mesthoop laten zitten. Uiteindelijk heeft men de toverboeken van die man afgenomen.’ Ons lijkt het nochtans een onschuldig tijdverdrijf geweest te zijn.
Hebt u trouwens karnemelk in huis? ‘Een schaapherder die in de kerk zat, voelde instinctief dat de meid thuis in zijn koffer zat te snuffelen. De meid was in de toverboeken van de herder aan het lezen, waardoor de boerderij even later vol duivels zat. De schaapherder goot karnemelk op de grond, waarna de duivels verdwenen.’
Verbazen doet het ons niet, maar veel onheil werd destijds veroorzaakt door Nederlanders: ‘Twee meisjes gingen op het veld bij 't Hazegras en De Vrede helpen met het werk. Er werkte ook een Hollander, die de gewoonte had om iedereen een klopje op de rug te geven. Eén van de meisjes vond dat niet prettig en zei: "Laat me met rust, tovenaar!" Daarop sprak de man gekrenkt: "Let maar op, want ik kan meer dan brood eten! Ik zou je vader naar huis kunnen doen lopen". De meisjes lachten en werkten voort. 's Middags moesten de meisjes altijd naar huis om de koeien te melken. Die middag hoorden ze een man langs de zoldertrap naar boven lopen.’  ’t Zal hun vader geweest zijn! 
Gelukkig bestonden er paters die tegen Hollanders bestand waren: ‘Op een boerderij hoorde men altijd geluiden op het dak. Op een dag sprak de boer: "Ik zal die duiven toch eens moeten doodschieten". Op een dag waren de duiven verdwenen, maar toen zaten er muizen op de zolder. Vreemd genoeg schuifelden die dieren in plaats van te piepen. De boerin goot kokend water over de muizen, maar de dieren waren niet verbrand en bleven leven. De Hollandse knecht die op de boerderij werkte, zei: "Nu zit het hier vol muizen, daarna zullen er ratten komen". Dat is echter nooit gebeurd, want de boer is naar de paters geweest.’ Naast die paters was er ook een pastoor die Hollanders kon bedwingen, maar dat kostte hem wel veel zweet: ‘Een boer en een boerin hadden veel ongeluk. Wanneer één van hun merries een veulen moest werpen, liep het altijd mis. De boer en de boerin gaven hun Hollandse knecht de schuld en lieten een pastoor komen. De geestelijke kwam de boerderij overlezen tot de zweetdruppels van zijn gezicht rolden. De mensen kregen ook medailles om boven de deuren en onder de dorpels te leggen. Daarna hadden de boer en de boerin stilaan meer geluk.’
Misschien vraagt u zich net als ik af hoe het komt dat er zoveel Hollandse boerenknechten in Bredene werkten. Maar misschien hadden de Bredense informanten het niet altijd over hun eigen gemeente, misschien vertelden ze ook verhalen uit gemeenten die dichter bij de grens lagen; misschien hebben die studenten er met hun klak naar gesmeten; misschien dit, misschien dat. Maar feit is dat ik intussen nog altijd niets meer te weten gekomen ben over Ko, de helleportier, de Bredenaar die bij leven en welzijn ter helle voer. Over en weer.
Flor Vandekerckhove

dinsdag 2 april 2013

Work in progress (IX)



Tegen de tijd dat mijn ouders een occasie Opel Kapitan kochten,
waren we verhuisd van de Golf- naar de Duinenstraat.
Op mijn vierenzestigste verjaardag ben ik een autobiografie beginnen schrijven, meer bepaald een verbeelde variante op het genre. Ik hoop een eerste versie af te hebben op de dag dat ik vijfenzestig word. Zo nu en dan presenteer ik een nieuw hoofdstuk. Wie (eerst) eerdere hoofdstukken wil lezen, drukt op een van de labels onderaan.]

IX.
Mijn vader zal niet lang met zijn vooroorlogse Fordje blijven rijden, de wagen die mij aan een paardenkoets laat denken, aan een postkoets met gordijntjes voor de ramen. Wellicht omdat die Ford, nog voor mijn vader hem aankoopt, al door en door versleten is, wordt hij al gauw vervangen.  Nu koopt hij zich een tweedehands bestelwagen, zodat hij de levende kippen niet langer bovenop het dak moet transporteren. De bestelwagen herinner ik me beter dan de Ford.
Op zondagmiddagen trokken we er gedrieën mee naar de cinema in het winkelcentrum van Oostende, de Cameo, een oud gebouw, vergane glorie, twee balkons waarvan het hoogste het kiekenkot heette en met loges achteraan in de zaal die vrijerskotjes genoemd werden.  Dat waren mooie zondagen, alle drie in onze zondagse kleren, mijn ouders vooraan, vredig naast elkaar in dat kleine bestelwagentje, en ik achteraan, op een rieten stoeltje in de laadbak. Mijn vader rookte dan al eens een sigaret, een zondagse sigaret, waarvan ik me de geur tot vandaag herinner, wellicht een sigaret van het merk Sprint, de sigaret van de sportmannen! En van doctoren, zoals gynaecoloog De Beul, de man die me ter wereld hielp brengen.
Een mooie zondag was het ook toen we in 1953 een uitstap naar Oostende maakten om er de gevolgen van de overstroming te bekijken. Ondergelopen kelders, diepe putten in de straten… Wat een uitstap!  Beelden die ik me vandaag nog altijd kan herinneren; niet alleen omdat het prettig kijken is naar de miserie van andere mensen, maar ook omdat mijn ouders op die zondag nog enkele mensen meegevoerd hadden, achteraan in de laadbak van de camionette, waar ook ik in mijn rieten zeteltje zat. Die andere mensen waren jonge meiden, vriendinnen van mijn vaders zusters, mijn nog jonge tantes, die op stap gingen en daarbij een gratis lift naar Oostende wisten te waarderen. Wat die rit vooral zo memorabel maakte was dat mijn vader, ergens halverwege tussen Bredene en Oostende hard moest remmen, of misschien wel doelbewust en onnodig hard remde, waarbij al die meiden in de laadbak door elkaar geschud geraakten, over elkaar heen geworpen, op de bodem van die laadbak terecht kwamen, benen omhoog, vlak voor mijn ogen, lingerie, jarretelles, nylons. Geharrewar. Een ideale gelegenheid om mijn hoofd weer eens onder zo'n vrouwenrok te steken! Of ik dat toen ook gedaan heb, komt later nog wel aan bod, in een hoofdstukje over ontluikende seksgevoelens bijvoorbeeld. Wacht maar.
Ik weet nog dat die Hillman in vochtig weer moeilijk te starten was. Je moest eerst de ontsteking droog zien te krijgen. Vandaar wellicht dat ook de bestelwagen al rap vervangen werd door weer een andere auto, een Opel Kapitan, model 1949. Dat laatste weet ik nog omdat een schoonbroer van mijn vader een gelijkaardige occasieauto gekocht had, maar dan een van een recenter bouwjaar, een die de jaren veertig niet meegemaakt had. De mannen maakten daar onder elkaar grapjes over. Zeker weet ik ook nog dat de zetels van die auto overtrokken waren met namaakleer, simili, een stof die een weeë geur verspreidde, een reuk waarvan ik wagenziek werd, maar dan wel in een auto die een aanhangwagen kon trekken, waardoor er in onze familie voor het eerst een onderscheid gemaakt werd tussen bedrijfsvoertuig en gezinswagen. Vooruitgang, vooruitgang!
Nog later wordt die Kapitan vervangen door een Ford Customline. Dat is wel de mooiste occasie van allemaal. Vijfendertigduizend frank heeft hij ervoor betaald, dat herinner ik me levendig, want eerst wil mijn vader maar dertigduizend dokken. Hij speelt het hard, laat de verkoper met die mooie wagen weer vertrekken, laat daarmee een buitenkans liggen, want nooit zouden wij nog de kans krijgen om zo’n mooie auto te kopen. Ik wil hem dat ook zeggen, maar ik doe dat niet omdat er niet verwacht wordt dat ik ergens commentaar op geef. Mijn vader beseft het gelukkig zelf ook, waardoor hij uiteindelijk toch de telefoon pakt om toe te geven: allee, ’t is goed, vijfendertig, breng hem maar weer. Echt een mooie auto. Het is meteen ook de laatste keer dat mijn ouders een occasiewagen kopen. De volgende zal een nieuw exemplaar zijn, niet zo mooi als die Amerikaanse bak, kleiner ook, maar wel nieuw.  Jawel, de zaken gaan wel degelijk vooruit. Achteruit gaat dan weer de zin voor avontuur, want de aanschaf van die occasies, mag wel degelijk avontuurlijk genoemd worden: zal hij rijden of zal hij niet rijden?!
Tegen die tijd zijn mijn ouders al lang verhuisd. Weg uit de Golfstraat. Op naar de Duinenstraat! Een stratenwissel die eveneens vooruitgang is. Maar opdat de lezer dat zou begrijpen moet ik een en ander sociologisch duiden.
Het Bredense milieu van mijn jeugd bestaat vooral uit armoedzaaiers. Dat ze arm zijn, dat hebben de meeste mensen daar in die tijd wel met elkaar gemeen. Toch zijn er ook grote verschillen. Die armoedzaaiers zijn te scheiden in openlijke en minder openlijke, een streep waarmee je ook links van rechts kunt scheiden.  Die scheiding is reëel. De openlijke armoedzaaiers, die vreemd genoeg ook allemaal ongelovigen blijken te zijn,  leven gescheiden van de minder openlijke.  De wijk waarin de Golfstraat zich in de jaren vijftig bevindt moet enigszins onder openlijke armoelijders gecatalogeerd worden en hoe dieper je de Golfstraat intrekt hoe meer je bij de openlijke armoelijders terechtkomt. Laat ons die mensen, daar achteraan, het gepeupel noemen. Daar hangen op 1 mei rode vlaggen uit, daar hangen foto’s aan het raam van de rode burgemeester Plovie, daar gaan ze niet naar de mis. De Duinenstraat, vlak om de hoek, daarentegen hoort de minder openlijke armoezaaiers toe. Daar hangen geen vlaggen uit, want het is niet goed voor de commerce als je al te opvallend kleur bekent, daar gaan ze naar de vroegmis.
Leuk was ook de uitstap die we naar Oostende maakten
om daar de gevolgen van de overstroming te bekijken.
Het onderscheid wordt door elkeen aangevoeld, ook door mij, een kind van vijf, zes jaar.  Je hebt deze van ’t Sas, een wijk waar wij nooit komen en dat is wat we gemeenzaam werkvolk noemen. Wij kennen niemand die op ’t sas woont.  Je hebt die van ’t Dorp en daar komen we alleen maar omdat ons kerkhof daar ligt. Die wijk wordt bewoond door keuters, daar heerst de landman over de velden. Als het klokje voor het angelus klept, stopt elkeen zijn bezigheid om een stonde te mijmeren over de gang der zaken.  Op 21 juli hangt men er de driekleur uit. En je hebt de vermeende commerciële elite onder de armoedzaaiers en deze soort woont bijvoorbeeld in de Duinenstraat waar mijn ouders en ikzelf ook gaan wonen.  Op die vermeende commerciële elite wordt dan weer diep neergekeken door de beter gesitueerden uit de zogenaamde villawijk waar de Davidsfondsideeën even kort geschoren zijn als de gazons. Daar hangt her en der al eens een leeuwenvlag, zeker op de dag dat het gezin al fietsend ter IJzerbedevaart trekt.
Ik mag dat alles omwille van esthetische redenen mooi omkleden en het mede daardoor een beetje scherper stellen dat het wellicht was, maar ik heb dat verleden al eens eerder in een roman beschreven en ik weet dat de oude Bredenaars instemmend knikken wanneer ze die passages lezen. 
Wat me weer naar een nieuw thema leidt. Lezen! Daar moet ik het toch ook eens over hebben. Wanneer heb ik leren lezen? Wat lees ik dan zodra ik ‘t kan? Wat is me van dat lezen bijgebleven?
Lezen… Het woord laat me er nu ook aan denken dat ik eerst nog een beetje veldwerk moet verrichten, ik moet eerst nog iets anders lezen, ik moet iets opzoeken, en da’s iets wat tegen mijn schrijfgewoonten ingaat. Dat schrijven van me gaat normaliter nooit gepaard met veldwerk, een bezigheid die alleen maar de vaart uit het schrijven trekt. Ik controleer wat ik schrijf zelden of nooit op feiten en het is ook met tegenzin dat ik er nu dit schrijven voor moet onderbreken.
Veldwerk? Ik verafschuw het.  Zo heb ik een roman geschreven waarvan de plot zich gedeeltelijk in IJsland afspeelt. Nooit geweest! Nooit iets over gelezen! Weet ik veel hoe dat er ginder op de eiland aan toegaat. Mocht ik dat allemaal uitvlooien dan komt die roman er uiteraard nooit. Een ander deel van die roman beschrijft gebeurtenissen die zich in een bestaand wezeninstituut afspelen. Nooit geweest! Nooit iets over gelezen. Weet ik veel wat zich in zo’n wezeninstituut afspeelt. Maar als ik dat stuk ergens op een podium voorlees, zie ik toch wel veel vertederde gezichten van would-be moeders in de zaal. Sommigen komen me achteraf hun medeleven betuigen omwille van het leed dat de ik-figuur in dat instituut te verduren kreeg. Dus. Waarom zou een mens dan zijn tijd verdoen met veldwerk? Meelevende moeders krijg je niet door naar waarheid te vertellen of de deur van een wezeninstituut groen of rood is, maar door een meeslepend verhaal te schrijven. Niemand trekt zich dan iets aan van de deurkleur; niemand wil dan weten of er al dan niet bomen in Reykjavik staan. Waarom zou iemand willen weten of ons gezin in 1955 of 1959 verhuisd is?
De mooiste occasie die mijn ouders kochten was
toch wel de Ford Customline.
Maar nu moet ik mijn principes even aan de kant zetten, want nu wil ik zelf weten in welk jaar we met pak en zak uit de Golfstraat vertrokken zijn. Ik herinner me die verhuizing namelijk niet, een gebeurtenis die toch wel ingrijpend geweest is, wegens een andere kamer in een ander huis in een andere straat. De nieuwsgierigheid haalt het van mijn gemakzucht. Bovendien weet ik waar ik die informatie kan opsporen. Het ligt omzeggens binnen handbereik, het ligt voor het grijpen in een kartonnen doos onder de televisie, aan de andere kant van de kamer, waar ik een hoop papieren van mijn overleden ouders bijeenhoud in de hoop er ooit eens orde in te scheppen. Ooit?  ’t Ziet ernaar uit dat ooit vervangen wordt door heden.  Ja, in die doos zal ik die informatie ongetwijfeld vinden. Wanneer zijn we verhuisd?  Laat me kijken, laat me die archiefstukken lezen vooraleer ik verder ga.