vrijdag 30 december 2011

Ret Marut - Ben Traven (1890-1969) — De man die verdween en toch bleef

Ik kreeg Het dodenschip verleden jaar cadeau van Peter Holvoet-Hanssen, een mooi exemplaar uit 1931, uitgegeven door De wilde roos uit Brussel. Peter had er niet alleen een opdracht in geschreven, hij had ook de kaft versierd met een schelpje. 
Het dodenschip (1926) was de eerste roman van een toen volslagen onbekende schrijver.  Hij liet de Duitse uitgever alleen maar weten dat hij Ben Traven heette.  Voor de rest moesten ze het in Duitsland doen met een postbusadres in... Mexico.
Na Het dodenschip volgde er meer.  De productie van de geheimzinnige auteur deinde almaar uit tot ze uiteindelijk 21 dikke boekdelen zou vormen.  Er gingen miljoenen boeken van de ontraceerbare Traven over de toonbank. Er kwamen tientallen vertalingen, sommige werden verfilmd (o.a. De schat van de Sierra Madre). 
Wie was deze auteur die het ene succes op het andere stapelde, en er tegelijk in slaagde uit de schijnwerpers te blijven?  Dat wilde ook de anarchistische dichter Erich Müchsam weten, nadat hij in 1927 Het dodenschip in een ruk uitgelezen had.  En dat valt licht te begrijpen, want het werk leest als een anarchistisch citatenboek.  Müchsam sprak erover met zijn vriend Rudolf Rocker en samen meenden ze haast met zekerheid de hand van de verdwenen individualistische activist Ret Marut te herkennen.  Müchsam plaatste daarop een oproep in zijn blad Final: 'Ret Marut, kameraad, vriend, strijdmakker, mens, laat van je horen, geef een teken dat je leeft (…) we hebben je nodig.'  Er volgde een oorverdovende stilte.
Ret Marut (ook al een pseudoniem) was eerder in beperkte kring bekend geworden als uitgever van het literair-politieke eenmanstijdschrift Der Ziegelbrenner.  Als actief revolutionair nam hij deel aan de linkse Radenrepubliek van München.  Deze werd in 1919 met geweld neergeslagen door voorlopers van Hitler & de zijnen. 
Müchsam ging de gevangenis in en werd er pas in 1924 weer uit ontslagen.  Hij mocht al blij zijn dat hij het er levend van af bracht want de repressie was moordend geweest.  De anarchist Gustav Landauer werd na zijn arrestatie letterlijk doodgetrapt, de linkse socialist Kurt Eisler was al eerder vermoord.  Ret Marut die eveneens ter dood veroordeeld werd, had echter weten te ontkomen.   Na zijn ontsnapping verschenen er nog enkele nummers van zijn tijdschrift en dan verdween het, samen met zijn uitgever, in de anonimiteit.
Vandaag weten we dat Marut en Traven inderdaad een en dezelfde persoon waren, maar het heeft wel tot aan zijn dood (1969) geduurd vooraleer daarover absolute zekerheid bestond.
Het dodenschip ademt op elke bladzijde het anarchistische individualisme uit.  Een man zonder papieren komt er terecht op de Yorikke, een doorroest schip dat door zijn eigenaars nog een keer de zee opgestuurd wordt om het er te laten zinken (en zodoende de verzekeringspremie binnen te rijven. Het is een thema dat ook Jan de Hartog in zijn boeken meesterlijk bespeelt).  Wie aan boord komt, moet alle hoop laten varen.  Meteen ontdekken we de dubbele laag in het boek.  Wellicht lezen we het persoonlijke verhaal van de vlucht van Marut/Traven. Tegelijk leert de auteur ons hoe het individu in de kapitalistische maatschappij vernietigd wordt.
Marut was een volgeling van de filosoof Stirner.  Die heeft een individualistisch wereldbeeld geventileerd dat achteraf bakken kritiek over zich heen gekregen heeft.  Het dodenschip deelt in de brokken en ook degenen die in 1919 mee op de barricaden stonden, zijn hard in hun kritiek.  Anarchisten die de stirniaanse variante niet zo goed zien zitten, ontwaren in de latere werken van Traven dan ook graag een evolutie naar het sociale anarchisme (in de zogenaamde Caobacyclus die de sfeer van de revolutionaire Mexicaanse bewegingen uitademt).  De ommezwaai zou er gekomen zijn wanneer hij in Mexico als dagloner zijn brood verdient en de onmacht van de enkeling ervaart. Marxisten zien dan weer in de hopeloze situatie van de stoker op de Yorikke het bewijs dat het anarchisme naar de impasse leidt. Het individu wordt altijd gevormd door zijn samenleving, zo onderwijst het geleerde koppel Marx-Engels ons terecht (zij het dat ze daar veel te veel woorden voor nodig hebben).  Daarnaast lezen we in de Duitse ideologie van datzelfde koppel echter ook: 'In de revolutionair-proletarische gemeenschap daarentegen, die zelf haar eigen bestaansvoorwaarden en die van alle andere klassen beheerst, is precies het omgekeerde het geval: hiervan maken de eenlingen deel uit als individuen.'  Ik weet niet goed wat daar staat, maar het lijkt me wel iets te zijn om over na te denken.
Op het einde van Het dodenschip drijft de verteller weg, vastgeketend op een stuk hout. En dan niets meer. Traven zegt zelf over het einde van dat boek: 'Wat er nu gebeurt met degene die vertelt, of hij omkomt of op een of andere manier in leven blijft, heeft met het dodenschip niets meer te maken. (...)  De volgende regel zou het begin van een nieuwe roman moeten zijn.'
In die volgende romans blijft Traven zijn anarchistische uitgangspunten trouw.  Hij blijft aan de kant staan van de laagste klassen, degenen die nog minder zijn dan de arbeiders: 'Wij konden zeggen wat we wilden, zij deden alsof ze niets hoorden, dronken hun wijn op of hun borrel en gingen onverstoorbaar weer weg.  Zij waren de enige echte arbeidersklasse, de vierde stand; wij waren de vijfde en nog lang niet aan de beurt zolang niet de vierde eerst eens goed aan de bak is.  Misschien waren wij zelfs wel de zesde en moesten we nog een paar eeuwen wachten.'
Flor Vandekerckhove

donderdag 29 december 2011

Knowhow

Luiz Marquez aan zee (foto Flor Vandekerckhove)
‘Weet jij bij wie we terecht kunnen?’  De matroos vroeg het me aan de telefoon. Neen, ik wist alleen maar dat het terrein afgebakend was en dus niet toegankelijk voor onbevoegden. Daar, vlak naast de havengeul, lagen spullen waarmee windmolens op zee gebouwd worden.
Waarom wilden de matroos en de muzikant per se dat terrein op? De matroos legde het me uit. Het had met de lange pijpen te maken die daar gestapeld lagen. Wellicht zouden die gebruikt worden om de elektriciteit vanuit zee naar de wal te brengen. ‘Maar voor ze in zee verdwijnen, wil de muzikant er iets anders mee doen’. Ik raadde hen aan gewoon over het hekken te kruipen.
Zo gebeurde het ook.  De matroos en de muzikant drongen onrechtmatig het terrein binnen. De matroos zette zich aan het uiteinde van zo’n twintig meter lange pijp en klikte de recorder aan. De muzikant plaatste zich aan het andere einde, nam een schelp ter hand en blies erop zoals alleen een muzikant dat kan. De pijp vervormde de klank zoals alleen zo’n pijp dat kan en zo werd die vervormde klank vastgelegd op een recordertje zoals alleen zo’n recordertje dat kan.
Vanuit de controlekamer keek de havenkapitein uit over het gebied.  In z’n kijker spotte hij twee mensen. Hij focuste op een van de indringers, zoals dat alleen maar met zo’n kijker kan. ‘Wat is dat?’ zo zei de havenkapitein tot zichzelf. ‘Is dat de matroos niet?’ Ja, hij herkende de man aan zijn lange, blonde lokken. ‘What the fuck is die daar…’ Hij liet de kijker over de buis glijden en aan het andere uiteinde ervan zag hij de muzikant die daar met zijn schelp in de weer was. Zo’n kleine zuiderling, met een foulard strak over het hoofd gespannen… De waakzame havenkapitein had het meteen gezien: een illegaal die zich in de buis aan het verstoppen is. En dat de matroos hem daar behulpzaam bij was.
De havenkapitein aarzelde geen ogenblik. Hij belde de zeevaartpolitie op zoals alleen een kapitein dat kan. En daarna belde hij de uitgever van de havenkrant die mij vroeg om er een stukje over te schrijven zoals alleen maar ik dat kan.
Flor Vandekerckhove

woensdag 28 december 2011

Georges Brassens… anarchist

Brassens in 1964
Er worden nogal wat kunstenaars aangetrokken tot het anarchisme. In Frankrijk alleen al treffen we vanaf de jaren veertig van de vorige eeuw in en vooral rond de anarchistische beweging surrealisten aan, maar ook de schrijver Albert Camus, dichter Jacques Prévert, chansonnier Léo Ferré en verder Boris Vian, Armand Gatti, Michel Ragon, Benoist Ray, Bernard Lavillier, Tardi, Laborit…
Ook de chansonnier en dichter Georges Brassens (1921 - 1981) wordt in de najaren veertig door dat anarchisme aangetrokken. Daar waar veel andere kunstenaars zich anarchist verklaren zonder daarbij ook maar enige aandrang te voelen er militant werk aan te koppelen, ligt het bij Brassens anders.
Hij is achttien als hij uit zijn geboorteplaats Sète naar Parijs trekt.  Hij gaat er o.a. in de Renaultfabrieken werken.  Tijdens de oorlog wordt hij verplicht tewerkgesteld in Duitsland. Begin 1946 biedt hij zich aan in het lokaal van het weekblad Le Libertaire, het blad van de Franse Anarchistische Federatie (dat vandaag nog altijd het knappe Le Monde Libertaire uitgeeft) en hij wordt er meteen een vaste medewerker van, zelfs mederedacteur.  Bovendien houdt hij de Parijse boekwinkel van de anarchisten open.  In 1946 en 1947 schrijft hij een twintigtal kronieken voor het weekblad, stukken die hij meestal met Géo Cédille ondertekent en die gretig gelezen worden, ook al omdat Le Libertaire in die tijd op honderdduizend exemplaren gedrukt wordt.   Daarenboven wordt hij daadwerkelijk lid van de Federatie en is hij actief in de anarchistische kern van Parijs XV.  Van die kern wordt hij korte tijd later de secretaris.
De anarchisten behoren trouwens bij de eersten die het talent van Georges Brassens (die op dat ogenblik nog een illustre inconnu is) (h)erkennen.  Henri Bouyé, mederedacteur van het weekblad, brengt Brassens in contact met de chansonnier Jacques Grello.  Deze laatste probeert hem in de publieke belangstelling te brengen.  Dat gebeurt lang zonder succes, tot Brassens een vaste stek vindt in het cabaret Patachou in Montmartre.
De passage van Brassens bij de anarchisten is hevig geweest, zo leren we van Marc Wilmet die de krantenstukken van Brassens uitgeplozen heeft en opnieuw gepubliceerd. (*)  Die passage is tegelijk ook kort geweest.  In een recent gepubliceerd brievenboek ('Brassens.  Lettres à Toussenot. 1946 - 1950') kunnen we lezen dat Brassens die anarchisten ook al vlug weer beu is.  Op 12 januari 1947 schrijft hij: 'Sinds maandagavond ben ik niet meer verantwoordelijk voor de Libertaire.  De jongste twee nummers werden gemaakt door degene die me wellicht zal vervangen (André Prudhommeaux).  Het zou te lang duren om je de redenen van mijn ontslag uit te leggen (…)  Ik moet je bekennen dat ik erdoor opgelucht ben.  Mijn leven was niet langer draaglijk op die manier en de aanvallen van onnozelaars putten me uit.
Janine Marc-Pezet die het brievenboek verzorgde zegt daarover: 'Brassens heeft zich bij de anars inderdaad goed thuis gevoeld, maar hij was geen anarchist, daar bestaat geen twijfel over.  Ik zou hem meer als een vrijdenker definiëren.  Hij en Prévert zijn zo vrij dat ze misschien wel tè vrij zijn om anarchist te zijn.'
Toch laat Brassens de anarchistische beweging niet helemaal los.  Halverwege 1948 is hij nog van plan deel uit te maken van een ploeg die een blad met de niet verkeerd te begrijpen titel 'L'Anarchiste' wil uitgeven.  In 1953 treedt hij nog gratis op ten voordele van de anarchisten.  Maar hij wordt er liever niet meer mee vereenzelvigd.  André Tilleu, een van zijn biografen zegt hierover: ‘Eens hij beroemd geworden was wilde [Brassens] niet meer verwijzen naar die tijden, zelfs al was zijn anarchistische geloof intact gebleven. (…) Hij wilde op die manier trouw blijven aan zijn publiek dat hem als Brassens-zonder-meer had leren kennen.
Wilmet weet ook dat Brassens, inmiddels een succesvol chansonnier geworden, het weekblad Le Monde Libertaire ook later discreet blijft steunen. Wilmet toont verder aan dat er niet echt een kloof ligt tussen de artikels die de Brassens in de Libertaire schreef en de liedjesteksten van de beroemd geworden chansonnier.
Maar een volbloed anarchist is Brassens dus nooit geweest.  Zelf zegt hij hierover: 'Ik ben een activist geweest toen ik 23-24 jaar was.  Het was vooral de anarchistische moraal die het dichtste stond bij wat ik geloofde, bij wat ik dacht: een zin voor vrijheid, het leger weigeren en ook het autoritarisme, de wet negeren, de noodzaak aanvoelen dat de mens zijn eigen zaken moet beheren.  Het was meer zoiets.  Maar ik ben ik ben daar niet erg diep op ingegaan toen ik zag dat die ideeën mij bevielen; ik heb het daarbij gelaten.'
Vandaar wellicht ook dat hij de mensen niet echt van zijn anarchisme wil overtuigen.  Het is voor hem zoals hij het zelf zei in ‘Le vieux Normand’:
C’est à toi d’en décider, choisis!
A toi seul de trancher s’il vaut mieux
Dire ‘Amen’ ou ‘merde à Dieu.’
Flor Vandekerckhove
(*) Marc Wilmet, ‘Georges Brassens, libertaire’, 2de druk, uitg. Les éperonniers, 2000

dinsdag 27 december 2011

Gerard

[Herinneringen] — Haast dagelijks rij ik voorbij het alleenstaande hoekhuis. Al meer dan een jaar hangt er een affiche aan de gevel: te koop.  Ik heb dat huis destijds weten bouwen en ik heb de tijd gekend dat Gerard erin gewoond heeft, eerst samen met zijn echtgenote, later als weduwnaar. Nu staat het al meer dan een jaar te koop, want Gerard is al enige tijd dood.
Dat heb ik pas later vernomen, enkele maanden nadat de affiche aan de gevel gehangen werd. Was Gerard verhuisd? Was hij Kleiner gaan wonen? Neen, Gerard was gestorven.
Dat is aan het huis niet te zien, ook niet nadat het al een jaar niet meer bewoond is.  Binnen op het raamkozijn staan ook vandaag nog de planten die daar altijd al gestaan hebben. Aan die cactussen is het niet te zien dat Gerard er niet meer is, zij leven in stilte verder.  Evenmin is het te zien aan de meubels die alle in het huis zijn blijven staan.
In het voorbijfietsen wordt mijn oog iedere keer weer aangetrokken door de eetkamer die door het gordijnloze raam geëtaleerd wordt; een kast, vier stoelen rond een tafel, in een stijl die mijn ouders misschien wel mooi gevonden hebben. Op die tafel ligt nog altijd de toile cirée die Gerard daar bij leven en welzijn gelegd heeft. Een proper huis is het, tè proper om gemakkelijk verkocht te worden. Te koop, toile cirée inbegrepen.
Flor Vandekerckhove
[Dit bericht verscheen eerder in de inmiddels gecrashte site Blogweb. 18 februari 2012, gisteren zag ik dat het huis eindelijk verkocht geraakt is.]

maandag 26 december 2011

Over identiteit

Flor Vandekerckhove verkoopt het weekblad Rood
(1 meistoet Gent in de jaren tachtig -
foto Michiel Hendryckx)
Toen ik in 1988 de publicatie van Het Visserijblad in handen nam, was ik geen journalist. Om inzicht te krijgen in de technieken, wetmatigheden, valkuilen en (on)mogelijkheden van de journalistiek heb ik in de daaropvolgende jaren veel over het vak gelezen.
In 1994 ontdekte ik Un temps de chien (1994) van Edwy Plenel, toentertijd hoofdredacteur van de Franse krant Le Monde. Van deze Plenel had ik nooit eerder gehoord, maar ik herkende de stijl, de manier van redeneren en de inhoud van het boek; ik herkende in dat boek een manier van denken, schrijven en handelen die ook de mijne was: ‘Je plaide donc pour l’information qui fait désordre, essentiële parce que dissidente, pertinente parce que marginale’. Yes! Ik werd gewoon van mijn sokken geblazen.
Tien jaar later, in 2004, stootte ik toevallig op een boek dat La face cachée du Monde (2003) heette. In 630 bladzijden werd daarin een vermeend complot uit de doeken gedaan. De Franse trotskisten van de Ligue Communiste Révolutionnaire (LCR) zouden in Le Monde geïnfiltreerd zijn, met… Edwy Plenel als spin in het web.  Dat boek maakte in Frankrijk grote ophef, want Le Monde is niet zomaar een krant, het is dè kwaliteitskrant van de grote Franse burgerij. De ophef leidde overigens tot het ontslag van deze Plenel.
Het is door dat boek dat ik zelf te weten kwam dat Edwy Plenel lid (geweest) was van de LCR, de Franse afdeling van de trotskistische IVde Internationale; dat hij activist geweest was van de Franse zusterpartij van de Belgische SAP (voorheen RAL), een organisatie waarvoor ik zelf vele jaren ijverde en die ik in 1987 verlaten had. Aha! Dàt was het dus wat ik tien jaar eerder herkend had bij het lezen van Un temps de chien.
De auteurs van La fache cachée… bleken er evenwel met hun klak naar gesmeten te hebben. Er bleek helemaal geen sprake te zijn van enig trotskistisch ‘entrisme’ in Le Monde. Plenel had die partij al verlaten toen hij in 1980 bij de krant in dienst kwam. Dat werd later aangetoond door de onderzoeksjournalist Laurent Huberson in weer een ander boek, ook goed voor 500 bladzijden (2008). 
Maar de belagers van Plenel hadden wel degelijk iets gezien wat opmerkelijk was. Zij hadden ’s mans manier van denken, schrijven en ageren herkend; zij hadden hetzelfde opgemerkt als wat ik in 1994 gezien had toen ik Un temps de chien aan ’t lezen was. Zelf had ik de journalistieke cultuur van Plenel aantrekkelijk gevonden, de auteurs van La fache cachée… daarentegen vonden die afstotelijk.
Zou het kunnen zijn, zo stelde ik me de vraag, dat er eenzelfde cultuur terug te vinden is bij al degenen die in dat trotskisme een beklijvende passage gemaakt hebben? Maakt die passage deel uit van onze identiteit, ook als we dat politieke engagement achter ons gelaten hebben? Bestaat er een cultureel trotskisme? Edwy Plenel heeft daar een mening over: Le journalisme, c’est une forme de militantisme, une façon de réformer la société au jour le jour, une forme d’engagement.’ (2008, p.183)
Hij is geen politiek activist meer maar: ‘Si j’avais à définir ce qui m’en reste, je me dirais volontiers trotskiste culturel, m’inventant une identité intermédiaire, bâtarde et métissée, qui déplaira aussi bien aux orthodoxes qu’aux postulats. Le trotskisme comme expérience et comme héritage fait à jamais partie de mon identité, non pas comme un programme ou un projet, mais comme un état d’esprit, une vieille critique faite de décalage et d’acuité, de défaites et de fidélités.’ (2001, p.24)
Met zo’n uitleg moet je bij de activisten-pur-sang evenwel niet afkomen. De trotskistische filosoof Daniël Bensaïd (1946-2010) maakt dan ook in zijn memoires gehakt van de vermeende journalistieke onafhankelijkheid van Edwy Plenel. In antwoord op het ‘culturele trotskisme’ van Plenel schrijft hij een interessante kritiek op de journalistiek (waarop ik later nog wel eens zal terugkomen, 2004, 254-275), maar het mag al meteen duidelijk zijn dat hij dat cultureel trotskisme onzin vindt zijn: ‘Trotskisme culturel? L’expression vient de moi, mais dans ma bouche, elle n’est pas flatteuse. C’est ce qui reste une fois quand on à retiré l’essentiel: les valeurs politiques de la LCR.’ (2008, p.184) Dat is trouwens ook de mening van Alain Krivine en François Sabado, andere vooraanstaande figuren van het trotskisme. Sabado: Se penser trotskiste et croire qu’on peut continuer le combat en investissant Le Monde (…) c’est une contradiction intenable (…)’ (2008, p.185)
Niet zo voor Edwy Plenel zelf: ‘Le trotskysme lui-même est une sorte de passage qu’ont emprunté des valeurs et des idées, des références et des conduites, pour échapper à leur négation et se sauver d’une débâcle assurée. Ce n’est pas un programme fini, encore moins une recette accomplie (…) C’est tout simplement une expérience, théorique et pratique. Dans le contexte historique du XXe siècle, ce fut la forme prise par l’un des maillons de l’infinie et universelle chaine des révoltes logiques et critiques.’ (2001, p.251)
Plenel is nog steeds een schakel in die ketting, gesterkt door wat het trotskisme al bijgebracht heeft: Il reste alors de cet engagement le principe du journaliste acteur et pas seulement témoin. L’investigateur est celui qui (…) donne des coups de pied dans la fourmilière pour regarder ce qu’il en sort, qui bouscule et relance les protagonistes quand l’affaire se calme. Bref, il dérange.’ (2008, p.488)
De meningen zijn dus verdeeld. Maar misschien vinden de antagonisten elkaar wel in het volgende: ‘Le ligne de partage passe plutôt entre les anciens et les ex. La démarcation est celle du cynisme et du ressentiment. “Ancien” garde quelque chose d’affectueux. Le mot évoque sans regret des expériences communes, une sorte d’amicale informelle. Les anciens ne regrettent rien. Ils ne sont ni reniés ni repentis. Quand le coeur ni est plus, ils continuent autrement, par d’autres vois, sous autres formes. “Ex” au contraire, tourne sèchement la page’. (…)’ (2004, p.15-16)
Elke mens komt vroeg of laat in zijn leven op een punt waar hij samenvalt met zijn verleden; het punt waar het geleefde verleden het hoofdbestanddeel van zijn identiteit uitmaakt. Daardoor komt het dat de ‘anciens’ van Ben Saïd niet alleen elkaar herkennen, maar dat zij ook door anderen als dusdanig herkend worden. Zij dragen hun erfenis op een sticker, een zichtbaar teken waarop staat: ‘Ik ben een ancien en daar ben ik trots(kist) op.
Flor Vandekerckhove

1994, Edwy Plenel, Un temps de chien, uitg. Stock.
2001, Edwy Plenel, Secrets de jeunesse, Ed. Stock.
2003, Pierre Péan, Philippe Cohen, La face cachée du Monde, Uitg. Mille et une nuits.
2004, Daniël Bensaïd, Une lente impatiënce, Ed. Stock.
2008, Laurent Huberson, Enquête sur Edwy Plenel, De la légende noire du complot trotskyste au chevalier blanc de l’investigation, Uitg. Le cherche midi.

zondag 25 december 2011

Kerst der eenzamen

Kerst der eenzamen. (tekening Jo Clauwaert)
Het begon pas te dagen en ik stond al op straat, ergens in de stad waar het leven nog niet op gang gekomen was. Zopas was ik ongeschoren, ongekamd en ongewassen een flatgebouw ontvlucht.  Mijn kleren roken naar braaksel en mijn oksels naar zweet.  Ik voelde me nog dronken.  Ik zwoer dat ik dit nooit meer zou meemaken.
Sinds ik deze blog schrijf, leg ik mezelf een ijzeren discipline op. ‘s Ochtends ben ik al bezig als de eerste lassers op de kaai toekomen en als ze ‘s avonds naar huis gaan, brandt de lamp nog altijd boven mijn bureau.  Nadat ik mijn blog gepost heb, maak ik een wandeling met de hond. Ik loop een eindje langs het strand, heel dicht bij de golven en snuif het jodium op.  Daar word ik rustig van.  Om middernacht ga ik naar bed en vijf tellen later slaap ik de rustige slaap van lieden die weten dat hun dag goed gevuld geweest is.
Daar is één uitzondering op.  Kerstavond, want dan ga ik uit.  Er is niet veel open op zo’n avond, maar waar ‘t wèl open is, daar wil ik zijn. Daar zitten we dan samen, wij, de eenzamen, en naarmate de nacht vordert, geraken we aan lager wal.
Dat was ook dit jaar weer het geval.  Het was allemaal flink uit de hand gelopen.  Iemand was van z’n kruk gevallen, er waren ruzies ontstaan, de waard had in zijn onderbroek staan dansen en ik, ik voelde me tussen mijn gelijken.
Het is bekend dat alcohol de lusten wekt. Dat gebeurt op zo’n kerstavond bij mij zo bovenmatig dat ik mezelf niet meer herken, want gedurende de rest van het jaar leid ik ter zake een heel rustig leven.
Maar zo’n kerstavond is anders.  Dan denk ik niet meer aan mijn werk of aan m’n schulden, dat zit dan allemaal veilig geborgen, ergens in een achterhoek van mijn hersenen en het komt er niet uit vooraleer kerst voorbij is.
Wij zaten in de Lonely.  Er werd gebeld.  De Lonely is een privébar en je komt daar niet zomaar binnen.  Je belt en de barman kijkt of je eenzaam genoeg bent om binnengelaten te worden.
Die vond het blijkbaar goed en er kwamen twee oude vrouwen binnen.  Ik schatte ze goed zeventig jaar.  Ze waren teut en ze werden enthousiast in de kring opgenomen.  Er werden nieuwe rondjes besteld, er werd te hard gelachen, iemand liet een luide wind, links en rechts brak er een glas en regelmatig viel weer iemand anders van zijn kruk.  Ik vond het allemaal zeer aangenaam terwijl ik daar aan de hoek van de bar stond en één voor één mijn pilsjes dronk. 
De twee oude vrouwen vonden het blijkbaar ook prachtig.  Eentje ging erbij zingen, oude trieste schlagers uit betere tijden.  Ze zong met een vibrerende stem; een geschoolde sopraan, aangetast door de alcohol. We waren allemaal ontroerd, zoals alleen eenzamen dat kunnen zijn. Maar we lieten het niet blijken, want er was geen plaats voor triestheid in de bar der eenzamen.
De vrouw, die midden dat tumult stond te zingen, was waarschijnlijk een weduwe die na de dood van haar man aan lager wal geraakt was en die het vroeger nooit gedurfd zou hebben een bar als deze te betreden.  Ze had veel in te halen en deed erg haar best. Haar vriendin was anders. Zij zou een schrijfster geweest kunnen zijn, iemand die veertig jaar geleden boeken schreef en die dan voor de keuze gestaan had, schrijven of drinken. En die voor het laatste gekozen had.  Ze was goed gekleed, haar kapsel verzorgd en ze rookte de ene Dunhill na de andere.  Eigenlijk was ze best een mooie vrouw, getekend maar mooi, schoon maar triestig.
Ik werd verliefd.  Dat wil zeggen… ik werd bezeten door een drift die haast niet menselijk is.  Ik wìlde die oude, eenzame vrouw.  Ik besefte hoe lachwekkend het was, ik voelde mezelf belachelijk en wist dat iedereen in de bar er hard om zou lachen, maar er was geen houden aan. Langzaam maakte ik me los van de tapkast en ging op haar af.  De zingende vriendin hield me tegen. ‘Ach’, zei ze, ‘ach mooie jongen, zou je ons geen glas aanbieden, is er dan niemand meer die hoffelijk is in dit tranendal?’  Ik wilde niets liever en bestelde een bier voor mij, een neutje voor haar en een whisky voor haar vriendin, die ik nu de mooiste ter wereld vond.  Ik wilde het haar ook zeggen, want ik was echt niet meer te houden, maar het zingende mens had me in een stevige handgreep en zong : ‘Du, du, oh du allein...’
Ik moest erom lachen en die mooie uitgeteerde vriendin van haar ook.  Er kwam een glimlach op haar lippen, die haar de schoonheid gaf van een, weliswaar gevallen, engel.  Ik wachtte op het einde van het lied.
Om het gesprek de wending te geven die ik nodig vond, zei ik meer tegen de engel dan tegen de solozangeres : ‘Hebben jullie ooit een triootje geprobeerd?’  Ik had het veel te luid gevraagd.  Er viel een stilte in heel de bar en iedereen keek me aan.  Het was duidelijk dat ik te ver gegaan was.  Ik had de regels van de eenzaamheid geschonden, regels die zeggen dat je wel in je onderbroek mag dansen, maar niet mag aanpappen met gepensioneerden.  Ik had de kerstavond der eenzamen ontheiligd.
Het kwam erop aan vliegensvlug iets te bedenken.  Ik vond zo niet onmiddellijk iets en maakte me klaar om hard te gaan lachen, ten teken dat het me niet menens was, dat het deel uitmaakte van de eenzaamheid en het er de grenzen niet van overschreed.  Maar vooraleer ik mijn lach kon lanceren, verbrak de verschraalde sopraan de stilte. ‘J’attendrai...le jour et la nuit...j’attendrai toujours...,’  Blijkbaar was het een bekend lied onder eenzamen en in minder dan geen tijd was er een koor gevormd : ‘car l’oiseau qui s’enfuit / vient chercher l’oubli dans son nid...’
Terwijl de meute verder zong, zwegen de twee vrouwen.  Ze wisselden onderling een blik en keken me dan aan, recht in de ogen.  We hadden elkaar goed begrepen.  Ik voelde meteen de warmte in mijn buik.  ‘Kom’, zei mijn engel. Ze grepen hun jas en ik ging met ze mee.
In een opperbeste stemming liepen we de kerstnacht in.  Ik tussen mijn twee oudjes, alle drie gearmd.  We waren een steun voor elkaar en we hadden die hard nodig.  We gingen een flatgebouw binnen en in de lift maakten we veel plezier.  Ik voerde er mijn kunstjes op en ze lachten en giechelden als bakvissen. 
Het appartement was luxueus.
We waren nog niet goed binnen of de twee besprongen elkaar en de sofa.  Ze deden het met een lenigheid die ik van hen niet verwacht had.  Ze begonnen prompt te vrijen.  Ze kusten en streelden elkaar dat het een lust was.  Ik wist niet wat te doen.  Hadden ze me buitengesloten?  Wilden ze me opjutten?  Ik wist het niet.  Ik was zo’n situaties niet gewoon.  Twee gepensioneerden… 
‘Waar is de badkamer?’ vroeg ik.  Terwijl ze verder vrijden wees een van de vier armen naar een deur.  Ik ging binnen en ging daar op een krukje zitten. In het midden stond een groot rond bad, half ingebouwd in de vloer, erg praktisch voor oudere dames. Ik liet het water stromen en nam een bad dat me enigszins te been hielp.  Ik bekeek de flesjes en zalfjes en probeerde me te scheren met de ladyshave, maar dat ging niet erg goed.
Toen ik poedelnaakt weer in de kamer kwam, schrok ik me een breuk.  Mijn engel zat stilletjes te wenen en de weduwe lag uitgestrekt op de grond.  Ze was wit als sneeuw. Ze zag er dood uit.  Ik stamelde : ‘Wat is er?  Wat is hier gebeurd?’  Geen antwoord. 
Ik ging tot bij de weduwe (wijlen de weduwe?) en nam haar hand die koud was. Ik probeerde haar ogen te openen maar die vielen weer dicht.
‘Godverdomme,’ schreeuwde ik, ‘dat mens is dood.’  Toen de vrouw, die ik daarnet nog mijn engel genoemd had, niet reageerde, geraakte ik in paniek. Wat deed ik hier eigenlijk?  Straks zou het hier een heksenketel zijn.  Er zou een dokter komen en politie en een ploeg van het laboratorium en lijkschouwers en journalisten en buren en er zou niets meer aangeraakt mogen worden en ik… ik stond daar poedelnaakt, midden in de nacht, dronken nog wel, bij twee vrouwen die best mijn grootje geweest hadden kunnen zijn en misschien, wat zeg ik, hoogstwaarschijnlijk, was dat mens geen natuurlijke dood gestorven, wellicht had die zogezegde engel wel ernstige afwijkingen, misschien was het mens gewoon pervers, ja misschien was ze wel een oude lustmoordenares. 
Wie zou er geloven dat ik met die hele affaire niets te maken had, dat ik op het moment van de feiten een bad nam?  Wie zou er geloven dat niet ik, maar het oude uitgeteerde mens over de schreef gegaan was?  Ik had godver geen been om op te staan.  De verlepte engel zou ongetwijfeld alles ontkennen en mij als schuldige aanwijzen. Het zou haar woord tegen het mijne zijn. En iedereen zou haar geloven.
Ik moest handelen.  Ik aarzelde geen seconde meer en trok mijn kleren aan.  Dat ging niet gemakkelijk.  Ik was dronken en had de grootste moeite mijn kleren uit elkaar te houden.  Mijn jas nog in de hand, mijn das in de andere, en met mijn schoenveters open, verliet ik het appartement en terwijl ik mij stond te ergeren op de lift die maar niet kwam, hoorde ik vaag iemand lachen.  Toen de lift er eindelijk was, hoorde ik dat het niet één mens was die lachte, maar dat er twee aan ’t lachen waren. En al dat gelach kwam uit de flat… waaruit ik zojuist…
Ik duwde op de knop van de benedenverdieping. Ik zweette.  Ik kreeg het ijskoud. Ik zag sterretjes en braakte de lift onder terwijl hij me naar beneden bracht. Het cijfer nul lichtte op en de deur ging open.
De twee hadden me voor de gek gehouden.  Ze hadden een toneeltje opgevoerd. Ik veegde het braaksel van mijn broek en stak een sigaret op. Ik stond op een stoep, ergens in de stad.  Ik wist niet goed waar ik was en nog minder welke kant ik uit moest, maar ik had wel, ter lering en vermaak van mijn lezers, een stichtend kerstverhaal op zak.
Flor Vandekerckhove

zaterdag 24 december 2011

Pleisters op de ogen

[Lectuurnotities] — In Pleisters op de ogen (*) onderzoekt de Nederlandse journalist Arnold Karskens de kwaliteit van de Nederlandse oorlogsverslaggeving van bij de eerste kiemen ervan tot in het internettijdperk.  Geestig is dat hij zich daarbij ook buigt over de Opstand in Brussel die in 1830 aanleiding gaf tot het oprichten van de Belgische staat.  Zijn analyse van de Nederlandse media in die periode is ontluisterend.  Ten eerste blijkt dat de ze vooral veel aandacht aan de opstand geven omdat die verkoopsbevorderend werkt. Tot voor 1830 komen kranten in Nederland slechts enkele keren per week uit, maar dank zij de oorlog is er opeens nood aan een echt dagblad.  Komt deze nood voort uit een belangstelling voor het menselijk leed dat gepaard gaat met de gewapende strijd?  Neen, volgens Nederlands eerste dagblad, het Algemeen Handelsblad, dient de dagelijkse verschijning om ‘voortaan gelijken tred te houden met de veelvuldige, den handel hoogst aangelegene dobberingen en keeringen, welke, zoo ten opzigte van effecten en wisselkoersen, als op de prijzen der koloniale produkten en verdere goederenhandel, enz. door de tijdsomstandigheden thans worden teweeggebragt.’  Wat meteen een merkwaardig licht werpt op de echte taken van de media.  Reportage en commentaar blijken ondergeschikt te zijn aan zakelijke en politieke belangen. Zo zeer zelfs dat het lachwekkend wordt. Het Nederlandse leger kondigt op 12 augustus 1831, onder druk van de toenmalige supermachten, het staakt-het-vuren af, waarmee het de handdoek in de ring gooit.  De verslaggever van de Buitengewone Bredasche Courant ziet dat helemaal anders: ‘De dag van 12 augustus 1831 heeft onze Oud-Nederlandse armee overladen aanschouwd met de onverwelkbare lauweren eener volkomen zegepraal.’
Wie denkt dat deze prietpraat tot de kinderziekten van de journalistiek behoort moet echt het boek van Karskens lezen, want het omgekeerde is waar.  Het is sindsdien van kwaad naar erger gegaan.
Flor Vandekerckhove
[Dit stuk verscheen eerder op de inmiddels gecrashte site blogweb.]

(*) Karskens, A., Pleisters op de ogen, De Nederlandse oorlogsverslaggeving van Heiligerlee tot Kosovo, Meulenhof Amsterdam, 2001

vrijdag 23 december 2011

De rol van Jean Demol

Bredene, de Duinenstraat halverwege de XXste eeuw.
De winkel van Jean Demol bevindt zich vooraan links.
Bij valavond zetten de mensen een stoeltje op de stoep. Daarmee deden ze niets anders dan wat Victor Hugo honderd jaar eerder ook al placht te doen: C’est le moment crépusculaire, /
J’admire, assis sous un portail, / Ce reste de jour dont s’éclaire 
/ La dernière heure du travail.
Wanneer de duisternis intrad, trok iedereen zich in de eigen woning terug. Enkele tellen later werd het licht gedoofd. Het woord slaaptekort moest nog uitgevonden worden.
In die tijd bestond er geen televisie. Maar lang zou dat niet meer duren. We hadden die avond nog maar pas de stoelen binnengezet of daar begon in het uitstalraam van elektricien Jean Demol een scherm te flikkeren. Het veroorzaakte de daaropvolgende dag een toeloop, want iedereen wilde dat geflikker persoonlijk aanschouwen en de wijkagent moest het volk in goede banen leiden.
Het was een kantelmoment. Niemand zou nog zijn stoeltje op de stoep zetten, mannen zouden met rooddoorlopen ogen op het werk komen, vrouwen werden dikker en diep in onszelf ontdekten we behoeften die we nooit eerder vermoed hadden. Waspoeders wasten witter dan wit, tandpasta’s deden dat nog beter en hoe dikker de mensen werden, hoe lighter de producten. 
Compleet nutteloze waren vulden de etalages: cola van het merk River, Calgon tegen onbestaande kalk in wasmachines, de Berend Boudewijn Kleurentelevisiestoel, Amerikaanse keukens, Japanse auto’s, Franse tralala van het merk Oréal, kleren van Armani en filtersigaretten. Sommige producten waren zelfs weerzinwekkend: pantykousen, visworst, tabak van het merk Clan, cola zonder coke, koffie zonder cafeïne, krabsla, sigaretten van het merk Zemir… Allemaal producten die we nooit gewild zouden hebben ware er de televisie niet geweest.
Die omslag zou niet te verstaan geweest zijn, ware er André Gorz niet geweest die het ons uitlegt. In 1954 las hij in een Amerikaans tijdschrift een interessant artikel. ‘Daarin werd uitgelegd dat de optimale aanwending van de Amerikaanse productiecapaciteit een consumptietoename van tenminste 50% in de acht daaropvolgende jaren vereiste, maar dat de mensen niet in staat waren aan te geven waaruit hun 50% supplementaire consumptie dan wel zou kunnen bestaan. Het was aan de reclame- en marketingexperts om nieuwe behoeften, verlangens en fantasieën bij de consumenten op te wekken (…) Het kapitalisme had behoefte aan mensen met grotere behoeften (…)’
Scherp gezien van deze Gorz. En in de etalage van Jean Demol stond het toestel te flikkeren dat die nieuwe behoeften, verlangens en fantasieën ook bij ons, Bredenaars, zou opwekken. 
Een zee van antennes overspoelde de wijken, cinema’s sloten de deuren, kaarterclubs werden ontbonden, kerken liepen leeg en buren ontmoetten elkaar alleenlijk nog aan de kassa van warenhuizen die te midden van de velden stonden.
’t Is niet dat hij ervoor erkend is geworden, ’t is zelfs niet dat hij het zelf wist, maar Jean Demol stond wel degelijk aan de wieg van de consumptiemaatschappij. In zijn etalage stond de doos van Pandora en dat bleek, zo weten we inmiddels, helemaal geen mythe te zijn.
Flor Vandekerckhove

Loftsocialisten

In Duitsland heten ze de Toskaner Fraction omdat die streek hun favoriete vakantiebestemming is; in Engeland worden ze naar hun favoriete drankje genoemd, the champagne left; ook in de VS kennen ze het fenomeen en daar heet het 5th Avenue Liberals (de Dansartvlamingen van New York als het ware) en in Frankrijk spreekt men van de gauche caviar.
Loftsocialisten!  Je vindt ze dus overal, behalve misschien in Wallonië, want in De Standaard van 14 juni schreef Paul Magnette een interessante column waarin hij zegt te weten waarom de PS in Wallonië stand houdt.  De totale afwezigheid van loftsocialisten zou een deel van de verklaring zijn.
Zelf dacht ik dat loftsocialist een scheldwoord was, en Paul Magnette vindt dat waarschijnlijk ook, maar Laurent Joffrin (°1952) ziet dat anders.(*)  Het betreft, zo meent hij, een waardevolle sociale categorie.  Hij geeft er een definitie van: ‘La “gauche caviar”, c’est la fraction progressiste de la classe dirigeante, celle qui agit de concert avec les classes dominées.’.  Want ja: ‘Il y a une gauche qui ne vient pas du monde des défavorisés, qui vit aux côtés des riches et des puissants mais qui joue un rôle subversif dans le mouvement de l’histoire.’ 
Je vindt ze niet alleen overal, ze zijn er ook al altijd geweest.  Voorlopers zouden de gebroeders Gracchus zijn die in het oude Rome een landbouwhervorming wisten door te voeren die tegen de belangen van de aristocratie inging, de klasse waartoe zij zelf behoorden.
Laurent Joffrin vindt het verschijnsel terug in de Franse revolutie. In het complot dat Babeuf organiseert om Robespierre links te passeren, noemt Babeuf zichzelf ‘een Gracchus’: ‘On date généralement de ce complot de 1797 l’origine du mouvement ouvrier, qui se fonde sur l’injuste inégalité des classes pour remettre en cause la propriété privée.  Ainsi les précurseurs du socialisme prirent-ils le nom de deux aristocrates romains pour parreiner leur mouvement: déjà la gauche caviar faisait école.’
In zijn boek overloopt Joffrin tal van namen uit de geschiedenis en de actualiteit om te kijken wie er al dan niet toe gerekend mag worden: Blum, Mitterand, Galbright, BHL, Emile Zola, Alain Minc, Victor Hugo, Keynes, Alain Finkielkraut, Albert Camus. Ze passeren allen de revue en die lijst is verre van volledig.   Ook instituties waarin de Franse loftsocialisten goed gedijen worden besproken: Le Monde, Arte, Libération en Le Nouvel Observateur waarvan Laurent Joffrin zelf tot voor kort de directeur was.  Want ja, Joffrin behoort zelf tot de gauche caviar en hij is er nog trots op ook.
Het gaat niet over alleenstaande gevallen.  Uiteraard zijn er altijd al individuen geweest die zich onafhankelijk gedroegen (de anarchist Kropotkin was een vorst!…), maar de gauche caviar bestaat niet uit een aantal geïsoleerde individuen.  Het is een maatschappelijke groep, een sociale laag, het is de ‘fraction progressiste de la classe dirigeante’.  Ze onderscheidt zich als groep van de rest van de bevolking: haar keuze is individueel en komt niet voort uit de logica van het eigen- of klassenbelang.  Ze handelt zelfs tegen de belangen van de eigen klasse in; maar de loftsocialisten worden wel voortbewogen door ambitie.  ‘Toujours l’ambivalence de la gauche d’en haut, qui se mobilise pour un idéal mais n’oublie jamais qu’elle a été formée avant tout aux jeux du pouvoir.’; ze handelen voor rekening van ‘de gewone man’, maar hoeden er zich wel voor om zelf zo’n gewone man te worden: ‘Elle ne vit pas parmi les pauvres et évite soigneusement les vocations extrémistes; en je vindt ze niet bij extreem links: ‘Elle croit à la réforme non à la révolution’.  Het gaat er hen om de sociale orde te verbeteren om ze te kunnen behouden.
Valt er inmiddels een balans op te maken van de politieke werking van de loftsocialisten? Volgens Joffrin oogt die balans positief: ‘Quel est le bilan de cette gauche où la gauche caviar, on l’ a vu, à joué un rôle important? Osons le dire: pas si mauvais. Bien sûr, l’espérance de l’utopie socialiste a été trompée.  Non, la gauche réformiste, bourgeoise, n’a pas construit, par étapes, la société idéale dont rêvait Jaurès, dont parlait Blum en que Mitterrand encore promettait dans les années 1970.  Il a fallu admettre, après le “tournant à la rigueur” en 1983, que le capitalisme, in fine, resterait debout.  Et même qu’il se développerait en dépit du gouvernement de la gauche, voire avec lui.  Le socialisme, donc, ne serait pas un autre système mais seulement une autre modalité du même système.’
Ondanks die positieve balans heeft de gauche caviar een slechte naam gekregen.  Dat gebeurde door een ommezwaai die hij vanaf 1990 dateert. De loftsocialisten begonnen toen, volgens Joffrin, een grote denkfout te maken. Ze hadden altijd al geografisch gescheiden van het gewone volk geleefd (in lofts bijvoorbeeld), helaas gingen ze er vanaf 1990 ook politiek gescheiden van leven.  Om die draai te verrechtvaardigen moesten ze een verdwijntruc toepassen: met name het verdwijnen van de arbeidersklasse.  Iedereen werd opeens ‘middenklasse’ genoemd en terwijl de inkomsten van dat gewone volk stagneerden (en erger ook), begonnen de inkomsten van de managers de pan uit te swingen, iets wat ze ook vandaag nog altijd doen: ‘La pensée critique du capitalisme disparut au bénéfice de la pensée gestionnaire (…)’  De loftsocialisten hebben dus, nog steeds volgens Joffrin, een slechte naam gekregen omdat ze ermee ophielden socialist te zijn en zich, onder druk van de globalisering, voegden naar het neoliberale credo.
Hoog tijd, aldus Joffrin, om de loftsocialisten weer tot de orde te roepen: ‘(…) elle doit, à l’inverse de ce que fait la gauche caviar fait depuis des lustres, se fonder sur une critique du monde comme il va. Il y a une autre conception de la mondialisation, qui ne rende pas les armes au libéralisme.’
De gauche caviar is de voorbije twintig jaar door de managers overstemd. Er is nog hoop voor linkse bourgeois, gesteld dat ze erin slagen de libertaire dada’s achter zich te laten, want het libertaire, da’s voor bobo’s (bohémien-bourgeois ofte yuppies) die Laurent Joffrin onderscheiden wil zien van de gauche caviar (terwijl anderen er juist bijna een synoniem in zien, zie bvb http://nl.wikipedia.org/wiki/neo-gauchisme)
De democratie heeft linkse principes nodig, linkse waarden en ook de wil om die te laten respecteren, zo stelt Joffrin ten slotte: ‘Celui — ou celle — qui saura incarner cette volonté-là aura une bonne chance de ce concilier le peuple et de s’ imposer. Alors la gauche caviar retrouvera son rôle historique.’ Dominique Strauss Kahn misschien? (Maar dat laatste is een smerige opmerking mijnentwege)
Het boekje is met grote Franse zwier geschreven.  Maar overtuigen doet het niet helemaal.  Uiteraard zullen er altijd mensen zijn die tegen de belangen van hun klasse in denken en handelen.  Maar hoe komt het er zo’n hele laag loftsocialisten tegelijk met de globalisering verdwenen is? Wil dat niet zeggen dat die laag geparasiteerd heeft op de ‘trente glorieuses’, de dertig naoorlogse jaren waarin alles mogelijk leek? Wil dat niet zeggen dat het een laag betreft die alleen maar ‘socialist’ is zolang de loft er niet door in het gedrang komt?
Laurent Joffrin mag het een treurige ontwikkeling vinden, hij heeft er wel een leuk boek over geschreven en dat is een flinke prestatie, want het is niet gemakkelijk interessant journalistiek onderzoek te verrichten naar de sociale laag waartoe je zelf behoort.
Flor Vandekerckhove

(*) Histoire de la gauche caviar, Laurent Joffrin, eertijds redactiedirecteur van de Nouvel Observateur. Ed. Robert Laffont, Parijs 2006. ISBN 978-2-7578-0229-8.

donderdag 22 december 2011

Een roker in rook opgegaan

— Flor Vandekerckhove, rokend, op het einde van de XXste eeuw. —
Het gedoogbeleid was afgeschaft. Winkels hadden hun voorraad moeten afgeven. De douane was erin geslaagd alle import te onderscheppen. De plantages waren vernietigd. De schaarste maakte de prijs haast onbetaalbaar. 
Niemand durfde nog in groep te roken. In de steden grepen razzia’s plaats. De overheid kamde achterbuurten uit op zoek naar de laatste gebruikers, goed herkenbaar aan hun rokershoest, vale huidskleur, gele tanden en armoedige leefomgeving. Vluchtende rokers werden achtervolgd door de gezondheidspolitie; een ongelijke strijd, want wie rookt kan niet rap lopen. 
Zelf gebruikte hij alleen nog op het kerkhof. Daar, achter de strooiweide, stond een bank. Daar draaide hij een saffie. 
Hij ging op in het ritueel, stak de vlam erin en inhaleerde. Ah, die prikkel! Hij voelde hoe het spul zich een weg zocht van zijn longen naar zijn hersenen. Tintelingen in zijn vingertoppen. Het werd hem ijl in het hoofd. De zon stond in het zenit, hij sloot de ogen en genoot.
In zijn borst voelde hij de steek. De sigaret viel uit zijn mond en in zijn shirt.  Zijn borstharen verschroeiden. Om ermee te stoppen was het nu te laat. 
Met het beetje kracht dat hem restte liet hij zich van de bank vallen. Ook zijn jas vatte vuur. Hij sleepte zich naar het midden van de strooiweide waar hij een levende toorts werd. 
Hij brandde helemaal op. Op de strooiweide bleef alleen nog as over en een vage geur die aan de zware shag van de weduwe van Nelle kon doen denken.
Er werd een opsporingsbericht verspreid. Niemand reageerde. De laatste roker was in rook opgegaan.
Flor Vandekerckhove

Bloggen is joggen

Op de valreep van 2010 heb ik de praktijk van het bloggen ontdekt. Helaas is de site waarop ik voorheen mijn bijdragen kon posten gecrasht. Spijtig, want het aantal hits was daar al de 60.000 voorbij. Gelukkig heb ik hier een nieuwe thuishaven gevonden, want ik heb zo’n plek wel nodig.
De blog laat me toe verschillende schrijfpraktijken te combineren.  Verschillende keren heb ik geprobeerd een dagboek op te starten. Het leek me op dag 1 alweer een zinloze bezigheid te zijn. Schrijf je niet om door anderen gelezen te worden?  De blog ontgrendelt zo’n dagboek.
Wat ik voorheen wel deed was corresponderen, maar ik moet toegeven dat lange brieven mijnentwege, als er al een antwoord kwam, door mijn correspondenten met magere kattebelletjes beantwoord werden. Op de blog kan ik brieven schrijven à volonté, zonder dat ik op antwoorden hoef te wachten.
Dan zijn er nog de leesnotities die ik vroeger in een uitdeinend aantal schriftjes placht bij te houden en die nu een weg naar de blog vinden.  Ze worden brief, dagboek, blog.
Daar worden nieuwe schrijfsels aan toegevoegd. Er komt een tijd waarop een mens samenvalt met zijn verleden. Dat is het moment waarop we ons afvragen wat dat de betekenis geweest is van de kronkelende weg die leven heet. Wat is daarin waardevol gebleken en wat niet? Het is de tijd van de memoires quoi. Ook die vinden broksgewijs een plaats in deze blog.
En korte verhalen ga ik hier ook publiceren.
Maar, zo vraagt de niet-schrijver zich nu af, is al dat geschrijf niet overbodig? Vreemde vraag is dat. Zijn de vingeroefeningen voor de pianist overbodig? Is het schetsboek van de beeldend kunstenaar een overbodig ding?
Ik mag een minor writer zijn, een sportman ben ik evenmin. Toch ga ik regelmatig joggen. Ik beleef er veel plezier aan. Terwijl ik langs de terrasjes loop waar al te dikke mensen nog dikker zitten te worden, zie ik hen hetzelfde denken. Ook zij vragen zich af of dat niet overbodig is, al die beweging. 
Bloggen is joggen!
Flor Vandekerckhove

[Dit stuk verscheen eerder op de inmiddels gecrashte site blogweb.]