woensdag 17 januari 2018

Schepen in beton

— Het betonnen schip SS Palo Alto (GT: 6.144, afmetingen: 128,02 x 16,46 x 10, 67) bleef na haar tewaterlating in 1919 tien jaar ongebruikt stilliggen. Uiteindelijk zou ze een toeristische bestemming krijgen. In Californië lieten ondernemers het schip vastlopen en bouwden er o.a. een feest- en eetzaal op. Van de kust naar het schip liep een pier. De crisis van 1929 maakt een einde aan het feest. Het vaartuig bleef verwaarloosd achter, verkommerde en brak in stukken. —

Vaartuigen in staal, ijzer, hout, polyester, rubber… dat kennen we. Maar betonnen schepen? Toch kent de scheepsbouw zo'n hoofdstukje dat overigens al lang geleden van start ging.
Op de wereldtentoonstelling van 1855 toonde een Fransman een in beton gebouwd vaartuigje, een roeiboot. Hij kreeg navolging, want in de jaren 1890 ging een Italiaanse ingenieur betonnen platbodems produceren waarmee rivieren bevaren konden worden.
Bij de aanvang van de XXste eeuw gingen de Britten er zich mee moeien. Op het eiland werden tal van betonnen schepen gebouwd. De restanten van een ervan, de Violette uit 1919, zijn hier nog te bekijken.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog steeg de behoefte aan schepen naar spectaculaire hoogten, terwijl het staal almaar schaarser werd. De Amerikaanse regering, die in 1917 bij de oorlog betrokken geraakte, liet onderzoeken of het mogelijk was grote zeewaardige betonnen vaartuigen te bouwen, die in de oorlog ingezet konden worden. Het resulteerde in het Emergency Fleet Program dat in de bouw van vierentwintig betonnen schepen voorzag.
Te laat, want toen de oorlog in 1918 beëindigd werd waren er nog geen te water gelaten. Twaalf ervan geraakten na de oorlog afgewerkt en, overbodig als ze nu waren, verkocht aan bedrijven die ze gebruikten voor goederentransport, magazijn of stort.
Hiermee had er een einde kunnen komen aan de geschiedenis van de betonnen schepen, maar kijk… De mensen waren nog niet goed bekomen van het oorlogsgeweld of daar werd alweer een nieuwe wereldoorlog voorbereid. Weer werd staal een schaars goed. In 1942 gaf de Amerikaanse regering opdracht om vierentwintig betonnen schepen te bouwen.
Het einde van WOII betekende meteen het einde van de betonnen scheepsbouw op grote schaal. Toch vind ik hier nog een werf die zeilboten maakt van ‘steel wires covered with a sand and cement plaaster’. 
Flor Vandekerckhove


— Het betonnen schip SS Athur Newill Talbot (102,53 m lang) werd tijdens WO II gebouwd. De tewaterlating gebeurde op 15 april 1943. Het werd gebruikt als militair trainingsschip en in 1945 als overbodig aan de kant gezet. De eindbestemming kreeg het schip in 1948 toen het in de Amerikaanse staat Virginia gebruikt werd om (half gezonken) als golfbreker te dienen bij een aanlegplaats van ferryboten. —

dinsdag 16 januari 2018

Moeilijkheden bij een vertaling

— Politieportret van
Assata Shakur. —
Een gedicht vertalen, ’t is iets wat ik graag doe. ‘t Is ook iets waarbij ik al eens mijn hand overspeel. Dat is ook het geval bij Current events van Assata Shakur. Current events staat in haar indrukwekkende autobiografie die je hier gratis van het net kunt halen.
Current events vertalen is geen gemakkelijke klus, omdat ’t vol slang staat, woorden die in het Nederlands niet dezelfde (bij)betekenis hebben en waarvoor niet meteen een passend equivalent bestaat.
Doordat ik mijn hand weer eens overspeel blijven er in de vertaling enkele onduidelijkheden achter. Opvallend is deze aan ’t begin van de vierde strofe: And i still can’t stand ole / el dorado. Ik vermoed dat Assata zegt dat ze nog altijd niet blij (ole, een vreugdevolle uitroep) kan zijn met opsmuk (el dorado kan op goudwerk slaan), maar ‘t is nattevingerwerk. Zowel ole als el dorado zijn ook alhier bekende begrippen, daarom heb ik ze maar laten staan: Nog altijd kan ik niet tegen ole / el dorado. Hopelijk komt mijn vertaling in handen van een lezer die beter weet en het vervolgens ook aan mij laat weten.
Ik heb er een beetje naar moeten zoeken, maar maybelline is iets uit de wereld van de cosmetica. Ik denk niet dat je Assata daar een plezier mee kunt doen.
Niet alles is in 't ongewisse gebleven. Ik heb me lang afgevraagd wat one and one kan zijn. Ik vind het antwoord uiteindelijk in een urban dictionary. One and one is een mix van heroïne en coke; vandaar mijn vertaling: half om half.
Waat u wat roka fellas zijn? Slaat het op Rockefeller, een familie van rijkaards waar Assata ongetwijfeld niets mee te maken wil hebben? Verwijst het naar een platenlabel met die naam? Heeft het te maken met een kledingstijl? (Er bestaan o.a. rokafellaschoenen en –kettingen.) Die opties moet ik verwerpen omdat label en kledingstijl dateren van na de publicatie van Assata’s autobiografie.
Iemand wijst me erop dat roka fellas in dat gedicht gevolgd wordt door een verwijzing naar de flikken en dat de revolutionaire groep waarin Assata actief geweest is vooral politiemensen en drugsdealers viseerde. Goed gezien: roca blijkt slang te zijn voor cocaïne en fellas is een verbastering van fellows, maten in ’t Nederlands, goede vrienden. Roca fellas zijn cokedealers.
Voor de rest eigen ik me in deze vertaling veel dichterlijke vrijheid toe. Ik kan de titel bijvoorbeeld ook correct als Huidige gebeurtenissen vertalen, maar Stand van zaken lijkt me meer van toepassing op de inhoud die eronder staat. And i call a pig a pig vertaal ik als En een flik noem ik een zwijn. Terecht, denk ik, want En een zwijn noem ik een zwijn zou in ’t Nederlands zinledig zijn; het scheldwoord zwijnen is alhier niet algemeen bekend voor flikken.
Of dit een goede manier van vertalen is hangt af van enige vooringenomenheid. Ben je in deze een voorstander van een dynamische equivalentie of van een formele? Voer voor specialisten dus en een inleiding ter zake vind je hier.

Flor Vandekerckhove

zondag 14 januari 2018

Uit mijn dagboek: 9 oktober 1967

—  9 oktober 1967. De VPRO zendt een aflevering van Hoepla uit waarin het naakttaboe doorbroken wordt. — 

'We leven in een maatschappij met meer taboes 
dan een tijd geleden, 
de jaren van de vrijheid zijn voorbij.'
Rik Torfs.

Een verpleegster komt in mijn broek kijken. Ze zegt dat ik nergens over hoef in te zitten, dat verpleegkundigen dat gewoon zijn. Haar woorden overtuigen me niet helemaal, maar wat kan ik zeggen?
Ik neem je mee naar een herfstige dag in 1967. De Summer of Love ligt juist achter ons en er is nog geen sprake van aids. Een mens kan het zich haast niet meer voorstellen. In die tijd hou ik een dagboek bij. Als ik het nu herlees geloof ik mijn ogen niet. Kijk hier: koppels zoeken via advertenties derden die aan een triootje willen participeren. Antwoorden gaat alzo: Schrijven bureel blad onder nummer en daarachter staat een nummer.
Ik heb het eens gedaan, geschreven naar bureel blad onder zo'n nummer. Nog dezelfde week valt er een uitnodiging in mijn bus.
Op de afgesproken dag — 9 oktober ’67 — rij ik naar Amsterdam. Voor ik het goed en wel besef word ik daar in een ziekenhuis opgenomen om me eerst te laten onderzoeken. De verpleegster noteert een en ander op een formulier, kijkt nog eens goed naar mijn piemel en zegt nogmaals dat ik nergens over hoef in te zitten, dat het maar formaliteiten zijn.
Ik heb wel zin in dat triootje, maar die formaliteiten zijn me er toch te veel aan. Van zodra de verpleegster haar gat gekeerd is ga ik er weer vandoor. Vier uur later ben ik alweer thuis.
Eerst breng ik de auto terug die ik van mijn lief haar vader geleend heb. Mijn toekomstige schoonfamilie is televisie aan ’t kijken, terwijl mijn geliefde een bloemenkrans vlecht, want in die tijd is ‘t van Be Sure to Wear Flowers in Your Hair.
‘Hoe is ’t geweest?’ vraagt ze.
Ik zeg haar dat een verpleegster in mijn broek gekeken heeft, maar dat het bij die formaliteit gebleven is.
‘Volgende keer beter,’ antwoordt ze. Dat we er verder geen woorden aan besteden kan aan de tijdgeest liggen, die beroepszeveraar Rik Torfs 'de jaren van de vrijheid' noemt. Maar 't kan ook zijn dat het komt doordat de tweede aflevering van Hoepla juist van start gaat. En ja hoor, weer is de wondermooie Phil Bloom van de partij. In een krant neemt mooie Phill de zoekertjes door, ongetwijfeld van koppels die een derde zoeken, en als ze die krant laat zakken blijkt dat ze poedelnaakt is.
‘En dat komt allemaal op de tv,’ zegt mijn aanstaande schoonmoeder.
‘Een mens maakt wat mee’, zeg ik, ‘je moet haast nergens voor de deur nog uit.’
Dat ik met die woorden het internettijdperk voorspel kan ik op 9 oktober 1967 uiteraard niet weten, maar het staat daar toch mooi in m'n dagboek genoteerd, met datum en al. Toch spijtig dat ik dat dagboek maar één dag bijgehouden heb.

Flor Vandekerckhove

vrijdag 12 januari 2018

Een schrijfster in Gent

— Deze foto van Dubrakva Ugresic werd niet in Gent genomen, maar tussen de brokstukken die de nietsontziende Joegoslavische burgeroorlog achtergelaten heeft. Dubrakva Ugresic is een Kroatische, maar over het Kroatische nationalisme is ze niet te spreken. —

Dubrakva Ugresic is een Kroatische die waarlijk goed kan schrijven. Dat leer ik uit Europa in sepia, een bundel essays waarin ze, reizend van hot naar her, beschrijft hoe moedeloos de aanblik der dingen haar maakt, en vooral hoe alleen ze daarin lijkt te staan. Het maakt van haar een eenzaam mens, wat te beklagen is, maar ook een unieke auteur, en da's dan weer benijdenswaard.
Zo stond ze in Gent voor hotel de Flandre op een taxi te wachten. ‘Het was nog vroeg en de stad was gehuld in een mist die niet van plan leek nog voor het voorjaar op te trekken.
Na dat sterke weerbericht beschrijft ze de omgeving: ‘De gevels van de belendende huizen zagen er in het grauwe licht van de lage hemel nog havelozer uit dan ze van zichzelf al waren. Ik had het idee dat er links van mij, zich onzeker voortspoedend als een slechtziende vrouw, een tram passeerde met van voren de naam van de eindhalte: MOSCOU. Wie weet was dit Moskou (lijn 4!) niet meer dan een ochtendlijke hallucinatie die door de mist voorbijkwam. Daarentegen waren de boven elkaar hangende letters rechts van mij — SAIGON — absoluut geen verbeelding; het leek eerder alsof ze elk moment van de voorgevel konden loskomen en op straat kletteren. Kwam het misschien door de kortstondige betovering in de mist, op dat moment tussen ‘Moskou’ en ‘Saigon’ dat het draadje losraakte en ik me ineens zo beklemd voelde?’
Ik ken Gent een beetje. Daarom kan ik u zeggen waarom dit zo goed geschreven is.
Hotel de Flandre is een viersterrenhotel op de Poel. Er moet al heel veel mist hangen om het idee te hebben dat de 4 daar passeert. De lijn Moscou rijdt via de Korenmarkt. Vanaf de Poel is dat zes minuten stappen. Je moet een hoek om en ook nog eens over een helling. Vandaar dat Ugresic zeer terecht over een ochtendlijke hallucinatie spreekt en een kortstondige betovering in de mist.
Dank zij Google Streetview sta ook ik nu, net zoals Dubrakva Ugresic, vlak voor dat hotel. Ik navigeer links en rechts en keer weerom. De gevels naast dat hotel zien er voortreffelijk uit. Tegelijk kan ik me wel voorstellen dat je, na een verblijf in zo’n poepchic hotel, een schok krijgt als je weer op straat staat. Rechts van me zie ik geen kaduke reclameletters, wel mooi opgeknapte herenhuizen.  
Ik zie dat Google Streetview daar van 2014 dateert en dat Ugresic haar essay in 2012 schrijft. Misschien is het wankele reclamepaneel intussen weggehaald, maar ’t kan uiteraard ook zijn dat het daar nooit gehangen heeft, net zomin als daar de tram passeert.
De schrijfster heeft de kwakkelende letters SAIGON ergens in Gent gezien, misschien naast dat hotel, misschien elders. Ook heeft ze tram 4 — eindbestemming Moscou — ergens in Gent gezien. Ze heeft zelfs goed toegekeken, want ze merkt op: Moscou in Gent met c en Moskou in Rusland met k. [Het zou ook kunnen zijn dat alle lof voor die opmerkzaamheid de vertaler toekomt.]
Ze heeft de Gentse werkelijkheid verdicht, en ze heeft dat gedaan in twee betekenissen. Ze heeft ten eerste elementen van de werkelijkheid fysisch dichter bij elkaar gebracht door het reclamepaneel en de tram naar haar hotel te verplaatsen. Waardoor ze zich ten tweede een eigen Gent bedacht heeft; een dichterlijk, esthetisch Gent, waarvan de geboren & getogen Gentenaar toch zal zeggen: dit is waarlijk mijn stad. Waarmee ze een proeve aflevert van wat literair criticus Alexandr Voronski als esthetisch waar omschrijft. Net wat ik in ’t begin zei: Dubrakva Ugresic is een Kroatische die waarlijk goed kan schrijven.

Flor Vandekerckhove

woensdag 10 januari 2018

Kraaivisjes en salamanders


— Links: de parkvijver en de brug waarop we gingen zitten om salamanders te vangen. De kraaivisjes (rechts onderaan) zaten elders. —

Kraaivisjes waren gemakkelijk. Je ving ze in de Polderstraat, achter de boerderij van Poorter, in de gracht. Touwtje, regenwormpje, bokaal. Worm aan touw vastknopen, touwtje in ‘t water. Het kraanvisje dat toehapte trok je — niet hard niet zacht — uit het water en in de bokaal.
Salamanders waren moeilijk. Lange stok, waaraan tot lus gebogen ijzerdraad, nylonkous, bokaal. Je wachtte, zittend op de brug van ‘t park, wachtte wachtte wachtte, tot zo’n salamander in de vijver de kop opstak. Hop, in de nylonkous! 
Met die nylonkous kon je trouwens ook watervlooien vangen. Ik weet niet meer waarom we die nodig hadden, wellicht was ‘t visvoer.
Gilbert Huysmans was goed in salamanders en Marcel Van Paemel was nog beter. Op het platform achter Marcels ouderlijke woning stonden zijn vangsten in kastrollen, teilen en seulen, waarin het water op een even simpele als vernuftige wijze, laat ons zeggen semi-automatisch, ververst werd.
Zelf kon ik geen salamander vangen, maar wel kraaivisjes. Omdat kraaivisjes gemakkelijk waren en salamanders moeilijk was de ruilverhouding vijf tegen één. Met een goedgevulde bokaal kraaivisjes trok ik naar Marcel om te ruilen. Hij was niet thuis. Ik weer weg met mijn bokaal.
Daar moest ik aan denken terwijl ik Forel vissen in Amerika aan ’t lezen was van Richard Brautigan. (Daar staan merkwaardige zinnen in: ‘Ik herinner me dat ik een oude vrouw aanzag voor een forelrivier in Vermont en ik moest haar mijn excuses aanbieden.’)
Ik vraag me af of kinderen ook nu nog kraaivisjes en salamanders vangen. Ik denk het niet. Kastrollen en seulen bestaan alleen nog in ’t Vlaamse woordenboek; de bokaal moet in de glascontainer; de vijver is vervangen door een andere die ernaast ligt; de gracht is een riool, de weiden zijn verkaveld, de Polderstraat heet daar nu Parklaan, de auteur van Forel vissen in Amerika is al lang dood, de boerderij van Poorter heet thans heemkring en een kraaivisje is nu alleen nog bekend als driedoornige stekelbaars. Gilbert is, denk ik, in Limburg gaan wonen. Marcel is overleden. Alleen Elvis blijft bestaan.

Flor Vandekerckhove

zondag 7 januari 2018

Een Tesla en een hoek af

Wat doet meneer Delanghe die dag in Alveringem, waar hij helemaal niet hoort te zijn? Waarom neemt hij daar de Oerenstraat, nauwelijks breed genoeg om zijn Tesla door te laten?
Alzo start dit verhaal dat ons niet alleen naar de Westhoek leidt, maar ook naar de psychiatrie, want meneer Delanghe heeft, zo zegt de volksmond, een hoek af.
Meneer Delanghe is een heer op leeftijd en zo ziet hij er ook uit. Maar het trauma dat hem sinds zijn jeugd al vergezelt is bijlange niet verouderd. Nog altijd lokt de oude man dwangmatig situaties uit die hem z’n pijnlijkste jeugdervaring laten herbeleven.
Zestig jaar eerder bijt zijn hond iemand in de hand. Mama wil het beest het huis uit en geeft het aan de melkboer. Die spant de hond voor zijn kar. Dat mag lang geleden zijn, voor meneer Delanghe is ‘t als vandaag. Dat is wat hij die dag in Alveringem doet: hij zoekt daar naar zijn hond.
In de Oerenstraat ontwaart hij iemand die de hond uitlaat. Meneer Delanghe stapt uit de Tesla, alsmede op de man af: ‘Bent u’, vraagt hij, ‘in het bezit van een bewijs van afwijking van het verbod honden als last- en trekdier te gebruiken?’
De man heeft geen idee waarover deze vreemde mens het heeft en wil zijn weg vervolgen, maar meneer Delanghe maakt veel misbaar. De hond bijt meneer Delanghe in de hand. De wandelaar trekt aan de hond, de hond trekt aan de hand, meneer Delanghe trekt aan het kortste eind. Hij herbeleeft wat hem zestig jaar geleden aangedaan werd: vreemde man neemt hond mee.
Tegen de tijd dat meneer Delanghe de Tesla in de parkeergarage binnenrijdt is ’t alweer donker. In zijn thuisstad weet niemand wat zich die dag in Alveringem heeft afgespeeld. De volksmond weet alleen dat meneer Delanghe een Tesla heeft, en een hoek af.
Flor Vandekerckhove

Een eerste verhaal over meneer Delanghe heet Intussen in het rustoord en dat vind je hier. Er zit een derde in de pijplijn (ik werk namelijk met een pijplijn, al weet ik niet goed wat ik me daarbij moet voorstellen), dat komt binnen afzienbare tijd op dit scherm en zal heten: Geveld door een citaat.

vrijdag 5 januari 2018

Faits divers

Een vrouw van 43 stond te dansen
op de ijspiste
toen ze uit evenwicht geraakte
en op haar hoofd terechtkwam.
Enkele uren later werd ze bewusteloos
gevonden in haar bed.
In het ziekenhuis stelden artsen vast
dat de vrouw al overleden was.

Een vrouw van 73 keek naar de tv
in haar appartement
toen een bouwkraan door de storm
op haar flat terechtkwam.
Haar man werd in spoed
naar ’t ziekenhuis gebracht.
De ambulancier stelde vast
dat de vrouw al overleden was.

Een vrouw van 83 werd in 't rusthuis
op het toilet
gezet en daarna vergeten
door wie nog anderen te verzorgen had.
‘s Nachts viel de vrouw vastgegespt naar voor
waardoor ze stikte.
’s Anderendaags stelde men vast
dat de vrouw al overleden was.

Flor Vandekerckhove

(Gebaseerd op drie recente faits divers in Vlaamse kranten. Aan de feiten werd in dit gedicht niets veranderd.)

woensdag 3 januari 2018

Andere tijden


In een bijlage van De Morgen interviewt journalist Freek Evers zijn vader, Ronny, een oude socialist. (°) De zoon probeert te begrijpen waarom zijn vader socialist is. De vader probeert het uit te leggen. Ze slagen er niet echt in, noch in het begrijpen noch in het uitleggen. Dat komt, zo te zien, doordat vader en zoon in andere tijden ontkiemd zijn.
Ik zoek naar de leeftijden van die twee. Al gauw vind ik dat Freek van 1988 is. In 2018 wordt hij dertig; een jonkie nog, veel jonger dan mijn kinderen bijvoorbeeld. Tevergeefs zoek ik naar de leeftijd van vader, die zegt dat hij in zijn jonge jaren een marxist geweest is. 
Het interview leert me dat Ronny nog rookt, wat me laat vermoeden dat hij jonger is dan ik, want op mijn leeftijd zijn er niet veel meer aan de tabak. Ronny Evers is jonger, maar niet erg veel: ‘Als mijn vader het over zijn tijd heeft, bevinden we ons halfweg de jaren 70, begin jaren 80.’ Mijn eigen tijd situeer ik eerder aan het einde van de jaren 60 tot dik in de jaren 70. Onze tijden, die van Ronny en die van mij, overlappen elkaar gedeeltelijk. En die overlapping geschiedt in Gent, alwaar wij als generatiegenoten de dingen beleven.
‘Rond die Vooruit bruiste het als nooit tevoren. “Dat was hier het rode plein”, mijmert hij wanneer we besluiten om (…) een wandeling te maken in Gent. In de cafés die het gebouw Vooruit omsingelden vond je naast verschillende soorten bier ook alle tinten rood. Van de Kommunistische Partij, over de Revolutionaire Arbeidersliga (RAL) tot Alle Macht aan de Arbeiders (…).’
Zelf herinner ik me niet dat de KP daar een vaste stek had, maar die partij hield inderdaad meetings in de nabijgelegen Minardschouwburg. Nabij dat ‘plein’ werd ook het dagblad Vooruit geredigeerd en gedrukt. Zowel AMADA als RAL hadden een ankerpunt om de hoek. Over het lokaal van de RAL, dat zich aldaar bevond, heb ik trouwens al iets geschreven. Ook over een van de omliggende cafés, die vader Evers zich goed herinnert, heb ik hier een stukje gepubliceerd, meer bepaald over ’t Keetje.
Ronny Evers ‘herinnert zich hoe hij als zeventien- of achttienjarige aan de vooravond van 1 mei naar NTGent trok voor een evenement dat georganiseerd werd door de RAL. Hij beschrijft een gebouw dat helemaal in rood was gedrapeerd. Op het programma: het theaterstuk Mistero Buffo van de Italiaanse toneelschrijver Dario Fo, gebracht door de Internationale Nieuwe Scène.’
Misschien zijn we elkaar wel tegen ’t lijf gelopen, Ronny en ik, want ik was daar ook. In mijn herinnering betreft het wel twee evenementen. De opvoering van Mistero Buffo denk ik in de theaterzaal van Vooruit meegemaakt te hebben. In het NTG heb ik op 1 mei, denk ik, een stukje van De boerderij der dieren gezien, opgevoerd door Het Trojaanse Paard.
Denk ik, denk ik, denk ik. Want mijn geheugen is niet erg betrouwbaar meer, gesteld dat het dat ooit geweest is. Vader Evers is iets jonger, een onbetwistbaar voordeel als het om geheugens gaat. Hij zal het wel bij het rechte eind hebben. Maar wat we ons beiden goed herinneren is dit: ‘Je moet zo’n avond vergelijken met Tomorrowland, maar dan met betekenis.’ Misschien overdrijft Ronny de omvang, maar wat hij niet overdrijft is dit: het had inderdaad betekenis. Goed dat iemand ons, oudjes, daar eens aan herinnert. Goed ook dat iemand daar de jonkies eens op wijst.
Flor Vandekerckhove


° Mijn vader, de sos. DM-journalist Freek Evers in gesprek met Ronny Evers, ooit een trotse Gentse socialist. In DM keerpunt, 30.12.2017.

maandag 1 januari 2018

#MeToo

— Om u bij de aanvang van dit jaar te plezieren laat ik de antiheld van dit verhaal in de straten verdwalen. Er zit stormweer in de lucht. Gelukkig stoot hij onderweg op een vrouwke, heel net en genereus. Je weet wel, dat vrouwke waarover Wannes Van de Velde het in zijn bekende lied heeft. Ze neemt hem mee naar binnen, waar de gebeurtenissen hun gang gaan. —

Het parket geurde naar boenwas, kaarslicht danste op de muren, het haardvuur laaide hevig. Met halfgesloten ogen keek hij toe hoe ze zich klaarmaakte om de liefde te bedrijven. Hij zag hoe ze het broekje uitdeed en dat naast de haard legde. Hij voelde hoe zijn pik begon te groeien onder de belofte van wat ging komen.
Behaaglijk vleide ze zich neer en zonder enige schroom schoof ze haar nachtpon omhoog. Haar benen weken uiteen en ze toonde hem haar buik, haar openstaande dijen, haar lippen. Nooit voorheen had een hem onbekende vrouw zich zo wulps aan hem getoond en nooit voorheen had hij een hem onbekende vrouw zo wulps bekeken. Hij nam er de tijd voor.
De kaarsen doofden een na een en het koppel werd opgenomen in de nacht. Het enige licht dat restte was dat van een laatste houtblok waaraan de vlammen gretig likten. Buiten ging de storm hevig tekeer.
Ze glimlachte en keerde zich om, ze toonde hem haar billen en haar kont. Langzaam kwam hij nader en terwijl hij zijn pik omklemde om haar te penetreren viel hem een tattoo op. In het schijnsel van het vlammenspel las hij op haar rechterbil #MeToo.
Daar schrok hij hevig van. De houtblok mocht dan hevig branden, zijn lust was wel compleet geblust. Uit het lood geslagen keerde hij onverrichter zake op zijn schreden terug.
Ze zegden niets. Hij scharrelde zijn kleren bij elkaar, trok de deur achter zich dicht en haastte zich naar de bushalte, waar hij constateren moest dat de Avondlijn omwille van de storm was afgeschaft.
Flor Vandekerckhove


zaterdag 30 december 2017

Balans en perspectieven

Sinds het ontstaan ervan werd deze blog al meer dan een kwart miljoen keer bekeken, 253.323 keer om exact te zijn, een cijfer dat, terwijl ik het neerschrijf, alweer voorbijgestreefd is. Een jaar geleden stond de teller nog op 178.721. Dat betekent dat er in een jaar tijd 74.602 views aan toegevoegd werden, wat nooit eerder gebeurd is.
In 2016 had ik 247 stukjes gepost, waarmee ik voor het eerst boven de 200/jaar kwam. Dat vond ik eigenlijk wel overdreven van mezelf, want het betekende dat ik haast dagelijks een nieuw verhaal publiceerde. Ik had me toen voorgenomen om me een beetje te matigen en ik ben daar ook, zij het met moeite, in geslaagd: in 2017 publiceerde ik 200 nieuwe stukjes. 
’t Is nog altijd teveel, want ik streef naar een ritme van een stukje om de andere dag. Meer dan 183/jaar zou dat niet mogen geven. Nu gebeurt het nog al te vaak dat een post ondergesneeuwd geraakt in de lawine van stukjes die er boven komen te staan.
Voor wat de perspectieven betreft kan ik dan ook kort zijn. Ik ga gewoon verder op de ingeslagen weg en voeg er Lenins woorden aan toe: liever minder, maar beter! 
In de rechtermarge van de blog staat een top tien van de meest gelezen posten. 2017 bracht zes nieuwe topstukken voort. Ook dat is een record.
Op 10 staat een handpalmverhaal: Betsy van ‘t Sas. Het is de bewerking van een langer verhaal dat ik al eerder publiceerde en dat toen De lotgevallen van Zwarte Maria heette. Ik maakte het nu korter en daardoor ook sterker. Er is evenwel een bijzondere verklaring voor het grote succes van deze versie. Blijkt dat er alhier een bier gebrouwen wordt dat Blonde Betsy heet en de brouwer ervan woont aan ’t Sas. Die mens  — Jurgen Tavernier — stuurde mijn verhaal via zijn indrukwekkende sociale netwerk de wereld in, met alle gevolgen van dien: het werd een hit.
Dat is trouwens de regel: wanneer zo’n stukje opgepikt wordt door iemand met een druk bekeken facebook dan wordt het een succes. [Neen, zelf ben ik geen facebookvriend, da’s een beperking die ik mezelf opleg; er kruipt al genoeg tijd in deze computer.]
Ook op 9 staat een nieuweling. Dat stukje wordt geschraagd door een schoolfoto uit 1948. Veel oudere Bredenaars togen op zoek naar de namen achter de gezichten, iets wat resulteerde in tal van commentaren en in vele honderden views.
Nieuw is ook het stukje dat op 7 terechtgekomen is. In Het privilege van de Vistrap werp ik een blik op die merkwaardige marktplaats in Oostende. Het stukje werd, ook omwille van de markante foto’s, erg gesmaakt; vooral door Oostendenaars, vermoed ik.
Ronduit spectaculair was het aantal lezers dat een weg vond naar het verhaal waarin ik de Amerikaanse president, onder de niet mis te verstane titel Trump in Bredene, mijn thuisgemeente laat bezoeken. Dit stukje fake news behoort tot de vier meest gelezen blogstukjes van De Laatste Vuurtorenwachter. Maar goed ook, want 't is een zeer kort verhaal waarop ik met tevredenheid terugblik.
Ook de twee eerste plaatsen worden bezet door nieuw materiaal. Op twee staat een culturele beschouwing betreffende de indrukwekkende veranderingen die momenteel op de Oostendse Oosteroever plaatsgrijpen. Daar verrijst een spectaculair nieuw stadsdeel. In Oud en nieuw mijmer ik een beetje over wat daar geweest is en wat gaat komen. Vele mensen blijken met me mee te mijmeren, want in twee dagen tijd werd het stukje al door meer dan duizend mensen bekeken; ook vandaag wordt het nog altijd veel gelezen. Misschien komt het mettertijd helemaal bovenaan te staan.
Maar nu staat er een ander stukje op nummer één, en ook dat is nieuw. Onder Allen naar Kuttekoven staat een satire op gebeurtenissen die zich in november in dat gehucht afgespeeld hebben. Wie niet weet waarover dat gaat moet daar zeker eens naar kijken, want er valt veel uit te leren, over normen & waarden bijvoorbeeld en over identiteit. Kuttekoven leert ons iets over Vlaanderen in de XXIste eeuw en hoe dat bij wijlen nog erg lijkt op het Vlaanderen van de XIXde.

Flor Vandekerckhove