zondag 10 december 2017

Veroverde stad

— Bredene, 10 december 2017. Zo ziet mijn buurt er uit, terwijl ik dit stukje aan 't schrijven ben. —

Het sneeuwt. Wat me de moed ontneemt om mijn wandelschoenen aan te trekken. En daardoor sneeuwt het nu ook een beetje in mijn hoofd.
’t Wordt tijd dat ik de blik weer eens naar de Universiteit van Boston wend en meer bepaald naar het Howard Gotlieb Archival Research Center, waar ze de volledige collectie bijhouden van het Amerikaanse Partisan Review, volgens sommigen het beste culturele tijdschrift dat ooit in de Verenigde Staten gepubliceerd werd.
In dat archief kun je al de nummers inkijken en je hoeft daar niet eens je zetel voor te verlaten. Daardoor komt het dat ik van achter mijn raam al acht door dat tijdschrift geïnspireerde stukjes gepubliceerd heb. (°)
Vandaag valt mijn oog op een bijdrage van Victor Serge (1890-1947). Het staat hier in het januarinummer van 1940. Het betreft de drie eerste hoofdstukken van een roman die in ’t Engels Conquered City heet. 
Ik ken dat boek. Ik heb er de Nederlandse vertaling van.
Serge schrijft het in 1930-31 in Leningrad (nu weer Sint-Petersburg). De auteur, die in de Sovjet-Unie tot de Linkse Oppositie behoort, kan dan elk moment gearresteerd worden. Het boek wordt in fragmenten uit het land gesmokkeld. In 1932 wordt het voor het eerst in Frankrijk gepubliceerd. De Nederlandse vertaling dateert van 1978: Veroverde stad.
Het verhaal brengt ons in 1919 naar Petrograd dat geen Sint-Petersburg meer heet en nog niet tot Leningrad herdoopt werd: ‘De mensen houden zich schuil in de ijskoude huizen, waar elk bewoonbaar hoekje op een dierehol lijkt: dezelfde geur als van de voorvaderlijke holen nestelt zich in hun pelzen, die ze de hele dag aanhouden, of aantrekken als ze in de kamer ernaast een paar planken uit de vloer gaan breken voor het vuur (…)’  Serge weet waarover hij spreekt, hij heeft het allemaal meegemaakt.
In 1933 wordt hij gearresteerd en naar een stad in de Oeral verbannen. Dat hij aan een nekschot ontsnapt dankt hij alleenlijk aan protesten die vanuit België, Frankrijk en Spanje naar Rusland gestuurd worden. De Franse schrijver Romain Rolland komt tussen bij Stalin zelve en die zet Serge in 1936 het land uit. Hij sterft in 1947 en volgens de Franse Wikipedia gebeurt dat ‘dans des circonstances suspectes, peut-être aux mains d’agents soviétiques.’ In de Nederlandstalige Wikipedia wordt dat: ‘Geruchten dat zijn dood het gevolg was van een vergiftiging zijn nooit helemaal ontzenuwd.’
Victor Serge is een bijzonder boeiende figuur: zowel bolsjewiek als bohemien. Bovendien is hij een oud-anarchist, wereldburger, romancier, dichter,  journalist en beroepsrevolutionair. Samen met Walter Benjamin en George Orwell behoort hij — in mijn hoofd toch — tot de meest intrigerende auteurs die de XXste eeuw heeft voortgebracht.
En kijk. Buiten sneeuwt het nog altijd, maar in mijn hoofd is ’t alweer opgeklaard.
Flor Vandekerckhove


(°) Rechts in de opmaak van de blog staat een alfabetisch gerangschikte lijst met labels. ‘Partisan Review’ is er een van. Als je dat aanklikt leidt de zoekmachine je naar de betreffende stukjes. Ook ‘Victor Serge’ heeft een label; ‘George Orwell’ en ‘Walter Benjamin’ eveneens.

woensdag 6 december 2017

Bij het heengaan van Christine Keeler en Johnny Hallyday

— Zowel Johnny Hallyday als Christine Keeler kwamen al eens
topless voor de dag. Er zijn nog gelijkenissen. —
Deze week werden we op de hoogte gebracht van het overlijden van Christine Keeler en Johnny Hallyday. De twee waren generatiegenoten, Johnny was van 1943 en Christine van 1942. Ze stierven als ’t ware ook samen: Christine op 4 december en Johnny twee dagen later.
Het journaille heeft de vele gelijkenissen tussen die twee niet opgemerkt, maar ik wel. Een aanvulling dringt zich op.
Als ik hun beider imago in een oneliner mag vangen dan denk ik spontaan aan zware jongens & lichte meisjes. Want dat imago hadden ze zeker met elkaar gemeen.
Johnny Hallyday werd een jongerenidool in 1961. Maar niet voor ons. Wij waren meer van de piratenzenders die van over zee tot ons kwamen, onze muziekcultuur was Angelsaksisch. Hallyday was iets voor de generatie die nog naar Radio Luxembourg luisterde. Die muziekcultuur was francofoon. Voor mijn soort viel hij ook tussen twee stoelen. Op de ene stoel zat Elvis Presley en op de andere John Lennon; twee reuzen, waarbij Hallyday, in onze jonge, nietsontziende ogen, wel een dwerg leek. En die dwerg staken we in dezelfde zak als Cloclo en Mireille Mathieu — geeuw geeuw.
Toch maakte Johnny indruk op me. In mijn wereldbeeld vertegenwoordigde hij immers de nozems, jongens die iets ouder waren en al eens een boksbeugel op zak hadden; het soort dat je als plechtigecommunicant beter uit de weg ging.
Christine Keeler was dan weer het type van een meisje dat je als plechtigecommunicant beter uit de weg ging. In die zin mag je haar zeker met Hallyday vergelijken. En dat ging heel goed samen, zware jongens en lichte meisjes; nu nog trouwens.
Er zijn nog gelijkenissen. Keeler werd bekend in hetzelfde tijdsgewricht als Johnny. En ook Christine viel tussen twee stoelen. Op de ene stoel: de spionne Mata Hari en op de andere: de stagiaire Monica Lewinski; twee reuzen in een genre waarin Christine Keeler nauwelijks een figurantenrol mocht spelen.
Toch maakte ook Christine Keeler indruk op me. Want in 2000 schreef ik een toneelstuk waarin zij een personage werd. En enkele jaren geleden postte ik een stukje onder een titel die vandaag van alle zin ontbloot is, maar die toen luidde: Hoe gaat het inmiddels met Christine Keeler? Ge moet daar zeker eens naar kijken.

Flor Vandekerckhove

dinsdag 5 december 2017

Wie blijft die schrijft


— De eerste foto (links) die ik van de schrijver vind verschilt enigszins van de tweede (rechts). De auteur van Mr Melisma, please (midden: 76 pp. 10,20 €) is gaandeweg zijn wilde haren kwijtgespeeld. —

In Waterstones schaf ik me een bundeltje fast fiction aan. Het boekje is in ’t Engels bijeengeschreven door Christian Nielsen, een Australiër (°1968) die na veel omzwermen in Brussel belandt en er vervolgens blijft. En schrijft. Het werkje vermeldt geen uitgever, wel verkooppunten: Amazon.com, CreateSpace.com and other retail outlets. Het zegt ook dat de auteur co-editor is van the award-winning Chronikler blog. Het betreft overduidelijk een mens die goed gedijt in digitale tijden; de auteur is iemand van de internetgeneratie.
Eerst stel ik me een langharige blonde surfer voor, iemand op teenslippers, en daarna een kortgestuikte rapper met het kruis aan z’n knieën; twee iconen van de jongerencultuur. Ik ben benieuwd: klopt mijn voorstelling met de werkelijkheid?
Pas na lang googelen vind ik daar de award-winning blog, en daarin een fotootje van Nielsen. LinkedIn leert me hier dat hij nogal wat masters verzameld heeft en nu van zijn pen leeft: journalistiek, P.R., copywriting…. Beide sites zwijgen over het boekje dat ik zojuist gekocht heb.
Mr. Melisma, please is Nielsens eersteling en ik denk niet dat er nog volgen. Nielsen is een broodschrijver en aan zo’n boekje houdt hij uiteraard niets over. Een reguliere uitgever heeft hij er ook niet voor gevonden, want CreateSpace.com blijkt een filiaal van Amazon te zijn, dat je helpt om zelf je boek uit te geven. Ik veronderstel dat ook jij daar terecht kunt. Ook jouw boek is dan te koop bij Amazon.com, CreateSpace.com and other retail outlets.
Dat zoiets geen garantie voor succes is bewijst Mr Melisma, please. Er staan nochtans goeie verhalen in. Ik vertaal er een van: Everyone hates this.

Iedereen heeft hier een hekel aan
Ik dacht altijd dat het liedje ‘Girl from Ipenema’ over… je weet wel! Grace dacht dat hij over haar schreef. Josephine denkt, alles bij elkaar, dat zij het had moeten zijn. Sandra loopt het strand af in de hoop dat zij het vervolg haalt. Ik zeg: ‘Ik zal voor elk van jullie een lied schrijven.’ Allemaal moeten ze daar elk apart om lachen.
Ik lach niet. Ik zou voor elk van hen een lied schrijven.
Langs mijn neus weg zeg ik dat ik volgende maand in Amsterdam zal zijn. Grace zegt dat ik bij haar thuis mag slapen. Da’s vriendelijk, want we hebben elkaar nog nooit ontmoet. Ik zeg: ‘In ruil ga ik een lied voor je schrijven.’ Ze lacht iets minder hard. Maar ik meen het. Josephine offreert me nooit een bed, maar iets zegt me dat ze dat wel zou willen. De laatste keer dat ik uitgebreid met Sandra gesproken heb hield ze ermee op seks met me te willen. Ik vraag haar of het komt door iets wat ik gedaan heb. Ze zegt: ‘Dat lied dat je voor Grace geschreven hebt.’ Ik herinner er haar aan dat toen ik voorstelde een vers voor haar te schrijven, ze de voorkeur aan een ijsje  gaf.
‘Tall and tan and young and lovely, the girl from ipenema goes walking…’


Flor Vandekerckhove


zondag 3 december 2017

Blinde keuns

— In het woonzorgcentrum leert Simonne (93)
me wat blinde keuns zijn. —
Telkens wanneer Georges zijn kleinkinderen iets over de oorlog wil vertellen, onderbreken ze hem. Ah opa, zeggen ze, dat is allemaal van vroeger, dat is allemaal voorbij. Hij knoopt er een socio-culturele beschouwing aan vast: naar ouderen wordt niet geluisterd…
Behalve door andere ouderen! Want in het salon, op de tweede verdieping van het woonzorgcentrum, krijgen Georges oorlogsherinneringen veel respons.
Het gaat over rantsoeneringkaarten en -zegels, over almaar kleiner wordende broden, over de voedingswaarde van aardappelschillen. Ze hebben het over aangebrande fluitjesmelk, behangsellijm die gebruikt wordt om die melk tot pap aan te dikken en over ersatzkoffie. Het gaat over kommer & kwel op de zwarte en de reguliere markt, over Duitse soldaten die al eens iets weggeven en Engelse die daarvoor te gierig zijn.
Uiteraard gaat het ook over haring, want in de winter van 1942 wordt daar zoveel van gevangen dat velen erdoor aan de honger ontsnappen, anderen zeggen onomwonden: van de hongerdood gered worden. De wonderbare haringvangsten gaan na dat recordjaar trouwens nog enige tijd door. Gevolg is dat Georges na de oorlog geen haring meer kan zien of ruiken: ‘Ik heb maanden aan een stuk ’s morgens haring gegeten, ’s middags en ’s avonds. Overal rook het naar haring, alles en iedereen rook naar haring.’ Simonne beaamt.
Iedereen neemt deel aan het gesprek, want Georges kleinkinderen zijn niet in de buurt. Het gaat nog enige tijd door over gebraden haring, haringfilet in azijn, haring als rolmops, gepekelde, gekookte en gerookte haring. Op den duur beeld ik me in dat het ook naar haring begint te ruiken.
En dan valt de naam van een mij onbekend gerecht. Blinde keun(s)! Iedereen knikt, iedereen kent het. Iedereen, behalve ik. Als ik vraag of het iets als blinde vink is wordt er heftig met hoofden geschud. Blinde keuns — blind konijn dus — bestaat uit een mix van gekookte aardappelen en gekookte (versie Georges) of aangestoofde (versie Simonne) ui. Daar wordt een stamppot van gemaakt. Zonder konijn? Ja, zonder konijn.
Waarom heet dat dan zo? Simonne: ‘Als je dat laat sudderen, geurt het naar konijn dat klaargemaakt wordt.’
Terwijl ik dit stukje aan ’t schrijven ben leer ik er meer over. Het gerecht, zo zie ik op ’t internet, overleeft de oorlog en naarmate de schaarste afneemt wordt er vlees aan toegevoegd. En bier.
In de Oostendse archiefbank staat een stukje waarin John Aspeslagh jeugdherinneringen uit de jaren vijftig ophaalt: In de winter bereidde moeder regelmatig (…) “blinde keuns” (konijnen): stukjes vers spek eerst aangebakken en nadien langzaam gestoofd, samen met aardappelen en ajuinen.’
In Brugge heeft men het overblende’ keuns. Zegt deze blogger: ‘Dit recept komt van een oudtante van mij. Je laat dus eerst een grote hoeveelheid ajuinen aanstoven in boter, als die een beetje kleur krijgen dan laat je ze garen door beetje bij beetje bruin tafelbier toe te voegen. Als de ajuin lekker smeuïg is dan doe je er de rauwe aardappelen bovenop en laat je ze koken in voldoende bruin tafelbier. Niet te veel want ze worden niet afgegoten maar wel geplet en het is de bedoeling dat je een puree maakt met de inhoud van die pan.’
En dat stukje sluit af met een tip die Georges misschien aan zijn kleinkinderen kan geven: ‘en je kan het serveren met worst of zoals ik altijd doe met zelfgemaakt vleesbrood. Dat wordt hier gegarandeerd tot de laatste schep uitgelepeld. Als je dit nog niet kent, proberen maar, super winterkost.’

Flor Vandekerckhove

vrijdag 1 december 2017

Een hotelkamer vol Persoonlijke Waarden


— Links: restaurant/bar van het Plazahotel in Brussel. Rechts: het schilderij Persoonlijke Waarden van René Magritte. Wolken op beide beelden! — 
‘Tout le malheur des hommes vient d'une seule chose, qui est de ne savoir pas demeurer en repos, dans une chambre.’ (Blaise Pascal)

Ik heb een kamer in het poepchique Plaza geboekt en mijn geld heb ik in zo’n koerierstas van Deliveroo gestoken. Wanneer ik ermee in de draaideur blijf steken besef ik dat de inhoud beter in dit hotel past dan de verpakking.
Daarna heb ik me, wachtend op mijn maat Johan, in de lobby in een fauteuil genesteld. Het personeel doet zijn best om niet te tonen hoe scherp het me in de gaten houdt.
In de tas zit een indrukwekkende stapel bankbiljetten. Het geld dient om mijn vriendschap met Johan af te kopen. Hij heeft berekend hoeveel die waard is en ik heb alles verkocht om de som bijeen te garen.
‘Draag je nu een bolhoed?’ vraagt Johan, als hij tegenover me komt zitten.
‘Alleen vandaag,’ antwoord ik, ‘de bolhoed past bij dit gebeuren, net als het hotel. We gaan dit in stijl afhandelen, al moet ik toegeven dat de tas een beetje vloekt.’
‘Zit alles er in?’ vraagt Johan. Ik ontwaar enig ongeloof in zijn stem.
‘Wel zeker,’ antwoord ik, ‘met uitzondering van wat ik voor de kamer moet betalen.’
‘Welke kamer?’ vraagt hij.
‘De hotelkamer met Persoonlijke Waarden, antwoord ik.
‘Persoonlijke Waarden? In dit hotel?’ Ik zie zijn vertwijfeling. Daarom zeg ik maar niets over de overgrote kam die op het bed staat en de enorme scheerkwast op de kast.
Als Johan gaat pissen neemt hij de deliveroo met zich mee. Wanneer hij na een uur terugkeert zegt hij: ‘Dit is niet genoeg. Onze vriendschap is me meer waard.’
‘Al mijn geld zit er nochtans in,’ zeg ik.
‘Ja,’ zegt Johan, ‘maar geld is niet alles. Je moet er iets aan toevoegen, iets van persoonlijke waarde. Of hoe moet ik het noemen?’
‘Weet je,’ zeg ik, ‘dat René Magritte ook niet wist hoe hij zijn schilderijen moest noemen? Hij liet dat aan anderen over.’
Wel, dan laat ik het aan jou over’, zegt Johan.
Om hem te plezieren besluit ik een stukje écriture automatique uit te proberen. In de wirwar van scheve lijnen, halve letters en hele vlekken slaag ik er uiteindelijk in twee zinnen te ontcijferen: ‘Wees steeds kuis in uw gemoed. En beheer nooit iemands ondergoed.’ Het lijkt een beetje op goede raad. 
Johan is tevreden. ’t Is ’t proberen waard’, zegt hij. Hij bindt de deliveroo op zijn rug om ermee naar huis te fietsen, maar niet voor ook hij met het pak in de draaideur is blijven steken. Van de ophef maak ik gebruik om me in m’n kamer terug te trekken. Chic hotel hoor.
Flor Vandekerckhove


Eric Rinckhout. Magritte ontsluierd. Een biografie in 50 beelden. 224 pp. Uitg. Manteau. 2017.

woensdag 29 november 2017

Waar zijn ze? IJsland? Groenland? Labrador?


— Vissers van de O.298 Van Dyck. Staand, beneden rechts: Albert Vanneuville. —

Vlaamse vissers vind je overal: Noordzee, Ierse Zee, Noorwegen, Golf van Biskaje… Vroeger kwam daar nog IJsland bij. Er is ook een tijd geweest dat je Vlaamse vissers in Zuid-Amerika kon ontmoeten en in Congo. Er zijn er zelfs die de zeeën rond Labrador bevist hebben.
Labrador, da’s Canada, dat ligt niet naast de deur. Daar trok destijds wel eens een visbak (°) van de NV Motorvisserij naartoe, zoals de O.298 Van Dyck. (°°)
Dat schip stond in die tijd onder het bevel van kapitein Albert – Berten -  Vanneuville (°1911 - †1981), een visser met een stamboom.
Albert Vanneuville komt uit een geslacht van IJslandvaarders. Zijn vader en diens vele broers voeren ten tijde van de ‘galetten’ vanuit Noord-Frankrijk al op IJsland. [Wie meer wil weten over die historische IJslandvaart klikt hier.]
— Albert Vannneuville was ook een telg
van IBIS, waar hij onder het nummer
239 vermeld stond. (Met dank aan
D. Eyland voor de foto.) — 
Albert zette die traditie verder, maar dan in de moderniteit, vanuit Oostende. De Oostendse vissers die zo’n verre visserij beoefenden verdienden trouwens goed hun brood. Het drinkgeld alleen al dat ze op zak staken was wellicht voldoende om er een arbeider aan de wal mee te betalen. Maar dat drinkgeld moest verdiend worden. De vislevers werden in een grote ketel gekookt en van de vrijgekomen olie werd levertraan gewonnen. De opbrengst werd verdeeld tussen rederij en vissers.
Die vissers verdienden veel, maar ze moesten er ook veel voor doen, zeer veel. Daarvan getuigt de legendarische reis die de mannen van kapitein Albert – Berten -  Vanneuville (°°°) in het midden van de vorige eeuw met de Van Dyck maakten. Ze waren zo lang weg dat men eraan twijfelde of men ze ooit nog zou weerzien.
Het stoomschip was vertrokken met bestemming IJsland, maar daar werd niet veel gevangen. Dus besloot Vanneuville het rond Groenland te proberen. Daar liet de vis zich evenmin verschalken. Vandaar trok de Van Dyck naar Labrador, maar het schip geraakte niet door de ijsvelden. De kapitein ging in Groenland bunkeren en probeerde het opnieuw. De vaarroute lag intussen open. In twee dagen tijd visten ze daar heel het ruim vol. Er was zoveel vis aan boord dat er motorbrandstof geloosd moest worden om het schip weer in beweging te krijgen. De reis had in totaal veertig dagen geduurd.
Flor Vandekerckhove


(°) Visbak is in het Oostends dialect het woord waarmee de stoomtreilers ter visserij benoemd worden.
(°°) Er zijn verschillende schepen geweest onder het nummer O.298 die Van Dyck heetten. Over de geschiedenis van de onderneming die deze vaartuigen uitreedde staat hier een uitgebreid artikel.
(°°°) Kapitein Albert Vanneuville (°1911 - †1981) is de vader van Focusjournalist Bernard Vanneuville, een oud-klasgenoot van me, zoals uit deze schoolfoto blijkt, waarop we hem achter het nummer 15 zien staan.

zondag 26 november 2017

Eric Corijn: motorhelmen en citroenen


—  Links: zo ziet het huis er nu uit waar eertijds de lokalen van de Gentse RAL gevestigd waren (eigen foto). Rechts: Eric Corijn op 1 mei 1973. De motorhelmen zijn in ’t lokaal achtergebleven. (Met dank aan Willie Panhuis voor de foto.) —

Ter promotie van de zaterdagkrant plaatste De Morgen op vrijdag een aankondiging. Die werd ondersteund door een citaat van Eric Corijn: ‘Ik geloof niet dat Vlaanderen links kan worden’.
Oei, dacht ik, Eric is van zijn geloof gevallen en hij zal dat in die krant breed etaleren. Ik had er geen goed oog in.
Mijn vrees bleek ongegrond. Het interview leert me dat Corijn blijven voortbouwen is op een fundament dat ruim een halve eeuw geleden gelegd werd. Dat gebouw mag er dan wel heel anders uitzien dan het plan dat hij toen voor ogen had, maar het staat er, en dat betekent dat het fundament stevig was.
Ik heb Eric voor ’t eerst bezig gezien toen hij in 1969 studenten aanvuurde in iets wat zou uitmonden in de Gentse Maartbeweging. Beter leerde ik hem kennen toen ik in de jaren zeventig toetrad tot de RAL waarvan Corijn een voorman was.
Later is het Gentse RAL-lokaal verhuisd naar t Stapelhuis, maar toen lag het nog in de studentenwijk: nummer 52 op de Sint-Kwintensberg. Het is over dat lokaal dat ik iets wil schrijven, want in het kranteninterview staat een passage die me een kleine, maar merkwaardige herinnering ontlokt.
Het huis is gerenoveerd, maar de gevel is nog heel herkenbaar, mede door de nis met het geklasseerde Mariabeeld. Achter de vitrines had de RAL een boekwinkeltje. Achteraan lag een vergaderzaal die soms overvol zat, want de Gentse RAL telde in die tijd tussen de veertig en de vijftig activisten. Boven die zaal bevond zich een even groot lokaal waarvan de vloer een bijzonder wankele aanblik bood.
Vooraan, boven de boekwinkel, was het secretariaat en naast dat secretariaat, achter het raam van de muur waar nu een neonbak hangt, was het propagandakot. ’t Is daar dat ik met u naartoe wil.
Dat kot, dat was een zootje. Daar lagen stapels papier, spandoeken, papborstels & -emmers, allerhande plakkaten, misschien ook enkele versteende citroenen (uitleg volgt), en dat alles in de grootste wanorde.
Maar!
Aan de muur was over de hele lengte een lange kapstok bevestigd, waaraan, mooi van elkaar gescheiden, een rij stevige werkhandschoenen hing, van het soort dat je handen tegen ferm veel onheil kan beschermen. En daarboven hing een gelijke rij glimmende, rode motorhelmen, met daar op, in grote letters, RAL.
Het oogde indrukwekkend, maar ik heb die dingen nooit weten gebruiken. Het waren kledingstukken van voor mijn tijd. Dat weet ik uit het interview met Corijn, dat me tot dit stukje geïnspireerd heeft. Daarin zegt Eric: ‘In de jaren 60 en 70 ging ik betogen met een motorhelm op, en ik had geen motor. Wij wisten dat de rijkswacht stevig zou optreden. Wij hadden ook citroenen bij ons, om onze ogen te beschermen tegen het traangas.’
Tegen de tijd dat ik de RAL vervoegde was de tijd van de citroenen voorbij. En op le temps des cerises was het nog even wachten.

Flor Vandekerckhove

zaterdag 25 november 2017

Schoolreis (3)


Wat ooit begonnen is, als een zoektocht naar een oud-schoolmakker, is in deze blog gaandeweg uitgegroeid tot een apart genre: de zoektocht naar namen van mensen die op zo’n oude foto’s voorkomen.
Soms betreft het beelden van het sociaal leven in de wijk waarin ik opgegroeid ben: leden van wielerclub Duinensprinters, biljarters, supporters van wielrenner Oscar Goethals, boogschutters van een club waarvan we de naam niet kennen, geüniformeerde knapen van de K.S.A., leden van de fotoclub, activiteiten van de jeugdclub… Veelal zijn het schoolfoto’s, soms van de middelbare school in Oostende, maar meestal van het lagere schooltje van Bredene Duinen, het enige dat die wijk toen kende.
Vandaag kan De Laatste Vuurtorenwachter u weer zo’n oude schoolfoto presenteren. Hij werd me toegestuurd door Marc Blomme die me ook de namen kon meedelen.
Op het beeld zien we Albert Blomme (°1916 - †1980) die in 1950 met zijn leerlingen van de vierde graad op schoolreis is. Dat die reis naar Doornik-Beloeil gaat weten we doordat meester Blomme zo voorzienig geweest is het meteen op de achterkant te schrijven.
Deze foto, en de duiding die Marc geeft, opent de weg naar enig voortschrijdend inzicht. We herkennen immers dat beeld: het kerkgebouw en die bus hebben we al eerder gezien. We dachten toen dat die foto in Dadizele gemaakt werd, maar volgens Marc is het gebouw op de achtergrond de basiliek van Bon-Secours. Dat leidt hij af uit beelden die hij op ’t internet vindt en die hij met de schoolfoto vergelijkt. Als Marc gelijk heeft dan moeten we de gegevens, die hier bij twee andere schoolreisfoto’s staan, aanpassen.
En als de kinderen op al die foto’s tegelijk op schoolreis trokken dan moeten we hier trouwens ook het jaartal aanpassen, want 1952 wordt dan 1950.
Ik laat die kwesties nog een beetje in het ongewisse, zodat jullie er enkele nachten over kunnen piekeren. Weet me te zeggen of ’t waar is dat de nacht raad brengt.
En dit is wat meester Blomme (1) ook op de achterkant van de foto genoteerd heeft: 2. André De Kuyper (°1938); 3. André Devos (°1938); 4. Lucien Samijn; 5. Ronny Blomme (°1939); 6. Fernand Borny (°1938); [7 wordt niet vermeld]; 8. Willy Maertens; 9. André Wachtelaere (°1937); 10. Remi Van Ghelewe (°1937).

Flor Vandekerckhove

vrijdag 24 november 2017

Hoe oma’s planning me danig in de war brengt


Oma ziet er levendig uit. Haar herstel verloopt voorspoedig, het verblijf in de kliniek heeft haar zichtbaar deugd gedaan. En ze is bijzonder ondernemend geworden. ‘Van zodra ik hier weg mag’, zegt ze, ‘ga ‘k een zomerappartement aan de kust huren en daar ga ik veertien dagen lang genieten van zee, strand, zon.’
Dat is een beetje vreemd, want oma heeft een eigen huis aan zee. Samen met opa woont ze in Bredene. Daarom vraag ik haar waar ze dat appartement dan wil huren.
‘In Wenduine’, antwoordt ze, ‘Da’s ver genoeg om een vakantiegevoel op te wekken.’
Ik weet niet goed wat ik moet zeggen. Ik begrijp wel dat het haar goed kan doen om eens uit het eigen huis weg te zijn, en ’t is waar, je hoeft geenszins naar het einde van de wereld te reizen om van een vakantie te genieten. Toch vind ik het een beetje vreemd, vooral omdat ik haar in die planning niet herken.
‘Opa is er dan wel nog wel niet, die komt pas over een week thuis, maar dan rest ons nog een hele vakantieweek; dat zal hem goed doen.’
Is opa niet thuis? Ze vult spontaan mijn onwetendheid in: ‘Hij zit nog steeds in Israël, maar lang zal dat nu niet meer duren.’
Israël? Zo ver! En op zo’n hoge leeftijd! Ik durf er verder niet naar te vragen.
Ze stapt met me mee tot aan de wagen die op de parking van het ziekenhuis staat. Ze zegt nog dat ze trots op me is, dat ik mijn ouders de groeten moet doen, en ze zwaait me na tot ik van het ziekenhuisterrein weggereden ben.
Op de terugweg denk ik na over wat ik zojuist beleefd heb. Wat een vreemde ervaring! En terwijl ik de stad verlaat valt het me te binnen dat oma al vele jaren geleden overleden is. Opa trouwens ook. En mijn ouders eveneens. Terwijl ik voor een stopteken sta te wachten herinner ik me dat ik mijn auto al vele jaren geleden verkocht heb.
Hoe vreemd is dit alles! Ik kijk in de achteruitkijkspiegel en herken mezelf niet in de man die achter het stuur zit.

Flor Vandekerckhove

dinsdag 21 november 2017

Allen naar Kuttekoven!


— De leden van Het Katholiek Forum protesteren tegen ontaarde kunst. Ze hebben hun moeders meegebracht (links in beeld). [De man met gebogen hoofd, achter het paneel, laat me sterk aan monseigneur Vangheluwe peinzen. Zou Roger daar in Kuttekoven in ’t verborgene leven?] —

Ik heb het moeten opzoeken, want nooit eerder had ik van Kuttekoven gehoord. Daarna heb ik Tom Herck gegoogeld, want die kunstenaar was me evenmin bekend. Tenslotte heb ik ook het internet aangesproken om me te verdiepen in het streven van Het Katholiek Forum. En dat alles om een eenvoudig krantenstukje te doorgronden: ‘Gekruisigde koe is satanistisch’.
Waarover gaat het? Kuttekoven — 80 inwoners — is in de ban van een kunstwerk dat Herck er in een niet langer gebruikte kerk geplaatst heeft.
— Holy Cow (2017) van Tom Herck
laat mensen nadenken over de vleesconsumptie
en over de manier waarop
dieren in 't slachthuis behandeld worden. — 
Dries Goethals van Katholiek Forum is er niet over te spreken: ‘Het gaat hier om satanistische toestanden.
Een mens denkt bijgevolg dat hij met overjaarse kaloten te maken heeft, maar verder lees ik: ‘Vrijdagavond beklommen enkelen de zijgevel van de kerk om een glasraam te breken en zo tot aan het kunstwerk te geraken en het te beschadigen.’ Waaruit blijkt dat die club niet uit besjes bestaat, want die beklimmen geen gevels. Nog verder: ‘Zaterdagochtend werd er brand gesticht aan de deur van de Graethemkapel van Borgloon waar Herck ook enkele werken had staan.'
Brandstichting, glasbreuk, beschadigingen… De feiten spreken voor zich: Het Katholiek Forum is vergeven van de Marokkaanse voetbalsupporters die, na Brussel, nu ook Kuttekoven viseren.
Minister van Justitie Koen Geens (CD&V) is streng voor de Kuttekoofse champetter: Dit is niet mijn eerste mindere ervaring met de politie. Dit is niet professioneel. Dat de straat de baas is en niet de politie, kan niet.’
Minister van Binnenlandse Zaken Jan Jambon (N-VA) vindt het zelfs ‘onbegrijpelijk dat er niemand is opgepakt. Wie in de fout is gegaan, zal moeten boeten’.
CD&V-partijvoorzitter Wouter Beke vindt uiteraard dat de socialistische burgemeester Danny Deneuker (echt waar) van Borgloon uiteindelijk verantwoordelijk is. ‘De burgemeester is altijd politiek verantwoordelijk voor de tussenkomst van de politie’, zei Beke in De Afspraak. En ook staatssecretaris Zuhal Demir (N-VA) laat zich gelden: ‘Religieuze gekken zetten de bevolking tegen elkaar op.’
De kunstenaar zegt dat hij in deze kwestie steun uit de kunstwereld verwacht had, maar niet heeft gekregen: ‘Uiteindelijk sta je er alleen voor’. Vandaar deze oproep: kunstbroeders, verlaat het atelier en begeef u spoorslags naar Kuttekoven! Voor wie geen GPS heeft: Kuttekoven ligt tussen Hoeperingen, Broekom en Kerniel. Afslaan doe je aan de veldkapel, ge kunt niet missen. Voor de rest zou ik zeggen: doe zo voort, Tom, ge staat in een indrukwekkende traditie, waarover ik hier eerder al een stukje geschreven heb.

Flor Vandekerckhove