donderdag 13 juli 2017

Avonturen in de Duinenstraat

Gisterenmorgen ga ik via de Duinenstraat van hier naar daar en onderweg wordt mijn oog getrokken door een mededeling. Aan een vensterraam hangt een papier waarop geschreven staat: Aandacht! Wie heeft er onze hortensia meegenomen?
Gisterenavond keer ik terug, van daar naar hier, en weer wordt mijn oog naar datzelfde raam getrokken. Daar hangt nu, halvelings boven het eerste, een tweede papier: De bloemen zijn terug. Bedankt. Aan de voordeur staat een hortensia.
Daar kunnen veel beschouwingen aan vastgeknoopt worden. Een ervan laat zich in een vraag samenvatten. Hoe lang loop ik nu al over en weer in die Duinenstraat?
Al stappend formuleer ik het antwoord. Ik passeer daar nu al meer dan zestig jaar. Ik overdrijf niet, want zestig jaar geleden ben ik acht en trek ik wekelijks, op zondag, van het nummer 296 — toen nog 206 — in die straat, waar de kiekenwinkel van mijn ouders is, naar de Noordzeestraat waar mijn mémé woont. Daarna keer ik via dezelfde weg terug naar huis.
U vraagt me of dat niet vervelend is, zestig jaar lang, over en weer in dezelfde straat.
Neen, antwoord ik, want in de Duinenstraat gebeurt altijd iets.
Da’s vreemd, antwoordt u dan weer, want u hebt, zegt u, stellig de indruk dat daar nooit iets gebeurt.
Dat is slechts schijn, zeg ik hoofdschuddend, dat komt doordat u niet goed oplet. En om dat te staven geef ik een voorbeeld.
Aan een ander raam in die straat heeft ooit een bord gehangen waarop staat: Motorhelm te koop. Ik spreek over de tijd dat daar nog een takszegel naast gekleefd moet worden en de mensen dat ook doen. Dat plakkaat blijft daar lang hangen. Geen zestig jaar natuurlijk, maar toch zeer lang.
Telkens ik daar passeer kijk ik naar de mededeling. De letters vervagen, het papier vergeelt, de hoeken krullen om. Niemand wil de helm. Ik krijg een baard, eerst dons, later stoppels. Niemand koopt de helm. Ik krijg verkering, treed in het huwelijk, maak kinderen, treed uit het huwelijk enzovoort. Niemand claimt de helm. Mijn haar wordt grijs, mijn kinderen krijgen kinderen, ik begin te krimpen en word een beetje doof. Niemand wil de helm.
Op den duur begin ik zoals u te denken: in die straat gebeurt nooit iets. Ik laat het hoofd hangen, klaag over het saaie leven dat ik leid en denk eraan meer avontuurlijke paden te betreden.
Weer passeer ik dat raam, maar nu met neerhangende schouders. Daar hangt nog steeds dat plakkaat, vergeeld, opgekruld, met de verbleekte takszegel, maar nu staat bovenop de oorspronkelijke, inmiddels vergane woorden, in frisse viltstiftletters: Postzegelverzameling te koop. Ik wil maar zeggen, als ge goed oplet…

Flor Vandekerckhove
Een reactie plaatsen