zaterdag 6 mei 2017

Kamiel Stubbe: ‘Elk snijdt zijn eigen stuiten.’

— Kamiel Stubbe speecht. [De storende teksten op de foto
komen van het programma waarmee ik mijn oude
scanner
 aan de praat krijg: gewoon negeren.]
In 1993 krijg ik op het redactiekantoor van Het Visserijblad een brief van Mariette Saelens. Het is niet zomaar een lezersbrief. In de omslag zit een krantenartikel uit ‘De Vervoerarbeider’. Auteur is Kamiel Stubbe uit Bredene, de overleden echtgenoot van Mariette. Datum van publicatie: november 1939.
Wijlen Kamiel Stubbe brengt in dat stuk verslag uit van een reis die hij meemaakt; niet zomaar een reis, hij gaat vissen op de Witte Bank, met de Oostendse vissers van de O.215 Alex-Marie.
Ik veronderstel dat De Vervoerarbeider een vakbondsblad is en dat Kamiel als syndicalist aan boord gaat, want in de brief meldt weduwe Mariette Saelens dat haar man vóór de oorlog een syndicaal propagandist is. Tijdens de oorlog is hij ‘OCMW-bediende in Bredene-Dorp’, zo schrijft ze, en daarna wordt hij ambtenaar bij de RVA.
Bovenstaande alinea laat nogal wat vragen open. Op het net vind ik op 't eerste gezicht niets wat me meer leert over De Vervoerarbeider. Evenmin weet ik voor welk syndicaat Kamiel ijvert. Dat heb ik indertijd nagelaten te vragen omdat het me toen meer om de visserij te doen was dan om de auteur. Ik zou het nu wellicht nog allemaal kunnen uitvlooien, maar ik ga dat niet doen, dat lijkt me meer iets voor de Bredense heemkundige kring Ter Cuere te zijn. Bovendien reken ik er een beetje op dat lezers reageren. [Het liefste heb ik dat ze hun reacties niet naar mij sturen, maar dat ze hun reacties onder dit stuk plaatsen, dat verlevendigt de blog.]
Op de foto zien we hem een tafelrede houden. Het is een na-oorlogs beeld, want aan de wand hangt koningin Fabiola, althans haar beeltenis. De foto heb ik eveneens van Mariette Saelens gekregen. Ik heb hem in Het Visserijblad van maart 1993 afgedrukt, naast het stuk dat ik uit die Vervoerarbeider overneem.
Ik ga dat artikel niet nog eens in zijn geheel reproduceren, want nu is het me, in tegenstelling tot toentertijd, minder om de visserij te doen dan wel om de herinnering aan deze oud-Bredenaar. Maar weet dat de Witte Bank niet vlak voor de deur ligt. De visgrond begint bij het noordelijk gedeelte van Nederland, passeert de Duitse kust en gaat tot aan het zuidelijke deel van Denemarken. Vandaag spreken de Vlaamse vissers niet zozeer meer van Witte Bank, ze noemen dat daar nu de Duitse bocht.
Wanneer Stubbe de bagage van de visser beschrijft, spat de poëzie van het blad. Guido Gezelle zou van dat Vlaams genoten hebben, net zoals ik dat nu nog altijd doe: ‘In den pluizak hebben de mannen hun verschooning. Den inventaris ervan: vier paar zeekousen, een onderbroek, een hemd, een onderhemd, een baai, vriezebroek, djomper, wanten, halsdoeken, zakdoeken en handdoeken, zeep en scheergerief. Voeg daarbij de zeekleederen die ze aanhebben; de schoenen en ’t kostuum dat ze aan hadden toen ze aan boord kwamen, en ge komt reeds tot een fraai pak kleergoed. Daarbij hebben wij nog hun zeegoed: oliebaai, kloefen, zeelaarzen, olieschort en zuidwester.’
Vervolgens werpt Stubbe de blik in het verblijf: ‘In ’t logies hebben zij dan nog hun beddegoed: bed, hoofdkussen, en een paar dekens.’
Hij wikt hun mondvoorraad: ‘De panger bevat eten voor 14 dagen: boter, eieren, vleesch, conserven, groenten, salade, kaas, hesp (begin der reis), spek, zalm, sardienen, zeekoekjes, melk in doozen, suiker, mosterd, olie en azijn. Verder nog hun tabak, bier, limonade of water, en soms ook wel een fleschje goeien.’ Met dat fleschje goeien wordt Cognac bedoeld.
‘Wanneer wij op ’t einde van de reis zijn, en de meegebrachte spijzen verminderen, eet men “van onder den kiel”. ’s Morgens droogvisch; ’s middags gekookte visch, en tusschenin gebakken visch of gekookte kreeftjes.’
‘Elk snijdt zijn eigen stuiten, doet er boter of gelei op, als de boter tenminste niet sterk geworden is. Zoo ondereen gezeten in het logies (waar steeds de geur van de mazout in den neus knijpt) zonder tafel, met de tas of de potten nevens hen op de zitbank, verorberen zij hun maal.’

Flor Vandekerckhove
P.S.: Intussen heeft Jacques Deroo, voorzitter van het OCMW Bredene en schepen, me laten weten dat De Vervoerarbeider het vakblad was van de CCV, de Christelijke Centrale voor Vervoerarbeiders. 
Schepen Deroo heeft er ook eens de C.O.O.-notulen van 29 oktober 1940 op nageslagen. Op de vergadering waren aanwezig: burgemeester André Zwaenepoel, voorzitter Jozef Demeere, dd ontvanger Georges Zwaenepoel, secretaris Gaston Lams en verder ook nog de leden Valère Vermoortel, Pieter Benthein, Theophiel Cools, Charles Vandeile en Charles Melis. Op de vergadering werden Kamiel Stubbe (3 stemmen) en Isidoor Goethals (6 stemmen) benoemd tot tijdelijke bedienden van de C.O.O.
Een reactie plaatsen