zondag 30 april 2017

Trotski in New York

— De herinnering aan Trotski’s verblijf in NY
wordt levendig gehouden in deze koffieshop
van de Lower East Side.
 —
 
 
Op 13 januari 1917 komt de Russische banneling Leon Trotski aan in New York ‘waar in de straten de esthetische theorie van het kubisme en in de harten de zedelijke filosofie van de dollar heerst.’ Het zijn Trotski’s woorden en ik haal ze uit zijn autobiografie die je hier in een ouderwetse Nederlandse vertaling van het net kunt plukken.
Verleden jaar is trouwens een boek (°) over ‘s mans New Yorkse verblijf verschenen. Trotski had, zo stelt de auteur, een voelbare invloed op het Amerikaanse politieke leven. Wat merkwaardig is, want hij woonde er nauwelijks drie maand: ‘Er waren grote gemeenschappen van relatief recente immigranten die nog altijd de taal van hun thuislanden spraken — bijna een half miljoen Russen, meer dan driehonderdduizend Italianen, tweehonderdduizend Ieren, veel Polen, Oekraïners enzovoort — zoveel dat een figuur van grote bekendheid veel beluisterd en gelezen kon worden zonder dat je het Engels machtig was. Er waren vier Russische dagbladen, zes in het Jiddisch, drie in ’t Duits.’ (°°)
De Rus ging zich daar meteen met de Socialistisch Partij moeien. Hij had veel waardering voor de oude Eugene Debs, lees ik in de autobiografie, maar voor de rest van de leiding was hij genadeloos: ‘In de VS is een brede laag van geslaagde en halfgeslaagde dokters, advocaten, tandartsen, ingenieurs, enz. die hun kostbare vrije uren verdelen tussen de concerten van Europese beroemdheden en de Amerikaanse socialistische partij. (…) Daar elk van hen bovendien in het bezit is van een auto, kiest men hen steeds in leidende comités, commissies, partijdelegaties. Deze aanmatigende heren drukken hun stempel op de geest van het Amerikaanse socialisme.’
De auteur van Trotsky in New York vertelt ons iets waarvan we in de autobiografie geen spoor vinden. Trotski heeft er deelgenomen aan een comité dat voor die Socialistische Partij een resolutie moet opstellen over de aan de gang zijnde oorlog. Hij gaat niet akkoord met het ontwerp. Samen met een medeopposant dient hij een minderheidsrapport in: algemene staking, straatprotest, boycot van de rekrutering van soldaten… Dat minderheidsrapport haalt binnen de partij uiteindelijk 40% van de stemmen.
Ackerman: ‘Door de socialistische linkerzijde te radicaliseren en te stimuleren, schiep Trotski het toneel voor een splitsing die verwoestende gevolgen zou hebben (…) Tegen het einde van de jaren twintig was het gecombineerde ledenaantal van de verschillende communistische en socialistische partijen in Amerika nauwelijks tienduizend, tegenover meer dan honderdduizend op het einde van de Eerste Wereldoorlog.’
De interviewer biedt weerwerk. Hij vraagt of de neergang niet eerder te wijten is aan de toenmalige voorzitter die 70.000 van de 110.000 leden uit de partij zet. De schrijver geeft toe, maar blijft van mening dat een gematigde politiek op lange termijn het beste rendeert. Kijk maar, zegt hij, naar Bernie Sanders.
Wat er ook van zij, Trotski heeft zich daar in die korte tijd wel weten te integreren, zozeer zelfs dat de Bronx Home News kort na zijn vertrek uit New York bloklettert: ‘BRONX MAN LEADS RUSSIAN REVOLUTION’.
Flor Vandekerckhove

° Kenneth D. Ackerman. Trotsky in New York 1917. A Radical on the Eve of Revolution. 2016. Uitg. Counterpoint, Berkeley. 384 ps. ISBN 9781619026070.
°° Alle citaten van de auteur vertaal ik uit het interview dat van hem afgenomen werd voor Jabobin Magazine. Het vraaggesprek staat op ’t internet onder de titel Trotsky’s New York. U vindt het op de site van het tijdschrift www.jacobinmag.com.

donderdag 27 april 2017

Vissers van Blankenberge

Een beroepsvisserij bestaat daar niet meer, maar ooit was Blankenberge een grote vissershaven. Hoe moeten we ons die verdwenen vissers voorstellen? Dit is wat De Belgische illustratie er in 1882 over zegt:
‘Eigendom van schuiten hebben de visschers niet. Deze hoorden toe aan reeders, die tevens veelal touwslagers zijn en het benoodigde koord leveren voor de netten, die de visscher in de lange en voor hem dikwijls droevige winteravonden, breit.’
 ‘Rijk is de visscher niet; zijn bestaan is integendeel schraal, vooral als er tegenslag in de visscherij komt, als de storm zijn netten vernielt, als de orkaan soms den broodwinnaar van het huisgezin wegrukt en de weduwen en kinderen in de oude kerk de zielmis voor de verdronkene moeten bijwonen… De zee, die vleiende schoone, vandaag, eischt morgen dikwijls helaas, zoo’n kostbare offers!’
‘Het is ook nog niet lang geleden dat eenige dames van Blankenberghe een beroep deden aan de badgasten, welke gewoon waren aan dat prachtige en herbergzame strand, de schoone maanden door te brengen; zij riepen de hulp in voor die visschers welke zij drie maanden per jaar zo eerlijk zagen zwoegen en die toen in de langen en harden winter door de armoe en de ziekte werden vervolgd.’
‘De winter spreidt sneeuw op de daken, op den grond, om de weinige planten die in het voorjaar weer op de duinen moeten ontschieten; maar het verzorgen van den arme laat God aan de rijke over; het is hij die de naakte lidmaten van vrouwen, kinderen en grijsaards, door verwarmende kleeding, dekken moet.’
‘Niet altijd klimt de nood zoo hoog; de visscher van Blankenberghe is een trouwe en ieverige werker; hij worstelt stout en onvermoeid met de dikwijls booze zee en ontrukt haar, soms bij levensgevaar, zijn brood. Rijk zal hij niet worden, maar hij komt stilweg en eerlijk door het leven.’

Flor Vandekerckhove

woensdag 26 april 2017

De schrijver en de maarschalk


— R.B. Kitaj, Isaac Babel Riding with Budyonny 1962. Olie op doek. — 

Mijn favoriete schrijver is Isaak Babel (1894-1940), een Rus wiens aanbevelenswaardige werk volledig in het Nederlands beschikbaar is. (°) Uiteraard is dat oeuvre ook in het Engels vertaald en zo’n vertaling kun je hier gratis van het internet afhalen; 1072 bladzijden, legaal te downloaden. (°°)
Een belangrijk deel van ‘s mans verhalen is geïnspireerd door de Pools-Russische oorlog (1920), waaraan hij als reporter voor de krant van het kozakkenleger deelneemt. Tijdens die veldtochten houdt Babel een dagboek bij. De aantekeningen verwerkt hij tussen 1923 en 1925 in verhalen die als de ‘De rode ruiterij’ wereldbekend worden.
Om een scherper gevoel van realiteit in zijn verhalen te creëren plaatst Babel verzonnen personages naast bestaande. Maar ook de bestaande namen slaan op iets wat Babel verzint. Dat weten we door de discussie die deze ‘Babelse’ strategie achteraf oplevert.
Generaal Semjon Boedjonny, de bevelhebber van de cavalerie, een man die het uiteindelijk tot maarschalk schopt, wordt in de verhalen vaak voorgesteld als brutaal, onhandig en besluiteloos. Babel houdt de gek met diens onnozele en onopgevoede kozakkentaal. De schrijver borstelt de wandaden van dat kozakkenleger ook niet onder de mat, integendeel, hij legt er een ferme schep bovenop.
Daar kon die Boedjonny niet om lachen. Op het net vind ik een thesis (°°°), die daar iets over zegt. Budyonny is zeer ontstemd door Babels beschrijving van zichzelf en zijn mannen. In twee artikels reageert de bevelhebber op Babels Rode ruiterij.
In 1928 schrijft Boedjonny een brief naar Maxim Gorki die het eerder al voor Babel opgenomen heeft. Over Babels verhalen zegt Boedjonny: ‘Hij vindt dingen uit die nooit plaatsgevonden hebben, hij slingert vuil naar onze beste communistische bevelhebbers, geeft zijn verbeelding de vrije loop, liegt gewoon…’ Gorki dient de generaal van antwoord: ‘Laat me toe u te zeggen, kameraad Boedjonny, dat de botte en ongerechtvaardigde toon van uw brief een onverdiende belediging is voor een jonge schrijver. (…) Een schrijver is een mens die (…) de kleur van de verbeelding gebruikt om in de lezer een reactie te activeren van liefde of haat.’ Wat daar staat is dit: in een verhaal is het literaire effect belangrijker dan het historische feit. In die zin is een verhaal het omgekeerde van een nieuwsbericht, want daar is het feit uiteraard belangrijker dan het literaire effect.
De kozakkenverhalen van Babel hebben me dat geleerd. Sindsdien verhouden werkelijkheid en verbeelding zich ook in mijn verhalen veelal op soortgelijke manier tot elkaar. Vlaamse schrijvers die veel relevanter zijn dan ik passen die ‘Babelse’ strategie eveneens toe. Je treft het ook aan in de boeken van Dimitri Verhulst en Herman Brusselmans. Zonder gevaren is dat niet. Brusselmans kreeg er een rechtbankveroordeling voor aan zijn broek, Verhulst kreeg de toorn van zijn familie over zich heen. Ook mij heeft het al wat narigheid bezorgd, zoals blijkt uit het stukje dat ik gepost heb onder de titel Lapkoes weg uit Zeewacht. Maar dat alles is uiteraard slechts kattenpis met wat Babel overkomen is.
Flor Vandekerckhove

(°) Isaak Babel, Verhalen. Meulenhoff, A'dam. 2001. 573 ps.
(°°) Isaak Babel, The Complete Works of Isaac Babel. Edited by Nathalie Babel. With an introduction of Cynthia Ozick. W.W. Norton & Company, New York London.
(°°°) Daniëlle van Osch. Writing by dictation. A study in the Soviet literary policy of the 1930’s. Geen verdere specificaties.

dinsdag 25 april 2017

De verrijzenis van de verteller

— A Tale from the Decameron, Schilderij John William Waterhouse, 1916 —   

Dat ik me met de verteller verwant voel, meer dan met de literator of de letterkundige, heb ik eerder al geschreven in Louis van Dievel, Jan de Hartog en ik. Daarom lees ik ook graag iets over de kunst van het vertellen.
In Illuminations (°) van filosoof Walter Benjamin staat een stuk dat The Storyteller heet. Ik heb dat gelezen en jij kunt dat ook doen, want al diens werken zijn, van uit je zetel, via Pirate Bay gratis in huis te halen. Je doet dan wellicht iets wat onwettelijk is, zo voeg ik er maar meteen aan toe. Maar kijk, ook wie voor onwettelijkheid terugdeinst kan The Storyteller lezen, want je kunt het, zo heb ik zojuist uitgevogeld, ook hier helemaal gratis downloaden en dat is dan weer legaal.
Hoe je het ook doet, je zult zien dat Benjamin (1892-1940) de mening toegedaan is dat de kunst van het vertellen op zijn laatste beentjes loopt. Het is een neergang die, zo schrijft hij, al lang bezig is, met name sinds ‘de opkomst van de roman aan het begin van de moderne tijden.’ Dat is een vreemde stelling, vind ik, want een roman is toch ook een verhaal dat verteld wordt.
Benjamin legt het goed uit. De roman verschilt van alle andere vormen van literair proza omdat hij niet uit de orale traditie voortspruit. De romanschrijver leeft geïsoleerd. De geboorteplaats van de roman is het solitaire individu. Bij de verteller is dat anders. Die neemt iets uit zijn of andermans ervaring en al vertellend zorgt hij ervoor dat het ook de ervaring van een publiek wordt; vertellen is iets van een gemeenschap.
De roman mag dan wel het begin markeren van de neergang, de doodslag wordt, zo schrijft Benjamin, door de informatie-industrie toegebracht: ‘De waarde van informatie overleeft het moment niet waarin het nieuw was. Het leeft alleen op dat moment (…) Een vertelling is anders. Het gebruikt zichzelf niet op. Het behoudt en concentreert zijn sterkte en is in staat die weer vrij te geven, zelfs na lange tijd.’
Benjamin gaat er diep op in, en hij doet dat via kronkelende wegen, maar enkele bladzijden verder krijgen we het verschil tussen informatie en verhaal toch mooi samengevat in: ‘Thus traces of the storyteller cling to the story the way the handprints of the potter cling to the clay vessel.’ Vertellen is een ambachtelijke kunst. Informeren daarentegen is seriewerk.
Zit de mot in het vertellen? Is de kunst van het vertellen dood? Dan bestaat er in Amerika wel een interessant initiatief dat het weer tot leven wekt. Het heet The Moth, bestaat al twintig jaar, heeft een eigen radioprogramma en uit de duizenden mondelinge vertellingen werden al twee boeken gepubliceerd. Wie wil weten wat de initiatiefnemers bezielt kijkt naar onderstaand filmpje.
Ook in België zijn nog steeds vertellers aan het werk. Don Fabulist publiceerde regelmatig zijn vertellingen in Het Visserijblad, verhalen waarmee hij ook rondreist. Ook Peter Holvoet-Hanssen werkte aan dat tijdschrift mee en wie die mens ooit aan ’t werk gezien heeft weet met hoeveel kracht deze dichter de traditie van het vertellen voortzet.
Flor Vandekerckhove

(°) Walter Benjamin. Illuminations. 2007. Schoken Books New York. 278 ps.

zondag 23 april 2017

De Volksleenbank

Toen de tijd van trouwen aangebroken was en er een einde aan de camaraderie kwam, probeerden wij, jongens, die te rekken door elkaar in het gezelschap van onze echtgenoten op te zoeken.
Zo’n versgetrouwde makker woonde met zijn prille echtgenote op de eerste verdieping van een oud herenhuis. Hoge deuren en nog hogere plafonds. Grote kamers, knerpend parket, een erker waarin de noordenwind vrij spel had. Tocht alom.
Mijn maat had het goed getroffen, de woning was van haar ouders. Die woonden ergens waar het minder tochtte, maar haar vader hield op de benedenverdieping wel kantoor.
Op het kantoorraam stond De Volksleenbank. Uit wat mijn maat daarover zei begreep ik dat zijn schoonvader zoveel geld had dat hij dat kon uitlenen aan wie dat nodig had en dat hij zelf kon leven van de rente die dat opbracht. Ik wist niet dat het bestond, zo’n eenmansbank, en was onder de indruk.
Terwijl de anderen boven taartjes aan het eten waren, sloop ik beneden dat kantoortje binnen. Ik ging achter het houten bureau zitten en stelde me voor dat ik de eigenaar van De Volksleenbank was. Of er al dan niet klanten zouden komen was mijn zorg niet, want ik had toch geld op overschot.
Ik verschoof de onderlegger die voor me lag en zag dat er in het onderliggende bureaublad een tekst gekrast was. In gotische letters stond daar: Immer wenn Du meinst es geht nicht mehr, kommt irgendwo ein Lichtlein her. Ik streelde de letters met mijn vingertoppen en nam me voor die tekst nooit meer te vergeten. Voor mijn geestesoog verscheen tegelijk de schoonvader die met een zakmes in zijn bureaublad aan het kerven was. Ik kon me niet voorstellen dat mijn vader zoiets zou doen. Mijn maat was waarlijk in een even vreemde als inspirerende wereld terechtgekomen.
’s Anderendaags liep ik bij mijn ouders langs. Ik vertelde hun over De Volksleenbank en zijn kervende bankier, waarna mijn vader zei: Ge kunt niet alles hebben in ’t leven, een schoon wijf en veel geld. Daar zat misschien wel waarheid in, maar ik kon het toch niet in verband brengen met wat ik hem zopas verteld had.
De daaropvolgende dag vatte weer een werkweek aan. Ik klokte af, nam de lift naar mijn bureau, opende daar een lade en haalde er de schaar uit. Ik verschoof de onderlegger en in het bureaublad begon ik de letters te kerven. Na een week was ik ermee klaar. In een door mezelf uitgevonden variante op het gotisch stond er: Ge kunt niet alles hebben in ’t leven, een schoon wijf en veel geld
Kort daarna werd ik ontslagen.

Flor Vandekerckhove

vrijdag 21 april 2017

Lapkoes weg uit Zeewacht

Elke morgen maakt de spiegel het mij duidelijk: de mens verandert met het ouder worden. Een kuiltje wordt een put, oneffenheid wordt bubbel, rimpeltje wordt groef. Wat ik eveneens zie — maar niet in de spiegel — is dat ook karakterfoutjes indrukwekkende proporties krijgen.
Zo is enige halsstarrigheid me nooit vreemd geweest. Ook dat verergert zienderogen. De oudere versie van mezelf houdt zelfs voet bij stuk wanneer iemand hem aantoont dat hij pertinent ongelijk heeft. Ik kan daar niets aan doen, het overkomt me, net als die groeven, kloven, putten en bubbels.
In De Zeewacht had ik tot verleden week een column. Nu niet meer. Dat komt doordat ik deze week iets schrijf dat de nieuwsmanager tegen de borst stuit. Die mens heeft me dat laten weten.
Het gaat er, zegt hij, in Roeselare heel anders aan toe dan wat ik daarover schrijf. Ik kan hem daarin geen ongelijk geven, want hij werkt daar en ik niet. Maar wanneer hij me vervolgens ‘voorstelt’ om m’n tekst aan te passen zeg ik toch neen. Dan rest er, zegt de manager, maar een optie: het einde van de column. Weer kan ik hem geen ongelijk geven, want hij is daar de manager en ik niet.
Maar na 162 afleveringen moet hij toch ook weten dat Lapkoes geen nieuwsbericht is, maar een verhaal; dat een verhaal niet door hem te managen valt; dat Lapkoes, zoals elk verhaal, uit fictie én non-fictie bestaat, feiten én verbeelding, waarheid én verzinsel; dat, in zo'n verhaal, het ene niet zonder 't andere kan.
Aanpassen? ¡No pasarán! Wat ik wel kan doen is u hieronder gratis & voor niets de 163ste — en laatste — editie van Lapkoes ongecensureerd aanbieden. Met gebruiksaanwijzing! Lezer, wilt u er rekening mee houden dat de door mij beschreven toestand in Roeselare niet reëel is? Ik herhaal: wat ik daarin over ‘het binnenland’ schrijf is fictie, iets wat ik bedacht heb. Noem het een leugentje, maar dan wel een om bestwil, met name… het verhaal.

‘Er zijn lezers die er bij mij over klagen dat ze almaar meer moeite moeten doen om deze rubriek weer te vinden. Vroeger stond Lapkoes altijd op dezelfde plaats, zoals dat voor een column past, maar sinds enige tijd staat de rubriek eens hier, dan daar en nu weer hier.
Het heeft te maken met een reorganisatie. Dit blad wordt nu opgemaakt door lieden uit het binnenland, die vinden dat de visserij aan een verloren hoekje genoeg heeft. Spijtig, maar begrijpelijk, want ja, de visserij heeft inderdaad niet veel meer om het lijf.
De neergang is in de jaren tachtig ingezet — in Oostende al eerder — en dat gaat onverminderd voort. Zelf heb ik meer dan honderd schepen zien verdwijnen. Ik heb scheepswerven, visgronden en visserijscholen weten sluiten…
Ik heb de tijd nog meegemaakt dat de vissersgemeenschap zich daartegen weerde, maar ook dat heb ik weten kwijnen. Toen de visserijschool in Nieuwpoort sloot werd daar nog hevig op gereageerd, maar toen, enkele jaren later, die van Heist gesloten werd was van verzet geen sprake meer.
Nu verdwijnt ook de Dienst voor de Zeevisserij uit Oostende. Gepensioneerde ambtenaren worden niet vervangen en wie blijft moet binnenkort naar Brussel sporen. Van het visserijlandschap dat hier ooit zo zichtbaar was, is nu haast niets meer te ontwaren.
Maar omdat ‘optimism a moral duty’ is ben ik ook op zoek gegaan naar positief nieuws en dat heb ik in Engeland gevonden, meer bepaald in Oxford. Daar heeft de Belg Sammy De Grave een nieuwe garnaalsoort ontdekt. Dat deze nog niet eerder gevonden is mag een wonder heten, want hij maakt verschrikkelijk veel lawaai. Daarom heeft De Grave hem Synalpheus pinkfloydi genoemd, naar de luidruchtige rockgroep Pink Floyd.
Maar wat ik me toch vooral afvraag is op welke bladzijde Lapkoes deze keer terecht zal komen.’  

[Waarmee ook die slotvraag beantwoord is.]

Flor Vandekerckhove

donderdag 20 april 2017

Waar is dat feestje? Dáár is dat feestje!


Op de achterkant van deze foto staat juni 1952. Ook staat er: feest van H. Pastoor. De voorkant toont ons twee rijen kleuters, waarvan alleen de voorste rij goed zichtbaar is. Het nummer 4 ben ik.
Voorgaande alinea zegt dat we over dat beeld best veel weten. In de parochiezaal van Bredene Duinen, eertijds de noodkerk, wordt in juni 1952 een feestje georganiseerd ter ere van de naamdag van de parochiepastoor. Alle scholieren moeten aantreden en de foto vereeuwigt het moment waarop een kleuterklas dat doet.
Wat we ook weten is dat die kleuters er niet om lachen, ze nemen de zaak ernstig en dat is ook begrijpelijk, want het is wellicht hun eerste publieke optreden. Op de bovenste foto houden ze de lippen stevig op elkaar, ze zingen nog geen lied, maar er is al wel muziek en bij tralalalala draaien ze flink met de handjes. Op de foto onderaan zingen ze het lied mee, en daar staat ook een kleuter op die bovenaan niet te zien is, nummer 7.
De foto’s komen uit mijn familiearchief en ik herinner me dat mijn moeder me ooit gezegd heeft wie er achter het nummer 2 staat. Lang blijf ik denken dat de naam Jeannot Van Hille toen gevallen is, maar enkele nachten geleden schiet ik wakker en realiseer ik me ten volle dat het Ginette Blomme is. Ik spoor haar e-mailadres op en Ginette bevestigt meteen: zij is nummer 2.
Tot zover de zekerheden.
Zelf ben ik van 1949. Op de foto ben ik drie jaar jong. Of dat betekent dat de andere kleuters van hetzelfde jaar zijn is onzeker, want, zo weet Jeannot me te vertellen, er waren maar twee kleuterklassen voor drie jaren. Dat kan betekenen dat er ook kleuters op de foto staan die in 1948 geboren zijn of in 1950. Als dat laatste het geval is dan kan Marie-Claire De Bourderé op de foto staan. Zij is een jaar jonger dan ik, maar ze meent zichzelf in kleuter nummer 8 te herkennen. Zeker is ze daar niet van, ze twijfelt, in tegenstelling tot… haar tante die ze erbij haalt. Die tante is zeker van haar stuk: 8 is Marie-Claire!
Ivan Steen denkt dat hij het jongetje is dat zich achter het nummer 3 ophoudt. Dat zou best kunnen, want dat kereltje gelijkt inderdaad wel op Ivan. Wat Steen ook denkt is dat het nummer 5 Freddy Versluys is, maar hier passen beter woorden als zou eventueel misschien kunnen.
En nu de oproep: Bredenaars van de duinenwijk, gij die in de periode van 1948-50 het levenslicht aanschouwt, wil nu het vergrootglas ter hand nemen en elk van die kleuters intens en aandachtig bekijken. En weet me eens te zeggen wie de anderen zijn die daar zo ernstig met hun handjes draaien. Uw bijdrage is belangrijk om dit momentum goed gedocumenteerd vast te leggen, tot in de eeuwen der eeuwen amen.

Flor Vandekerckhove

woensdag 19 april 2017

De terugkeer van de Checker

— (1) De Checker Marathon op de filmaffiche van The Other Side of Hope. (2) Dezelfde auto in The Man Without a Past. (3) De Checker in Lights in the Dusk. —   

‘t Is iets wat ik regelmatig doe: wanneer een film veel indruk op me maakt, ijl ik met rasse schreden naar de filmafdeling van de bib om daar ander werk van diezelfde regisseur uit het rek te halen.
Zo’n film is The Other Side of Hope (2017) van Aki Kaurismäki. Ik heb er hier al een lovend stukje over gepost. Daarvan was de inkt nog niet droog toen ik al de tram nam om ter plekke te gaan constateren dat de bibliotheek over drie films van deze Fin beschikt. Le Havre (2012), hebben we vroeger al gezien en daarom keer ik gezwind naar huis weder met The Man Without a Past (2003) en Lights in the Dusk uit 2006.
Lights hebben we nog niet helemaal uitgekeken, maar we zijn er toch al ver genoeg in gevorderd om te weten dat Kaurismäki in elk van die films ruim plaats maakt voor muzikanten die iets in het lichtere genre brengen. De regisseur heeft duidelijk iets met niet-professionele orkestjes. En hij heeft ook iets met havens.
Zijn personages lachen zelden of nooit. Zowel in The Other Side of Hope als in The Man Without a Past wordt de antiheld door hooligans in elkaar geslagen; in de twee uitgekeken films blijken mensen uit de vierde wereld erg solidair gedrag te vertonen; er wordt telkens sushi gegeten, een gerecht dat een mens niet met Finland vereenzelvigt. Maar ik wil het vooral hebben over een auto die in de drie films voorkomt, een voertuig dat al op de affiche van The Other Side of Hope mijn aandacht getrokken heeft.
Ik heb de lezers toen gevraagd me te helpen bij het definiëren van die auto en daar is toen ook op gereageerd. Herman De Ploey van A Merry Car Club, een vereniging van bezitters van Amerikaanse old-timers, schrijft: ‘De bewuste auto is een Amerikaanse ‘Checker’. Dat model was in de US zeer populair als taxi in de jaren 1958-1982, maar er werden ook heel wat civiele versies van verkocht (zoals blijkbaar in de film). De productie bedroeg in deze periode zowat 100.000 exemplaren. Hij is hier vooral bekend als de taxi in de film ‘Taxi Driver’ uit 1976. Als taxi werden ze opgevolgd door vooral Chevrolet Impala’s en later gedurende ca. 20 jaar door de Ford Crown Victoria’s.’ Ook Patrick Van der Stricht, voorzitter van dezelfde club, stuurt me een bericht: ‘US auto, Checker "Marathon" ! jaartal is moeilijk te bepalen, hetzelfde model werd gebouwd van 1961 tot 1975, bijna zonder veranderingen. Vanaf 1974 hadden deze modellen een dikke (en lelijke) safetybumper in plaats van een klassieke verchroomde. Maar dat is niet zichtbaar op de poster.’ En Jeroen Deklerck ten slotte meldt me dat daar op de site van de Oldtimerclub een artikel over de Checker taxi’s staat.
Zelf heb ik ook een en ander uitgevist. Daardoor weet ik dat er wel meer Checkers in Finland rijden — of in panne staan. Zo zijn er 500 van het type A2 ingevoerd om er, in 1952, met bezoekers van de Olympische Spelen rond te rijden. Ik lees echter ook dit: The bad shape of the cars was a big disappointment for the buyers.
En nu vind ik een stukje in het Fins, dat Google Translate slecht vertaalt, maar waaruit ik desalniettemin leer dat de regisseur in de vroege jaren negentig een Checker Marathon uit 1967 koopt om die in zijn film Juha (1999) te gebruiken. En dus ook, zo weten we, in The Other Side of Hope, Lights in the Dusk en The Man Without a Past. Minstens.
Flor Vandekerckhove

° The Other Side of Hope, Toivon tuolla puolen. (De andere kant van de hoop.) Script en regie: Aki Kaurismäki. 2017. Finland. De regisseur won ermee de Zilveren Beer op het filmfestival van Berlijn.
° Lights in the Dusk uit 2006. Laitakaupungin valot.  (Lichten in de schemering). Productie, script en regie Aki Kaurismäki. 2006. Finland.
° The Man Without a Past. Mies vailla menneisyyttä (De man zonder verleden). Productie, script en regie Aki Kaurismäki. 2002. Finland. Won verschillende prijzen, w.o. De Grote Prijs van de Jury op het filmfestival van Cannes in 2002.

zondag 16 april 2017

Een garnaal Pink Floyd genaamd


— Still uit Pink Floyd – Another Brick in the Wall. 
Het filmpje staat onderaan deze post. —
In de fait divers van de krant lees ik dat er een nieuwe garnalensoort ontdekt is. Een ander mens heeft daar wellicht geen oog voor, maar omdat ik een kwarteeuw lang uitgever van Het Visserijblad geweest ben, trek ik me nog altijd zo’n dingen aan.
De ontdekker is een Belg. Hij heet Sammy De Grave en hij is iets hoogs in Oxford. De Grave heeft zijn ontdekking een opvallende naam gegeven. Het beestje heet nu Synapheus pinkfloydi, zo genoemd naar de Britse rockgroep Pink Floyd.
Omdat je in deze tijden van fake news niet voorzichtig genoeg kunt zijn heb ik het bericht ondergezocht. De Grave bestaat wel degelijk en hij is echt een vorser die zich in garnalen specialiseert. De garnaal genaamd Pink Floyd is een realiteit. Er bestaat ook een uitleg voor: ‘De 120 decibel die het garnaaltje produceert, maakt het een van de luidste dieren van de oceaan. Hij overtreft daarmee ook gemakkelijk het geluidsniveau van het gemiddelde rockconcert.’
Pink Floyd, niet de garnaal maar de rockgroep, heeft een ietwat speciale status in mijn leven. Het is een van de weinige rockgroepen die een song geproduceerd heeft waarvan ik heel de tekst kan meezingen: We don't need no eduction/ We don't need no thought control/ No dark sarcasm in the classroom/ Teachers leave them kids alone/ Hey! Teachers! Leave them kids alone/ All in all it's just another brick in the wall/ All in all you're just a brick in the wall.
De song, Another Brick in the Wall (Part 2), was destijds een hit, er werden miljoenen platen van verkocht. Telkens ik het op de radio hoorde kon ik niet laten om het mee te zingen, en, pas op!, ik was toen al in de dertig. In dat meezingen is wel verandering gekomen toen ik voor het eerst hoorde dat ook mijn kinderen het zongen. Ik vond dat mijn nageslacht van nature al genoeg overtuigd was van we don't need no eductionHet was onnodig dat ik er nog een schep bovenop deed.

Flor Vandekerckhove


zaterdag 15 april 2017

Knellende muren


— Gustave Van de Woestyne, Zomer (1928) —

In de zomer mag er dan wel een druiventros op tafel liggen, maar als ik met de woorden van Shaffy en List een loopje mag nemen, zou ik zeggen: het hart maalt om geen enkel seizoen / Wat moet een hart, wat moet een hart met druiven doen?
Zomer, het schilderij dat Van de Woestyne in 1928 maakt, toont ons dat de kunstenaar intens met die vraag worstelt. En in de jaren vijftig doe ik dat niet minder.
In die tijd — de zijne en de mijne — gaat het er hard aan toe. Altijd is er wel een plicht die roept en er is zwaarte & ernst en schuld & boete. En er is ook heel veel verveling. Wie oud genoeg is herinnert zich de tijd wel waarin Gods oog alom aanwezig is. Mij kost het geen enkele moeite om de beknelling op te roepen die Van de Woestyne uitdrukt met dat veel te kleine kamertje waarin hij zijn model plaatst.
Hoe gaat het er vandaag eigenlijk aan toe in zo’n christelijke gezin? In deze tijd waarop de blikken haast uitsluitend op de hoofddoeken van moslima’s gericht zijn, vraagt een mens het zich af.
In de boekenbijlage van De Morgen geeft dichteres Ellen Deckwitz me daar deze week een antwoord op: ‘Ik groeide op in een nogal christelijke omgeving waar alles wat maar een beetje met liefde of seks te maken had je meteen een enkeltje vagevuur opleverde.’  
Ik zie dat deze Ellen in 1982 geboren is; ze is jong, jonger zelfs dan mijn kinderen. 
Ellen Deckwitz, lees ik in de Wikipedia, is in het Nederlandse Borne geboren. Elders lees ik dit: Meer dan de helft van de inwoners van de gemeente Borne is godsdienstig. 55,4 procent voelt zich betrokken bij een geloof (…) Het populairste geloof? Katholieke kerk. 35,2 procent van alle inwoners voelt zich hiermee verbonden.’
Maar misschien behoort de jonge Ellen daar tot een minderheid, want er zijn ook 7,1% hervormde protestanten in Borne, 1,1% gereformeerden en 5,9% PKN. Dat laatste heb ik moeten opzoeken: PKN staat voor Protestantse Kerk Nederland.
Jonge protestanten hebben op katholieken evenwel dat voordeel dat ze hun Bijbel kennen. En Ellen Deckwitz citeert: Mijn handen zijn nat, mijn vingers die de grendel opzij schuiven druipen… ’t Is dan wel van mirre dat die vingers in het Hooglied druipen, maar de jonge Ellen doet er toch haar voordeel mee, zo zeer zelfs ‘dat het me regelmatig verzwikte vingers opleverde.’

Flor Vandekerckhove