zondag 23 april 2017

De Volksleenbank

Toen de tijd van trouwen aangebroken was en er een einde aan de camaraderie kwam, probeerden wij, jongens, die te rekken door elkaar in het gezelschap van onze echtgenoten op te zoeken.
Zo’n versgetrouwde makker woonde met zijn prille echtgenote op de eerste verdieping van een oud herenhuis. Hoge deuren en nog hogere plafonds. Grote kamers, knerpend parket, een erker waarin de noordenwind vrij spel had. Tocht alom.
Mijn maat had het goed getroffen, de woning was van haar ouders. Die woonden ergens waar het minder tochtte, maar haar vader hield op de benedenverdieping wel kantoor.
Op het kantoorraam stond De Volksleenbank. Uit wat mijn maat daarover zei begreep ik dat zijn schoonvader zoveel geld had dat hij dat kon uitlenen aan wie dat nodig had en dat hij zelf kon leven van de rente die dat opbracht. Ik wist niet dat het bestond, zo’n eenmansbank, en was onder de indruk.
Terwijl de anderen boven taartjes aan het eten waren, sloop ik beneden dat kantoortje binnen. Ik ging achter het houten bureau zitten en stelde me voor dat ik de eigenaar van De Volksleenbank was. Of er al dan niet klanten zouden komen was mijn zorg niet, want ik had toch geld op overschot.
Ik verschoof de onderlegger die voor me lag en zag dat er in het onderliggende bureaublad een tekst gekrast was. In gotische letters stond daar: Immer wenn Du meinst es geht nicht mehr, kommt irgendwo ein Lichtlein her. Ik streelde de letters met mijn vingertoppen en nam me voor die tekst nooit meer te vergeten. Voor mijn geestesoog verscheen tegelijk de schoonvader die met een zakmes in zijn bureaublad aan het kerven was. Ik kon me niet voorstellen dat mijn vader zoiets zou doen. Mijn maat was waarlijk in een even vreemde als inspirerende wereld terechtgekomen.
’s Anderendaags liep ik bij mijn ouders langs. Ik vertelde hun over De Volksleenbank en zijn kervende bankier, waarna mijn vader zei: Ge kunt niet alles hebben in ’t leven, een schoon wijf en veel geld. Daar zat misschien wel waarheid in, maar ik kon het toch niet in verband brengen met wat ik hem zopas verteld had.
De daaropvolgende dag vatte weer een werkweek aan. Ik klokte af, nam de lift naar mijn bureau, opende daar een lade en haalde er de schaar uit. Ik verschoof de onderlegger en in het bureaublad begon ik de letters te kerven. Na een week was ik ermee klaar. In een door mezelf uitgevonden variante op het gotisch stond er: Ge kunt niet alles hebben in ’t leven, een schoon wijf en veel geld. Kort daarop werd ik ontslagen.

Flor Vandekerckhove

vrijdag 21 april 2017

Lapkoes weg uit Zeewacht

Elke morgen maakt de spiegel het mij duidelijk: de mens verandert met het ouder worden. Een kuiltje wordt een put, oneffenheid wordt bubbel, rimpeltje wordt groef. Wat ik eveneens zie — maar niet in de spiegel — is dat ook karakterfoutjes indrukwekkende proporties krijgen.
Zo is enige halsstarrigheid me nooit vreemd geweest. Ook dat verergert zienderogen. De oudere versie van mezelf houdt zelfs voet bij stuk wanneer iemand hem aantoont dat hij pertinent ongelijk heeft. Ik kan daar niets aan doen, het overkomt me, net als die groeven, kloven, putten en bubbels.
In De Zeewacht had ik tot verleden week een column. Nu niet meer. Dat komt doordat ik deze week iets schrijf dat de nieuwsmanager tegen de borst stuit. Die mens heeft me dat laten weten.
Het gaat er, zegt hij, in Roeselare heel anders aan toe dan wat ik daarover schrijf. Ik kan hem daarin geen ongelijk geven, want hij werkt daar en ik niet. Maar wanneer hij me vervolgens ‘voorstelt’ om m’n tekst aan te passen zeg ik toch neen. Dan rest er, zegt de manager, maar een optie: het einde van de column. Weer kan ik hem geen ongelijk geven, want hij is daar de manager en ik niet.
Maar na 162 afleveringen moet hij toch ook weten dat Lapkoes geen nieuwsbericht is, maar een verhaal; dat een verhaal niet te managen valt; dat Lapkoes, zoals elk verhaal, uit fictie én non-fictie bestaat, feiten én verbeelding, waarheid én verzinsel; dat, in zo'n verhaal, het ene niet zonder 't andere kan.
Aanpassen? ¡No pasarán! Wat ik wel kan doen is u hieronder gratis & voor niets de 163ste — en laatste — editie van Lapkoes ongecensureerd aanbieden. Met gebruiksaanwijzing! Lezer, wilt u er rekening mee houden dat de door mij beschreven toestand in Roeselare niet reëel is? Ik herhaal: wat ik daarin over ‘het binnenland’ schrijf is fictie, iets wat ik bedacht heb. Noem het een leugentje, maar dan wel een om bestwil, met name… het verhaal.

‘Er zijn lezers die er bij mij over klagen dat ze almaar meer moeite moeten doen om deze rubriek weer te vinden. Vroeger stond Lapkoes altijd op dezelfde plaats, zoals dat voor een column past, maar sinds enige tijd staat de rubriek eens hier, dan daar en nu weer hier.
Het heeft te maken met een reorganisatie. Dit blad wordt nu opgemaakt door lieden uit het binnenland, die vinden dat de visserij aan een verloren hoekje genoeg heeft. Spijtig, maar begrijpelijk, want ja, de visserij heeft inderdaad niet veel meer om het lijf.
De neergang is in de jaren tachtig ingezet — in Oostende al eerder — en dat gaat onverminderd voort. Zelf heb ik meer dan honderd schepen zien verdwijnen. Ik heb scheepswerven, visgronden en visserijscholen weten sluiten…
Ik heb de tijd nog meegemaakt dat de vissersgemeenschap zich daartegen weerde, maar ook dat heb ik weten kwijnen. Toen de visserijschool in Nieuwpoort sloot werd daar nog hevig op gereageerd, maar toen, enkele jaren later, die van Heist gesloten werd was van verzet geen sprake meer.
Nu verdwijnt ook de Dienst voor de Zeevisserij uit Oostende. Gepensioneerde ambtenaren worden niet vervangen en wie blijft moet binnenkort naar Brussel sporen. Van het visserijlandschap dat hier ooit zo zichtbaar was, is nu haast niets meer te ontwaren.
Maar omdat ‘optimism a moral duty’ is ben ik ook op zoek gegaan naar positief nieuws en dat heb ik in Engeland gevonden, meer bepaald in Oxford. Daar heeft de Belg Sammy De Grave een nieuwe garnaalsoort ontdekt. Dat deze nog niet eerder gevonden is mag een wonder heten, want hij maakt verschrikkelijk veel lawaai. Daarom heeft De Grave hem Synalpheus pinkfloydi genoemd, naar de luidruchtige rockgroep Pink Floyd.
Maar wat ik me toch vooral afvraag is op welke bladzijde Lapkoes deze keer terecht zal komen.’  

[Waarmee ook die slotvraag beantwoord is.]

Flor Vandekerckhove

donderdag 20 april 2017

Waar is dat feestje? Dáár is dat feestje!


Op de achterkant van deze foto staat juni 1952. Ook staat er: feest van H. Pastoor. De voorkant toont ons twee rijen kleuters, waarvan alleen de voorste rij goed zichtbaar is. Het nummer 4 ben ik.
Voorgaande alinea zegt dat we over dat beeld best veel weten. In de parochiezaal van Bredene Duinen, eertijds de noodkerk, wordt in juni 1952 een feestje georganiseerd ter ere van de naamdag van de parochiepastoor. Alle scholieren moeten aantreden en de foto vereeuwigt het moment waarop een kleuterklas dat doet.
Wat we ook weten is dat die kleuters er niet om lachen, ze nemen de zaak ernstig en dat is ook begrijpelijk, want het is wellicht hun eerste publieke optreden. Op de bovenste foto houden ze de lippen stevig op elkaar, ze zingen nog geen lied, maar er is al wel muziek en bij tralalalala draaien ze flink met de handjes. Op de foto onderaan zingen ze het lied mee, en daar staat ook een kleuter op die bovenaan niet te zien is, nummer 7.
De foto’s komen uit mijn familiearchief en ik herinner me dat mijn moeder me ooit gezegd heeft wie er achter het nummer 2 staat. Lang blijf ik denken dat de naam Jeannot Van Hille toen gevallen is, maar enkele nachten geleden schiet ik wakker en realiseer ik me ten volle dat het Ginette Blomme is. Ik spoor haar e-mailadres op en Ginette bevestigt meteen: zij is nummer 2.
Tot zover de zekerheden.
Zelf ben ik van 1949. Op de foto ben ik drie jaar jong. Of dat betekent dat de andere kleuters van hetzelfde jaar zijn is onzeker, want, zo weet Jeannot me te vertellen, er waren maar twee kleuterklassen voor drie jaren. Dat kan betekenen dat er ook kleuters op de foto staan die in 1948 geboren zijn of in 1950. Als dat laatste het geval is dan kan Marie-Claire De Bourderé op de foto staan. Zij is een jaar jonger dan ik, maar ze meent zichzelf in kleuter nummer 8 te herkennen. Zeker is ze daar niet van, ze twijfelt, in tegenstelling tot… haar tante die ze erbij haalt. Die tante is zeker van haar stuk: 8 is Marie-Claire!
Ivan Steen denkt dat hij het jongetje is dat zich achter het nummer 3 ophoudt. Dat zou best kunnen, want dat kereltje gelijkt inderdaad wel op Ivan. Wat Steen ook denkt is dat het nummer 5 Freddy Versluys is, maar hier passen beter woorden als zou eventueel misschien kunnen.
En nu de oproep: Bredenaars van de duinenwijk, gij die in de periode van 1948-50 het levenslicht aanschouwt, wil nu het vergrootglas ter hand nemen en elk van die kleuters intens en aandachtig bekijken. En weet me eens te zeggen wie de anderen zijn die daar zo ernstig met hun handjes draaien. Uw bijdrage is belangrijk om dit momentum goed gedocumenteerd vast te leggen, tot in de eeuwen der eeuwen amen.

Flor Vandekerckhove

woensdag 19 april 2017

De terugkeer van de Checker

— (1) De Checker Marathon op de filmaffiche van The Other Side of Hope. (2) Dezelfde auto in The Man Without a Past. (3) De Checker in Lights in the Dusk. —   

‘t Is iets wat ik regelmatig doe: wanneer een film veel indruk op me maakt, ijl ik met rasse schreden naar de filmafdeling van de bib om daar ander werk van diezelfde regisseur uit het rek te halen.
Zo’n film is The Other Side of Hope (2017) van Aki Kaurismäki. Ik heb er hier al een lovend stukje over gepost. Daarvan was de inkt nog niet droog toen ik al de tram nam om ter plekke te gaan constateren dat de bibliotheek over drie films van deze Fin beschikt. Le Havre (2012), hebben we vroeger al gezien en daarom keer ik gezwind naar huis weder met The Man Without a Past (2003) en Lights in the Dusk uit 2006.
Lights hebben we nog niet helemaal uitgekeken, maar we zijn er toch al ver genoeg in gevorderd om te weten dat Kaurismäki in elk van die films ruim plaats maakt voor muzikanten die iets in het lichtere genre brengen. De regisseur heeft duidelijk iets met niet-professionele orkestjes. En hij heeft ook iets met havens.
Zijn personages lachen zelden of nooit. Zowel in The Other Side of Hope als in The Man Without a Past wordt de antiheld door hooligans in elkaar geslagen; in de twee uitgekeken films blijken mensen uit de vierde wereld erg solidair gedrag te vertonen; er wordt telkens sushi gegeten, een gerecht dat een mens niet met Finland vereenzelvigt. Maar ik wil het vooral hebben over een auto die in de drie films voorkomt, een voertuig dat al op de affiche van The Other Side of Hope mijn aandacht getrokken heeft.
Ik heb de lezers toen gevraagd me te helpen bij het definiëren van die auto en daar is toen ook op gereageerd. Herman De Ploey van A Merry Car Club, een vereniging van bezitters van Amerikaanse old-timers, schrijft: ‘De bewuste auto is een Amerikaanse ‘Checker’. Dat model was in de US zeer populair als taxi in de jaren 1958-1982, maar er werden ook heel wat civiele versies van verkocht (zoals blijkbaar in de film). De productie bedroeg in deze periode zowat 100.000 exemplaren. Hij is hier vooral bekend als de taxi in de film ‘Taxi Driver’ uit 1976. Als taxi werden ze opgevolgd door vooral Chevrolet Impala’s en later gedurende ca. 20 jaar door de Ford Crown Victoria’s.’ Ook Patrick Van der Stricht, voorzitter van dezelfde club, stuurt me een bericht: ‘US auto, Checker "Marathon" ! jaartal is moeilijk te bepalen, hetzelfde model werd gebouwd van 1961 tot 1975, bijna zonder veranderingen. Vanaf 1974 hadden deze modellen een dikke (en lelijke) safetybumper in plaats van een klassieke verchroomde. Maar dat is niet zichtbaar op de poster.’ En Jeroen Deklerck ten slotte meldt me dat daar op de site van de Oldtimerclub een artikel over de Checker taxi’s staat.
Zelf heb ik ook een en ander uitgevist. Daardoor weet ik dat er wel meer Checkers in Finland rijden — of in panne staan. Zo zijn er 500 van het type A2 ingevoerd om er, in 1952, met bezoekers van de Olympische Spelen rond te rijden. Ik lees echter ook dit: The bad shape of the cars was a big disappointment for the buyers.
En nu vind ik een stukje in het Fins, dat Google Translate slecht vertaalt, maar waaruit ik desalniettemin leer dat de regisseur in de vroege jaren negentig een Checker Marathon uit 1967 koopt om die in zijn film Juha (1999) te gebruiken. En dus ook, zo weten we, in The Other Side of Hope, Lights in the Dusk en The Man Without a Past. Minstens.
Flor Vandekerckhove

° The Other Side of Hope, Toivon tuolla puolen. (De andere kant van de hoop.) Script en regie: Aki Kaurismäki. 2017. Finland. De regisseur won ermee de Zilveren Beer op het filmfestival van Berlijn.
° Lights in the Dusk uit 2006. Laitakaupungin valot.  (Lichten in de schemering). Productie, script en regie Aki Kaurismäki. 2006. Finland.
° The Man Without a Past. Mies vailla menneisyyttä (De man zonder verleden). Productie, script en regie Aki Kaurismäki. 2002. Finland. Won verschillende prijzen, w.o. De Grote Prijs van de Jury op het filmfestival van Cannes in 2002.

zondag 16 april 2017

Een garnaal Pink Floyd genaamd


— Still uit Pink Floyd – Another Brick in the Wall. 
Het filmpje staat onderaan deze post. —
In de fait divers van de krant lees ik dat er een nieuwe garnalensoort ontdekt is. Een ander mens heeft daar wellicht geen oog voor, maar omdat ik een kwarteeuw lang uitgever van Het Visserijblad geweest ben, trek ik me nog altijd zo’n dingen aan.
De ontdekker is een Belg. Hij heet Sammy De Grave en hij is iets hoogs in Oxford. De Grave heeft zijn ontdekking een opvallende naam gegeven. Het beestje heet nu Synapheus pinkfloydi, zo genoemd naar de Britse rockgroep Pink Floyd.
Omdat je in deze tijden van fake news niet voorzichtig genoeg kunt zijn heb ik het bericht ondergezocht. De Grave bestaat wel degelijk en hij is echt een vorser die zich in garnalen specialiseert. De garnaal genaamd Pink Floyd is een realiteit. Er bestaat ook een uitleg voor: ‘De 120 decibel die het garnaaltje produceert, maakt het een van de luidste dieren van de oceaan. Hij overtreft daarmee ook gemakkelijk het geluidsniveau van het gemiddelde rockconcert.’
Pink Floyd, niet de garnaal maar de rockgroep, heeft een ietwat speciale status in mijn leven. Het is een van de weinige rockgroepen die een song geproduceerd heeft waarvan ik heel de tekst kan meezingen: We don't need no eduction/ We don't need no thought control/ No dark sarcasm in the classroom/ Teachers leave them kids alone/ Hey! Teachers! Leave them kids alone/ All in all it's just another brick in the wall/ All in all you're just a brick in the wall.
De song, Another Brick in the Wall (Part 2), was destijds een hit, er werden miljoenen platen van verkocht. Telkens ik het op de radio hoorde kon ik niet laten om het mee te zingen, en, pas op!, ik was toen al in de dertig. In dat meezingen is wel verandering gekomen toen ik voor het eerst hoorde dat ook mijn kinderen het zongen. Ik vond dat mijn nageslacht van nature al genoeg overtuigd was van we don't need no eductionHet was onnodig dat ik er nog een schep bovenop deed.

Flor Vandekerckhove


zaterdag 15 april 2017

Knellende muren


— Gustave Van de Woestyne, Zomer (1928) —

In de zomer mag er dan wel een druiventros op tafel liggen, maar als ik met de woorden van Shaffy en List een loopje mag nemen, zou ik zeggen: het hart maalt om geen enkel seizoen / Wat moet een hart, wat moet een hart met druiven doen?
Zomer, het schilderij dat Van de Woestyne in 1928 maakt, toont ons dat de kunstenaar intens met die vraag worstelt. En in de jaren vijftig doe ik dat niet minder.
In die tijd — de zijne en de mijne — gaat het er hard aan toe. Altijd is er wel een plicht die roept en er is zwaarte & ernst en schuld & boete. En er is ook heel veel verveling. Wie oud genoeg is herinnert zich de tijd wel waarin Gods oog alom aanwezig is. Mij kost het geen enkele moeite om de beknelling op te roepen die Van de Woestyne uitdrukt met dat veel te kleine kamertje waarin hij zijn model plaatst.
Hoe gaat het er vandaag eigenlijk aan toe in zo’n christelijke gezin? In deze tijd waarop de blikken haast uitsluitend op de hoofddoeken van moslima’s gericht zijn, vraagt een mens het zich af.
In de boekenbijlage van De Morgen geeft dichteres Ellen Deckwitz me daar deze week een antwoord op: ‘Ik groeide op in een nogal christelijke omgeving waar alles wat maar een beetje met liefde of seks te maken had je meteen een enkeltje vagevuur opleverde.’  
Ik zie dat deze Ellen in 1982 geboren is; ze is jong, jonger zelfs dan mijn kinderen. 
Ellen Deckwitz, lees ik in de Wikipedia, is in het Nederlandse Borne geboren. Elders lees ik dit: Meer dan de helft van de inwoners van de gemeente Borne is godsdienstig. 55,4 procent voelt zich betrokken bij een geloof (…) Het populairste geloof? Katholieke kerk. 35,2 procent van alle inwoners voelt zich hiermee verbonden.’
Maar misschien behoort de jonge Ellen daar tot een minderheid, want er zijn ook 7,1% hervormde protestanten in Borne, 1,1% gereformeerden en 5,9% PKN. Dat laatste heb ik moeten opzoeken: PKN staat voor Protestantse Kerk Nederland.
Jonge protestanten hebben op katholieken evenwel dat voordeel dat ze hun Bijbel kennen. En Ellen Deckwitz citeert: Mijn handen zijn nat, mijn vingers die de grendel opzij schuiven druipen… ’t Is dan wel van mirre dat die vingers in het Hooglied druipen, maar de jonge Ellen doet er toch haar voordeel mee, zo zeer zelfs ‘dat het me regelmatig verzwikte vingers opleverde.’

Flor Vandekerckhove

vrijdag 14 april 2017

Blaffer


— Painting 02, een beeld uit het online spel Mafia II. — 

Een gangster komt binnen in de bar waar ik mijn nachten slijt. Hij gaat op een kruk naast de mijne zitten. Ik voel dat zijn aanwezigheid de goede sfeer verpest.
Om de alzo ontstane spanning een beetje te ontladen vraag ik hem langs mijn neus weg: ‘Brengt dat een beetje op, die gangsterij van u?’
Mijn goedbedoelde poging draait verkeerd uit. De spanning in de bar swingt nu de pan uit: de biljarter legt zijn keu ter zijde, de naald van de pick-up hapert, de paaldanseres laat haar paal in de steek, in de koelkast stremt de melk, de barmeid ontvliedt de bar, in de kelder loopt het vat af, tooghangers drossen de toog, de tijd bevriest…
Ik begrijp dat ik iets moet ondernemen voor er ongelukken gebeuren. ‘Wel,’ vraag ik nogmaals, alsof ik het daarmee kan goedmaken, ‘brengt dat een beetje op, die gangsterij van u?’
De gangster kijkt me nu vernietigend aan. Z’n ogen rollen in hun kassen, het bloed trekt weg uit zijn gelaat en verzamelt zich op zijn voorhoofd in een ader die vervaarlijk dik wordt en mijns inziens zelfs op springen staat. (Ik wist niet eens dat een mens daar aders heeft.)
Eerst denk ik er nog aan om de gangster op z’n gezwollen ader te wijzen, maar tegelijk besef ik ook wel dat zo’n zwelling een mededeling in zich draagt en die mededeling leert me dat hij het er niet zal bij laten. Neen, dat ziet er helemaal niet goed uit.
Ik moet vlug handelen. Ik trek mijn blaffer uit de holster, richt de loper op de gezwollen ader en schiet de lader leeg. Massa’s bloed en ook een beetje hersenen.
Ik probeer de poespas van mijn kleren te vegen, constateer dat het me niet lukt, keer me op mijn andere zij en slaap verder.

Flor Vandekerckhove

donderdag 13 april 2017

Raam

— Dees De Bruyne. Zelfportret in N.Y., gemengde technieken op doek. 1984, 150 x 150 cm. —

Ik ben de laatste klant. De waardin heeft haar stek achter de bar verlaten om de draperieën dicht te schuiven. Zover komt het echter niet.
Ik kom achter haar staan en leg mijn hand op haar kont. Terwijl we samen door het raam naar buiten turen begin ik haar rok omhoog te schuiven. Ze geeft geen krimp.
Misschien vindt u dit alles ietwat overdreven, maar in New York gebeurt in dat jaar wel meer dat overdreven is. Vandaag heeft men het daar nog steeds over 1984, the Year of the Exaggeration, het jaar der overdrijving.
Terwijl we toekijken hoe twee vechtersbazen elkaar op de straat te lijf gaan, trek ik haar broekje weg. Daar, voor dat raam, tussen de openstaande gordijnen, neem ik haar van achteren.
Tegen de tijd dat de politie met loeiende sirenes de vechtersbazen van elkaar komt scheiden ben ik daarmee klaar. Schaars gekleed blijven we voor het raam staan, de waardin en ik, en zwaaien goedkeurend naar de flikken die de vechtersbazen in de combi gooien om hen mee naar het bureau te nemen.

Flor Vandekerckhove

woensdag 12 april 2017

Confetti


— De intrige (James Ensor, 1890) —

Nog voor het zingen was ik de kerk al uit, waardoor ik op de valreep een huwelijk had vermeden, althans dat dacht ik. Op de vlucht had ik ijlings de trein genomen, en zo komt het dat ik me in onverwachts in Oostende bevond.
Daar stond ik, in de Vlaand’renstraat, in mijn ongebruikte trouwkleren, tussen de maskers, naar een stoet te kijken.
Toen gebeurde dit. Aan de ene kant kwam een vrouw staan die me bij de arm nam en aan de andere kant toonde iemand me het kind dat ik niet had willen maken. Een vrouw, een kind… De situatie was even duidelijk als angstwekkend: weer wachtte mij diezelfde trouwpartij, weer moest ik weten te ontsnappen. Ik was minder in Oostende dan wel in een intrige terechtgekomen. 
Een Oostendse drumband, die vreemd genoeg uit Schotten bestond, drumde de stenen uit de grond en om me heen drumden al de maskers met de Schotten mee. Ze drumden zo dicht tegen me aan dat mijn buishoed ervan op de grond viel.
De glimmende hoed was in die confetti gemakkelijk weer te vinden, maar wat die confettizee me niet meer liet zien was de trouwring die ik in de hoed verborgen had en die, zo voelde ik, daar nu niet meer in zat.
U zegt: als u toch niet wilde trouwen, had u die ring ook niet langer nodig. Dat is waar. En ’t is ook niet waar, want ik wilde hem gebruiken om er het hotel mee te betalen. Dus ging ik de schelpenwinkel van James’ tante binnen en vroeg daar naar een bezem om er de straat mee schoon te vegen.
Ik veegde vele emmers confetti bijeen, waarin ik vergeefs naar de trouwring zocht. Wel vond ik een merkwaardig vlugschrift waarin Eva meldde dat ze thuis ontving. Daarachter stond: tijdens de kantooruren. Daar had ik ook niets aan, want de avond was gevallen en Eva’s echtgenoot had 't kantoor al lang verlaten, om thuis zijn voeten onder de tafel te steken, zoals dat gaat met echtgenoten.
De uren die daarop volgden leerden me dat Oostende bij nacht en ontij een desolate stad is. En voor wie geen geld heeft even ondoordringbaar als de zee die hoorbaar hard tegen haar rand aan ’t beuken was. 

Flor Vandekerckhove

dinsdag 11 april 2017

Mijn tijd-schrift


— Salvador Dali, De volharding der herinnering, 1931. —

Tijdens zo’n zwoele zomernacht, waarin het zweet in beken van je lijf loopt, stelde mijn vriendin me begrijpelijkerwijze de vraag hoeveel het haar zou kosten om een strandcabine te kopen, waarin ze zich kon ophouden om er van de zeebries te genieten. Ik kon haar geen antwoord geven. Ze vroeg me ook of het niet voordeliger zou zijn er een te huren. Die vraag kon ik evenmin beantwoorden.
Terwijl we die nacht zo over strandcabines aan het spreken waren kwam een jonge man het huis binnen. Daar dit in 1931 geschiedde en hij in 1904 geboren was, valt het gemakkelijk te berekenen dat hij zevenentwintig was. Ik wist ook wel wie hij was, die jonge man, maar ik kon me zijn naam niet herinneren.
Hij vroeg me wanneer zijn tentoonstelling door zou gaan. Ik wist niet eens dat hij een tentoonstelling had. Dat zei ik hem ook: ‘Ik weet niet eens dat je een tentoonstelling hebt.’ Dat vond hij merkwaardig, want ik had het er in Mijn tijd-schrift over gehad.
Hoezo Mijn tijd-schrift?’ vroeg ik hem.
Hij schudde onbegrijpend het hoofd, ging naar het achterhuis en kwam terug met iets wat ik niet herkende, maar waarvan ik toch moest toegeven dat het wel degelijk Mijn tijd-schrift was. Want wat stond er in grote letters op de kaft? Mijn Tijd-schrift.
De jonge man sloeg het open op een plek waar iets over zijn tentoonstelling stond. Daaronder stond mijn naam. Hij vroeg me of ik daar een verklaring voor had.
Die had ik niet. Het enige wat ik kon bedenken was dat ik in zo'n hete nacht veel vragen te verwerken kreeg waarop ik geen antwoord geven kon. In die zin verschilde de nacht nauwelijks van de dag. Ik zei hem dat ook: ‘Mijn nacht verschilt nauwelijks van m’n dag.’ Daarin gaf mijn vriendin me gelijk en we sliepen verder.

Flor Vandekerckhove

maandag 10 april 2017

Bicky Burger


— Nighthawks van Edward Hopper (1942) —

In die tijd was er op de hoek een chic frietkot dat uitgebaat werd door een vrouw. Ze heette Emiel, wat merkwaardig is, want in 1942 waren de persoonsnamen nog erg gendergebonden. Merkwaardig is ook dat Emiel een gangstervrouw was.
Op een slapeloze nacht was ik erheen gegaan. De straten waren leeg. Aan de overkant had de juwelier zijn spullen uit de etalage weggehaald. In het frietkot zat een koppel dat elkaar niets te vertellen had.
Emiel vroeg me wat het zijn mocht. Ik vroeg iets ongezonds en terwijl Emiel dat voor me klaarmaakte keek ik naar het koppel dat elkaar niets meer te zeggen had. Ik dacht: wat zitten die hier te doen? Waarom zitten ze niet thuis te zwijgen? Zo’n dingen dacht ik.
Ik was de laatste klant, zei Emiel, na mij sloot ze de deur. Het koppel dat elkaar niets te vertellen had, begreep de hint en verliet het pand om elkaar elders niets te gaan zeggen. Ik bleef over met een geroosterd broodje waaraan drie sausjes toegevoegd waren, een gele, een rode en een bruine, alsook sesamzaad, komkommer en gefrituurde ui. Emiel zei dat het een Bicky Burger was, want ze zag wel dat ik dat niet wist omdat het hele nachtleven me onbekend was. Dat beviel haar wel, zei ze me, een klant die geen nachtbraker was.
Ik vroeg me af hoe ze kon zien dat het nachtleven me onbekend was, want ik verschilde in haast niets van de man die zojuist het frietkot verlaten had, met zijn vrouw die hem niets meer te zeggen had, en hij haar evenmin; zelfde pak, zelfde gleufhoed…
Aan haar manier van doen zag ik tegelijk dat ik bij Emiel een kans maakte en ik zou die misschien ook wel gegrepen hebben, ware het niet dat ik wist dat ze de vrouw van een gangster was. Daarvoor moest je geen nachtbraker zijn, dat wist iedereen.
In de berging van dat frietkot, aan de achterkant van het buffet, daar achter die okergele deur, draaiden we elkaar die nacht een tong, Emiel en ik, maar ik wist er wel voor te zorgen dat het niet ontspoorde in iets wat zowel voor haar als voor mij levensbedreigend had kunnen zijn.

Flor Vandekerckhove