vrijdag 31 maart 2017

Het beeld is mooier dan het boek

— Conscience leerde zijn volk lezen, ook het vissersvolk. —
Van alle vissersmonumenten aan de kust draagt deze lezende visser mijn voorkeur weg. Het beeld staat in een plantsoen vlak bij de markt van Blankenberge. Het staat er al van 1912, als eerbetoon aan Hendrik Conscience die, zoals het in steen ook uitgekapt werd, zijn volk leerde lezen, het vissersvolk incluis. [Over dat lezende vissersvolk heb ik hier eerder al een stukje geschreven.]
Het beeld van Gustaaf Pickery (1862-1921) ademt de romantiek uit die ook Consciences boeken kenmerkt. En er huist voldoende romantiek in me om dat beeld te kunnen smaken, maar dan weer onvoldoende om Consciences vissersroman Bella Stock te consumeren. Spijtig, want misschien is dat wel het boek dat die stenen visser aan het lezen is.
Ik heb het nochtans geprobeerd. Toen ik er aan begonnen ben, heeft het daar in de blog een spoor achtergelaten. We zijn nu een jaar later en ik heb deze zelfopgelegde kwelling, zo moet ik bekennen, niet tot een goed einde gebracht.
Dat komt wellicht doordat ik op zoek gegaan ben naar herkenning. Dat komt ook door de ondertitel: Tafereelen uit het leven der Vlaemsche visschers. Dan denkt een voormalig uitgever van Het Visserijblad toch dat hij dat zal herkennen. Conscience: ‘Om dit werk te schrijven, heeft uw dienaar meermalen het Adinkerkse strand bezocht en de eenvoudige zeden der vissers doorgrond, hunne gewoonten nagespeurd, met hen verkeerd en gegeten, is hij met hen in zee geweest nacht en dag, en heeft hij dus geen moeite gespaard om de natuur en de mensen der Vlaamse zeekust te leren kennen (...)’
Als die sporen er al zijn, dan liggen ze ondergesneeuwd in de kitsch die Bella Stock uitwasemt. Want dit boek heeft veel weg van een te fors uitgevallen doktersromannetje.
Ik herken er de visserij niet in en ik herken er mezelf niet in. Dat komt niet doordat het een oud boek is. Wat Hendrik Conscience met zijn Bella Stock uit 1861 niet vermag, speelt Melville met zijn Moby Dick uit 1851 wel klaar. In het verhaal van de witte walvis herken ik de wereld, de visserij en mezelf. Vandaar ook dat ik er in deze blog vijf stukjes over de Moby Dick heb kunnen schrijven.
Dit is waar Bella Stock over gaat: een eenvoudig vissersmeisje redt een Franse edelman. Ze trouwen en leven lang & gelukkig. Het staat samengevat op bladzijde 162: ‘God is regtveerdig, mijnheer. Hij heeft dit huwelyk met zynen zegen overladen. Sedert al dien tyd, is nog geen enkel ogenblik van verdriet of ziekte den vrede van dit zoete huisgezin komen stooren. Op het kasteel waer zy woonen, mijnheer, is het juist gelyk in den hemel. Niets dan liefde en vriendschap.’

Flor Vandekerckhove

woensdag 29 maart 2017

Philip Rahv: ‘Ook wij staan in de beklaagdenbank.’

— Philip Rahv (1908-1973) —
Wanneer redacteur Philip Rahv in 1973 overlijdt wordt zijn tijdschrift Partisan Review (PR) ‘the best literary magazine in America’ genoemd. Ook vandaag wordt nog erkend dat PR het literaire en culturele leven in de Verenigde Staten danig gemarkeerd heeft.
Al de nummers van dat tijdschrift zijn door de universiteit van Boston online gezet. Daar kun je nu in bladeren, iets wat ik regelmatig doe.
In het aprilnummer van 1938, dat je hier kunt inkijken, heeft Rahv het over de Moskouse Processen, een reeks showprocessen waarin Stalin komaf maakt met het bolsjewisme.
Rahv is een kenner van dat bolsjewisme, een ervaringsdeskundige zelfs. Dat blijkt al uit zijn naam, want Rahv is ‘s mans partijnaam (Rahv betekent rabbi in het Hebreeuws, een toespeling op de Joodse familie waaruit hij stamt.) Bij zijn geboorte heet hij Fevel Greenberg.
Greenberg heeft nooit zijn middelbare school afgemaakt. Tijdens de Grote Depressie verliest hij zijn job. Hij trekt door het land, op zoek naar werk, en komt zodoende in New York terecht waar hij in de parken slaapt en in de rij staat bij de voedselbedeling. Het is ook in New York dat hij in 1932 de John Reed Club opzoekt, een organisatie waarin de communisten sympathiserende schrijvers, kunstenaars en intellectuelen onderbrengen. Kort daarna wordt Greenberg lid van die partij.
Hij blijft zich Philip Rahv noemen, ook nadat hij de partij in 1937 verlaten heeft. In die breuk spelen de Moskouse processen overigens een grote rol.
Vandaag weet iedereen dat die opgezet spel waren, maar in de jaren dertig dachten vele linkse intellectuelen daar anders over, zeker degenen die in en rond de westerse communistische partijen actief waren.
Onlangs heb ik een biografie van Karel van het Reve gelezen. Daarin staat een interessante noot die dat bevestigt. De weduwe van ene Anton Struik wil de houding van haar man in die kwestie verdonkeremanen. Van het Reve antwoordt haar met een citaat van die Struik waarin deze de processen keihard verdedigt. En hij besluit met een bekentenis: ‘En Anton Struik heeft die processen toegejuicht. Ik ook trouwens.’
Philip Rahv denkt daar dan toch meteen anders over. Meer zelfs, hij vindt dat intellectuelen die processen moeten ontmaskeren, omdat ze anders afstand doen van wat ze zijn, intellectuelen: ‘But it is not only the old bolsjeviks who are on trial — we too, all of us, are in the prisoners’ dock. These are trials of the mind and of the human spirit.Their meanings encompass the age.’ Wat ik probeer te vertalen als: ‘Maar het zijn niet alleen de oude bolsjewieken die berecht worden — wij ook, wij allen staan in de beklaagdenbank. Dit zijn processen van de geest en van het menselijke intellect. De betekenis ervan omvat heel het tijdperk.’

Flor Vandekerckhove

zondag 26 maart 2017

Koninklijke omeletten voor Albert Einstein

— Albert Einstein en De Laatste Vuurtorenwachter kameraadschappelijk naast elkaar op de bank in De Haan. Het monument staat in de Normandiëlaan en is van de hand van beeldhouwer Johnny Werkbrouck. (Eigen foto.) —   

Wanneer Hitler in 1933 in Duitsland aan de macht komt zit Albert Einstein op een schip, meer bepaald op het vlaggenschip van de beroemde Red Star Line, een stoomschip met de mooie naam Belgenland. Het is ook op dat schip dat hij verneemt dat de nazi’s een heksenjacht op de Joden aan ’t ontketenen zijn. Naar Duitsland terugkeren is bijgevolg geen optie.
Einstein is bevriend met de Belgische koningin. Die zorgt ervoor dat hij in Belgenland opgevangen kan worden, niet op dat schip uiteraard, maar aan de kust, meer bepaald in De Haan.
Julia Blackburn heeft het erover in haar boek Draad: ‘Hij kon het goed vinden met de koning en de koningin van België, vooral de koningin, die er plezier in had omeletten voor hem te bakken, en in februari 1933, toen hij in Duitsland niet meer veilig was, werd hem onderdak geboden in hun huis in De Haan, gelegen aan de Belgische kust. Er stonden gewapende lijfwachten omheen en bezoekers werden op wapens gefouilleerd voor het geval ze hem wilden doden. Het was de bedoeling dat Einstein daar bleef tot zijn voorgenomen vertrek naar de Verenigde Staten in oktober.’
Er is ook een andere, wellicht juistere versie: Einstein en zijn vrouw verbleven eerst op het kasteel Cantecroy (Oude God) bij professor Arthur De Groodt, wiens echtgenote naar De Haan reisde en er twee villa's in de Shakespearelaan huurde: de Savoyarde voor de Einsteins en La Maisonnette voor haar familie. Vanuit Antwerpen spoorde Einstein naar Oostende en vandaar met de kusttram naar De Haan.’ In deze versie worden de gewapende lijfwachten vervangen door ‘de gendarmerie-brigade van De Haan die op 12 april 1933 met de moeilijke opdracht belast werd op een discrete wijze de veiligheid van de geleerde te verzekeren.’
Wat doet Einstein tijdens zijn verblijf aan de kust? Hij wandelt, zoals onderstaande beelden tonen. En hij musiceert: ‘Hij speelde diverse malen samen met Koningin Elisabeth’. Wat hij ook doet is mensen helpen die voor het naziregime op de vlucht zijn.
Er bestaat ook een foto van Einstein die in De Haan aan ’t tafelen is met de Oostendse schilder James Ensor en een Franse minister die naar België afzakt om aan Ensor de Légion d’Honneur te overhandigen.
Op 10 september laat Einstein De Haan achter zich. Hij vertrekt met zijn familie naar Engeland en van daaruit gaat het op 10 november naar Amerika.
Eieren kan de Belgische koningin nu niet meer klutsen voor Einstein, maar ze blijven wel bevriend tot aan diens overlijden in 1955. Het Rijksarchief bevat 24 brieven die Elisabeth en Einstein elkaar schrijven.
Albert Einstein mag dan de beroemdste vluchteling zijn die in die tijd aan de Belgische kust neerstrijkt, hij is bijlange niet de enige. Over de vele schrijvers die in de jaren dertig in Bredene en Oostende terechtkomen heb ik eerder al De razende reporter in Bredene geschreven.

Flor Vandekerckhove

zaterdag 25 maart 2017

Julia Blackburn is waarlijk groot

‘… In al mijn boeken heb ik me aangetrokken gevoeld tot mensen die op een of andere manier gevangenzaten in hun eigen omstandigheden. (…) En nu John Craske, van alle kanten ingeperkt door ziekte en armoede, gecombineerd met zijn merkwaardige zwijgzame natuur.’ 
Van Julia Blackburn heb ik eerder al Wij drieën gelezen, haar jeugdherinneringen. Nu heb ik Draad (°) in huis gehaald. In dit boek brengt ze verslag uit van haar zoektocht naar die Craske (1881-1943), een visser die noodgedwongen begint te borduren. In die scheef bekeken artistieke discipline, waarmee hij visserij en zee uitbeeldt, verwerft hij een merkwaardig succes d’estime.
Een kwarteeuw lang heb ik me in de Vlaamse vissersgemeenschap opgehouden en daar heb ik ze ook wel leren kennen, vissers met een poëtische inborst, die naar manieren zoeken om daar uiting aan te geven; ze schilderen, schrijven, dichten… En altijd weer gaat het over de zee.
Julia Blackburn lees je met plezier. En ze leert je onderweg ook hoe je moet schrijven. Daardoor komt het dat je niet teleurgesteld bent wanneer je op bladzijde 333 leest: ‘Toen ik aan dat boek begon, kon ik niet zeggen of John Craske nu eigenlijk een belangrijk kunstenaar was of niet, en dat kan ik nog steeds niet. Ik vraag me ook af of het er eigenlijk wel toe doet; dat werk gaf zijn leven zin en hij ging er vrijwel tot aan zijn dood mee door.’  Het doet er inderdaad niet toe, want onderweg heeft Julia Blackburn ons overstelpt met schoonheid.
Dat komt ook doordat ze haar zoektocht via kronkelende paden laat verlopen. Zo staat daar op bladzijde 240: ‘Ik vraag me af of ik wel genoeg verteld heb over mijn man Herman en onze gezamenlijke voorgeschiedenis. Het leek niet van belang, maar nu is het dat wel en ik zal mijn best doen om dingen duidelijk te maken die anders misschien onbegrepen zouden blijven.’
Zo schrijft ze ook over de aflopende visserij en het opkomende toerisme, wat voor een oud-redacteur van Het Visserijblad zeer herkenbaar is. Ze heeft het over iedereen die onderweg haar pad kruist is en ze heeft het zelfs uitgebreid over Albert Einstein die op de vlucht voor het nazisme een wijle in de streek verblijft. Over hem schrijft ze ook deze zin die in de blog van De Laatste Vuurtorenwachter een plaats opeist: ‘… en Einstein liet hem weten dat hij in een ideale wereld graag vuurtorenwachter was geworden, want op een vuurtoren was er niets om je af te leiden van je intellectuele redenaties.’ Dat is niet zo indrukwekkend als de relativiteitstheorie, maar 't is toch ook goed gezien.
Flor Vandekerckhove

(°) Julia Blackburn. Draad. Het delicate leven van John Craske. 352 ps. 2016. De bezige bij A’dam/A’pen.

vrijdag 24 maart 2017

In Hongarije gaat het van kwaad naar erger

— Links het standbeeld dat uit een park verwijderd wordt. Rechts het gecontesteerde logo. —

In de journalistiek is het fait divers een ondergewaardeerd genre en da’s spijtig, want er valt veel van te leren, soms meer dan van een longread. En je bent er vlugger mee klaar, wat ook meegenomen is.
Begin dit jaar wordt mijn oog aangetrokken door zo'n kort bericht: in Boedapest wordt een standbeeld van de Hongaarse filosoof Georg Lukács (1885-1971) uit een park verwijderd. De gemeenteraad oordeelt dat die mens een volksvijand geweest is.
Georg Lukács is een communist en dat valt hier ook op in de literaire kritieken die ik van hem lees. Hij doet daar erg zijn best om binnen de partijlijntjes te kleuren.
Dat komt, zo weet ik ook wel, doordat hij aan den lijve ondervonden heeft dat een half verkeerd woord in die tijd al voldoende is om door de machthebbers aan de kant geschoven te worden. Voor iemand die van mening is dat er buiten de kerk van het communisme geen heil bestaat — extra Ecclesiam nulla salus ­— vormt dat een probleem. Je let dan goed op je woorden.
Maar dat maakt van hem toch nog geen volksvijand. In 1956 maakt hij deel uit van de revolutionaire regering van Nagy. De Russen verbannen hem naar Roemenië. Bij zijn terugkomst wordt hij uit de partij gezet. Later mag hij de rangen weer vervoegen.
In 1968 spreekt hij zich uit ten gunste van de opstand in Tsjechoslowakije. Weer wordt hij uit de partij gezet. En weer mag hij terugkeren. Dat gaat helaas niet meer, want hij is… overleden.
Een ietwat complexe en misschien dubbelzinnige figuur, maar een volksvijand kun je die mens geenszins noemen. Tenzij in het Hongarije in de XXIste eeuw. Weg dat standbeeld!
Wie door bovenstaand bericht niet overtuigd wordt, zal er na wat volgt anders over denken. Something is rotten in the state of Hungary! 
Mijn krant meldt me ook dat bierbrouwer Heineken zijn logo wellicht moet veranderen. Daar wordt maandag e.k. in het Hongaars parlement over gedebatteerd. Dat logo is immers een rode ster en die laat de regering te veel denken aan de tijd dat het land in handen van de communisten was. Treedt de nieuwe wet in werking, dan kan het logo een enorme boete opleveren en, waarom niet, een gevangenisstraf. Heineken voert dan weer aan dat de ster een oud brouwerssymbool is dat al in de middeleeuwen gebruikt werd. Daar moet het parlement toch oren naar hebben, want dat is precies waarnaar het terug wil keren, naar de middeleeuwen.

Flor Vandekerckhove

donderdag 23 maart 2017

Toon me je oor en ik zeg je wie je bent

— Links: Alan Teichman als Charlie Parker in The Imposter; rechts: afdruk van een oor bij een sporenonderzoek. —   

Wanneer we echt te moe zijn om iets anders te verrichten gaat bij ons de televisie aan. Onvoorbereid aanschouwen we vervolgens wat zich aandient. Deze keer is dat The Imposter.
Doorheen een reeks al dan niet nagespeelde getuigenissen vernemen we dat een dertienjarige jongen verdwijnt. Bijna vier jaar later duikt iemand op die zegt dat hij die jongen is. Alhoewel de eerste in niets op de tweede lijkt (blond verus donker, blauwe ogen versus bruine, onvervalst Texaans versus een vreemd accent, opvallend leeftijdsverschil…) is de familie meteen overtuigd: de verloren zoon is terug.
We weifelen om de prent te catalogeren: is het een film? Is het een docu? Als dit fictie is dan zetten de acteurs een bijzonder sterke prestatie neer. Als het een documentaire is dan rijst de vraag of het mogelijk is dat een moeder in een wildvreemde mens haar eigen kind herkent.
De entree van privédetective Charlie Parker verandert alles. Die Charel lijkt wel uit een film van de gebroeders Coehn ontsnapt te zijn. Zelfs de kleur van de prent verandert enigszins wanneer hij ten tonele verschijnt. Dit is overduidelijk fictie.
Parker is ervan overtuigd dat de familie iets te verbergen heeft. Hij bekijkt foto’s van de verdwenen jongen en van degene die zijn identiteit aangenomen heeft; vooral de oren interesseren hem. Dat hij die oren met de hulp van het alom bekende Photoshop onderzoekt, maakt het al te belachelijk. Hij concludeert dat het oorschelpen van verschillende mensen betreft, want, zegt hij, een mensenoor verandert niet.
Op ’t einde van de film laat Parker een put graven op de plaats waar hij vermoedt dat de jongen begraven ligt. De put wordt in de film belachelijk diep, maar hij vindt niets. Ik besterf het van het lachen.
Enkele dagen later bezoek ik een van mijn kinderen. Er is ingebroken. De flikken hebben een sporenonderzoek verricht. Op de voordeur treffen ze de afdruk van een menselijk oor aan. Voorwaar een interessante vondst, zegt de politie, want … een mensenoor blijft onveranderd. De dief heeft als ’t ware een handtekening achtergelaten. Ik sta versteld.
Door wat ik daar bij mijn nageslacht verneem besef ik dat ik privédetective Charlie Parker uit The Imposter misschien verkeerd be-oor-deeld heb. Ik tast het internet af.
Wat blijkt? De detective bestaat wel degelijk. Het is wel degelijk met Photoshop dat hij erin geslaagd is de bedrieger te ontmaskeren. Charlie Parker is er overigens nog steeds van overtuigd dat de familie vals speelt. Hij blijft putten graven om het lijk te vinden.

Flor Vandekerckhove

The Imposter. Groot-Brittannië. 2012. Kleur, 99 minuten. Productie Dimitri Doganis; regie Bart Layton; camera Lynda Hall & Erik Wilson; montage Andrew Hulme; muziek Anne Nikitin.


maandag 20 maart 2017

Gent, bakermat van democratie en socialisme

— De helft van de aanwezigen ken ik minstens van zien. —

Gent, zaterdag 18 maart. — We bevinden ons in een bouwwerk dat Ons Huis heet. ‘Ons’ slaat op de socialistische werkersvereenigingen. En daarnaast staat in gouden letters: ‘Werklieden aller landen vereenigt u.’ Daar hebben we ons verenigd om er de presentatie bij te wonen van een boek over Gent, een bakermat van democratie en socialisme. De auteur heet Joost Vandommele.
De helft van de genodigden ken ik minstens van zien. Al moet ik hier meteen aan toevoegen dat ik hen al lang niet meer gezien heb. Geen van ons is er jonger op geworden.
Dat gebouw, die mensen, dat boek… Ik word ondergedompeld in de cultuur van het socialisme. De sprekers: enerzijds zijn dat in de strijd gestaalde vakbondsmensen en anderzijds zijn 't professoren waarvan Gramsci wellicht zou zeggen dat het organische intellectuelen zijn. Tussendoor leest iemand arbeidersgedichten voor van de activistische flamingant René De Clercq (1877-1932).
— Auteur Joost Vandommele. —
Dat laatste vraagt om enige uitleg. De Clercq, is dat niet een schrijver die omwille van zijn collaboratie met de Duitse bezetter ter dood veroordeeld wordt? Ja het is wel degelijk die René, en auteur Joost Vandommele (°1956) is diens kleinzoon.
Joost is met andere woorden een stamboomflamingant. Wat doet hij dan in het huis van de socialistische werkersvereenigingen? Zijn nationalisten niet de maatschappelijke vijanden van degenen die werklieden aller landen oproepen zich te vereenigen?
Laat het me u uitleggen.
Ik ken Joost Vandommele al van in de vroege jaren zeventig. Hij is in die tijd actief in de Werkgroep Arbeid, een kleine kern van linkse flaminganten, die mee vorm geeft aan de Beweging voor de Progressieve Frontvorming. Die is dan weer gegroeid uit pogingen van het weekblad Links en de Jong Socialisten om de Belgische Socialistische Partij uit rechts vaarwater weg te houden. Dat lukt niet erg goed en de beweging wordt opgepikt door een links alternatief waarin trotskisten van de RAL broederlijk het podium delen met progressieve christenen uit volkshogescholen, Christenen voor het Socialisme en Politiek Alternatief. De beweging wordt verder ondersteund door een aantal arbeiderscomités, die in de nadagen van mei 68 bestaansrecht opeisen, en ook door bovenvermelde linkse flaminganten. Daardoor komt het dat je in die tijd op linkse betogingen ook een rode vaan ziet wapperen waarop in een bovenhoek een Vlaams Leeuwtje geborduurd werd. Joost Vandommele wordt een echte kameraad.
Dat van al die clubjes nauwelijks iets rest wil niet zeggen dat iedereen de pijp aan maarten gegeven heeft. Joost Vandommele is er het levende bewijs van. Daarvan getuigen ook de vakbondsmensen die tijdens de boekvoorstelling het woord voeren.
Vandommele wil nu met dat boek tot ver buiten Gent gaan ‘touren’. Want tijdens zijn opzoekingen heeft hij ook veel wetenswaardigheden over andere steden en streken gesprokkeld. [Wie interesse heeft kan hem rechtstreeks contacteren op joost.vandommele@skynet.be.] 
Momenteel ben ik in dat boek een hoofdstuk aan ’t lezen dat het uitgebreid over West-Vlaamse opstandelingen heeft. Daarin haalt de auteur de Vlaamse boerenleider Zeger Janszoone aan die de straffe taal niet schuwt wanneer hij zegt dat hij de laatste kasteelheer zal opknopen aan de darmen van de laatste pastoor. Die Zeger is nota bene een Bredenaar, net als ik. Hij heeft hier een monumentje staan.
Flor Vandekerkhove 

° Gent een bakermat van democratie  en socialisme van Joost Vandommele kost 25 € (plus 5 € verzendkosten) en kan hier besteld worden.

zondag 19 maart 2017

De noodkerk



Het gebouw dateert van 1926 en het bestaat nog steeds. Het is ook nog in gebruik, zij het niet als kerk, wat oorspronkelijk wel het geval is. Men heeft het in die tijd over de ‘noodkerk’, een voorlopige kerk. Het bouwwerk staat in Bredene Duinen, een al bij al jonge wijk die in 1900 nog onbestaande is. Op de bovenverdieping richt men klaslokalen in.
Die klaslokalen zijn er vandaag nog steeds en de benedenverdieping maakt nu ook deel uit van die school. Zelf heb ik die benedenverdieping nooit als kerk gekend, wel als toneelzaal, en een korte tijd als filmzaal, de Bio Rio, waarover ik hier al iets geschreven heb.
Onlangs heb ik geprobeerd om het gebouw onder dezelfde hoek te fotograferen, maar dat blijkt onmogelijk te zijn. Aan het bouwwerk, dat nu Cruysduyne heet, werden zoveel koterijen gehecht dat het bijzonder moeilijk is om er nog de oorspronkelijke schoonheid van te zien. Wat me tijdens die vruchtloze pogingen meteen opvalt: het houten torentje is verdwenen.
Veel wijkbewoners hebben er onderwijs genoten. Lange tijd is het trouwens de enige school van de wijk. Velen houden er dan ook herinneringen aan over.
Een herinnering die ik koester is deze aan kleuteronderwijzeres Elvire Casier, het eerste meisje waarop ik verliefd geweest ben. Zij was twintig en ik vijf. Maar de oudste herinnering die ik betreffende het gebouw heb kunnen sprokkelen komt van onderwijzer Albert Blomme, die het aan zijn zoon Luc verteld heeft: Bij het begin van de Tweede Wereldoorlog moesten alle burgers hun radio inleveren bij de Duitse bezetter. De radio van mijn vader zat vier jaar verstopt achter het altaar van het noodkerkje.’  Jeannot Van Hille laat me dan weer weten dat haar ouders op 28 december 1943 in die noodkerk getrouwd zijn. Ze denkt niet dat die twee de weggemoffelde radio van Blomme toen opgemerkt hebben.
Ook het inmiddels verdwenen torentje heeft in de herinneringen sporen nagelaten. Politiecommissaris Verhelst zou het klokje laten luiden hebben op de dag dat de oorlog uitbrak. Zowel Robert Pyck als Luc Blomme herinneren zich het klokzeel: ‘In de hoek van de kleuterklas passeerde het klokzeel doorheen een gat in de vloer en een gat in het plafond. Wanneer het klokje luidde, ging dat touwtje op en neer. Ik zat daar vlak naast’, vertelt Luc, ‘en had soms goesting om aan dat touw te trekken.’
Vooraan op de eerste verdieping is er lange tijd een bibliotheek geweest. Die herinner ik me levendig, en ook het kastje dat afgesloten kon worden en waarin boeken zaten die niet voor elk oog bestemd waren. Als knaap ben ik er eens in geslaagd om daar ongezien Dostojevski’s Schuld en boete uit te plukken. Thuis heb ik het boek onder de keukentafel uitgelezen, althans in een herinnering die zeer onbetrouwbaar is, aangezien ik Schuld en boete later wel tien keer proberen lezen heb en nooit verder geraakt ben dan de eerste vijftig bladzijden.
Wanneer de nieuwgebouwde kerk in 1947 de deuren opent wordt de noodkerk een parochiezaal. Ik heb er toneel zien spelen en ben er naar films gaan kijken. Ik heb daar de cabaretgroep De lachzaaiers weten optreden, ik heb er een lezing van weerman Armand Pien bijgewoond en een sportshow waarin onder anderen beroepsrenner Marcel Seynaeve geïnterviewd werd. En ik heb er menig keer zelf opgetreden. Maar die herinneringen houden we voor een andere keer, want er zijn er nog die daar opgetreden hebben en de herinneringen beginnen in mijn mailbox toe te stromen.

Flor Vandekerckhove

vrijdag 17 maart 2017

Jef Last en André Gide: de politiek zal ons niet scheiden

— Een schrijversdelegatie bezoekt de Sovjet-Unie. Links Jef Last, centraal met bril André Gide. —    

Ze zien elkaar voor het eerst in 1934, wanneer beiden in Parijs aanwezig zijn op een congres van de ‘Association des Ecrivains et Artistes Révolutionnaires’. Dat verzamelt schrijvers en kunstenaars die sterk onder de indruk gekomen zijn van de Russische revolutie.
De Franse André Gide (1869-1951) is er een van. Hij is geen communist, maar omdat hij een beroemdheid is, wordt hij het uithangbord van de vereniging. Hij zit het congres voor waaraan ook de Nederlandse schrijver Jef Last (1898-1972) deelneemt.
Last is wél een communist. Hij is lid van de Communistische Partij Holland (CPH, later CPN) en net zoals André Gide is hij schrijver. Last zegt later over die eerste ontmoeting: ‘Het was de periode waarin Gide zich verplicht achtte om, in plaats van aan zijn kunst te werken, op alle mogelijke vergaderingen als een soort reclamepop te verschijnen.’
Op dat congres ontmoeten ze elkaar. Ze worden vrienden. In de ontwikkeling van die vriendschap speelt een reis die ze in 1936 naar de Sovjet-Unie maken een grote rol. De schrijversdelegatie die daar de verwezenlijkingen van Stalin gaat bekijken bestaat naast Gide en Last ook nog uit Pierre Herbart, Eugène Dabit, Louis Guilloux en de uitgever Jacques Schiffrin.
De reis wordt een regelrechte ramp voor de stalinisten. Gide doorprikt de propagandamachine en getuigt ervan in Retour de l’U.R.S.S., waarover ik eerder al een stukje geschreven heb onder de spetterende titel Trotski lacht zich een bult met André Gide.
Jef Last van zijn kant mag dan wel een overtuigd partijlid zijn, hij is niet blind. Hij ziet even goed de bureaucratische ontaarding. Wel gelooft hij dat het allemaal nog kan goed komen.
Wanneer Last terug in Nederland is willen de kameraden dat hij het land rondtrekt om enthousiaste verhalen over Rusland te vertellen, maar hij kan het niet opbrengen. Liever trekt hij naar Spanje, waar de burgeroorlog uitgebroken is. Hij gaat er strijden tegen Franco en de zijnen.
— In Nederland startten de stalinisten meteen
een lastercampagne tegen de afvallige Jef Last. —
De vriendschap tussen de twee schrijvers wordt erg op de proef gesteld wanneer Gide ook nog eens een vervolg op zijn Retour de l’U.R.S.S publiceert: Retouches à mon retour de l’URSS. Ook over dat vervolg heb ik eerder al iets geschreven, meer bepaald over de Engelse publicatie ervan: Second Thoughts on the Soviet Union.
Op een congres in Spanje wordt van Jef Last verwacht dat hij beide geschriften uitdrukkelijk veroordeelt. Last weigert omdat hij de vriendschap met Gide vooropstelt. Hij brengt daarmee zijn leven in gevaar, want nu moet hij niet alleen oppassen voor de kogels die van de overkant komen. Hij ontvlucht Spanje en begin maart 1938 zegt hij zijn partijlidmaatschap op. Gide is de enige schrijver die hem daarmee feliciteert. Later schrijft Last: [H]adden de Spaansche officieren niet meer eerlijkheid gehad (…) was ik daarginds reeds door een kogel in de rug aangevallen, zooals Nin en Maurin en zoovele andere goede frontkameraden als "Trotzkisten" door de sluipmoordenaars der G.P.U daarginds vermoord zijn.'

Flor Vandekerckhove

Jef Last. Mijn vriend André Gide Amsterdam 1966: Van Ditmar. 256 p.
Pieter Jan Smit. Film: L'Ami Hollandais. Jef Last & André Gide. (Film kan volledig bekeken worden op http://ultimateshare.net/filmcomplet/.)

donderdag 16 maart 2017

De repetitie

Opeens liep iedereen naar buiten. Ook de buren deden dat. En de buren van de buren. Echt iedereen. Enkele minuten later kon je zien hoe heel de straat op straat stond. Bovendien deden de bewoners van de andere straten het ook.
Het verspreidde zich als een lopend vuur over heel de provincie. En ook over de naburige provincies. In heel het land stond iedereen opeens op straat. Heel de natie was naar buiten gerend en de mensen van de daarnaast gelegen natie ook. In alle landen van de Europese Unie verliet iedereen op ’t zelfde moment het huis; moeders met baby’s, vaders met verantwoordelijkheid, nietsnutten met niets en fatale vrouwen met zwoele blikken. Echt iedereen. Onverklaarbaar. Dat was ook wat iedereen tegen elkaar zegde: Wat hier gebeurt is onverklaarbaar.
Holbewoners verlieten hun hol, vendelzwaaiers kwamen uit het heem tevoorschijn, koningen openden de poorten van hun paleizen om naast hun volk op straat te staan, Poetin verliet haastig het Kremlin en Trump kwam uit het Witte Huis. Vrijers onderbraken hun vrijpartij om zich naar buiten te begeven. Anarchisten verlieten het kraakpand en bakkers de bakkerij. Gevangenen kwamen uit de cel en homoseksuelen uit de kast.
Hetzelfde deed zich voor in de Russische federatie, ook daar ging iedereen naar buiten en zo ging het ook in Oekraïne en in al die republieken die iets met stan heten. In Afrika gebeurde het ook en in Amerika, in Azië en down under. Heel de wereld liep op ’t zelfde moment naar buiten. De hele mensheid had op dat tijdstip dat gemeen, dat ze buiten stond.
Wie niet naast een kerkhof woonde mocht blij zijn, want grafstenen werden opzij gerold en de doden kwamen insgelijks naar buiten, ook zij verzamelden zich, met medeneming van hun maden, op de straat. Onsmakelijk was dat, wat me er doet aan denken dat menig eetmaal toen verkorven werd doordat het voedsel aanbrandde of uitkookte, nadat mensen het fornuis aan zichzelf overgelaten hadden om op straat te gaan staan.
In de steden kon je maagden met olielampen zien staan — iets wat je anders haast nooit meer ziet — naast gewone heren in korte broek, met sandalen aan en witte sokken. Om maar te zeggen: echt iedereen stond op dat moment op straat.
En ik zag een engel nederdalen uit de hemel met de sleutel des afgronds en een grote keten in zijn hand; en hij greep de draak, de oude slang, dat is de satan, en hij bond hem duizend jaren, en hij wierp hem in de afgrond en sloot en verzegelde die boven hem, opdat hij de volkeren niet meer zou verleiden. 
Waarna iedereen terug naar binnen ging.

Flor Vandekerckhove