donderdag 26 januari 2017

Herinneringen aan mijn roomse jeugd

— Misdienaar Flor Vandekerckhove krijgt het vormsel
toegediend. De bisschop heet De Smet. Na hem zal Roger
Vangheluwe de staf ter hand nemen. —
Mary McCarthy heeft haar memoires onder die titel geschreven. Herinneringen aan mijn roomse jeugd ligt hier op de stapel. In afwachting dat ik het boek ter hand neem, wil ik al iets over mijn eigen roomse tijd vertellen, want ik ben een ervaringsdeskundige.
Ook mijn jeugd werd in toom gehouden door onze moeder de heilige kerk. Ik biechtte dat de stukken eraf vlogen, nam deel aan processies, kruiswegen, bedevaarten & zeewijdingen en begaf me wekelijks naar de zondagsmis alwaar mijn knapenstem ijle hoogten bereikte tijdens Latijnse gezangen waarvan de inhoud me een raadsel was.
In die tijd kon je op zondagen menig misviering bijwonen. De eerste heette terecht de vroegmis, want hij begon om 6 uur. Daar hadden ze een misdienaar voor nodig. Die misdienaar werd ik.
Enkele nonnen en de pastoorsmeid, veel meer volk kwam daar niet op af. Die mis werd ook daarom erg sober gehouden, wat voor mij het voordeel had dat je de knepen van het misdienaarschap niet goed moest kennen. Wekelijks nam ik mijn plaats achter de godslamp in en wachtte daar tot de pastoor kuchte, ten teken dat ik iets moest ondernemen.
Na die mis toog ik naar huis waar ik in de winkelverkoop ingeschakeld werd. Intussen zette de reeks misvieringen zich verder in een gebouw dat, naarmate de ochtend voortschreed, almaar voller kwam te zitten. Die volle zalen werden bediend door meer ervaren misdienaars.
’s Avonds was ik weer van de partij, maar nu voor het Lof, een avonddienst met gebed en zang ter ere van het tentoongestelde sacrament (ik heb het moeten opzoeken, want 't is verdomd lang geleden.) Ook hier tekende hetzelfde publiek present, nonnen en pastoorsmeid. Maar nu met twee misdienaars. Erik was de andere.
Onlangs vertelde Erik me iets wat ik vergeten was. Voor we ons getweeën naar dat Lof begaven, plachten we ons al eens in het struikgewas op te houden, wachtend op de passage van die pastoorsmeid. We ritselden dan driftig met het gebladerte en stootten schrikbarende klanken uit, in de hoop dat het mensje haar Lof op den duur links zou laten liggen, waardoor het evenement, bij gebrek aan deelnemers, zou ophouden te bestaan. Zelf herinner ik me die kwajongensstreek niet, maar feit is dat er korte tijd later een punt achter die eeuwenoude kerkelijke praktijk gezet werd.
Hoe dan ook… Kort nadat ik twaalf geworden was heb ik de misdienaarkleren — toog en superplie, ook die woorden heb ik opgezocht — aan de kapstok gehangen om ze nooit meer aan te trekken. Ik weet niet meer waarom. Het was niet dat ik van mijn geloof gevallen was, want dat kende een ongeëvenaard hoogtepunt op mijn zeventiende. Pas daarna is het daarmee, als in een lawine van stenen tafelen, bergaf gegaan, maar dat heb ik vroeger al verteld. Je moet dat hier zeker eens lezen, want het heeft met seks te maken.

Flor Vandekerckhove
Een reactie posten