zondag 31 juli 2016

James Burnham, van links naar rechts

Wie op z’n twintigste geen communist was, is nooit jong geweest. Wie dat op zijn veertigste nog altijd is, is nooit volwassen geworden.’ Ik heb over die uitdrukking hier al iets geschreven. Ze wordt vooral gebruikt door lieden die nooit communist geweest zijn, niet op hun veertigste en evenmin toen ze twintig waren. Dat betekent natuurlijk niet dat er geen mensen zijn die zo’n krinkelende winkelende levensweg bewandeld hebben. Anders zou zo’n uitdrukking al lang vergeten zijn.

De hooggeleerde jongeman James Burnham (1905-1987) studeert af vlak voor de jaren dertig hun intrede doen. Hij wordt professor aan de New York University en schrijft over kunst & literatuur. Hij had een rustig leven kunnen leiden, maar dat doet hij niet.
Hij ziet dat het kapitalisme van de jaren dertig niet in goeie doen is. Hij ontdekt het marxisme en in 1933 begint hij zelf aan politiek te doen. Het kleine partijtje waarin hij zijn eerste stappen zet fuseert, splitst, duikt onder, komt weer boven en resulteert in 1937 in de vorming van de trotskistische Socialist Workers Party (SWP), waarin Burnham een vooraanstaande rol wil spelen.  
Leon Trotski oefent een grote aantrekkingskracht uit op jonge Amerikanen zoals Burnham. De man heeft niet alleen een vooraanstaande rol gespeeld in de Russische revolutie, hij heeft ook een geloofwaardige theorie ontwikkeld die uitlegt waarom het daar is misgegaan. Wie Trotski vervoegt wordt als het ware zelf een schakel in de geschiedenis, je wordt kind van de voorbije revolutie en vader van deze die gaan komen. Veel jonge intellectuelen vinden dat een aantrekkelijk perspectief.
— James Burnham (1905-1987) —
James Burnham wordt de uitgever van New International, het theoretische maandblad van de SWP. Het wil echter niet zo goed lukken met zijn integratie. James P. Cannon, de voorman van de SWP, schrijft in 1937 een brief aan Trotski. Er zijn problemen met Burnham: ‘Nu moet ik je vertellen, goede vriend, dat hij aan het intellectuele zielenleed leidt (…) Hij voelt zich niet echt een van ons. Het partijwerk is voor hem geen roeping, maar een hobby. Hij verkeert niet in de positie om het land af te reizen, deel te nemen aan het veldwerk van onze kameraden, met hen te leven, en onder invloed van hun leven te komen. Kameraad B. is erg gehandicapt door zijn achtergrond, zijn omgeving en zijn opleiding.’
Burnham heeft niet alleen problemen met het dagdagelijkse activisme, als geoefend denker stelt hij ook de marxistische manier van redeneren in vraag, het dialectisch materialisme. Dat levert, zo meent Burnham, wel boeiende boeken op waarin politiek, geschiedenis, economie en cultuur samengebald worden in een machtig geheel, als een brok marmer waaruit een geoefende marxist vervolgens de toekomst kapt. Volgens Burnham heeft dat evenwel meer met literatuur te maken dan met de werkelijkheid. De Geschiedenis van de Russische Revolutie van Trotski, een boek dat Burnham graag gelezen heeft, is, zo zegt hij, vooral een constructie, een verhaal.
Trotski is niet van plan om deze jonge Amerikaan over zich heen te laten lopen. In 1939 schrijft hij een vlammende repliek waarin hij zijn mening over Burnham te kennen geeft.
De breuk volgt in hetzelfde jaar. In Amerika heeft de economie zich herpakt en veel intellectuelen die in de voorgaande crisisjaren naar links opgeschoven zijn, trekken nu weer naar rechts.
Wanneer Stalin, op 23 augustus 1939, ook nog eens een niet-aanvalsverdrag met Hitler sluit is het hek helemaal van de dam. Trotski en de zijnen houden vol dat de S.U. een — zij het kwalijk misvormde — arbeidersstaat is die, ondanks alle lelijkheid, tegen het kapitalisme verdedigd moet worden. Volgens Burnham is de Sovjet-Unie het verdedigen niet waard.
In de SWP komen de twee standpunten recht tegenover elkaar te staan. Een stemming geeft uitsluitsel. Burnham en de zijnen worden in 1940 in de minderheid gesteld en ze klappen de partijdeur achter zich dicht. Ze nemen bijna 40% van de leden met zich mee.
De weglopers stichten in april 1940 een nieuwe partij, de Workers Party, maar Burnham is het linkse activisme meer dan moe. Al in mei geeft hij zijn ontslag: ‘Ik vind geen enkele ideologische, theoretische of politieke grond die me nog bindt aan de Workers Party (of aan een andere marxistische partij).
— Ronald Reagan overhandigt Burnham de hoogste onderscheiding. —
Burnham is 35 jaar. Hij verandert drastisch van kamp en gaat tijdens de Tweede Wereldoorlog voor de OSS werken, een voorloper van de CIA.
Daarna, tijdens de periode van de Koude Oorlog, stelt hij zijn pen ten dienste van rechtse bladen en denktanks. In 1947 formuleert hij zijn nieuwe streven: een wereldfederatie waarin de Verenigde Staten het monopolie op de atoomwapens bezitten en door hun economisch overgewicht de macht over de wereld behouden. U kunt dat pamflet, dat aanvangt met de merkwaardige woorden ‘De Derde Wereldoorlog is begonnen in april 1944’ hier zelf lezen. En u zult het met me eens zijn dat Burnham het daarin behoorlijk bruin bakt.
Zijn woorden vallen wel in vruchtbare grond. Zijn ideeën vormen een inspiratiebron voor nieuw rechtse, conservatieve stromingen die in de Verenigde Staten ontspruiten en in 1983 verleent president Ronald Reagan hem de Presidential Medal of Freedom, de hoogst haalbare medaille die een burger daar kan toegekend worden.

Flor Vandekerckhove

donderdag 28 juli 2016

Van de rock naar de heemkunde

— De inrichters verwachtten een opkomst van 500. Het werden er 3000. (Foto collectie A. Vanhee.)—

Veertig jaar geleden, op 23 juli 1976, ging er, alhier om de hoek, een muziekfestival door. Ik had mijn jeugd toen al achter me gelaten, was vader geworden en woonde in 't Gentse. Ik was geen betrokken partij, maar de organisatie was wel in handen van enkele generatiegenoten van me, jeugdvrienden. 
Die eenmalige gebeurtenis heette Rockpoint (blijkbaar ook Polder Rock Festival) en de jongelieden verzamelden niet in Torhout of in Werchter, waar je zo’n dingen kon verwachten, maar hier vlak achter, op een weide in Bredene-Duinen. Als ik het me goed herinner lag die achter de Garre van Cornelis, daar waar zich thans de Hasseltstraat bevindt. Wie dat daar een beetje kent weet dat het nu niet meer mogelijk zou zijn.
De affiche leert ons dat we spreken over lang verleden dagen. We lezen de namen van Alquin, Raymond van het Groenewoud, Derrol Adams, Tjens Couter, Toxisch, Moving Skull en The Bunch (voorheen The Swallows); rockers die inmiddels opa’s zijn geworden en veelal op gepensioneerde wijze van een rustige oude dag genieten, Arno uitgezonderd. Ook de toegangsprijs zegt ons dat het lang geleden is. Wie 49 Belgische franken ophoestte kon het allemaal gaan bekijken en wie op voorhand een kaartje aangeschaft had kon het zelfs doen voor 39 frank: minder dan een euro!
Het is al zo lang geleden dat het festival zowaar een heemkundig onderwerp geworden is. Is het niet in het Jaarboek (*) van de plaatselijke heemkring dat Annie Vanhee herinneringen aan dat festival ophaalt?
Om haar geheugen op te frissen is ze langsgelopen bij Ivan Schamp die ze omschrijft als ‘gekend als organisator van wielerwedstrijden en feestelijkheden.’ En dus ook van dat Rockpoint muziekgebeuren.
Officiële inrichters waren het Regionaal Informatie- en Adviescentrum Info Jeugd Bredene en de Humanistische Jongeren Oostende (Francisco Ferrer Club). Die laatsten bogen zich over het vrij podium. De Bredenaars van Info Jeugd zorgden voor het grotere werk. De inrichters hadden op enkele honderden aanwezigen gerekend. Het werden er uiteindelijk drieduizend.
Bij de organisatie waren, zo lees ik in dat Jaarboek, veel jonge Bredenaars betrokken. Annie Vanhee was zelf van de partij en uiteraard ook organisator van wielerwedstrijden en feestelijkheden Ivan Schamp. Veel te doen had blijkbaar ook Luc Goberecht: ‘Als student voorlaatste jaar aan het Hoger Technisch Instituut in Oostende, de Zeedijk in de volksmond, lag alles wat met elektriciteit te maken had in zijn handen, bijna letterlijk.’ Andere namen die in het artikel vermeld worden: Jef Jongmans, Luc Jonckheere, Bart Bonne, Joke en Marleen Vanzandweghe (die de groepen aankondigde), Erwin Inghelbrecht, Marc Haeck, Monique Huys, Piet Dewulf en Dirk Rosseel. En de groten van het festivalwezen toonden zich daar blijkbaar ook: ‘Herman Schuurmans en Noël Steen kwamen langs en feliciteerden Ivan met het vlekkeloze verloop van het festival.’
Flor Vandekerckhove

(*) Annie Vanhee. De hippies in Bredene. Polder Rock Festival. 23 juli 1976. In Jaarboek Ter Cuere 2015. ps; 99 - 110.
— De weide the day after. Om over het materiaal te waken waren de medewerkers na het festival op de weide blijven slapen, onder het prodium. De daaropvolgende dag werd alles opgekuist. De organisatoren kropen op hun knieën heel de weide af om de grond proper aan de uitbater weer te kunnen geven. (Foto collectie A. Vanhee.) —

woensdag 27 juli 2016

De toverstok (sprookje met X-beoordeling!)

Toen ik klein was probeerde ik een poesje te vinden dat met me wou spreken. Ik zocht hier, ik zocht daar en begreep al gauw dat het me een heel kinderleven zou kosten om er eentje aan de praat te krijgen. Om de zaken te bespoedigen vroeg ik aan de sint om me een toverstok te bezorgen.
Dat deed hij niet. Daar moest ik om wenen, maar mijn papa zei dat ik geduld moest hebben en dat ik mijn neus moest snuiten. Mijn geloof in sinterklaas was ik wel kwijt.
Vele maanden later was er dan die nacht die je normaal alleen in films ziet. De wind woei door de bomen en zachtjes tikte regen tegen m’n zolderraam, ongetwijfeld ’t ritme van de eenzaamheid. Ik was koortsig en woelde mijn bedje helemaal om. Daardoor kwam het dat ik al heel vroeg wakker werd en wat zag ik daar opeens in mijn bedje? Oooh, de toverstok!
Ik ging er meteen mee aan de slag. Ik zwaaide hem in het rond, maar er gebeurde niets, helemaal niets. Nu had ik wel een toverstok, maar ik kon er niets mee aanvangen. Daar moest ik weder om wenen, en opnieuw zei mijn papa dat ik geduld moest hebben, dat oefening kunst zou baren en dat ik mijn neus moest snuiten.
Ik oefende en oefende en oefende en werd heel bedreven in het hanteren van mijn toverstok, maar nog altijd leverde dat niets op. De ene dag volgde de andere op. De dagen werden weken en de weken maanden. De maanden werden seizoenen en de seizoenen jaren. En ook die gingen voorbij. Alles werd langer. Mijn voeten werden langer en mijn mama moest nieuwe schoenen voor mij kopen, mijn toverstokje werd langer, mijn armen werden langer, mijn vingers werden langer, het huiswerk dat de school me meegaf werd langer, de tijd die achter me lag werd langer, maar nog steeds was er geen poesje dat tot me sprak. 
Toen kwam die lange, hete zomer. De nachten kort, de dagen lang, de ochtend vol van vogelzang, het scherpe, hoge zoemen van een mug. Meer uit gewoonte dan om wat anders nam ik mijn toverstok weer ter hand. En opeens gebeurde het. De tekenen logen niet. Hij steeg. De luchten vulden zich met vogels, over de aarde kropen velerlei landdieren en de vissers vingen die dag wonderbare visvangsten. De wolken gingen open en te midden van dat natuurverschijnsel hoorde ik eindelijk de stem van een poesje dat onvervalst tot mij sprak. Het zei: ‘Wat ben je mooi, wat ben je bekoorlijk, liefde en verrukking, dat ben jij. Als een palm is je gestalte. Ik dacht: laat ik die palm beklimmen, ik wil zijn bladeren grijpen. Laat je als de wijnstok zijn, je adem als de geur van appels, je tong als zoete wijn waarin mijn kussen baden, mijn lippen en tanden gedompeld zijn. Als een appelboom onder de bomen des wouds, zo zijt gij onder de zonen; ik heb groten lust in u en zit er onder, en zijn vrucht is mijn gehemelte zoet.’
U ziet het, beste kijkbuiskinderen, dat poesjes wel degelijk spreken, zij het op ietwat ouderwetse wijze. Maar wie lang genoeg oefent, kan ze toch heel goed verstaan. Is dat niet cool?

Flor Vandekerckhove

zondag 24 juli 2016

Ik heb me dikwijls afgevraagd (Talkin’ bout my generation)

Onlangs heb ik de documentaire film gezien die Tom Schoepen over zijn vader Bobbejaan (1925-2010) gemaakt heeft, een beklijvend document. Zelden heb ik de ouderdom beter belicht gezien. De film geeft inzicht in wat ons uiteindelijk zelf te wachten staat: de wachtkamer van de dood.
De prent eindigt met Bobbejaan die zijn lied ‘Ik heb me dikwijls afgevraagd’ zingt. Een goed gekozen slot, want dat is wat een mens op de valreep van het leven doet: het voorbije in een soort slotakkoord bevragen. 
Waarna Bobbejaan cowboygewijze de horizon tegemoet rijdt. Samen met hem verdwijnt een hele generatie, met name die van mijn ouders, de vooroorlogse generatie, een generatie die zo anders was dan de mijne.

Zelf heb ik me dikwijls afgevraagd wie ik nu zou zijn mocht ik niet in 1969 twintig geworden zijn, maar pakweg in 1959. De materiële omstandigheden zouden anders geweest zijn. De kans is groot dat ik niet gestudeerd zou hebben. Ik zou beïnvloed zijn door andere gebeurtenissen. Ik zou deel uitmaken van wat men de stille generatie noemt, geboren tussen 1931 en '40, een generatie van gezagsgetrouwen. Mijn politieke opvattingen zouden anders zijn, mijn vriendschappen, mijn amoureuze relaties, mijn werk… Ik zou me anders gedragen hebben, andere boeken lezen of misschien wel géén, andere vakanties doorbrengen en mijn kinderen anders opgevoed hebben. Ik zou een compleet andere mens zijn.
Maar ik ben in 1959 geen twintig geworden. Ik ben geboren tussen 1941 en 1955, ik ben een telg van de trente glorieuses en maak deel uit van wat de protestgeneratie heet. Die generatie streeft, zo leert de sociologie ons, geen gezagsgetrouwheid na maar, integendeel, ongehoorzaamheid.
Helemaal in lijn met de kenmerken van die generatie heb ik het kapitalisme verworpen, het traditionele gezinsleven, het politieke establishment en het werken. De zaken waarover ik schrijf, de boeken die ik lees, zelfs de kleren die ik draag, de manier waarop ik naar de wereld kijk, het minieme pensioentje dat ik heb… Dat alles wortelt in die gezagsontrouwe generatie.
— De protestgeneratie, zij die geboren zijn tussen 1941 en 1955. —
Ook dat heb ik me dikwijls afgevraagd. Hoe komt het dat ik daarin zo ver gegaan ben en hoe komt het dat zoveel anderen die revolte nauwelijks beleefd hebben? 
Er is meer in het geding dan sociologie. Het hangt ook samen met het nest waarin je geworpen wordt, er zijn leerkrachten die je in deze of gene richting sturen, de ene mens reageert anders dan de andere, je kunt een zondagskind zijn of door pech achtervolgd worden, je kunt gefrustreerd uit het schoolleven komen… Er is ook psychologie mee gemoeid en biologie. En toeval, ook dat speelt een rol. Het is dus ingewikkeld.
Lang geleden heb ik hier een stukje over de Britse schrijver Graham Greene (1904-1991) geschreven. Hij is een telg van de vooroorlogse generatie (zij die vóór 1930 geboren zijn). Die generatie heet spaarzaam, berustend, gezagsgetrouw, bescheiden en sober te zijn. Maar Greene voldoet aan geen van die kenmerken. Hij is gezagsontrouw in de overtreffende trap, hij keert zich af van de normen en waarden van zijn familie en wordt… katholiek! Zij het een van een bijzondere soort. Huwelijkstrouw is aan hem niet besteed, hij drinkt meer dan goed voor hem is, is een notoir hoerenloper, stelt de onfeilbaarheid van de paus in vraag en consumeert ook graag opium. In Italië neukt hij zijn minnares in een kerk, achter het altaar.
Toch is die Greene van dezelfde lichting als mijn ouders waarin ik moeiteloos de kenmerken herken die de sociologie aan die vooroorlogse generatie toeschrijft.
Dan is er nog iets wat ik me, met betrekking tot mijn generatie, dikwijls afgevraagd heb. Waar zijn al die mensen eigenlijk naartoe?
— Johnny Van Doorn (1945-1991) a.k.a. Johnny de Selfkicker, was een dichter van de
protestgeneratie. Zijn optredens waren choquerend, zijn poëzie was contesterend. —
Er komt een moment in het leven waarop je de dingen anders gaat bekijken. Je wilt het wat kalmer aanpakken, het lijf vraagt rust, de kinderen vragen geld en aandacht, je wordt trager, het beroep slorpt je op. Veel van de gezagsontrouwe kenmerken van de protestgeneratie vervagen. De protestgeneratie wordt gaandeweg, ouder wordend, inderdaad onzichtbaar.
Daar bestaat een scheve uitleg voor die als volgt luidt: ‘Wie op z’n twintigste geen communist was, is nooit jong geweest. Wie dat op zijn veertigste nog altijd is, is nooit volwassen geworden.’ Over die uitdrukking heb ik hier eerder al een stukje geschreven. Daarin heb ik uitgevogeld dat ze alleenlijk gebruikt wordt door lieden die nooit communist geweest zijn, ook niet toen ze twintig waren. Daarom ook is het een verwerpelijk antwoord. Het dient alleen maar om mensen in de pas te laten lopen.
Kan ik iets in de plaats stellen? Misschien wel. Ook dat heb ik me dikwijls afgevraagd, daar bijvoorbeeld. Dit is wat Edwy Plenel in zijn boek Secrets de jeunesse erover zegt. Ook hij maakt deel uit van de protestgeneratie. De politieke keuze die hij gemaakt heeft is ook de mijne geweest. Nu maakt het trotskisme, zo zegt hij, voor altijd deel uit van zijn identiteit, als een geestesgesteldheid: Si j’avais à définir ce qui m’en reste, je me dirais volontiers trotskiste culturel, m’inventant une identité intermédiaire, bâtarde et métissée, qui déplaira aussi bien aux orthodoxes qu’aux postulats. Le trotskisme comme expérience et comme héritage fait à jamais partie de mon identité, non pas comme un programme ou un projet, mais comme un état d’esprit, une vieille critique faite de décalage et d’acuité, de défaites et de fidélités.’ [Ik krijg dat mooi vloeiende Frans niet goed vertaald. Mocht iemand me willen helpen…] ['Indien ik wat ervan overblijft zou moeten omschrijven zou ik me een culturele trotskist noemen. Hiermee zou ik een overgangsidentiteit uitvinden voor mezelf, een bastaard- en halfbloedidentiteit, die noch de orthodoxen noch de neofieten zou bevallen. Het trotskisme als ervaring en als erfenis maakt voor altijd deel uit van mijn identiteit, niet als een programma of als een project, maar als een geestestoestand van een oude criticus, met afstandelijkheid en scherpte, met nederlagen en trouw.' Danke Bert Herregods.]
U ziet het: net als Bobbejaan heb ik me de dingen dikwijls afgevraagd. En op ’t einde van de film zal ook ik de horizon tegemoet rijden, niet op een gevlekte schimmel, maar op mijn stalen ros. Ik zal het zonder gitaar of stetson moeten doen, maar ik ga wel met mijn Baskische baret zwaaien en mijn gezang zal u gelukkig bespaard blijven.
Flor Vandekerckhove

° Bobbejaan, een film van Benny Vandendriessche en Tom Schoepen. Meer op http://www.bobbejaanfilm.com/nl/home/

zaterdag 23 juli 2016

'Ik vraag maar één ding. Laat me mijn werk afmaken.'

— Maxim Gorki (links), met Genrikh Yagoda, zijn vermeende moordenaar. —

Wanneer het sociale leven een rustig beekje is dat naar zijn onbekende maar verafgelegen monding kabbelt, heeft het kunstbedrijf niet erg veel om ’t lijf. Deze publiceert een boek, gene produceert een doek, de componist rijgt de noten aan elkaar en de beeldhouwer kapt & last wat hem belieft… Stormen veroorzaakt het zelden of ’t zou, tijdens de vernissage, in een glas cava moeten zijn.
Wanneer het sociale beekje evenwel een waterval nadert, wordt de kunstenaar, net als iedereen, door het kolkende water meegesleurd. Betekenis overspoelt je roman. Mensen horen in je muziekstuk iets wat niemand eerder daarin had opgemerkt. Alles wat de kunstenaar nu maakt, wordt toegevoegd aan — en versterkt — de kolkende massa water, op weg naar wat onbekend is, maar wel gevaarlijk dichterbij komt.
Het kunstwerk krijgt in die omstandigheden, zo maakt deze spetterende metafoor duidelijk, een voorheen ongeziene betekenis, en daarmee verwerft ook de maker ervan een indrukwekkende positie.
Dat verklaart het bijna onverklaarbare. Kunstenaars die de kans krijgen om aan die vernietigende waterval te ontsnappen, blijken dat niet te doen. Zij die door het woeste watergeweld op de oever gesmeten worden, springen, vreemd genoeg, weer in de kolkende stroom. Met alle gevolgen van dien.
Eerder heb ik hier en daar al over Isaak Babel (1894-1939) geschreven, mijn lievelingsauteur. Babel had Stalin kunnen ontvluchten, maar hij heeft het niet gedaan. Uit Parijs is hij vrijwillig naar zijn land teruggekeerd en hij heeft dat met de dood bekocht. Zijn laatste woorden: 'Ik vraag maar één ding. Laat me mijn werk afmaken.'
Ook over Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975) heb ik her en der al een stukje geschreven. In dat laatste heb ik het over een merkwaardig toeval, waardoor Sjostakovitsj in 1937 op het nippertje aan een gewisse dood ontsnapt. Waarna de componist naar huis gaat en daar doet wat Isaak Babel ook had willen doen: zijn werk voortzetten.
In de Stalinbiografie die Trotski geschreven heeft, blijft mijn oog hangen aan de passage waarin de biograaf het over de dood van Maxim Gorki (1868-1936) heeft. Die schrijver is in ’t jaar van zijn dood, zo meent Trotski: ‘noch samenzweerder noch politicus. Hij was een weekhartig oud man, een verdediger van de verdrukten, iemand van sentimentele protesten. (…) Hij correspondeerde met Europese schrijvers; kreeg bezoek van buitenlanders; de verdrukten kwamen bij hem met hun klachten; hij had macht over de openbare mening. (…)’  Wat Trotski vervolgens suggereert is dat Gorki op bevel van Stalin vergiftigd wordt. En dat Stalin vervolgens de uitvoerders van de gifmoord liquideert.
Dat laatste is zeker waar. Er is een proces geweest waarin de vermeende moordenaars terechtgesteld worden. Maar of Gorki al dan niet vermoord is blijft tot vandaag onzeker.
Ik heb zojuist een boek dichtgeklapt dat het daarover heeft. Het is een heel rijk boek en het kan haast niet anders of dat ik het er later nog over heb. Maar de titel — The Murder of Maxim Gorky — waarmaken doet het niet. De lezer heeft al bijna 400 bladzijden achter de kiezen wanneer daar onomwonden staat dat we niet echt weten hoe Gorki om het leven gekomen is. Het is en blijft, zo schrijft de auteur, een raadsel.
Even boeiend is evenwel de vraag waarom Gorki naar Rusland weergekeerd is. Lenin had hem in 1921 naar het buitenland gestuurd. Stalin haalt hem in 1931 terug. Er zijn veel redenen waarom Gorki op Stalins uitnodiging ingaat. Maar een ervan hijst hem tot op het niveau van Babel en Sjostakovitsj: hij wil zijn werk afmaken. Net zoals Babel en Sjostakovitsj dat doen, maakt ook Gorki de woorden van Luther tot de zijne: ‘Hier sta ik, ik kan niet anders’.
Flor Vandekerckhove

° Leon Trotski. Stalin, de man en zijn invloed. 2005. Soesterberg, uitg. Aspect. 575 bladzijden.
° Arkady Vaksberg. The Murder of Maxim Gorky. A secret Execution. 2007. New York, Enigma Books. 421 bladzijden.

dinsdag 19 juli 2016

Je moest een fiets hebben (slot)

— Hieronder staat het slot van een reeks van vier, over de belangrijke rol die de fiets in onze jeugd speelt. Het is een restartikel, waarin ik enkele dingen rechtzet die ik in vorige stukken scheef heb opgeschreven.  Van links naar rechts zien we Roland Vanmassenhove, Norbert Olders, Lucien Geryl, Hugo Pauwels, Flor Vandekerckhove, Jan Vangeluwe, Bert Tas en Germain Kerkaert (†). Niet op de foto staat Ivan Schamp, maar we kunnen met zekerheid zeggen dat hij het is die dat spel georganiseerd heeft, want Ivan organiseerde alles. Nu nog trouwens, nu nog. —


Wandelend in de IJzervallei, ergens tussen Bulskamp en Stavele, worden we opgehouden door een wielertoerist die in mij een jeugdvriend zegt te herkennen.
‘Ja’, zegt hij, ‘ik organiseer vandaag nog fietstochten, zoals ik dat in onze jeugd ook al deed.’  Waardoor ik besef dat deze onherkenbaar als coureur verklede medemens Ivan Schamp is, destijds duivel-doet-al van de Bredense rooms-katholieke jeugdvereniging Patro(naat).
Daarover had ik her & der al iets geschreven. Ik was niet van plan er nog op weer te komen, ware het niet dat Ivan daar veel op aan te merken had, zeer veel. Dus schreden we gezamenlijk verder tussen de maïs- en tarwevelden, terwijl ik naar zijn woordenvloed luisterde, en ook wel naar het ruisen van het koren.
‘Jij schrijft in je blog wel over de stichting van die jeugdclub,’ zegt hij, ‘maar uit mijn dagboek blijkt dat jij daar niet bij betrokken was. Ik vind je naam niet weer in mijn aantekeningen.’ Ik weet niet waar zijn woorden ons heen voeren, ook omdat mijn aandacht afgeleid wordt door boeren die bloemkolen aan het oogsten zijn.
‘Ik zal je zeggen,’ vervolgt hij, ‘hoe het er echt aan toegegaan is.’  En, terwijl we een veldkapel voorbijtrekken, begint hij me heel de ontstaansgeschiedenis van dat spel te vertellen, startend in 1964, met het liquideren van de KSA, waarvan hij een der leiders geweest is.
Terwijl ik opmerk dat het wortelloof al flink aan ’t schieten is heeft hij het over wielerwedstrijden (foto bovenaan), die hij niet alleen organiseert maar ook wint. Hij vertelt me over pijnlijke contacten met (onder)pastoors en hoe hij zich moet weren om van het jongensclubje een moderne vereniging te maken. Zijn verhaal eindigt in 1968 en dat is maar goed ook, want de zon is gaandeweg naar het westen opgeschoven en de meeuwen beginnen al naar zee weer te keren.
Heel die kwestie interesseert u uiteraard niet en ik zou er ook niet over geschreven hebben, had onderstaande fijne anekdote er geen deel van uitgemaakt.
Stel u Bredene voor, medio de jaren zestig. Het lokaal van de jeugdvereniging ligt onder de kerk. De symboliek van deze verhouding zal de oplettende lezer niet ontgaan.
Ik herinner me die avontuurlijke kelders. Daarin staan, veelal in een laagje grondwater, de gezelschapsspelen van de vereniging: sjoelbakken, biljart- en pingpongtafels, alsmede een jukebox, geschonken door dikke Blomme, een niet erg katholieke dancinguitbater. Daar bevinden zich ook indrukwekkende stookketels die brommen & grommen en via roosters warme lucht naar boven stuwen, naar de koude voeten van de kerkgangers.
— Deze als coureur verklede mens is waarlijk Ivan Schamp. —
Beneden komt de jeugd bijeen. Boven gaat de mis door. Schamp herinnert zich dat iemand vijf frank in de jukebox steekt en zijn muziekkeuze laat vallen op Je t’ aime… moi non plus.
Ik mag het een beetje opfleuren, maar dit is toch wat er gebeurt. De zwoele stemmen van Serge Gainsbourg en Jane Birkin vullen de ruimtes van de crypte. De woorden vinden hun weg naar de stookketels en via opstijgende luchtstromen ook naar de roosters. Niet onbelangrijk: hun woorden worden begeleid door een orgeltje, een instrument dat in de kerk thuishoort, wat van Birkin & Gainsbourg niet gezegd kan worden. Op het eigenste ogenblik dat de pastoor de communie uitreikt stijgt de stem van Jane Birkin ten hemel: L’amour physique est sans issue.
De pastoor laat zich niet van de wijs brengen. Hij zegt: ‘Dit is het lichaam van Christus’, en Serge Gainsbourg voegt er kreunend aan toe: ‘Entre tes reins / Je me retiens / Non, maintenant viens’.  
Communie komt van communio, wat gemeenschap betekent. En als communio kan dat wel tellen, vind ik. 
Geef toe dat het een straf verhaal is, maar… 
Doorstaat het ook de toets van de historische kritiek? Wikipedia leert me dat de single van Gainsbourg & Birkin van 1969 dateert. (*) Volgens mij zijn Schamp & C° tegen die tijd al lang uit dat kerkgebouw verdreven. Anderzijds… Staat de kerkgeschiedenis niet vol onverklaarbare gebeurtenissen?
’t Is al bij al te mooi om de gedachte te verwerpen. Dit is zo'n geval waar de werkelijkheid moet passen voor de verbeelding. Je ’t aime… moi non plus, of het mirakel van de crypte van Bredene. Er zijn al bedevaartplaatsen voor minder ontstaan.
Flor Vandekerckhove

(*) Mijn herinneringen staan de werkelijkheid wellicht in de weg. Er bestaat ook een vroegere versie (1967) van het lied waarin Brigitte Bardot de plaats van Jane Birkin bezet. Om opportunistische redenen (het orgeltje) ging ik ervan uit dat het niet de versie met Bardot is die in de jukebox zat. En aan Ronny Blomme kunnen we het uiteraard ook niet meer vragen. 



zondag 17 juli 2016

José Boncquet, amper zeventien

In deze blog wordt José Boncquet twee keer vermeld, een jonge vrouw uit Bredene, jeugdvriendin van mijn vader en zijn zuster Alice. Ze staat in beide stukken ook op de foto, samen met nog een aantal andere jongeren, waarvan we na enig zoekwerk alle namen achterhaald hebben.
Het ene bericht, Casino Bredene, heb ik al in augustus 2012 gepubliceerd, het staat hier. Daarin heb ik het — de titel liegt niet — over het casino van Bredene; meer bepaald over het ontstaan ervan, de stijl en vooral over de manier waarop wij dat bouwwerk in onze kindertijd ervaren hebben.
Dat het gebouw ook een vorige generatie geïnspireerd heeft, met name die van onze ouders, illustreer ik in dat stukje met een bijzonder mooie foto die ik onder de tekst geplaatst heb. José Boncquet is een van de jongeren die daarop afgebeeld staan.
Het andere stukje — V-teken — staat hier. Ik heb het in april gepubliceerd. Ook hier staan die jongeren afgebeeld. Naar aanleiding van die publicatie is er een beetje over en weer geschreven. De vraag die, in verband met dat V-teken, opgelost moest worden was deze: zijn die foto’s tijdens de oorlog genomen of ervoor?
Vandaag vind ik toevallig een documentje dat een en ander verduidelijkt. Het betreft het doodsprentje van José Boncquet, de jonge vrouw die op de foto's het nummer 10 draagt. We weten dat deze vrouw tijdens de Tweede Wereldoorlog in een bombardement om het leven gekomen is. Het prentje dat ik nu gevonden heb, geeft ons meer bijzonderheden: José was de dochter van Gentiel Boncquet en Laura Tanghe. Ze werd geboren in Middelkerke op 16 juli 1924 en overleed op 29 augustus 1941 in het 'Hospitaal' in Brugge, 'in pijnlijke omstandigheden, ten gevolge van moordend oorlogstuig.' 
Vandaar dat we het stuk moeten corrigeren. Geen van de afgebeelde foto's kan gemaakt zijn in 1942, wat nochtans op de achterkant van een van die beelden staat. Ze dateren ten laatste van augustus 1941. 
De foto's tonen ons een dramatisch beeld. De jongeren op die foto's vieren hun jeugd. Indien de foto in 1941 genomen werd dan is mijn vader (°1922) negentien en José Boncquet (°1924) is twee jaar jonger. Krt daarna slaat het noodlot toe. José zal geen achttien worden.

Flor Vandekerckhove


P.S.: Mijn nicht Nadine weet me daarover nog iets te vertellen: ‘Mijn ma [Alice Vandekerckhove] vertelt dat er ‘s nachts een brandbom op het huis, zelfs op het bed, van José Boncquet gevallen is. De daaropvolgende dag wilden enkele vriendinnen haar in het ziekenhuis bezoeken. Ze togen per fiets op weg naar Brugge. Onderweg passeerden ze een politieagent die hen meedeelde dat het te laat was. José was al gestorven. Ze was enig kind, maar het daaropvolgende jaar werd in het gezin weer een kind geboren, een meisje dat José genoemd werd.

zaterdag 16 juli 2016

Met een bourgeois op de foto

— Jan Loones en Flor Vandekerckhove. (Foto Jo Clauwaert) —
Gisteren had ik jullie nog beloofd dat ik mij voor enkele dagen uit het internet zou terugtrekken om in stilte een en ander te lezen. Ik deed dat hier in een stukje waar ik een foto bij plaatste. Daarop zien we de Oostendse burgemeester Johan Vande Lanotte en ik vrolijk lachend naast elkaar zitten.
Ik kreeg daar deze nacht een reactie op van een mens die de mening toegedaan is dat de burgemeester en ik niet samen op een foto horen te staan. Vande Lanotte is daar, zo laat die nachtelijke boodschapper me weten, niet links genoeg voor.
Zou je daar geen kind van kopen?! (*)
Dat is des te vreemder omdat die nachtelijk schrijvende mens zichzelf geenszins ter linkerzijde situeert. Wat hij eigenlijk wil zeggen is dat hij het niet neemt dat Vande Lanotte zich met zijn zaken bemoeit. Dan vindt hij mijn linksigheid veel sympathieker, want ik schrijf alleen maar.
Als ik me alleen maar aan politieke criteria mag houden dan zou niet alleen Geert Bourgeois niet in mijn fotoalbum voorkomen, maar geen enkele bourgeois, want de bourgeoisie mag progressief zijn, liberaal, conservatief of nationalistisch, ik haal er mijn politieke neus voor op. Mijn politieke neus staat namelijk zodanig ver ter linkerzijde dat het geen gezicht meer is. Ik ben zo links dat ik zelfs links van mezelf sta. Ik zou niet eens naast mijzelf op de foto mogen staan!
Er zijn gelukkig nog andere criteria. Ik scheer niet iedereen die rechts van me staat — omzeggens iedereen dus — over dezelfde kam.
Er zijn zelfs bourgeois waarop ik nooit kwaad zou kunnen worden. Op Jan Loones bijvoorbeeld, de vader van de verschrikkelijke Sander. Ik heb Jan destijds leren kennen toen hij voor de Vlaams-nationalisten in de visserijcommissie van het Vlaams parlement zat. Tot voor kort was hij ook eerste schepen van Koksijde.
Verleden jaar, naar aanleiding van de klimaatconferentie in Parijs, hebben we nog een keer een nummer van Het Visserijblad uitgegeven. We hebben die uitgave gevierd in het visserscafé ’t Veegeetje. Daar was veel voetvolk aanwezig, zelfs verwoede stakers waar de Walen een punt kunnen aan zuigen. Er was ook een kerel van de linkse PVDA en er was één bourgeois: Jan Loones. Omwille van de ambiance stelde ik hen aan elkaar voor: de jonge kerel van de PVDA en de nationalistische politicus Jan Loones. Die jongen van de PVDA ging meteen op zijn achterste poten staan, maar Jan gaf hem een hand en zei: ‘Ik ben vooral blij dat jullie bestaan.’ Probeer daar maar eens kwaad op te worden. Hij mag met mij op de foto.
Flor Vandekerckhove

(*) De uitdrukking 'zou je daar geen kind van kopen?!' werd tijdens mijn kinderjaren veel gebruikt in volksmiddens.  Ik vind er geen sporen van weer op 't internet. Het betekent hetzelfde als 'daar zakt mijn broek van af.Zou het echt iets uit de voltooid verleden tijd zijn? Werd het alleenlijk in mijn onmiddellijke omgeving gebruikt? Weet iemand er meer over?

vrijdag 15 juli 2016

Omtrent Stavele

— De Wikipediapagina van Stavele vermeldt als beroemde 'Stavelaars' Alexis De Carne en Johan
Vande Lanotte. Die laatste zit hier naast De Laatste (Vuurtorenwachter). Foto Jo Clauwaert. —
Wekelijks gaan wij wandelen en deze week vertrekt die wandeling in Stavele. We zijn daar al geweest. Over die eerste keer heb ik hier verslag uitgebracht. Deze keer kom ik beter voorbereid aan de start. Dat voorbereiden is, zo blijkt nu, niets voor mij, ik denk niet dat ik dat nog eens doe.
In Stavele wil ik naar sporen van Alexis De Carne (1848-1883) zoeken, een priester-dichter, en naar restanten van diens familiedrukkerijtje, een uitgeverij ook, onder meer van blaadjes die tijdens de Grote Oorlog aan het front verspreid worden — ‘Verschijnt als ’t past’.
Ik heb die sporen ook gevonden, er foto’s van genomen en… ze achteraf per ongeluk gewist. Dat is pech, maar geen nood, ik heb nog invalshoeken voorbereid.
In de tiende eeuw is daar in de omgeving, in de wijk Eversam, een adellijke broedermoord gepleegd omwille van een everzwijn. In het Eversambos zoek ik er de sporen van. Tevergeefs, want de moord is een legende en het bos dateert van de twintigste eeuw. Tien eeuwen verschil, net iets teveel om me te inspireren.
Ik heb nóg iets in petto. Op onze wandelweg ligt de villa Martha, een landhuis dat een rijkaard in de Belle Epoque voor zijn nichtje laat bouwen. Het huis wordt nu weer bewoond en ligt afgeschermd achter hoge omheiningen. Ik begrijp de bewoners uiteraard wel, maar ik kan het niet fotograferen, wat me tegelijk de lust ontneemt om er iets over te schrijven.
Moraal van het verhaal: al mijn voorbereidingen leveren niets op.
Nog een geluk dat ik in de schuif een foto liggen heb van mezelf en Johan Vande Lanotte. Hij is, net zoals pastoor De Carne, in Stavele opgegroeid. Zijn vader is daar onderwijzer geweest, wellicht in ’t oude schooltje dat nu een B&B is. Johans beeltenis neemt hier de plaats van pastoor De Carne in.
Ja, ik maak me er deze keer wel erg gemakkelijk vanaf, maar ik heb een excuus.  Zopas heeft de facteur me een zending boeken uit Amerika bezorgd. Ik sta te popelen om eraan te beginnen… en popelen belet een mens het schrijven.
Toch elimineert dit al te gemakkelijk geschreven stukje een prangende kwestie. Als u een dezer dagen iets hoort ruisen door het struikgewas dan is dat niet het stemgeluid van Toon Hermans, maar het ritselen van bladzijden die ik omsla.
Flor Vandekerckhove

woensdag 13 juli 2016

Over de terugkeer van oude genres

— Alan Wald (links) en Marc Vanden Bussche, twee mensen 
die niets met elkaar gemeen hebben, zelfs antipoden zijn,
maar die in deze blog toch bij elkaar terechtkomen. —
De twee mensen op de foto hebben niets met elkaar gemeen. De ene is een Amerikaanse intellectueel uit de trotskistische vijver, iemand die Engelse literatuur gedoceerd heeft en boeken publiceert over linkse schrijvers in Amerika. De andere is een rechtse kustburgemeester uit Vlaanderen. Die laatste heeft iets met het genre van de zombiefilm, de eerste heeft zich gespecialiseerd in de studie van de roman noir.
In deze blog heb ik het eerder al over de film noir gehad, en over de literaire pendant ervan, de roman noir. Het genre produceert verhalen die de wereld als een duister oord tonen, waarin ondergrondse krachten over ons leven regeren. De protagonisten zijn telgen van de middenklassen die niet goed weten wat hen overkomt
In het ene stuk dat ik daarover schreef, heb ik het over linkse schrijvers die zich daarin gespecialiseerd hebben, in het andere onderzoek ik hoe die B-films mijn onfatsoenlijke mensbeeld danig aangezwengeld hebben.
Volgens Alan Wald, die de noir bestudeert, gaat het genre over de kristallisatie van angsten die tot uiting komen in het midden van de XXste eeuw. Noir bloeit wanneer het liberalisme van de New Deal ten einde loopt en de Koude Oorlog zijn intrede doet. De protagonisten worden naar de marge gedrongen, waar ze in een staat van ongehoorzaamheid terechtkomen. Het is een situatie die veel Amerikaanse schrijvers en filmmakers persoonlijk meemaken tijdens het Mccarthyisme.
In een essay dat je hier kunt lezen stelt Alan Wald dat linkse activisten veel van die schrijvers kunnen leren. Er zijn gelijkenissen met onze tijd: een nog niet ten volle begrepen fase in de economie (toen: naoorlogs imperialisme, nu: globalisering); een knik in de georganiseerde arbeidersbeweging (toen: toenemende vakbondsbureaucratisering, nu tanende invloed van de bonden); de polarisering van de wereldpolitiek (toen tegen het ‘totalitarisme’, nu tegen het ‘islamterrorisme’); het aanwijzen van binnenlandse zondebokken (toen ‘subversieve commies’, nu ‘potentiële terroristen’); (her)opleven van rassenhaat.
Betekent dat ook dat er een nieuwe golf noir op ons afkomt? Dat zou ik wel leuk vinden, want ik ben een liefhebber, ook omdat ik zelf lang op het randje gelopen heb waar de antihelden van de noir zo vaak toeven.
Komt er een revival van de noir? Ik ben benieuwd. Maar misschien is deze era nog veel gunstiger voor het herleven van een ander genre. Misschien zijn deze tijden van klimaatverandering geschikter voor het klonen van Frankensteinverhalen, een gok waarvoor je hier sterke argumenten vindt. Of misschien is deze tijd van oncontroleerbare migratiestromen voedzamer voor nog een ander genre waarover ik hier eerder al iets geschreven heb, de zombiefilms. Waardoor ik in extremis de burgervader van Koksijde in dit stuk kan foefelen.
Als we het aan die even populaire als rechtse burgemeester zouden vragen dan kiest Marc Vanden Bussche ongetwijfeld voor de zombies. Meer zelfs: ze zijn er al! Want toen hij het nodig vond om de asielzoekers uit het plaatselijke zwembad te weren deed hij het met een bijzonder sterk zombiebeeld: ‘Ze zwemmen niet, ze staren alleen maar.’
Flor Vandekerckhove


° Alan Wald. Marxism in Noir. The culture and politics of race and class struggle in the 1940s. In International Socialist Review. Nr 101, zomer 2016. Te lezen op http://isreview.org/issue/101/marxism-noir
° Alan Wald. American Night. The literary Left in the Era of the Cold War. 2014. The University of North Carolina Press.
° Gillen D’Arcy Wood. Frankenstein, the Baroness, and the Climate Refugees of 1816. In Public Domain Review. Te lezen op http://publicdomainreview.org/2016/06/15/frankenstein-the-baroness-and-the-climate-refugees-of-1816/
° Sam De Wilde in Angst eet de ziel op, en zombies de rest. In Recto Verso, tijdschrift voor cultuur en kritiek. Nr. 71 april-mei 2016. Te lezen op http://www.rektoverso.be/artikel/angst-eet-de-ziel-op-en-zombies-de-rest.