vrijdag 22 april 2016

Pamperen

Op 26 februari krijg ik een mail van een laatstejaarsstudent Journalistiek. Hij schrijft me in verband met zijn bachelorproef. Daarin wil hij het over de visserij hebben, meer bepaald over ‘de aanlandingsplicht en de problematische gevolgen ervan.’
Het lijkt me een gewaagd onderwerp te zijn voor een student. Maar goed, die jongen kent de visserij. Hij is in Oostende opgegroeid, zegt hij, en telt enkele vissers in de familie. Omdat ik een kwarteeuw lang Het Visserijblad uitgegeven heb, vraagt hij mij enkele namen van reders die voor zijn project in aanmerking komen. Hij wil ze interviewen.
Dezelfde dag nog stuur ik hem twee namen door, alsmede het corresponderende e-mailadres. De student wil vervolgens dat ik er een Zeebrugse reder aan toevoeg. Omdat ik een norse man ben, werkt hij me vanaf die tweede vraag al op de zenuwen. Maar ik laat dat uiteraard niet blijken, want de toekomst van een journalist staat op 't spel. Dezelfde dag nog stuur ik hem naam en mailadres van zo’n Zeebrugse reder op en vervolg daarna mijn leven.
Vandaag, ei zo na twee maand later, stuurt de student me weer een bericht. Hij probeert nu 'al eventjes’ die reders te contacteren. Tevergeefs. Hij krijgt er, naar eigen zeggen, ‘geen vat’ op. En of ik hem nu ook nog eens de telefoonnummers van die mensen wil doorgeven.
Ik sta perplex. Die reders hebben namen, hun rederijen eveneens en hun schepen ook. Rederijen zijn ondernemingen en reders zijn ondernemers. Ze doen zaken. Ze verkopen vis. Daarom leven ze niet ondergedoken. Daardoor zijn ze gemakkelijk te traceren. Die reders begeven zich op de kaaien, naar de kroeg en naar de vismijn. Ze staan vermeld in gidsen en lijsten, ze hebben een beroepsvereniging.
Ik neem de proef op de som, doe alsof ik de telefoonnummers niet op zak heb en zoek ze op het internet. Twee minuten later heb ik ze beet. Makkelijk zat.
Misschien kan die jongen niet zo goed overweg met dat internet, denk ik eerst, wat ik meteen weer verwerp, want jonge mensen kunnen dat allemaal veel beter dan ik. Misschien moet hij in beweging komen, denk ik vervolgens… Misschien moet hij op pad gaan om die telefoonnummers te vinden. Met de trein, de bus, met de fiets, per skateboard, te voet… Ouderwetse journalistiek, ohlalala. Misschien moet hij uitvlooien waar hij aan een scheepslijst kan geraken, want misschien vindt hij daar de telefoonnummers die hij zoekt. Misschien dit, misschien dat…
Het politiek erg geladen werkwoord pamperen verschijnt voor mijn geestesoog. Ik kan hem die telefoonnummers mailen. Maar na enig beraad met mijn norse zelf beslis ik om dat niet te doen. Misschien zal hij op die manier zijn stiel leren. Anders ziet het er echt niet goed uit voor de toekomst van de journalistiek in 't algemeen en voor deze van die jongen in 't bijzonder.
Flor Vandekerckhove 
Een reactie posten