maandag 25 april 2016

Bierviltjes

Ik had geen geld, ik was alleen. De verwarming was stuk, de koelkast leeg. In mijn zakken zaten bierkaartjes waarop openingszinnen genoteerd stonden, aanzetten voor het serieuze werk dat almaar uitgesteld werd.
Mijn welbehagen lag in handen van de horeca. Cafébazinnen en restaurantuitbaters bezorgden me de energie die ik thuis uit armoe moest ontberen. De ene bood me een bed, iemand anders gaf me keukenrestjes, en allemaal overstelpten ze me met inspiratie.
Bewegen was een overlevingsstrategie. Via de steenweg ging het van een broodje naar een vrijpartij, van het dutje naar een glas, van de koffie naar een diner. Onderweg rookte ik stiekem peuken die eerder uit autoraampjes gekeild waren en aan een fruitkraam durfde ik al eens een appel te ontvreemden, want nood breekt wet. ’s Avonds was ik doodop van al dat over en weer geloop.
De laatste tocht ging veelal naar een restaurant dat Au Chicon heette. Het was een chique bedoening, met maar weinig tafels, het soort zaak waarin slagers, advocaten en bordeelhouders schransend van hun welslagen getuigden. Ik moest er ver voor stappen, maar ik kreeg er waar voor mijn geld (dat ik niet had). Het eten was lekker, verfijnd zelfs, en omdat de uitbater een fantast was, kon ik daar ook de achterkant van menig bierviltje volschrijven.
De horeca geloofde in mij en de uitbater van Au Chicon deed dat nog ‘t meest van al. Lang nadat de laatste marktkramer de zaak verlaten had, was ik daar nog aan ’t luisteren naar ‘s mans verhalen die, zo had ik om den brode laten uitschijnen, een plek zouden vinden in de roman die op de bierkaartjes vorm aan ’t krijgen was.
Daarna vatte ik de terugweg aan. In ’t donker liep ik via de steenweg weer naar huis. Soms was ’t hard aan ’t regenen, veelal was het koud, en deze keer was ’t zowel aan ’t regenen als erg koud. Auto’s reden vlak naast me in hoge snelheid door diepe plassen en tegen de tijd dat ik thuiskwam was ik doorweekt, smerig, moe, verkouden, hongerig en niet meer aan te spreken. 
In mijn keukenkast stond niets anders dan een pot mosterd en een fles geuze; trofeeën die ik op mijn tochten mee naar huis gesleept had. Aan de geuze hing een sierlijk kaartje. Daarop stond: Lambiek kan puur, rechtstreeks van het eikenhouten vat worden gedronken. Het bevat amper koolzuur en is dus plat, het heeft in het glas geen schuimkraag. Lambiek is zuur van smaak. Het is daardoor een goede dorstlesser.’ Op het etiket van de mosterdpot stond iets volgens Mattheüs: ‘Het koninkrijk der hemelen is gelijk aan een mosterdzaad, dat iemand nam en in zijn akker zaaide; het is het kleinste onder alle zaden, maar wanneer het opgegroeid is, is het grooter dan de moeskruiden, en wordt een boom, zoodat de vogelen des hemels komen schuilen in zijne takken.’ Het waren, vond ik, twee sterke teksten. Daar moest ik iets mee doen. 
't Was te laat om er iets over te schrijven en dus dronk ik de fles uit en tegelijk lepelde ik de pot leeg. In die ongeziene combinatie bleken de twee teksten ook op een bijzonder sterk mengsel te slaan, want ik ontwaakte in het Heilig Hart, alwaar, dat is bekend, de ziekenhuiskost niet te vreten is. Ik mocht van geluk spreken dat ik aan de sonde lag.
Flor Vandekerckhove

Een reactie posten