donderdag 3 maart 2016

Na de visserij… de kater

Hedendaagse verhalen over de visserij kunnen niet rond de eindigheid van hun onderwerp navigeren, want de visserij is een aflopende zaak. Wanneer ik in 1988 de redactie van Het Visserijblad op me neem telt de Vlaamse vissersvloot nog 201 vaartuigen, ik denk niet dat het er vandaag nog 70 zijn.
Dat is geen plaatselijk fenomeen, de implosie is wereldwijd; ook in Newfoundland, waar de Amerikaanse schrijfster E. Annie Proulx haar roman Scheepsberichten (The Shipping News, 1993) situeert, een boek waarmee ze in Amerika de Pulitzerprijs wint. Ik heb Scheepsberichten in 1995 gelezen. Het boek heeft me toen omwille van twee redenen van mijn sokken geblazen.
Er is ten eerste het hoofdpersonage  Quoyle: ‘Op zijn zesendertigste, overlopend van ellende en afgewezen liefde, week Quoyle in arren moede uit naar Newfoundland, de rots die zijn voorouders had voortgebracht, die hij nooit bezocht had en nooit van plan was geweest te bezoeken.’ Zo dramatisch is ’t mij niet vergaan, maar toch. Na een mislukt politiek engagement laat ik op mijn achtendertigste het binnenland achter me, om me weer aan de Vlaamse kust te vestigen, wat ik eerder voor onmogelijk had gehouden. Quoyle komt daar aan de bak als correspondent van een lokale krant, waarin hij de scheepvaartberichten verzorgt, een rubriek met ‘kortjes’ over het in- en uitgaande scheepvaartverkeer, een rubriek die niet had misstaan in Het Visserijblad dat ik geredigeerd heb.
Er is nog een reden. De teloorgang van de visserij rond Newfoundland gaat deze van Oostende vooraf. Het boek van Proulx is klaar in 1993. Terwijl ik het in 1995 aan ’t lezen ben, beleef ik een indrukwekkende déjà vu: ‘En de visserij zakte in, de visserij zakte totaal in, veertig jaar opgegaan in rook, omdat die klootzakken in de Canadese regering elk land ter wereld visrechten gaven, terwijl ze ons met hun regels uit de markt drukten. Die gore buitenlandse treilers. Daar is alle vis in verdwenen.’ Het is een manier van redeneren die ook ten onzent bekend is, maar hier zijn de klootzakken in de Europese Unie te vinden en zijn het de Hollanders die het gedaan hebben. Er is ook een gelijklopende kritiek op de maatregelen: ‘Jezus! Denk je dat je alles gehad hebt, krijg je dit! Die toewijzing van visquota alsof het rijen aardappels zijn die je kunt opgraven. Als er geen vis is, valt er ook niets toe te wijzen en niets te vangen; als je niets vangt is er ook niets te verwerken of te verschepen, en dan is er voor niemand nog een droge boterham te verdienen. Geen hond die hun achterlijke regels nog begrijpt.’
Waarna de reconversie volgt. De plaatselijke visser Jack Buggit weet er alles van: ‘Oké, zei ik, toen ik inzag dat ik het met vissen niet meer zou redden, oké, zei ik, ik zal verstandig zijn, ik geef me gewonnen, ik doe mee aan het regeringsplan en zeg: ‘Hier ben ik. Ik zoek een baan. Wat hebt u voor me?”
— E. Annie Proulx —
En zij zeggen: “Wat kunt u zoal?”
“Wel,” zeg ik, “ik kan vissen. Heb ’s winters in het bos gewerkt.”
“Nee, nee, nee. We willen geen vissers. We scholen u wel om.” Ze brengen de industrie hierheen, snap je. Banen voor iedereen. De eerste plaats waar ze me heen stuurden, was een leerlooierij in Go Slow Harbor, verdomme. Er werkten daar tien à vijftien mannen … Dat deed ik vier dagen lang, toen waren de huiden op, en er kwamen er ook niet meer, dus stonden we wat te niksen, of we veegden de vloer. Een paar maanden later ging de looierij op zijn kont. Ik dus weer naar huis.’ Al wie alhier in de reconversiemolen geraakt is herkent zichzelf in het citaat.
Van het een komt het ander. Buggit wordt naar een machinefabriek gestuurd, naar een kartonnagefabriek, een olieraffinaderij, een elektriciteitcentrale, een handschoenenfabriek… Het brengt allemaal geen zoden aan de dijk.
Uiteindelijk krijgt de visser het systeem door, maar hij weet te weinig om er iets tegen te ondernemen. Wat kan hij doen? ‘En hoe kom je dingen aan de weet? Je leest ze in de krant! Er was geen plaatselijke krant … Dus zeg ik, die er niets van afweet … — op school was ik niet verder gekomen dan “Toms Hond” — maar ik was tot de conclusie gekomen dat als zij een handschoenenfabriek konden beginnen zonder leer, zonder iemand die handschoenen kon maken, ik net zo goed een krant kon beginnen.’ Of hoe Annie Proulx heel de miserie van de omscholing in enkele woorden uitgelegd krijgt.
Flor Vandekerckhove
Een reactie posten