zondag 31 januari 2016

Hendrik Conscience en ik (3)

— De Oostendse Oosteroever gezien vanuit de vuurtoren. In onze toe-eigening van Consciences Leeuw
wordt dit het gebied waar de strijd zich afspeelt. (Foto Jo Clauwaert)

Wie zich vandaag Consciences Leeuw van Vlaanderen toe-eigent heeft tal van problemen op te lossen, zoveel zelfs dat ik vermoed dat ik tegen die taak niet opgewassen ben. Over mijn falen heb ik hier al een stukje geschreven.
De personages moeten een andere invulling krijgen, da’s al een van de problemen. Waarom zou Machteld vandaag nog maagd zijn? Deze XXIste eeuw heeft geen maagd nodig, maar een krachtdadige, vrijgevochten vrouw die van alle markten thuis is. Dat personage heb ik al geschetst in een stukje dat je hier vindt. Ook Jan Breydel, Pieter De Coninck en de andere heren uit Consciences boek moeten zo’n nieuwe invulling krijgen.
Wie denkt dat we hiermee de geest van Consciences werk verraden, vergist zich. Net zoals zijn Leeuw wordt onze toe-eigening een verhaal over uitbuiting en het verzet daartegen, vandaar de titel: Rooie Machteld en de uitgezogenen.
— Robrecht was de graaf van Vlaanderen en woonde in het slot van Wijnendaele. In onze toe-eigening
is Robbe een schipper, hij voelt zich thuis in de bar die Het Slot heet. (© Jo Clauwaert) —
Nog een probleem. Waar speelt de strijd zich af? Waar laat Conscience het gevecht plaatsgrijpen? Gwyde koos de Groeningekouter in Kortrijk uit als slagveld’. 
De akkers van weleer zijn inmiddels verkavelingen geworden, ons strijdtoneel kan daardoor niet langer een kouter zijn. Maar kijk, dit is wat Conscience in eerste instantie op zijn Groeningekouter laat gebeuren: ‘Reeds des anderdaegs, terwyl het ambacht der timmerlieden aen de stormtuigen werkte, werden de andere Vlamingen buiten de stad geleid om de begrachting (…) te graven. (…)’ Een begrachting buiten de stad! Wel wel.
Bovenaan dit stuk staat een foto van de Oostendse Oosteroever. Als begrachting kan dat tellen, vind ik. Het dok kan de functie van Consciences Groeningekouter gemakkelijk overnemen. Zompiger kun je het niet bedenken. De ons toegeëigende Leeuw situeren wij bijgevolg niet in de beemden, maar aan de Oostendse Oosteroever.
Robrecht kan vandaag geen graaf van Vlaanderen meer zijn, in het slot Wijnendael kan hij niet meer wonen. Nochtans, zo werpt u tegen, ligt het in onze bedoeling een gothic novel te produceren. In dat genre is een oude vervallen burcht wel op zijn plaats. Maar… Hoe zal de Oostendse Oosteroever er in de toekomst uitzien? Er is geen mens die ’t weet. De mooie luchtfoto die boven dit stukje staat is recent, maar veel bouwwerken die daarop links en rechts van het dok te zien zijn tref je daar nu al niet meer aan.
Alleen het verste stuk aan de linkerkant blijft behouden. Daar verplaatsten we dan ook de stek van Robrecht naartoe, het slot Wijnendael. Ons hotel heet Het Slot en in de bar op de benedenverdieping voelt schipper Robbe zich goed thuis.
Flor Vandekerckhove
(Vervolgt)

zaterdag 30 januari 2016

Hendrik Conscience en ik (2)

— De Machteld van de XXIste eeuw is bijlange geen maagd meer. In de gothic novel Rooie Machteld en de uitgezogenen wordt ze een hoer met een missie. In dat verhaal in wording speelt ze overigens de hoofdrol. © tekening Jo Clauwaert. —

Al lang probeer ik me het meesterwerk van Hendrik Conscience toe te eigenen. Ik heb dat hier trouwens al eens in 't lang en in 't breed verteld. Ik wil weten wat ik in deze XXIste eeuw nog met Consciences helden kan aanvangen, bijvoorbeeld met de maagd Machteld.
Conscience komt, naar eigen zeggen, woorden te kort om zijn heldin te beschrijven: Onmogelyk is het de lieflykheden dezer jonge maegd te beschryven.’ Maar hij doet het vervolgens toch: ‘Hare wangen waeren zoo zachtjes door ontellyke purpere adertjes gekleurd, dat het fynste roozenblad op haer aenzicht eene vale vlek ware geworden; de oogen zoo blaeuw als de hemel en de lippen zoo rood als twee boordjes van scharlaken fluweel.’ Daarmee houdt het niet op: ‘Wanneer hare grimlach, zoo zoet en zoo zalig als de hoop der menschen, haren engellyken mond bewegen deed, kwamen sneeuwwitte tanden tusschen hare lippen heen glinsteren, en twee kleine putjes vormden op hare wangen de kelken der roozen die er op blonken.’
Romantisch gebazel, zult u zeggen, want u vindt dat Conscience hier al te zeer in overdrive gaat. Toch vind ik daar een zinsnede in die ik kan meenemen: ‘hare grimlach, zoo zoet en zoo zalig als de hoop der menschen’. Het is geen glimlach die Conscience beschrijft, maar een grimlach. Da’s is een oud woord, grimlach, een synoniem voor grijns, een bittere lach. Tegelijk is die grimlach, zegt Conscience, ‘zalig als de hoop der menschen’. Wat een prachtige tegenstelling, wat een botsing van tegengestelden! Het lijkt er wel op dat er in die zin een kleine kladderadatsch aan 't werk is, waaruit de toekomst geboren wordt. Dialectici als Hegel en Marx zouden er ongetwijfeld zeer tevreden mee geweest zijn.
De tegenstelling is zo groot dat er misschien wel een zetfout in ’t spel is. Als ik nog eens naar de bib ga, moet ik dat eens opzoeken in recentere uitgaven van dat boek. Of heeft Conscience glimlach bedoeld en grimlach geschreven? Het zal hoe dan ook de pret niet drukken, want een grimlach, zalig als de hoop van de mensen is een buitenkans die ik niet laat liggen.
De nieuwe Machteld zal uiteraard geen maagd zijn, want het maagdendom is in een moderne maatschappij niet langer relevant. Of haar lippen op scharlaken fluweel lijken zal me worst wezen, en dat geldt ook voor de putjes op haar wangen. Maar ze zal wel over een grijns beschikken die de hoop der mensen uitdrukt.
De Machteld waarmee de XXIste eeuw iets kan aanvangen zal een harde tante zijn. Wanneer alle mannen de strijd opgegeven hebben, zal zij de vonk leveren die het vuur weer hoog laat oplaaien. Dat zal gebeuren in een verhaal dat weliswaar nog gemaakt moet worden, maar dat toch al een naam heeft: Rooie Machteld en de uitgezogenen.
Zie haar daar staan, op dat balkon voor 't raam, uitkijkend over de dingen, terwijl ze een hasjpijpje rookt. En kijk vooral naar die grimlach die de hoop van de mensen uitdrukt.
(Vervolgt)

vrijdag 29 januari 2016

Hendrik Conscience en ik (I)

— 1998. Schema voor een feuilleton waarin ik Consciences Guldensporenslag koppel aan de strijd tegen de hormonenmaffia. —

Soms lukt het van geen kanten. Al vele jaren probeer ik me De leeuw van Vlaanderen toe te eigenen, het meesterwerk van Hendrik Conscience. Ik wil onderzoeken hoe ik Consciences helden weer tot leven kan wekken. Wat kun je nu nog aanvangen met een maagd als Machteld? Welke rol speelt beenhouwersbaas Jan Breydel in deze laatkapitalistische maatschappij? En wat bedenk ik bij de voortvarende Robrecht, graaf van Vlaanderen?
Mijn eerste poging dateert van 1998. In dat jaar begin ik een avonturenroman te schrijven die zich afspeelt in het milieu van de hormonenmaffia. Het Visserijblad begint tezelfdertijd een feuilleton te publiceren dat uiteindelijk 24 afleveringen zal tellen. De vlag waaronder dat feuilleton vaart, De slag der sporen van hormonen in het vlees, dekt goed de lading, want ik verweef daarin Consciences Slag der gulden sporen met de moord op veearts-keurder Karel Van Noppen, een actuele kwestie in het Vlaanderen van de jaren negentig.
Het blijkt het slechtste verhaal te zijn dat ik ooit geschreven heb. En ik weet hoe dat komt. Maand na maand, vierentwintig maanden lang, heb ik er een hoofdstuk aan gebreid, ook als daar geen tijd voor was. Elke maand heb ik dat hoofdstuk gepubliceerd, ook als ik er niet tevreden over was. Wat ik toen over mezelf geleerd heb is dat ik onder druk van zo’n deadline wel een roman kan schrijven, maar alleen een slechte.
Die roman is mislukt, maar het plan om me Conscience toe te eigenen blijft overeind staan. Op de fundamenten van De slag der sporen van hormonen in het vlees bedenk ik vervolgens een nieuwe plot. Het verhaal wordt naar de toekomst verplaatst. In mijn hoofd wordt het een graphic novel, een vertelling die zich afspeelt in een gothic wereld van vampiers en andere levende doden. Consciences maagd Machteld is een strijdvaardige hoer geworden. (Over die Machteld schreef ik hier op 28 oktober 2014 al een stukje.) Weversbaas Pieter De Coninck wordt een mensensmokkelaar en beenhouwer Jan Breydel een geweldenaar die de vuile klusjes opknapt.
Het scenario van Rooie Machteld en de uitgezogenen is klaar, al lang zelfs. In deze blog schreef ik er op 20 augustus 2014 al een stukje over. Het staat hierMaar de graphic novel die eruit moet ontspringen is er nog niet, bijlange niet zelfs. Het is niet voor niets dat ik dit stukje open met ‘Soms lukt het van geen kanten.’ Komt die strip er of komt hij er niet? Pfffff, ik weet niet wat ik ervan moet denken. Maar ik weet wel dat ik me Consciences Leeuw van Vlaanderen hoe dan ook zal toe-eigenen; dat ik het zal blijven proberen. En ik weet ook dat u inmiddels al het eerste deeltje van die nieuwe poging gelezen hebt.
(Vervolgt, tegen beter weten in)
Flor Vandekerckhove


vrijdag 22 januari 2016

Bredene by Night


De Chapel Street Strip, zo genoemd naar analogie met de Las Vegas Strip, kortweg de strip, was een straat waar, in de sixties, massaal veel mensen naartoe trokken om er te dansen. Die mensen kwamen daarvoor van heinde en verre. Ze kwamen met het openbaar vervoer, met de fiets of met de automobiel en sommigen kwamen zelfs te voet. Mods deden het met de scooter, rockers per motocycle en zelf had ik een mobylette. De Chapel Street Strip bevond zich, zo zullen de ouderen zich herinneren, in de kustgemeente Bredene en liep parallel met de duinen, een natuurverschijnsel waarvoor die plek ook toen al erg bekend was. 
De strip was in dat gebied door ondernemende Bredenaars bevochten op oude polders, ongeveer op dezelfde wijze als Las Vegas in Amerika door de maffia uit de woestijngrond getrokken werd. Op de Chapel Street Strip bevonden zich, net als in Vegas, veel horecazaken, waarvan er een indrukwekkend aantal zichzelf dancing mocht noemen. Een toeristische gids uit die tijd vermeldde er dertien: King, Djinn, Queen Mary, Cosmo, Wig-Wam, Liliane, Parasol, Elysée, Lekkerbek, Bambi, Sint-Christophe, Devos en The Lord. Dertien, da’s niet weinig voor een wijk waar pakweg 2000 mensen woonden. Bij die dertien hield het evenwel niet op. Vlak voor de strip waren er ook nog Duinhof-Arena en Espérance, en in de Duinenstraat had je de Tijl. Wanneer je de strip verder afwandelde, richting De Haan, kon je ook gaan dansen in etablissement  Maureen (Rozenlaan), in Boerhof (Duinhoevelaan) en in de Hippodroom (Duindoornstraat), en ook nog bij Diane, in de Kerlinga, The Zebra en Blutsyde. Wat het totaal aantal dancings in die merkwaardige wijk op drieëntwintig bracht. Niet meegerekend was het openluchtplein voor de kiosk waar de plaatselijke popgroep The Swallows de dans aanzwengelde. Ja, jonge lezers, zo ging het er daar in de sixties aan toe, althans in de zomer. 
Na het dansen trokken velen onverrichter zake weer naar huis, omdat ze, zoals dat heette, geen scheer hadden kunnen doen. Ze namen de fiets en reden richting Oudenburg of ze stapten in de wagen om weer naar Brussel te vlammen. Ik moet er wel bij zeggen dat de alcoholcontroles in die tijd nog uitgevonden moesten worden. 
Wie gescoord had daarentegen bleef veelal in de wijk slapen. En de kans om een scheer te doen was groot, zo blijkt uit de cijfers. In 1967 resulteerde dat in Bredene in maar liefst 1.181.300 (!) overnachtingen. De gelukkigen zochten een bed in een van de 15 hotels, 32 pensions, 444 zomerappartementen, 30 campings, 14 homes en 3 slaapgelegenheden die in de Bredense statistieken als sociaal toerisme omschreven werden. Niet opgenomen in die statistieken waren de dansers (m/v) die de nacht geheel of gedeeltelijk in de duinen doorbrachten. Er waren dus 539 opties om, op loopafstand van de strip, van een nachtrust te genieten die al dan niet verkwikkend was.
U hebt inmiddels wel begrepen dat de Chapel Street Strip alleen maar in mijn verbeelding zo genoemd wordt. Wie bovenstaande foto van Bredene by Night aanschouwt zal evenwel toegeven dat er niet veel nodig is om de verbeelding van een mens in die richting te laten ontsporen. Ten slotte wil ik nog beklemtonen dat alle vernoemde cijfers uit Zoeklicht op Bredene (1968) komen, een boek geschreven door een flik, en dat ze derhalve correct genoemd mogen worden.
Flor Vandekerckhove

donderdag 21 januari 2016

Lelijk als de nacht


Men zegt dat wel, dat alle jonge meisjes mooi zijn, maar dat is niet waar, want Paula was jong en lelijk. Ze was kort gestuikt en hoekig. Ze had een slappe buik, dunne, donker behaarde benen, onaantrekkelijke borstjes van het soort dat je je niet wil voorstellen, een soort worstjes, en een lelijk aangezicht. Ja dat had ze ook, een lelijk aangezicht, met kleine, nijdige, donkere, priemende oogjes en grote, opvallende, opengesperde neusgaten. Paula was echt lelijk.
Daar valt iets aan te doen, zeg je, daar kan iets tegen ondernomen worden, je kunt dat wegmoffelen. Maar dat deed Paula niet. Ze ondernam geen poging om haar lelijkheid te verbergen, ze schminkte zich niet, kocht nooit oogschaduw of lippenstift, ze kamde haar beenhaar niet en ze was smakeloos in het kiezen van haar kleren. Ze toonde zich in al haar lelijkheid.
Claudia was óók niet mooi. Ze was even jong als Paula, en misschien niet zo lelijk, maar ze was erg dik, veel te dik om mooi te kunnen zijn. Echt overmatig dik. Claudia was zo dik dat het moeilijk was om onder al die vetkwabben… Ik zal het maar niet zeggen, maar zo dik was ze, zo erg was het.
Overgewicht kan weggewerkt worden, zeg je, en onder dat overgewicht kan best een mooi meisje schuilen. Ja, dat kun je wel zeggen, maar Claudia deed dat niet, overgewicht wegwerken, integendeel, het vet bleef toenemen, langs alle kanten. Ze toonde zich in al haar uitpuilende vettigheid.
En dan was er nog Gloria, ook een jong meisje, maar wie Gloria voor ’t eerst zag moest daar toch aan twijfelen. Gloria had overal haar, echt overal. Ze kon doorgaan voor een vent, een ouwe vent zelfs, of voor een vrouw met een baard, zelfs voor de vrouw met de baard. Ze was hoe dan ook erg lelijk. En ze had geen kont, maar er stond wel haar op, geen borsten, maar veel borsthaar, geen lippen, maar wel een snor. Ze was gewoon erg lelijk, zelfs lelijker dan Claudia en bijna zo lelijk als Paula.
Haar kan weggeknipt worden, zeg je, en onder dat haar kan best een mooi meisje schuilen, zeg je. Maar dat deed Gloria niet, haar haar wegknippen, nooit. Integendeel, dat haar bleef groeien, zelfs op plaatsen waar je ’t geenszins zou vermoeden. Ze toonde zich in al haar buitensporige harigheid.
Ik zag het dag na dag langer worden, dat haar van haar. Dat wil zeggen nacht na nacht, want overdag zag ik Gloria nooit. En zelfs… mocht ik haar gezien hebben, dan zou ik het hier niet toegeven, zo lelijk was ze met al dat haar. Paula en Claudia zag ik overdag trouwens evenmin en ook voor hen geldt wat ik hier voor Gloria laat gelden, ik zou ‘t niet toegegeven hebben mocht het anders geweest zijn.
Maar het was niet anders. We zagen elkaar nooit overdag. Het was des nachts dat we elkaar ontmoetten, minstens drie, vier keer per week, soms nacht na nacht, en zo deden we dat een hele liefdeszomer lang. Het was onze lange hete zomer. Paula, Gloria, Claudia en ik ontmoetten elkaar in ’t duister van donkere stegen. We deden ‘t met elkaar in ’t donker van verduisterde vertrekken, in onverlichte kamers van leegstaande huizen waar niemand ons zag binnengaan of buitenkomen. En als we echt veel zin hadden, maakten we een afspraak, wij gevieren, aan de bosrand, waarna we ’t woud introkken, waar we elkaar namen op een bed van dennennaalden, in de schemer van de schemering. De dieren stoven uit elkaar bij ’t aanschouwen van zo’n lelijk schouwspel en de vogels vloden heen. Ja, we waren lelijk, maar we waren ook jong & heet en we hadden lak aan het morele kader dat mooie mensen voor ons bedacht hadden.
Flor Vandekerckhove



maandag 18 januari 2016

Naar ‘t Hazegras


Nog honderd dagen te gaan! We waren vast van plan om een voorafname op onze volwassenheid te nemen, die, zo dachten we, vlak om de hoek lag. We hadden rare hoedjes opgezet, de schoolpoort achter ons dicht gekwakt en om de hoek, bij Schete, hadden we een glas bier gedronken, sommigen zelfs twee. Daar hadden we Michel Polnareff uit de juke box gehaald, La poupée qui fait non, een hit die we hard meegezongen hadden. Opgehitst door onszelf trokken we verder. We hadden het zo heet dat we onze jassen moesten ontknopen. ’t Was januari. We lachten uitbundig en wisten niet waarom. We zwalpten over ’t voetpad om te tonen dat we dronken waren en misschien waren we dat ook. Daniël liep tegen een verkeersbord aan en kwakte tegen de grond. Met vier man trokken we hem recht, ik zette hem zijn hoedje weer op en de tocht ging verder. Vrouwen die we nariepen staken haastig de straat over. Freddy riep: naar ’t Hazegras, naar ’t Hazegras! Zijn kreet werd deze van een spreekkoor: naar ’t -Ha-ze-gras! Naar ’t -Ha-ze-gras!
De hoeren van die wijk, die ons van verre hadden zien aankomen, sloten haastig de deuren, niet uit schrik, maar omdat ze goed wisten dat we ’t geld niet hadden om hen te betalen. De gevels weerkaatsten onze kreten die daardoor in kracht verdubbelden, wat ook nodig was, want uit onszelf hadden wij niets, echt niets, wat in die wijk enige indruk had kunnen maken, al dachten wij daar anders over.
Jean-Pierre herinnerde ons eraan dat dikke Blomme in die buurt een bar had en dat we daar ook zonder geld welgekomen zouden zijn. Het spreekkoor nam zijn suggestie enthousiast over: dik-ke-Blom-me! Dik-ke-Blom-me! We wisten niet waar die bar zich juist bevond, maar het toeval, dat zoals je weet in zo’n wijken woont, hielp ons goed op weg, almaar dieper in dat Hazegras.
Vlak voor we er passeerden zwiepte de deur open. Een matroos, half in uniform, strompelde naar buiten. Iemand gooide, wreed lachend, de rest van zijn kleren achter hem aan. Die iemand stond in het deurgat en boog zich om ‘s mans matrozenpots op te pakken. Ze had een rokje aan dat nauwelijks langer was dan de riem die het ophield. Onbeschaamd toonde ze ons haar broekje. De matroos scharrelde de pots op die het meisje van uit het deurgat naar hem gegooid had, terwijl ze hem boosaardig bleef uitlachen. Ik herkende haar meteen. Ze was een meisje uit mijn wijk, nauwelijks ouder dan ikzelf. Zij had mij gelukkig niet herkend. Dat moest de bar van dikke Blomme zijn, dat kon niet anders, want ook hij had in die wijk gewoond. 
Ik was zo verbouwereerd dat ik de anderen daar niet op wees. Het tafereel had er bij mij hard ingehakt en verwarring werd mijn deel. Wat ik gezien had was vreselijk, al wist ik niet waarom. Een gevoel van grote eenzaamheid viel over me. De groep trok verder door de straatjes van het Hazegras, luid roepend: Dik-ke-Blom-me! Dik-ke-Blom-me!  Zelf liet ik me een beetje afzakken, stak me weg in een portiek, smeet dat rare hoedje in een vuilnisbak en nam de tram naar huis.
Flor Vandekerckhove

zondag 17 januari 2016

Esau & Jacob


— Jager Esau drinkt de soep waarmee boer Jacob hem de erfenis afgekocht heeft. De landbouw neemt het over van de jacht. —

Er zijn haast geen vissers meer in Oostende. Da’s vreemd, want tot halverwege de XXste eeuw was dat nog een echte vissersstad. Wat is er eigenlijk gebeurd? Wanneer is ’t slecht beginnen gaan? Komt het door die van Zeebrugge? Is het de schuld van de Europese Unie? De kabeljauwoorlogen? De sossen? D‘Ollanders’? Zoveel mensen, zoveel meningen. (Alleen de reders blijven, vreemd genoeg, altijd buiten schot.)
Kent u het verhaal van de tweelingbroers Esau en Jacob? De eerste was een jager, de tweede een boer. Esau, de eerstgeborene, placht bij nacht & ontij op pad te gaan. Veelal kwam hij uitgehongerd weer naar huis, vuil en smerig, stinkend naar ’t zweet. Moeder Rebecca vond dat maar niets. Haar oudste had, zo zei ze, geen manieren.
Jacob daarentegen was haar keppe. Hij zorgde voor de lochting. In tegenstelling tot zijn broer was hij altijd proper gewassen, geschoren en gekamd. En zijn lochting leverde altijd wel iets op: patatten en tomatten op een roe, zoals Ivan Heylen het destijds zo onomwonden zong.
Voorzien van zijn goeie manieren stond Jacob in het deurgat weer eens Esau op te wachten. Het was al laat toen die eindelijk opdaagde. Scheel van de honger vroeg hij Jacob om een kom soep. Linzensoep, wat dacht je?
Voor iets hoort iets, zei de gemanierde, maar voor de rest ook zeer geslepen Jacob, ik zal je soep opwarmen, maar alleen als je afstand doet van je eerstgeboorterecht. Esau die, zoals gezegd, scheel van de honger was verkwanselde daar, op dat moment, zijn erfenis. De voedselproductie zou in de toekomst niet langer de wilde jager toebehoren, maar de tamme boer.
Deze historie, die in de Bijbel staat en dus gebaseerd is op waar gebeurde feiten, is 't verhaal van de neolithische revolutie, een omwenteling die 7.000 à 10.000 jaar geleden heeft plaatsgevonden. Verwonderlijk is 't dus niet dat er nu haast geen Oostendse vissers meer zijn. Verwonderlijk is wel dat ze — jagers toch?! — het daarna nog zo lang uitgehouden hebben.
Flor Vandekerckhove



vrijdag 15 januari 2016

En opeens waren het er 1460


Het boek komt helemaal uit Amerika en nu ligt het hier voor mij, Symphony for the City of the Dead, een werk over de zevende symfonie van Sjostakovitsj, de Leningrad symfonie. Ik heb er lang op gewacht en wil het nu dolgraag lezen. Ik ga voor het raam zitten, voeten op de bank, deken over de benen en ik sla het boek open. Maar eerst moet ik naar mijn mailbox kijken, want — ping! — er is post.
De openbare bibliotheek van Oostende meldt me dat er een boek klaar ligt. Dat heb ik uit de bib van Avelgem laten overkomen, want in dat dorp hebben ze werken waarvoor ze in Oostende de neus ophalen: Vasili Grossman en het Rode Leger 1941-1945. Een schrijver in Oorlog. Ik werp de deken van me af, neem de tram, haal het boek in huis, installeer me weer voor het raam en denk na. Welk boek ga ik eerst nuttigen? Sjostakovitsj of Grossman?
Weer klinkt de bel, ping! In de postbus valt nu een bericht van het Masereelfonds dat me vraagt of ik in Oostende een gesprek wil modereren tussen Tine Hens, Stephen Bouquin en John Crombez. Die drie hebben niet alleen met elkaar gemeen dat ze linkse mensen zijn, maar ook dat ze onlangs een links boek geschreven hebben. Ja, ik wil dat wel doen, dat gesprek modereren, maar neen, ik heb die boeken niet gelezen.
Dat vindt ‘t Masereelfonds geen probleem. Ik mag de werken gratis afhalen. Ik werp de deken van me af, neem de tram, haal ook die boeken in huis en installeer me weer voor het raam dat nog nauwelijks licht doorlaat, want op de vensterbank ligt bovenop Sjostakovitsj (456 pagina’s) en Grossman (458) nu ook Het klein verzet, 292 pagina’s, van Tine Hens en Helemaal anders, 254, van Stephen Bouquin. Een stapel papier, 1460 pagina’s dik, belemmert me het uitzicht. In die stapel moet ik nu bladzijde na bladzijde verlichting proberen in vinden. Maar eerst ga ik een beetje bladeren.
Bouquin vindt dat het tijd wordt ‘dat de linkerzijde zichzelf heruitvindt, van woede en hoop een kracht maakt en het helemaal anders aanpakt.’ Ik blader door Helemaal anders en stoot op boude uitspraken. De auteur pleit voor ‘een politiek van ongehoorzaamheid’ die uitmondt in ‘een nieuwe grondwet’. Krasse taal, maar toch niet krasser dan wat de bende van De Wever zegt, want ook die wil een nieuwe grondwet, zij het een andere dan deze die Bouquin op ’t oog heeft. Het is een op 't eerste gezicht theoretisch boek dat ons ‘inzicht en kennis’ wil bijbrengen, ons wil laten ‘verder kijken dan het hier en nu.’
Kijken naar het hier en nu is dan weer wat Tine Hens doet. Want, zegt ze, ‘Het is niet omdat een mens in theorie weet dat het anders moet, dat hij het ook anders doet.’ In heel Europa gaat ze op zoek naar vormen van klein verzet tegen het idee dat TINA heet, There Is No Alternative. Is het mogelijk, vraagt ze zich af, dat dergelijke initiatieven ‘de economie heroveren’?
Indien u zich dat ook afvraagt of indien u de mening toegedaan bent dat links zich moet heruitvinden, dan moet u op woensdag 20 januari om 20 uur zeker naar het dienstencentrum De Boeie in Oostende trekken. Daar, in de Kerstraat 35, gaat John Crombez, voorzitter van de sp.a,, in gesprek met die twee auteurs.
Men zegge het voort!
Mij ga je een tijdje niet meer horen, want ik heb eerst nog een stapel leesvoer te verwerken. Oei — Ping! — daar gaat dat belletje weer. 
Flor Vandekerckhove

° Stephen Bouquin,  Helemaal anders. Uitg. Critica. 254p. ISBN 9789082383003. Prijs 15.00 €.
° Tine Hens, Het klein verzet. Uitg. EPO 2015, 3de druk. Paperback 292p. ISBN: 9789462670044. prijs: 20.00 €.

woensdag 13 januari 2016

Een golfbreker is (g)een strandhoofd


Ik heb het hier al eens gezegd: het blijft moeilijk dat Nederlands. We blijven ermee worstelen. Dat blijkt ook nu weer in een stukje dat ik onder de titel Fotoclub De Duinentrekkers gepubliceerd heb. Daarin heb ik het terloops over een foto waarmee ik ooit een wedstrijd gewonnen heb, een foto van een golfbreker.
Daar heb ik een commentaar op gekregen vanwege Dirk Reunbrouck, in de volksmond bekend als Dirksje: ‘Ja, ik weet het, ‘t is muggenziften, maar in je stukje spreek je over de foto van een golfbreker. Maar was dat wel een golfbreker? Was het geen strandhoofd?’ En hij legt me het verschil uit. ‘Een golfbreker is een dijk of een wal die meestal evenwijdig aan de zee gebouwd wordt. Bedoeling ervan is de kracht van inslaande golven te verminderen. De strekdammen voor de havens van Oostende en Zeebrugge zijn golfbrekers.’ Wat ik in dat stukje een golfbreker noem is iets anders. Dat is een strandhoofd. ‘Zo’n strandhoofd wordt dwars op de golven gebouwd. Het bouwwerk dient niet om de golven te breken, maar om te beletten dat het strand erodeert, dat het met andere woorden wegspoelt.’
Dat vind ik straf. Maar Dirksje blijkt gelijk te hebben. Hij stuurt me een artikel op dat zijn woorden beaamt. Bij dat artikel staat ook een luchtfoto die ik hier overneem. We zien een strand met een aantal golfbrekers die er geen zijn, want het zijn strandhoofden. Het onderschrift luidt als volgt: ‘Opeenvolgende strandhoofden resulteren in de loop der tijden in het typische zaagtandpatroon van de kustlijn. Het sedimenttransport evenwijdig aan de kust veroorzaakt aanzanding aan de bovenstroomse zijde van het strandhoofd en erosie aan de afwaartse zijde.’ Zelf begrijp ik de begrippen bovenstroomse en afwaartse zijde niet zo goed, maar het zaagtandpatroon is op de foto wel duidelijk te zien.
Dat is toch wel godgeklaagd, vind ik. Ik ben zevenenzestig. Bijna zestig jaar loop ik al langs ’t strand, en nog nooit heb ik op dat zaagtandpatroon gelet. Is dat niet erg? En nooit eerder heeft iemand me gezegd dat een golfbreker geen golfbreker is maar een strandhoofd. Is dat niet merkwaardig?
Maar nu valt me opeens iets te binnen. De pier, het staketsel… zeggen we daar in onze contreien ook niet ‘t hoofd tegen? ’t Hoofd is dus een groot uitgevallen strandhoofd, net zoals de door ons verkeerdelijk genoemde golfbrekers kleinere strandhoofden zijn.
Pffff, ik weet niet wat er verder mee moet aanvangen. Moet ik voortaan strandhoofd schrijven waar ik golfbreker bedoel? Wat denkt Dirksje daar eigenlijk van? En wat denkt u ervan? Eerst dacht ik het nog op te lossen door het in de toekomst alleen nog, op z’n West-Vlaams, over de katéje te hebben, maar dat lost het probleem niet op, want wat is dat dan zo’n West-Vlaamse katéje? Is ‘t een golfbreker of is ’t een strandhoofd? Mag je alleen maar ’t hoofd een katéje noemen? Of net niet?
Flor Vandekerckhove

P.S.1: Dirk Reunbroeck laat me achteraf nog iets weten over die bovenstroomse en afwaartse zijde, uitdrukkingen die ik niet goed begrijp. ‘Dit’, zo zegt hij, ‘heeft te maken met de stromingen. Aan onze kust is de vloedstroom sterker dan de ebstroom en zet dus meer zand af aan de westkant van het strandhoofd. Op de foto zie je aan de westkant van het strandhoofd goed de verzanding.’ Ik kijk naar de foto en moet eerlijk toegeven dat ik dat helemaal niet zie. Wat ik wel zie is dat het strand in de verte smaller is dan vooraan op de foto, maar da’s wellicht niet ter zake doend. Ik zie ook dat het water tussen twee golfbre… sorry strandhoofden verder oprukt dan op de plek waar die strandhoofden de golven gebroken hebben. Vandaar dat we, blijkbaar verkeerdelijk, denken dat het golfbrekers zijn. Maar ben ik dan verkeerd wanneer ik zowel links als rechts van die strandhoofden evenveel zand zie liggen?

P.S.2: En dit is wat germanist Gilbert Vanleenhove me over golfbrekers en strandhoofden laat weten: 'Ook al lijken al die benamingen op het eerste gezicht een beetje synoniem van elkaar, toch maakt Van Dale ook een onderscheid in de functie van die bouwwerken. Het zal wel zo zijn dat deze termen voor technisch gebruik meer verfijnd worden. Dirk heeft dus ongetwijfeld gelijk. In de volksmond echter is een strandhoofd nog altijd een golfbreker.  En als we dat lang genoeg blijven gebruiken, dan wordt dat misschien écht zo. Ook al vind ik ‘katéje’ minstens even aantrekkelijk.'

zaterdag 9 januari 2016

Fotoclub De duinentrekkers

— Van links naar rechts: Bert Tas, Erik Poppe, Roland Vanmassenhove, Christiaan Charlé (†), Pierre de Maeyer, Gilbert Coenye, Flor Vandekerckhove, Hugo Pauwels —

Ik zal het maar meteen zeggen, De duinentrekkers is niet de echte naam van de fotoclub. Ik heb die naam moeten verzinnen, want niemand blijkt te weten hoe die club destijds heette. Misschien had hij wel géén naam en zegden we gewoon, zoals het feitelijk ook was: de fotoclub van Chris Stuyts, want hij was er de stichter & bezieler van. Misschien is hij het wel die bovenstaande foto gemaakt heeft; mooi beeld trouwens. Maar in die tijd zegden we niet ‘een foto maken’. Evenmin ‘namen’ we foto’s. We zegden: een foto ‘trekken’. En omdat de fotoclub in Bredene Duinen actief was, is duinentrekkers wel een logische naam, vind ik.
Ik meen me te herinneren dat ik een wedstrijd van die fotoclub gewonnen heb. Onderwerp was de natuur en ik heb daarin de eerste prijs behaald met de foto van een golfbreker. Misschien merkt u op dat een golfbreker echt niet tot de natuur gerekend wordt. Waarin ik u alleen maar kan bijtreden. En ik herinner me ook een fototentoonstelling die in de tearoom Venise doorgegaan is. Voor de rest laat mijn geheugen me in de steek, maar ik ben dus wel lid geweest, zoals ook de anderen die op de foto staan. Hun heb ik bijkomende info gevraagd. Veel heeft ‘t evenwel niet opgeleverd.
We herinneren ons allemaal voorzitter Chris Stuyts (†), maar zijn overlijden, op jonge leeftijd, is enigszins in nevelen gehuld. Ik denk dat hij op zee omgekomen is, van zijn jacht gevallen, terwijl hij van Oostende op weg naar Engeland was. Erik Poppe beaamt: hij is verdronken. Hugo Pauwels denkt dat hij daarbij zelfs vermist gebleven is.
Hugo herinnert zich enigszins iets van die fotowedstrijd. En verder: Ik ben ook een aantal keren thuis bij Chris Stuyts in de doka foto’s gaan ontwikkelen maar ik weet niet of ook andere leden van de fotoclub van dit voorrecht genoten. De resulterende ‘kunstfoto’s’ heb ik niet meer.’
Erik herinnert er zich evenmin veel van: ‘De fotoclub van Chris had ik blijkbaar volledig uit mijn geheugen gebannen. Toen jij er een tijdje geleden allusie op maakte, kwam die herinnering heel langzaam weer. Nu je melding maakt van een fotowedstrijd (die jij blijkbaar gewonnen hebt, proficiat bij deze) en van een fototentoonstelling, herinner ik mij dit ook wel weer, maar zeer vaag. Ik zou gedomme niet weten in welk jaar dat was.’
Dat is altijd het ogenblik waarop we Ivan Schamp inschakelen, want hij heeft destijds niet alleen alles opgeschreven, hij heeft daarna ook alles bijgehouden. Daardoor weten we nu met zekerheid dat de fotoclub niet voor 24 december 1964 actief geweest is en dat hij op 22 oktober 1966 'opgeruimd' werd. Ik weet niet goed wat dat ‘opgeruimd’ wil zeggen, maar de notities van Ivan laten ons wel toe om te stellen dat bovenstaande foto uit de periode 1964-’66 dateert. We waren pakweg zestien jaar jong. Ah!
Hier stopt dit stukje over de fotoclub. En dan gebeurt dit — Ik moet eerst nog zeggen dat ik nagelaten heb om Pierre de Maeyer informatie te vragen, wat ik wel gedaan heb aan de anderen die op de foto staan. Ik weet niet hoe dat komt, misschien wel doordat Pierre in Torhout woont — Maar dan gebeurt dit. Ik plaats het stukje in de blog waar het op het internet terechtkomt. Zeer rap, misschien wel niet tegen de snelheid van het licht, maar toch zeer rap, verspreidt het zich over de globe. Onderweg komt het terecht in Torhout, waar het gelezen wordt door Pierre de Maeyer, destijds lid van de fotoclub. 
Pierre antwoordt vliegensvlug. Hij zet dat antwoord op zijn computer en via datzelfde internet, en aan dezelfde snelheid, komt het in mijn brievenbus terecht. Wat blijkt? Pierre weet nog heel veel over die fotoclub, zoveel zelfs dat ik dit stuk eigenlijk zou moeten herschrijven. Wat ik uiteraard niet ga doen, want 't is een mooi verhaal. Maar wat ik niet mag weglaten is wat Pierre over de dood van de voorzitter zegt: 'Wat Chris Stuyts betreft: het is een feit dat hij een ervaren zeiler was. Hij is voor de Engelse kust, in stormweer, overboord geslagen, terwijl iedereen onderdeks zat. Niemand heeft het zien gebeuren. Plots was hij weg. Zijn echtgenote is hem dan na anderhalf jaar of meer gaan identificeren in Engeland. Was hij het of niet? Maar hij was dus overleden en niet langer vermist. In ieder geval kwam er zo een einde aan haar financiële moeilijke periode. De verzekeringspremie werd uitbetaald. Dit is in het kort samengevat het trieste verhaal van Chris Stuyts.'
Flor Vandekerckhove


Zelf had ik alle hoop opgegeven. Meer dan enige vage herinneringen zouden we niet overhouden aan deze fotoclub die toch gedurende een wijle onze jeugd verblijd heeft. Dat was niet alleen buiten Pierre de Maeyer gerekend die het trieste einde van clubvoorzitter Chris Stuyts nog aan de vergetelheid heeft kunnen ontrukken, maar 't was ook buiten Roland Vanmassenhove gerekend die nog een mapje liggen heeft waarop niet alleen het thuisadres van de club vermeld staat, maar ook de naam. Dat was uiteraard niet het poëtische Duinentrekkers, maar het kurkdroge GEVAERT FOTOCLUB BREDENE.
— Van links naar rechts: Roland Vanmassenhove, Bert Tas, Gilbert Coenye, Flor Vandekerckhove, Pierre de Maeyer, Erik Poppe, Hugo Pauwels, Ivan Schamp, Chris Stuyts (†), Christiaen Charlé (†).

donderdag 7 januari 2016

Vier op de schaal van Rastelli

— Enrico Rastelli (1886-1931) —
Hugo Claus slaat als zeventienjarige de ouderlijke deur achter zich dicht om daarna alleen nog met kunst bezig te zijn. De door mij erg bewonderde Victor Serge reist als negentienjarige naar Parijs om daar de Bande à Bonnot op te zoeken. Picasso is negentien wanneer hij naar Parijs trekt om het daar te maken. Op welke leeftijd slaat Kim Cleysters haar eerste balletje? Hoe jong is Mozart wanneer hij zijn eerste noot aanslaat? Op welke leeftijd slaat Kasparov zijn eerste paard? Hoe oud is Al Capone wanneer hij zijn eerste slag slaat? Moraal: je moet er vroeg aan beginnen. En nadat je vroeg begonnen bent moet je er lang mee doorgaan. Daar bestaat een boek over, Uitblinkers, van de Canadese auteur Malcolm Gladwell. Het duurt 10.000 uren, zegt die mens, om ergens goed in te worden.
Ik zie dat je een geeuw onderdrukt, want, zo denk je, nu trapt hij een open deur in. Alsof we dat niet zouden weten: oefening baart kunst. Maar ’t is iets anders wat ik zeggen wil. 
Die snotneuzen weten al op jonge leeftijd waarvoor ze willen gaan en ze doen dat ook, compromisloos. Da’s iets waarin ik mijn eigen negentienjarige zelf niet herken. Op die leeftijd weet ik helemaal niet waarvoor ik wil gaan. Ik weet zelfs niet of ik überhaupt ergens voor wil gaan. Hoe dat komt? Ik zou ’t niet weten. Heeft het met het milieu te maken waarin ik opgroei? Karaktergebreken? Een langgerekte puberteit? Geen kloten aan mijn lijf? Waarbij ’t ene ’t andere niet uitsluit. Het heeft er hoe dan ook voor gezorgd dat ik een laatbloeier geworden ben. Vandaar dat ik je nu iets over laatbloeiers wil meedelen. 
Ik ga al naar de veertig als ik begin te joggen. Haal ik ooit de conditie van die andere veertigjarige, die al van zijn twaalfde aan ’t hardlopen is? Goh neen. Die vroegbloeier blijft voor mij uitlopen. Die valt niet meer bij te benen. Daar bestaan studies van, dat staat in tabellen vermeld, dat is in curven gegoten. Stel dat ik vandaag een muzikaal talent in mezelf ontdek en een piano in huis haal om te oefenen, vier, vijf uur per dag, misschien zelfs acht, want ik ben met pensioen, ik heb tijd. Nooit zal ik het pianospel van dat mens van hiernaast evenaren, want zij oefent al van haar twaalfde.
Dat geldt uiteraard ook voor ’t schrijven, al wordt dat door sommigen betwist. Dat komt echter alleen maar doordat die sommigen denken dat ze kunnen schrijven. Doordat ik vijfentwintig jaar lang redacteur van een tijdschriftje geweest ben, weet ik wel beter.
In een cursiefje heeft Simon Carmiggelt het over circusartiesten: ‘Kober schrijft het ook in zijn klassieke circusboek Die Grosse Nummer (1925). Hij zegt dat de goede jongleurs het pas na jaren brengen tot het beheersen van zes ballen. Maar nóóit acht. Dát kon alleen Rastelli, die dan ook zes uur per dag repeteerde en alleen leefde voor zijn nummer. Voor het bovenmenselijke wonder, dat hij elke avond vertoonde. En dat nooit meer is geëvenaard.’
Terug naar het schrijven. Je hebt weinig auteurs die acht ballen tegelijk in de lucht houden. Wie er vroeg aan begint kan het na vele jaren met zes. Zelf ben ik er pas aan begonnen toen ik de veertig naderde. Meer dan vier ballen zal ik daardoor wellicht nooit in de lucht kunnen houden. Maar, zo zeg ik dan, vier ballen! Op de schaal van Enrico Rastelli is dat niet niks, zeker voor iemand die, toen hij negentien was, geen kloten aan zijn lijf had.
Maar ik ben er nog niet helemaal. Soms laat ik nog een balletje vallen, zoals nu. Het ging nochtans goed, tot hiertoe, maar nu vind ik geen bevredigend slot voor dit stukje. Blijven oefenen, blijven oefenen.
Flor Vandekerckhove


dinsdag 5 januari 2016

Tabakzakken


Marc Loy stuurt me de foto. Een zeehond. Hij doet dat for old times’ sake, want meer dan een halve eeuw geleden hebben wij met zo’n beest een avontuur beleefd.
Bredene, 1960 — Marc en ik zijn tien, elf jaar. Op ’t strand ontwaren wij een oude visser die met zijn pettestok op zo’n zeehond staat te meppen. Wat bezielt die mens? Het is hem om de zeehondenhuid te doen. Die kan hij verkopen, daar worden tabakzakken van gemaakt. Marc en ik vinden dat dikke vette zever. We nemen het op voor de zeehond. Terwijl die vent mept & mept, bedenken wij een strategie. Terwijl ik met veel misbaar de ouwe van de zeehond probeer weg te houden, holt Marc naar het politiebureau. Onze strategie faalt jammerlijk. Op ’t politiebureau hebben ze iets anders te doen en met lede ogen zien we hoe het inmiddels doodgeslagen beest door die ouwe in een patattenzak wordt afgevoerd. Het tafereel is ‘diep mij in den kop gebleven’, dieper zelfs dan ‘t Kruiske, zodat ik ‘t nooit vergeten zal.
Bredene, 2016 — Stel… Marc en ik zijn weer tien en elf. We mogen op ’t strand gaan spelen, maar we moeten wel onze telefoons meenemen. Daar zien we weer datzelfde tafereel. Marc neemt zijn iPhone en belt naar Gaia. In afwachting dat Michel Vandenbosch ons te hulp vliedt, nemen we een selfie, die ouwe tussen Marc en ik, kameraadschappelijk geschaard rond de zeehond. Marc heeft ook een sms naar de pers verstuurd. De tv stuurt er een ploeg op af. Voor de camera geven we elk onze versie, maar aan de zeehond, zo merkt Michel terecht op, wordt weer eens niets gevraagd. De politie is intussen door het Blankenbergse Sea Life Center getipt en besluit een perimeter in te stellen. Marc en ik weten niet eens wat een perimeter is, want we zijn tien, elf jaar. Er worden foto’s gemaakt. Die mogen in Bredene helaas niet gepubliceerd worden omdat de zaak daar te gevoelig ligt. Een drone van de luchtmacht doorklieft het luchtruim. ‘Kijk,’ zegt Marc, ‘een drone.’ Terwijl we naar de drone kijken krijgt de zeehond nog een dreun. Door de klimaatopwarming dreigt het opkomend tij de perimeter te overspoelen. De drone vliegt op de Thorntonbank te pletter tegen een windmolen. Van de weeromstuit heropent Electrabel een lichtjes gescheurde kerncentrale. De politie onderzoekt de woning van die ouwe. Daar vinden ze geen tabakzakken, maar wel een wietplant. Reden genoeg om het dreigingsniveau naar 4 op te trekken. In een inderhaast gehouden internetenquête eisen de Bredenaars meer blauw op 't strand. Massabijeenkomsten, zoals de bedevaart naar ’t visserskapelletje, worden afgeschaft. Het vuurwerk van 21 juli mag wel doorgaan, maar alleen binnenskamers. De dochter van Ivan en Jeannot wordt tot burgemeester van Bredene verkozen…
 ‘k Ga niet zeggen dat alles vroeger beter was, maar geef toe… En de tabakzakken waren steviger, dat weet iedereen. Daar tegenover staat dan weer dat ze een visgeurtje hadden.

Flor Vandekerckhove

maandag 4 januari 2016

Leren schrijven met Simon Carmiggelt

— Simon Carmiggelt (1913-1987) —
Dat komt ervan. Ik schrijf hier een stukje over Herman Moerman, waarin ook de naam Simon Carmiggelt valt en prompt begin ik Kroeglopen 2 te lezen, het enige boekje met Kronkels dat ik in de kast heb staan. 't Wordt tijd dat ik er werk van maak, want het houthoudend papier begint al te kraken, 't is een oud boekje. Vroeger heb ik van die Carmiggelt al Een Hollander in Parijs gelezen en dat is me toen niet zo goed bevallen, Kroeglopen daarentegen vind ik klasse. Wat ik destijds ook gelezen heb is Mijn beter ik van Renate Rubenstein, waarin ze, na de dood van de schrijver en diens echtgenote, haar geheime liefdesrelatie met Simon heu ontbloot. Rubenstein illustreert overigens goed wat ik in het Moermanstukje schrijf: onbelangrijke gebeurtenissen uit A’dam worden wel in Bredene gelezen, het omgekeerde niet.
Carmiggelt (1913-1987) is net als mijn held A.L. Snijders een veelschrijver. Dat moet wel, want hij levert gedurende vele jaren dagelijks een stukje aan Het Parool, de krant waarmee hij al van in z’n verzetstijd nauw verbonden is. Over die veelschrijverij zegt hij zelf: ‘Mijn werkwijze verschilt niet wezenlijk van die van romanschrijvers. Vanzelfsprekend, mijn tempo wordt gedicteerd door de krant, ik moet iedere dag zo'n column in Het Parool schrijven. Maar een romanschrijver schrijft per dag evenveel als ik, of meer. Shaw deed het niet beneden de vierduizend woorden per dag. Bij mij is dat veel minder. Het enige verschil met een romancier is, dat ik iedere dag een afgerond geheel moet schrijven.’
Carmiggelt is goed, maar niet zo goed als Snijders. In Kroeglopen 2 lees ik iets over een receptie. De schrijver gaat er heen, maar niet van harte. Hij beschrijft de ergernis die hem daar overvalt en gaat er gauw weer vandoor. En dan staat daar het mooie:
‘Het regende hevig.
Dat was wel fijn.’
Daar had het moeten stoppen, vind ik. Ik denk dat A.L. Snijders dat ook vindt. Maar Carmiggelt breit daar nog een hoop woorden aan. En hij weet dat hij over de schreef gaat: ‘Ach, ik moet dit stukje eigenlijk helemaal niet schrijven, maar die pen gaat door, ik kan er niets aan doen.’ De waarheid is wellicht dat hij de hem toegemeten ruimte in de krant nog niet helemaal gevuld heeft en bijgevolg nog een beetje moet doorgaan.
Toegegeven, dat doet maar weinig af van ‘s mans meesterschap dat hierin gelegen is: ‘De dingen die je beschrijft moet je wel ergens ervaren hebben, maar je moet ze opnieuw liegen (…) Of iets waar gebeurd is of niet kan de lezer geen donder schelen. Hij moet hetgeen hij leest als waar ervaren, dat is alles.’
Ik heb van die mens nog veel te leren, zoals bijvoorbeeld dit: ‘Toen ik jong was moest ik leuk schrijven. Mijn verhalen moesten bovendien een plot hebben. Dat hoeft tegenwoordig niet meer. Ik kan nu over veel meer onderwerpen schrijven. Zonder pointe. Zo maar.’
Zonder pointe, zo doet A.L. Snijders dat ook. Zelf durf ik dat nog altijd niet volop te doen. Ik zit nog in het stadium waarin ik leuk gevonden wil worden. Ja, er is nog werk aan deze jongen. Ik buig het hoofd voor meester Carmiggelt die ik wellicht nooit zal evenaren. Vertwijfeld door mijn onkunde tuur ik naar buiten en zie dat ’t alweer donker aan 't worden is. Het regent hevig. Dat is wel fijn.
Flor Vandekerckhove

(*) De citaten van Carmiggelt over het schrijverschap komen uit Jan Brokken, Schrijven. De Arbeiderspers, A’dam. 1980.