donderdag 6 augustus 2015

Dit is een aankondiging

— De Hendrik Baelskaai, deel van de Oosteroever in Oostende, het verleden in vager wordend sepia en een rooskleurig getekende toekomst —

Er is iets met het gebied dat in Oostende Oosteroever genoemd wordt, de kant aan gene zijde van de geul, het gebied dat door de haven van de stad gescheiden wordt, en niet alleen in afstand. Maar, zo vraagt een mens zich af, is er dan ook een Westeroever? Dat blijkt niet het geval te zijn, toch niet in Oostende waar men dat begrip niet kent. Daar heet deze zijde gewoon de stad. Mmmm, behoort de Oosteroever dan niet tot de stad? Laat het ons bekijken.
De grond is lange tijd gebied van de naburige gemeente Bredene geweest. Het is pas in 1897 dat het daar helemaal Oostende wordt. In die tijd spreekt men nog over Liefkemores, een gepolijste versie van lisjemorre, verwijzend naar lis & modder; geen stad dus. Later wordt het bebouwd en vuurtorenwijk genoemd, een negerdorp; geen stad! Nog later wordt het de biotoop van de laatste Vlaamse jagers, de vissers, die uit de stad verstoten worden, wanneer het toerisme er de zaak in handen neemt. En altijd is er dat gevoel: dit staat los van de stad, dit is anders.
Ik ben er in 1988 gaan wonen. Toen ik er acht jaar later weer vertrokken ben, heb ik het karakter van die plek proberen te beschrijven. 1996: ‘Een sportterrein naast een baggermaatschappij, naast een verlaten militaire basis. Scheepswrakken waarop verstotenen der aarde komen overnachten en vrijen, spuiten ook. Dingen die het daglicht niet mogen zien, een vuur dat in de duinen aangestoken wordt. Vreemde vogels en dwergkonijnen aldaar achtergelaten door stedelingen. Wat is het verband tussen dat alles of het zou ikzelf moeten zijn? Waarom ga ik daar dan weg? Zeker, er staat schimmel op de muren van het huis waarin ik woon, houtrot maakt dat ik de ramen niet open krijg en deze die helaas open staan niet dicht. Wat heeft de deur dichtgedaan? De schoorsteen die aan diggelen valt? Of is ’t de niet aflatende aanwezigheid van… laat ons ze initiatiefnemers noemen. De Europese Unie die geld heeft om het gebied een nieuwe bestemming te geven; promotoren die de dingen opkopen; politici die de leegte met macht bedekken; de jachthaven die er vroeg of laat zal komen en daarmee ook de winnaars van de rat race die hun tupperware-boten tegen de kaai gaan leggen, vlak voor de gebouwen die niet langer lege pakhuizen zullen zijn…’ Ik herlees die woorden en weet waarom ze ontoereikend zijn. Ik heb iets achtergehouden, iets verzwegen; er is iets wat ik in 1996 nog niet mag zeggen.
Gisteren ben ik er nog eens langs gefietst. De Oosteroever, zoals ik die gekend heb, bestaat niet meer. Een verhaal is afgelopen, een boek wordt dichtgeklapt. Voor ’t eerst in zijn lange geschiedenis maakt het gebied echt deel uit van de stad. En kijk, het grote vergeten is al begonnen. Wie kent het verhaal van Valke nog, toentertijd mijn buurman, die kon vliegen? Wie kan het epos van Rooie Machteld nog navertellen? Hebt u al gehoord over die merkwaardige dag waarop elk vissersschip een man te kort kwam? Wie herinnert zich het mannenbal, een traditie waarbij scheepsherstellers de vissers ten dans vragen? Wie zal zich de vrouw herinneren die klaarkomt van het lachen? Wie weet nog hoe het er in het zwarte café aan toegegaan is? (En dat is nog maar datgene wat spontaan in mij opwelt!) Nu het allemaal voorbij is, nu de Oosteroever stad geworden is, nu ook dit deel van de wereld onttoverd wordt, mag ik het geheim ontbloten. Deze blog zal u inleiden in de Geheimen van de overkant. Kortelings op dit scherm! Komt dat zien! Komt dat zien!

Flor Vandekerckhove

[Dit stuk maakt deel uit van een verhalenproject dat ik opgestart ben en waarbij ik probeer versteende vissersverhalen tot leven te wekken. Wie er meer wil lezen kan aan de rechterkant van de kolom op het label 'Verhalenproject 2015-16' klikken; daar staan er al een twintigtal.]
Een reactie posten