dinsdag 28 juli 2015

Niemand

Op deze foto uit 1963 zien we jonge vissers die in café Zephir deelnemen aan het uitgangsleven. Van links naar rechts, Staand: Ronny Victor en Maurice Devaux; zittend: Marcel Mille, cafébazin Antje, Eddy Serie, Maurice Zanders, Diane de zuster van de waardin, Redgy Goes en Ronny Deschepper. De foto komt uit een reportagereeks over Oostendse visserscafés die oud-visser Eddy Serie voor Het Visserijblad schreef. De reeks verscheen in de jaargang 2011 van dat blad. In die krantenstukken had Serie het zijdelings ook over jeugdbendes en over confrontaties met zeemachtmatrozen. Onderstaand verhaal is evenwel volledig fictief. Het past in een project waarin ik probeer om oude vissersverhalen weer tot leven te wekken. Wie er meer wil lezen, kan rechts van deze blog op het label ‘Verhalenproject 2015-16’ klikken. (Foto collectie Eddy Serie.)

De plechtigheid, waarvoor ze nochtans speciaal aan wal gebleven waren, was in ‘t water gevallen en nu zouden ze zich bezatten. Dat deden ze om te beginnen in de wijk Hazegras — In Oostende zeggen ze óp 't Hazegras —  bij Mong van The Blues. De diensters droegen er korte rokken, strakke blouses, nylons met een zwarte naad en pumps. En ze waren even toegeeflijk met hun lijf als de vissers gul met geld waren. Het bier had rijkelijk gevloeid en de meisjes hadden de mannen danig opgehitst. Van The Blues ging het de stad in, naar de Rembrandt, want ook daar zaten meisjes klaar om de jonge vissers met open armen te ontvangen. Tijd om de Montmartrewijk op te zoeken, de Saint-Tropez en de Turf. En weer ging het verder. Straat na straat, kroeg na kroeg, groeide de groep. Tegen de tijd dat ze de Langestraat bereikt hadden was de bende vijftig man sterk geworden; luidruchtig, rood aangelopen jongens, hitsig, dronken en tot alles bereid. En het was in ’t hart van de uitgangsbuurt dat ze opeens tegenover de matrozen van de marine kwamen te staan. Ook voor hen was de plechtigheid een slag in ’t water geweest, ook de miliciens hadden hun frustratie in een lange kroegentocht weggespoeld, ook zij hadden zich door te kortgerokte diensters laten opzwepen en ook zij waren tot alles in staat. Daar stonden ze nu, recht tegenover elkaar, met daartussen een niemandsland van hooguit vijftig meter; langs de ene kant de vissers, vol misprijzen voor de matrozen van de marine, waarvan ze zegden dat het dilettanten waren. Daar tegenover, de marineblauwe miliciens van de zeemacht die met groot misbaar hun misprijzen toonden voor het zootje ongeregeld dat zo’n bende vissers was. Kroegbazen haastten zich naar buiten om de terrasstoelen binnen te halen, passanten haastten zich naar binnen om buiten niet in de brokken te moeten delen, want dat er geweld in de lucht zat wist iedereen; een dreigende hitte die niet afgekoeld kon worden door de regen die met bakken op verwilderde jongemannen viel die al bezig waren hun prille borsthaar te ontbloten. Er werd geroepen en er werd gesmeten met wat voor handen was: een fiets, een reclamebord, een fles, een losliggende stoeptegel, een glas… Iemand knipte een zakmes open. Onder het toenemende lawaai van wederzijdse verwensingen schoven ze, voetje voor voetje, dichter naar elkaar toe. En opeens barstte het los, een gevecht dat nauwelijks enkele minuten duurde, omdat het al meteen onderbroken werd door de plotse komst van de militaire politie. In een mum van tijd waren alle jongens verdwenen, als waren ze weggespoeld door de overdadige regenval. Maar in ’t midden van de straat, vlak voor de dancing die Van’s heette, bleef er één roerloos liggen. Een messteek, een bloedplas. De vissers, die solidair met de marinesoldaten de kroegen ingevlucht waren, keken van achter de ramen naar het slachtoffer dat hen onbekend was. Het was geen visser en een zeemachtmatroos was het evenmin, het was niemand. Lang kon je evenwel niet blijven kijken, want de Langestraat zou door de gendarmerie afgesloten worden; iedereen vluchtte nu ‘t nog kon.
In de verte klonk al gauw het klagende geluid van de sirene, maar toen de ambulance op de plaats van het delict kwam, bleek dat het slachtoffer verdwenen was; waarheen wist niemand. Terwijl de nacht over de stad viel, legde een loden stilte zich over het uitgangskwartier. Over het slachtoffer werd gezwegen, geen enkele kroegbaas had iets opgemerkt, de meisjes verklaarden dat ze geen van al die jongens kenden, geen enkele vechtersbaas werd aangehouden, het onderzoek leverde niets op. Niemand werd als vermist opgegeven, niemand was verdwenen. Er was wel een bloedspoor dat, vlak voor de regen het had kunnen wissen, opgemerkt werd door een schipper. Hij had het spoor gevolgd dat hem naar de haven leidde. Daar ontwaarde hij, in ’t nachtelijke duister, een naamloos scheepje dat de stoplichten op de pier negeerde en traag het zeegat tegemoet voer. Via de luidspreker hoorde hij de stem van de havenkapitein die het een halt toeriep. Niemand reageerde. De havendiensten richtten hun zoeklicht op het vaartuig, waardoor de schipper zag dat niemand aan het roer stond. Onverstoorbaar, als de veerman die de Styx overstak, voer niemand naar gene zijde van ’t bestaan.
Flor Vandekerckhove



Café Vieux Temps, 1965. Van links naar rechts: Eric Van Sevenant, Willy Maleys, Redgy Goes, Eddy Serie, Maurice Zanders, Lucien Desomer en de dochter van de waard, Marie-Jeanne. (Foto collectie Eddy Serie.)
Een reactie posten