maandag 30 maart 2015

Over Moby Dick (4)

Eerder schreef ik al enkele stukjes over Moby Dick, misschien wel het grootste boek uit de Amerikaanse literatuur en ongetwijfeld 's werelds indrukwekkendste vissersroman. In het laatste stukje had ik het over CLR James, een auteur die Melvilles meesterwerk op geheel eigen wijze interpreteert. Dat interludium had ik nodig omdat ‘s mans visie anders niet te begrijpen valt.
De reis van de walvisjager Pequod is voor James niets anders dan de reis van de moderne beschaving op zoek naar haar bestemming. En die bestemming is de afgrond. Aan boord bevinden zich individuen uit alle rassen & standen en geen ervan blijkt in staat te zijn om het onheil af te wenden. Dat komt, zo stelt James, doordat Moby Dick in 1851 geschreven werd en Melville niet duidelijk kon zien dat de arbeidersklasse de kracht bezat om het tij te keren. Wel voorzag Melville het debacle en voorspelde hij ook dat het Amerikaanse individualisme geen uitkomst zou bieden. Zowel de megalomane kapitein Achab, de eerste stuurman Starbuck als de gelegenheidsmatroos Ismaël beelden dat individualisme uit.
James is bijzonder streng, minachtend zelfs, voor Ismaël, de jonge verteller uit Moby Dick. Die Ismaël is een intellectueel die zee kiest. Ik probeer te vertalen wat James over dat personage zegt. Hij ‘heeft een goede opleiding genoten en hij is leraar geweest. Maar hij verdraagt de sociale klasse niet waarin hij geboren en getogen is, dus trekt hij als arbeider door het leven, hij graaft sloten of wat dan ook. Regelmatig gaat hij onder neerslachtigheid gebukt en wanneer hij zo’n vlaag voelt opkomen dan trekt hij ’t zeegat in.’ En daarna komt een zinnetje dat bij mij hard aangekomen is: ‘Vandaag gaan ze niet meer naar zee — ze vervoegen in plaats daarvan de arbeiders- of de revolutionaire beweging.’ Hola, die zit!
Nu moet je weten dat ik me met die Ismaël erg verwant voel. Over die verwantschap schreef ik eerder een stukje dat je hier vindt. Maar dat specifieke kantje had ik niet opgemerkt. Vreemd is dat, want wat James over Ismaël zegt kun je, met enige nuance, ook over mijn verleden zeggen. ‘Wie herkent Ismaël niet? Hij wil een gewone zeeman zijn, iemand van het volk. Maar het is niet zo dat hij van arbeiders houdt. Het is dat hij autoriteit haat en elke vorm van verantwoordelijkheid. Hij wil geen commandeur zijn, maar evenmin een kok… Wat is er aan de hand met deze jongeman? Hij is even geïsoleerd en bitter als Achab en even hulpeloos. Hij verdraagt de nauwe, benauwde, beperkte ervaring niet die de beschaving hem aanbiedt. Hij haat de hebzucht, de leugens, de schijnheiligheid. Aldus afgesloten van de buitenwereld slaagt hij er evenmin in om uit zichzelf te breken.’ Herken ik daarin een kantje van mezelf? Toch wel ja. En dat is, zo zegt James, geen leuk kantje: ‘Ismaëls leven er in elke blok. En ze zijn gevaarlijk, vooral wanneer ze hun eigen milieu verlaten en tussen de arbeiders werken en leven. Want wanneer Achab, de alleenheerser, de mannen omkocht met geld en drank en hen ophitste om hem te volgen in zijn monomane queeste, dan klopte en juichte Ismaël, de man uit een goeie familie en met een goeie opleiding, met de rest mee. Zijn onderwerping aan de totalitaire waanzin was compleet.’
Daar slaat James toch wel de bal mis, vind ik. Is Ismaël dan niet de enige die de scheepsramp overleeft? Ja toch. Is hij het niet die ons over de jacht op de witte walvis vertelt, ons zodoende de ervaring doorgeeft, zodat wij, lezers uit de XXIste eeuw, er ons voordeel mee kunnen doen? Ja toch. Is dat niet het bewijs dat Ismaël al vertellend uit zichzelf gebroken is? Had hij dat alles kunnen vertellen als hij niet met zijn milieu gebroken had? Neen toch. Waarom ziet James dat niet?
Het antwoord ligt in de politieke ontwikkeling van de auteur. James schrijft zijn essay in 1953. Hij heeft enkele jaren eerder met het trotskisme gebroken, waarin hij veel Ismaëls ontmoet heeft, jonge intellectuelen die met hun burgerlijke milieu breken en inderdaad tussen de arbeiders gaan werken. In 1953 is James de mening toegedaan dat de wereld daarmee niet geholpen wordt, integendeel, en dat de arbeiders zich zelf wel in arbeidersraden zullen organiseren om de Achabs van deze wereld een halt toe te roepen. Wie daar meer over wil lezen, vindt hier een heel boek waarin James, samen met Grace C. Lee en Pierre Chaulieu (de beruchte Castoriadis waarvan ik momenteel de biografie aan 't lezen ben) hun gedachten ter zake kenbaar maken. Heeft James gelijk of niet? De kwestie is bijlange niet beslecht. Nog altijd bestaan er marxistische partijen die min of meer naar het leninistische model georganiseerd worden en nog altijd zijn er mensen die ze omwille van Jamesachtige redenen verlaten. De vraag is niet achterhaald, ze is zelfs brandend actueel, in Griekenland bijvoorbeeld.
Flor Vandekerckhove

Herman Melville, Moby Dick. 1851. Nieuwe Nederlandse vertaling 2008. Uitg. Amsterdam, Atheneum – Polk & van Gennep. 604 ps. ISBN 978 90 253 6351 2 /NUR 302. [In ’t Engels is het boek online te lezen op https://www.gutenberg.org/files/2701/2701-h/2701-h.htm]

CLR James. Mariners, Renegates & Castaways, The Story of Herman Melville and the World We Live In. 1953. Nieuwe uitgave (2001). Uitg.: Dartmouth College Press. ISBN13: 978-1-58465-094-2. 182 ps. € 23,95.


vrijdag 27 maart 2015

Het zeer korte verhaal in het tijdperk van zijn elektronische reproduceerbaarheid


De bombastische titel boven dit stuk is een vette knipoog naar een werk, met een ietwat gelijkaardige titel, van de filosoof Walter Benjamin. Daarin stelt hij dat schrijvers gebruik moeten maken van de technische mogelijkheden die er bestaan om hun werk buiten de markt te produceren. Benjamin schrijft dit al in 1936. Tachtig jaar later leven we meer dan ooit in wat hij het tijdperk van de ‘technische reproduceerbaarheid’ noemt.
Een schrijver die blogt is ei zo na zijn eigen uitgever. En wie op de computer een e-boek produceert heeft zelfs helemaal geen uitgeverij meer nodig. Dat kunt u zelf zien, want ik heb zojuist een bundel met zeer korte verhalen gemaakt, een boekje dat toepasselijk Zeer kort heet. Ik heb dat niet alleen zelf geschreven, maar ook zelf ineengedraaid tot het een e-boek in PdF geworden is, door iedereen te lezen.
Nu moet het uiteraard nog gedistribueerd worden. Ook dat gaan we zelf doen. Kopen? Neen, u moet dat niet kopen, neen, u hoeft uw betaalkaart niet boven te halen. Lopen? Neen, u hoeft niet naar de boekhandel te lopen. U stuurt me een mail (florvandekerckhove@telenet.be) en u krijgt mijn jongste worp stante pede via het internet toegestuurd, gratis & voor niets, want gratis bestaat wel degelijk, wat sommige politici daar verder ook over mogen beweren.
Hebt u geen tijd om dat boekje te lezen? Toch wel, want het betreft een kleine bundel (32 bladzijden) met zeer korte verhalen; stukjes die zo kort zijn dat u er gemakkelijk eentje leest terwijl u bachten bijvoorbeeld een klein kakje aan ’t plegen bent.
Ja maar, zo werpt u vervolgens in de groep, er is niet alleen maar productie & distributie, er is ook nog zoiets als literaire kritiek. Anders geformuleerd: is dat wel een goed boek wat ik daar geschreven heb? Wie formuleert enige kritiek op dat werkje van mij? Ha, da’s een gemakkelijke, want… Waarom zou u dat zelf niet doen? Kunt u zelf niet bepalen of zo’n boekje al dan niet goed is? Ja toch.
Mag ik nog een suggestie formuleren? Het mooiste zou zijn mocht het volgende gebeuren. U vraagt me het boek en ik stuur het u op. U leest het en kijk, u leest het met genoegen. Vervolgens neemt u het heft in handen. U stuurt het boekje, al dan niet vergezeld van uw kritiek, via het internet, door aan uw familieleden, vrienden, cafékennissen, en supporters. En dit boekje met verhalen (soms maar een halve bladzijde lang!) verspreidt zich over het wereldwijde web tot in de eeuwen der eeuwen amen.
Flor Vandekerckhove

donderdag 19 maart 2015

De witte walvis van CLR James

— Cyril Lionel Robert James (1901-1989) —
Dit stukje had ook wel Over Moby Dick IV kunnen heten, want het volgt op drie delen die ik eerder al over dat boek schreef en die je hier, daar en ginder terug kunt vinden. Nu wilde ik het over een toch wel heel merkwaardige interpretatie van dat boek hebben. Die vond ik in een essay (*) van CLR James. Maar terwijl ik dat aan ’t lezen was begreep ik dat het maar moeilijk te begrijpen zou zijn voor wie de mens niet kende. Dus moest ik hem eerst voorstellen en die introductie werd zo lang dat ik een andere titel boven dit stuk moest plakken. 
Die auteur was namelijk een linkse activist die zich in het trotskisme ophield. Over dat trotskisme had ik al veel geschreven, je moet, rechts onder het vakje labels, maar eens dat woord aanklikken. Daar zul je zien dat je dat trotskisme veel kunt verwijten, maar niet dat het een tekort aan kleurrijke personages voortgebracht heeft. Deze James is er een van.
Geboren in Trinidad, in een inheems onderwijzersgezin, werd hij een jongen die veel las en veel aan sport deed, dat laatste vooral op het cricketveld achter de deur. Die combinatie bepaalde zijn leven. Hij won een studiebeurs, werd leraar, schrijver en… sportjournalist. Dat laatste bracht hem in 1933 naar Engeland waar hij de cricketverslaggeving in kranten verzorgde. CLR James zou trouwens heel zijn leven een betaalde cricketreporter blijven, een unicum in de trotskistische beweging. De veteranen van die strekking herinneren zich hem daardoor goed, zoals ook uit dit filmpje blijkt.
Na voorgaande zinnen begrijp je dat hij ook nog iets anders deed dan sportwedstrijden verslaan. In Engeland was hij lid geworden van de Independent Labour Party (ILP), een kleine linkse partij waarin de trotskisten actief waren. Daarover zegt hij zelf: ‘De trotskistische groep waarmee ik geassocieerd werd, telde nooit meer dan 35 mensen. Veelal zelfs minder dan de helft daarvan.’ In 1936 verlieten ze die ILP, fuseerden met andere groepjes en vormden de Revolutionary Socialist League. Hij publiceerde intussen zowel fictie als non-fictie, werd redacteur van International African Opinion en van het trotskistische Fight. In 1939 nodigden de Amerikaanse geestesgenoten van de Socialist Workers Party (SWP) hem uit om het zwarte verzet over de plas mee te helpen organiseren.
Al wat hierboven staat is voor de lezers van De Laatste Vuurtorenwachter nog wel te begrijpen, maar vanaf hier wordt het voer voor specialisten, waar ik, zelf geen specialist zijnde, in een boog omheen probeer te fietsen. Vanaf 1940 verwerpen veel trotskisten namelijk Trotski’s visie op de aard van de Sovjet-Unie. Ik bespaar u de finesses, maar weet dat het trotskisme op dat moment, met veel over en weer gescheld, in stukken & brokken uiteenvalt. James (in de SWP bekend onder het pseudoniem Johnson) vormt met Raya Dunayevskaya (pseudoniem Forest) de Johnson-Forest Tendency die vanaf 1949 ook de idee van een voorhoedepartij verwerpt en daarmee het trotskisme. Tegen die tijd woedt het beruchte Mccarthisme in de USA, een heksenjacht op linkse medemensen, en in 1953 wordt CLR James, trotskist of geen trotskist, het land uitgezet. Voorafgaand wordt hij lange tijd op Ellis Island opgesloten waar hij het boek schrijft ik zojuist dichtgeklapt heb. Daarmee is ’s mans leven verre van af (meer erover vind je hier) maar bovenstaande volstaat om zijn visie op Moby Dick te begrijpen. Hoe die eruitziet beschrijf ik in een volgend stukje en dat vind je hier.


Flor Vandekerckhove

(*) CLR James. Mariners, Renegates & Castaways, The Story of Herman Melville and the World We Live In. 1953. Nieuwe uitgave (2001). Uitg.: Dartmouth College Press. ISBN13: 978-1-58465-094-2. 182 ps. € 23,95.


dinsdag 17 maart 2015

Drugskoerier op rust zoekt vrouw

Hij woog te veel. Hij was zo zwaar dat zijn knieën eraan kapotgegaan waren. Hij was ook een beetje simpel. ‘t Een zowel als ‘t ander kwam door de pillen. Die moest hij van de dokter nemen om de razernij onder controle te houden. Ik kon me daar niets bij voorstellen, want hij was een dikke sul. 
Wouter woonde in een huis dat volgens mij op instorten stond. Ik claxonneerde en wachtte voor de deur als ik hem kwam ophalen, dat was veiliger. Hij had in de vismijn gewerkt, zware arbeid, werk dat hij alleen maar volgehouden had door op tijd & stond een lijntje coke tot zich te nemen. Anders dan de pillen hield die coke zijn razernij niet onder controle, integendeel. Hij werd ontslagen maar bleef snuiven, ook toen daar geen geld meer voor was. Zijn moeder bracht wel soep, maar Wouter leefde niet van soep alleen. Zo komt het dat hij in de koeriersdienst terechtkwam die de waar vanuit een container naar de markt bracht. Soep & coke, het leven werd weer draaglijk. En gevaarlijk, want de koeriers, zo zei hij, waren gewapend.
Op een dag waren ze in de kraaienpoten gereden en van daaruit in de armen van de overheid. Hoe hij het voor elkaar gekregen had weet ik niet, maar Wouter had tijdens dat intense gebeuren zijn razernij onder controle kunnen houden. Hij nam de overheid apart en sprak haar aldus toe: ‘We gaan toch geen gaatjes maken zeker.’ Zijn manier om met een schietpartij te dreigen. De overheid nam het zekere voor het onzekere en maakte een Belgisch compromis. De drugs werden in beslag genomen en de koeriers gingen vrijuit. Een bloedbad was vermeden.
Aan dat alles dacht ik terwijl ik het zoekertje aan ’t opmaken was. Daarin moest ik vermelden — daar stond hij op — dat het niet voor de seks was. Daarin was Wouter niet geïnteresseerd, ook dat kwam door de pillen. Het was meer om iemand naast zich te hebben wanneer hij met zijn boodschappenlijstje naar de Aldi trok.
Twee weken later was Wouter dood. Nauwelijks mensen op de plechtigheid. Twee mannen die om ter meest op Tony Soprano probeerden te gelijken, een forsgebouwde vrouw die me even aan de Aldi liet denken en een oud, verschrompeld wijfje dat me achteraf kwam vragen of ik zin had in een bord warme soep.

Flor Vandekerckhove

zondag 15 maart 2015

Op zoek naar De geuzen van Blutsie

Over de stapel bladen die Daniël Eyland in mijn bus stak schreef ik eerder al een stukje. Ik meldde toen ook al dat het daar niet bij zou blijven. In die papierberg had ik immers een document gevonden dat even veelbelovend als geheimzinnig oogde. In oktober 1966 kondigde Onze actie de publicatie aan van een ‘geschiedkundige roman met Bredene als achtergrond.’ Het verhaal zou als feuilleton gepubliceerd worden, als bijlage van Onze actie, goed voor 1000 exemplaren. Er werd geen auteur vernoemd, wel een titel: De geuzen van Blutsie. En enige uitgeversperikelen: ‘Als men weet dat een roman in ons land dikwijls maar op een paar honderd exemplaren wordt verspreid, dan begrijpt men dadelijk de buitengewone inspanning die door de plaatselijke socialistische partij moet worden geleverd, alleen maar om ons honderdduizenden bladen aan te schaffen.’ U leest het goed: honderdduizenden vellen papier! Geen boekje dus, maar een forse turf. Dat valt ook licht te begrijpen want: ‘De overstromingen, de bescherming van onze hoeven door wallen, het betalen van tienden door de boeren, de vervolging van ketters, dit alles kan erin voorkomen’. Daar heb je inderdaad veel papier voor nodig, vooral omdat de mensen al die miserie niet zomaar over zich heen lieten gaan: ‘Tegen de drukkende belastingen, ten bate van de adel en de geestelijkheid, is ook onze streek in opstand gekomen, en in Bredene bestond altijd een liberale en later een socialistische macht.’ 
De plot werd uiteraard niet vrijgegeven, maar de plaats van het gebeuren wel: ‘[I]n Bredene, onder andere in het dorp en in het geuzennest “Blutsie” in de duinen. Vanzelfsprekend zullen onze personages wel eens gaan tot aan de Keignaert in Zandvoorde of door de poorten van Oostende.’ De tekst vermeldde ook hoe het verhaal zou aflopen: ‘[W]e zullen ook zien hoe tenslotte alle gezonde krachten van het volk zich verenigden om de bovenhand te behalen.’ Eind goed, al goed. 
Ja, dat zag er allemaal veelbelovend uit en ik begon in daaropvolgende edities van Onze actie naarstig naar sporen van dit Bredense feuilleton te zoeken. Eilaas, driewerf eilaas: niets, nothing, nada.
En nu zit ik hier in verslagenheid naar dit blad te staren. De vragen stapelen zich op. Is deze historische roman daadwerkelijk geschreven? En zo ja, door wie? Werd het verhaal vervolgens ook gepubliceerd? Is 't een roman die alleen maar in iemands hoofd bestaan heeft? En in wiens hoofd dan wel? Is het bij een manuscript gebleven? Een aanzet? Is het inderdaad als bijlage verschenen in Onze actie? En als dat niet het geval is, wat is er dan gebeurd met die honderdduizenden vellen papier? Is er iemand die De geuzen van Blutsie liggen heeft? (Wilt u straks eens op uw zolder kijken?) Mochten alle gezonde krachten van het volk zich weder, zoals weleer, verenigen dan moeten we dat ding toch uit de vergetelheid kunnen halen, ja toch? Laat me iets weten.
Flor Vandekerckhove

zaterdag 14 maart 2015

Over Moby Dick (3)

— Ismaël zoals de schilder Bo Bartlett hem ziet. —
Lange tijd ben ik redacteur geweest ben van een tijdschrift dat Het Visserijblad heette. In die tijd heb ik, noblesse oblige, veel romans gelezen die zich in het vissersmilieu afspelen. Met twee figuren uit het genre heb ik me erg verwant gevoeld. De eerste is R.G. Quoyle uit de roman Scheepsberichten van Annie Proulx en de andere is Ismaël uit Moby Dick van Herman Melville.
Eerst Quoyle. Op latere leeftijd keert hij vanuit het binnenland gedesillusioneerd terug naar de kust waar hij geboren en getogen is, de plek waar zijn familie ontsproten is en waar hij een huis heeft staan. Hij gaat er werken voor een plaatselijk krantje waarvan hij de hoofdredacteur wordt. Hij vindt er de liefde die hij elders vergeefs gezocht heeft. Dat alles is ook mij overkomen, maar dan niet in Newfoundland, maar op een morzel grond ten oosten van de Oostendse havenmonding. Ik heb er hetzelfde soort volk ontmoet, dat met dezelfde problemen worstelt als de personages uit het boek en mijn levensweg is daar zo'n beetje parallel verlopen aan dat van Quoyle. Daar kan een mens niet naast kijken wanneer hij zo’n boek leest.
Ismaël uit Moby Dick, die andere romanfiguur waarmee ik zo’n verwantschap voel, heeft een avontuur op een walvisvaarder overleefd en vertelt nu, oud en wijs geworden, zijn verhaal aan de lezers die veilig thuisgebleven zijn. Ogenschijnlijk is er geen verschil tussen hen en de verteller, ze zitten als ‘t ware samen op een bank aan de wal, op de plek waar Ismaëls verhaal ook begonnen is. Maar er is wel degelijk een verschil: de verteller heeft zijn leven op ’t spel gezet. 
Waarom heeft die Ismaël zoiets gedaan? Zien we niet dat hij uiteindelijk toch naast degenen komt te zitten die veilig aan de wal gebleven zijn? Het is een van de weinige levensvragen waarop ik meteen het antwoord weet: hij heeft dat gedaan omwille van de verhalen die het oplevert.
Het boek werpt nog vragen op waarover tekstgeleerden worstelen, maar ik niet. Het verhaal start met de beroemde openingszin Noem me Ismaël. De verteller heet niet zo, maar hij vraagt de lezer om hem toch zo te noemen. Velen breken zich daar het hoofd over, maar zelf vind ik dat een normale zaak. Ik onderteken m’n columns in de krant ook niet met mijn eigen naam, ik vraag de lezer om me daar De Laatste Vuurtorenwachter te noemen. Die naam is niet toevallig gekozen, net zomin als Ismaël een toevallig gekozen naam is. Ismaël is een naam uit de Bijbel waar hij een randgeval genoemd mag worden, net zoals de vuurtorenwachter zo'n randgeval is. Is de rand ook niet de plek die de schrijver in het maatschappelijk veld inneemt?
Nog zoiets: de monomane kapitein Achab sleurt iedereen met zich mee de dood in, behalve Ismaël die zich vastklampt aan de raadselachtige kist van zijn maat Queequeg en zodoende overleeft. Velen vragen zich af wat daarvan de betekenis kan zijn. Ik niet, want voor mij is dat zonneklaar. Wanneer alles mislukt is, wanneer de zaak definitief verloren is, dan blijft er nog altijd het verhaal dat verteld moet worden. Aan de inhoud van de kist, die hem redt, wordt door Ismaël een nieuw verhaal toegevoegd: de opeengestapelde cultuur, verbeeld door de kist, redt de mens en die mens voegt, het verhaal vertellend, aan die cultuur een nieuwe laag toe. Het is dan ook niet toevallig dat een soortgelijke koffer zo’n grote rol speelt in mijn roman Amandine.
Die Ismaël heeft me bijgevolg altijd al een geschikte kerel geleken, een zielsverwant waarmee ik me graag vereenzelvig, iemand die een beetje aan de rand staat, maar tegelijk een sympathieke overlever is. Ja, zo zie ik mezelf ook wel in ’t diepste van mijn gedachten.
Maar toen moest ik bij mijn trouwe boekhandelaar nog het Amerikaanse Mariners, Renegades & Casteways (matrozen, muiters en schipbreukelingen) van CLR James bestellen. Daarin zet deze James zijn eigen interpretatie neer van het boek. Hij leert me een andere, veel minder sympathieke kant van Ismaël kennen, en ja, zo moet ik eigenlijk toegeven, daarin herken ik ook een minder sympathieke kant van mezelf. Daarover zal De Laatste Vuurtorenwachter het in een volgend stukje hebben: klik hier.

Flor Vandekerckhove


donderdag 12 maart 2015

Over Moby Dick (2)

Vijfentwintig jaar lang ben ik redacteur geweest van een tijdschrift  dat Het Visserijblad heet; wat me toelaat met gezag te stellen dat het boek u op een bijzonder mooie manier in de visserijwereld binnenleidt. Moby Dick wordt voor ’t eerst in 1851 gepubliceerd en het boek heeft ons, vreemd genoeg, 164 jaar later nog altijd veel over de visserij te vertellen.
Uiteraard is het meer dan een mooi vissersverhaal. Het kan als een gothic roman gelezen worden. En neen, dat had ik niet opgemerkt toen ik het de eerste keer aan 't lezen was. Dat je het ook als een Bijbels verhaal kunt interpreteren is wèl meteen duidelijk. Veel personages ontlenen hun naam aan Bijbelse figuren. Kapitein Achab voert een bemanning aan waarvan je meteen begrijpt dat heel de mensheid erin vertegenwoordigd is. Heel die mensheid wordt in Achabs val meegesleurd, net zoals ons dat eerder al met de Bijbelse zondeval overkomen is. De witte walvis is voor Achab wat de appel voor Adam & Eva is. Door die zondevalgedachte is Moby Dick een verhaal van alle tijden. Zegt Achab: ‘Hoe kan een gevangene uitbreken als hij niet door de muur breekt? Voor mij is de witte walvis die muur, vlak voor me geschoven. Soms denk ik dat er niets achter zit. Maar het is genoeg. Hij daagt me uit, hij werkt op mijn zenuwen; ik zie een godgeklaagde kracht in hem en een ondoorgrondelijke boosaardigheid die deze staalt. Dat ondoorgrondelijke is het vooral wat ik haat, en of de walvis nu werktuig is of aanstichter, ik zal mijn haat op hem koelen. Praat me niet van godslastering, kerel; ik zou de zon slaan als ze me te na kwam.’
Anderzijds is het verhaal erg met de moderniteit verbonden. Kapitein Achab is het soort burger dat ook vandaag nog de lakens uitdeelt. Achab is een kapitein en dus de manager van een schip. Managers zijn degenen die tot taak hebben voortdurend de grenzen te verleggen, de lat almaar hoger te leggen: hoger, verder, vlugger, meer. Managers zijn zelf niet noodzakelijk kapitalisten, maar ze zijn wel degenen die ervoor zorgen dat het kapitaal almaar groeit. Daarom worden ze ook zo duur betaald door de kapitaalbezitters, die op de achtergrond, onttrokken aan het oog van het volk, hartstochtelijk hopen dat de manager het kapitaal laat aangroeien en dat daarbij the sky the limit is. Die achterliggende hebzucht verleent de manager blijkbaar telkens weer het recht om de boel de dieperik in te jagen, zoals de bankencrisis het ons weer geleerd heeft. Doet zo’n manager ons niet denken aan een scheepskapitein die eerst de grenzen aftast, er vervolgens over gaat en uiteindelijk… het cruiseschip laat kapseizen, zoals de ramp met de Costa Concordia ons gedemonstreerd heeft? En gebeurt dat alles niet zoals kapitein Achab in zijn megalomanie het schip met man en muis de dieperik injaagt? Dit is wat de manager in de figuur van Achab zegt: ‘De reders mogen van mij op het strand van Nantucket gaan staan en boven de orkanen uit schreeuwen. Wat kan dat Achab schelen? Reders, reders? Starbuck, ge bazelt altijd tegen me over die gierige reders, alsof die reders mijn geweten zijn. Bedenk wel, de enige echte eigenaar van iets is de gezagvoerder, en luister: mijn geweten zit in de kiel van dit schip. Aan dek!’ De reis van Achabs schip is daardoor ook deze van de kapitalistische samenleving, op zoek naar haar uiteindelijk catastrofe.
De vraag die elk weldenkend mens daaromtrent stelt is deze: hoe komt het dat wij dat allemaal laten gebeuren? Ook Melville stelt zich die vraag: ‘Hoe het kwam dat zij in feite volledig meegingen met de toorn van de ouwe — door welke kwade toverij hun ziel bezeten was dat zijn haat haast de hunne leek en de witte walvis net zo goed hun onduldbare vijand als de zijne; hoe dit alles zo kwam — wat de witte walvis voor hen betekende of hoe hij ook in hun onderbewuste begrip vaag en onvermoed de grote, rondsluipende demon van de wereldzeeën kan hebben geleken — dit alles zou een diepere duik vereisen dan Ismaël vermag.’ Ismaël, de verteller van het epos, schiet hier duidelijk te kort. Louis-Paul Boon zou Ismaël in deze omschrijven als ‘geniaal maar met te korte beentjes’. In plaats van het gezag te tarten, in een poging om schip en bemanning van een zekere ondergang te redden, geeft hij zich over aan metafysische dromerijen. Of zoals hij het zelf zegt:‘Ik voor mij gaf me over aan de verlatenheid van tijd en ruimte.’ De eerste stuurman, Starbuck, probeert de kapitein wel tot redelijkheid te bewegen, maar muiten doet hij niet, hij zit gevangen binnen de grenzen van de wettelijkheid — de wet is de wet, de baas is de baas — en het schip vaart zijn ondergang tegemoet. Hoe herkenbaar is dit alles niet voor wie het boek vandaag leest, anderhalve eeuw nadat het geschreven werd!
Meer over Moby Dick vind je hier.


Flor Vandekerckhove

maandag 9 maart 2015

Drie keer kip

In 1973 las ik Het alternatief, een boekje van de Franse filosoof Roger Garaudy. Dat werk, met als ondertitel Socialisme met een menselijk gezicht, was boeiend genoeg om het in een ruk uit te lepelen en ik begon me in de schrijver te interesseren. Garaudy was tot in 1970 een leidende filosoof in de Franse Communistische Partij (PCF) geweest en je mocht hem in die tijd, zoals hij dat hier trouwens zelf zegt, een staalharde stalinist noemen. Toen hij Het alternatief schreef was hij evenwel van zijn stalinistische sokkel gevallen. Hij was een zoekende mens geworden, net zoals ik dat in die tijd ook was; vandaar wellicht dat het boek me zo gebeten had.
Later zag ik op de televisie een reportage waarin de breuk van Garaudy met de PCF getoond werd. Dat was in 1970, tijdens een congres, waarop de filosoof eerst door een partijgenoot heftig bekritiseerd werd en vervolgens op het podium zijn meningsverschil kwam verduidelijken. Waarna hij, onder een oorverdovende stilte, tussen de vele honderden congresgangers — waarvan er niet één applaudisseerde! — weer naar zijn plaats trok. Niets had beter ’s mans eenzaamheid kunnen demonstreren dan dat beeld dat u hier zelf kunt bekijken.
In mijn herinneringen gaat die reportage als volgt verder. We zien een gedekte tafel ten huize van een ex-echtgenote van Garaudy. De vrouw, die alleen leeft, zegt tot de reportagemaker dat ze de tafel ook in 1970 op die manier dekt, vlak nadat ze op de radio de congresspeech van haar ex-echtgenoot gehoord heeft. Alhoewel ze normaliter geen contact meer met elkaar hebben, zegt haar intuïtie dat hij bij haar langs zal lopen. En ja, het eerste wat Garaudy na dat congres doet, is daar aanbellen. Ze laat hem binnen, hij ziet de gedekte tafel staan en hij beseft dat ze zijn komst voorvoeld heeft.
Ik vond het een bijzonder mooi verhaal dat ik aan mijn vele — ik zei toch dat ik een zoekende mens was — intieme vriendinnen vertelde. En telkens ik het voorval ophaalde geraakte ik weer ontroerd. Dat maakte op die vriendinnen veel indruk, zoveel zelfs dat ze in mij de troost zoekende Garaudy zagen en in zichzelf de voorvoelende vrouw. Gevolg was dat ik bij daaropvolgende bezoeken nog maar zelden met een ongedekte tafel verwelkomd werd. Met alle gevolgen van dien. Nooit zal ik de dag vergeten waarop ik op drie verschillende plaatsen kip met frietjes voorgeschoteld kreeg.
Met die Garaudy ging het vervolgens van kwaad naar erger, hij ruilde het stalinisme in voor weer een ander fanatiek geloof dat hij zo mogelijk nog fanatieker ging verdedigen. Met mij daarentegen kwam het uiteindelijk wel goed, al moet ik eraan toevoegen dat ik tegen die tijd danig aangedikt was.
Flor Vandekerckhove

vrijdag 6 maart 2015

Sassenaars en Duinenaars zijn géén verraders!

Daniël Eyland stak enige tijd geleden een ferm pak papier in mijn bus, een verzameling Bredense krantjes van socialistische huize. Die droegen namen als Onze actie, Bredene uw gemeente, en Dorpskrant. Vandaag mag je dat als politieke folklore lezen, maar in die tijd hadden de socialisten wel degelijk nood aan eigen berichtgeving, want de burgerlijke pers was totaal onbetrouwbaar. Dat gold zeker voor Het Nieuwsblad van de Kust, van de donkerblauwe Pros Vandenberghe, waarover de Dorpskrant in maart 1980 schreef: ‘De talrijke tussenkomsten van Gevaert, Maes en Beeckaert werden opzettelijk vergeten! Maar als Volksbelanger Melis wakker wordt om te zeggen dat hij DUST heeft, krijgt hij een foto met artikel.’ Dat was natuurlijk van mijn kloten; je moet geen socialist zijn om te beseffen dat dit er ver over was. De Zeewacht, een kalothiek weekblad zoals u weet, was zo mogelijk nog erger, want dat blad beledigde hele bevolkingsgroepen. In september ‘78 publiceerde de Dorpskrant dan ook een spetterende aanklacht van Dorine Hallemeesch die onomwonden stelde dat de Sassenaars en de Duinenaars géén verraders waren, ik herhaal: géén verraders!, zoals een ‘misplaatste speciale editie’ van De Zeewacht eerder die maand blijkbaar verkondigd had. In 1978 was die kwestie voor de Bredenaars zo duidelijk dat de Dorpskrant aan Dorines woorden niets moest toevoegen, waardoor wij helaas over dat vermeende verraad in ’t ongewisse blijven. 
Dat ongewisse overkwam me al lezend wel meer. Zo las ik in Bredene Uw gemeente: ‘Ook op het strand zouden er parkeermeters geplaatst worden.’ Grapje wellicht.
Veel van die blaadjes hadden een lezersrubriek. Blijkt dat de Bredenaars toen ook al erg hun best deden om de gemeente ‘net iets proper’ te houden. Zegt ene C.W.: ‘Verder willen wij nog melden dat de afvoer der rioleringen van deze straat gewoon in de gracht terechtkomen. De stank bij warm weder is niet te verdragen.’ Ja, de Bredenaars kwamen op voor de belangen van hun straat. In maart 78 was er zelfs sprake van ‘betogende Golfstraatbewoners’. Dat zie ik hen vandaag niet meer doen. Betogende Golfstraatbewoners! Daar moet toch een foto van bestaan. Onze Actie van april 1959: ‘Een lezer vraagt ons langs deze weg een oproep te doen tot de inwoners van Bredene-Dorp, om het kerkhof en de graven te eerbiedigen. Volgens schrijver, is het niet logisch dat de kinderen het kerkhof als speelterrein gebruiken, alsook klaagt hij zekere meerderjarige personen aan welke hun huisvuil op het kerkhof gaan uitstorten.’
Opvallend is de grote aandacht die de socialisten aan de zelfstandigen besteedden. In maart ’78 meldde Bredene uw gemeente: ‘Willy Vanhooren verweet de CVP-meerderheid hun aankopen van snoep voor het gemeentelijk sinterklaasfeest in Oudenburg te hebben verricht.’ Terwijl er, zo herinner ik me, in Bredene toch spekkenwinkels waren, alhoewel ik er tegelijk aan twijfel of Berta toen nog in die branche actief was. 
Lezer J.L. kaartte ook een commerciële kwestie aan en hij deed dat in de Brievenbus van Onze actie: ‘Mijnheer de Burgemeester, U hebt veel gedaan voor Bredene. Maar mag ik U vragen de mogelijkheid te willen onderzoeken om vreemde groenten- en fruitleurders van onze gemeente te verdrijven?’ Verdrijven dus!!! 
Door al de aandacht vanwege de socialisten begrepen de Bredense zelfstandigen al in de vroege jaren vijftig waar hun belangen lagen. In oktober 1952 schreef ‘een neringdoener’ in Onze actie: ‘Voeger dacht ik dat slechts liberalen en katholieken onze belangen konden verdedigen.’ Inmiddels wist die neringdoener wel beter, want ‘een Ramakers Jean is het sprekend bewijs dat de middenstand ook thuis hoort bij u. Dit is wat anders dan een Decuyper Jerome bij voorbeeld. Haalt die als neringdoener niet al zijn waren in de grootwarenhuizen te Oostende? hoe durft Jerome dan zijn stem afsmeken bij diezelfde neringdoeners van Bredene, als hij hun zelf geen cent gunt.’ Ja, hoe durfde hij?! Kon men die mens niet uit de gemeente verdrijven, samen met de fruitleurders bijvoorbeeld?
Flor Vandekerckhove

(Vervolgt)

maandag 2 maart 2015

Van Corman weer naar Durruti


— De begrafenis van Durruti bracht in Barcelona meer dan 250.000 mensen op de been. —

Deze had u nog van me te goed. Enkele maanden geleden haalde ik een biografie van de Spaanse anarchist Buenaventura Durruti in huis. (*) Terwijl ik daarin aan ’t bladeren was, stootte ik op de naam Mathieu Corman, in 1936 actief in de gelederen van Durruti’s milities. In Oostende is Corman een begrip, dus wilde ik weten of die Mathieu ook de stichter van de fameuze boekhandel was. Die zoektocht leidde me weg van Durruti en nader tot Corman die inderdaad de boekhandelaar bleek te zijn… En een avonturier om U tegen te zeggen. Ik maakte er een stukje van: Van Durruti naar Corman.
Nu is de tijd gekomen om de terugweg aan te vatten, we verlaten Corman en trekken waar naar Spanje. In die biografie spreekt Mathieu Corman zich uit over de dood van Durruti, een met geheimzinnigheid omzwachteld overlijden. Is hij neergeschoten door een fascistische sluipschutter? Zitten de stalinisten erachter? Is het een ongeluk? Is hij per ongeluk gedood door zijn eigen wapen? Is hij moedwillig gedood door een ontevreden medestrijder? De ene zegt dit, een ander zegt iets anders, maar dit is wat Corman zegt: ‘Durruti werd gedood door een geweersalvo wanneer hij uit zijn wagen stapte. Dat was de enige overwinning van de ‘vijfde colonne’ in Madrid. De militiemannen omsingelden het huis waaruit de schoten kwamen en doodden iedereen die zich binnen bevond.’
Er circuleren veel andere versies. In zijn memoires vermeldt iemand een herdenkingstentoonstelling. Daar is, achter glas, het hemd van de overledene te zien. Hij stuurt er specialisten naartoe en die besluiten dat het kogelgat erop wijst dat het schot van zeer nabij gelost werd. Later zou hij er Durruti’s levensgezellin naar gevraagd hebben, die hem fluisterend antwoordt dat ze weet dat hij door iemand gedood werd die hem nabij was: ‘Het was een daad van wraak.’ Een Franse communist die bij de Internationale Brigades vecht, heeft anarchisten ook zoiets horen zeggen: ‘Onze eigen mensen doodden Durruti.’ De thesis wordt door velen overgenomen, ook door een journalist die zegt te weten dat Durruti vermoord is door leden van een organisatie die vreemd genoeg De vrienden van Durruti heet; die vrienden zijn ontevreden over de manier waarop hun voorbeeld zich begint te gedragen en maken hem van kant. Misschien is het op dat moment dat de uitdrukking geijkt wordt die zegt: met zo'n vrienden heb je geen vijanden nodig.
— Durruti's kameraden zweren wraak. —
Interessant zijn de uitspraken van pastoor Jesús — mooie naam voor een priester — Arnal. Hij is in de anarchistische colonne van Durruti actief — jawel — waar hij schrijfwerk verricht. In 1970 verklaart hij dat de anarchist Ricardo Rionda Castro (Rico) hem zei: ‘Nu zul je de waarheid weten over Durruti’s dood. Ik heb altijd gezegd dat het een geheim was waarvan we gezworen hadden dat we het omwille van politieke redenen niet zouden openbaren en omdat het een belachelijke dood was voor Durruti.’ Wat hij vervolgens zegt is dit: ’s mans eigen wapen gaat per ongeluk af en hij sterft aan de zelf veroorzaakte wonde. De journalist die deze woorden noteert, trekt naar Frankrijk, waar hij Durruti’s gezellin, Federica Montseny, opzoekt. Ook de pastoor trekt eropuit, hij spoort de inmiddels zieke Rico op. Beiden bevestigen de these van het jammerlijke ongeluk. Later ontkent Montseny dat ze dergelijke uitspraken gedaan heeft. Het enige wat ze naar waarheid kan zeggen is dat ze niet weet hoe haar man aan zijn einde gekomen is.
Er zijn hoe dan ook veel mensen die Corman tegenspreken. Durruti’s biograaf doet dan weer veel moeite om op zijn beurt die tegensprekers tegen te spreken, maar dat komt misschien doordat hij zelf een anarchist is die moeite heeft met de ietwat lullige dood van zijn held. En wat levert zijn onderzoek naar de woorden van Corman op? ‘Helaas,’ zegt de biograaf, ‘hebben we niemand gevonden die deze geschiedenis kan bevestigen. De mannen van de CNT die we ondervroegen (…) herinneren zich deze gebeurtenissen niet.’ Waardoor Buenaventura Durruti in de buurt van Elvis komt te staan: hij leeft !
Flor Vandekerckhove

(*) Abel Paz, Durruti in the Spanish Revolution. AK Press, 2006. ISBN 1-904859-50-x. 772 pagina’s.


Buenaventura Durruti 1936