zondag 1 februari 2015

Veiligheidsniveau 3

Er kwam een man op me toe die in mij zijn oude schoolkameraad herkende. Hij vroeg me waarmee ik me de laatste vijftig jaar zoal onledig gehouden had. Ik had er geen zin in, zei dat ik beroepsmilitair geworden was en maakte me vlug uit de voeten. Wat een flauwe grap had moeten blijven, ging een eigen leven leiden. De schoolkameraad vertelde het door aan iemand die het op zijn beurt aan iemand anders zegde die er een afwijkende versie van maakte die door weer anderen vervormd werd tot iets wat er uiteindelijk toe leidde dat ik eergisteren uit bed gesleurd werd door acht politiemensen die Antwerps spraken, wellicht lieden van het Bijzondere Bijstandsteam, de zogenaamde botinnekes. Ik kreeg nauwelijks de tijd om mijn kleren aan te trekken en werd onzacht in een camionette geduwd die me met veel lawaai naar het politiebureau bracht. Dat werd, zo zag ik, zwaar beveiligd en ik begreep dat het allemaal te maken had met het veiligheidsniveau dat na de antiterrorisme-actie in Verviers tot 3 opgetrokken was.
Ik werd meteen ondervraagd door twee politiemensen; een goeierd en een kwade, een duo dat recht uit de film kwam. De goeie dikkerd wilde weten wat een mens als ik ertoe gebracht had om zijn eigen volk te verraden. Ik, die toch alles aan dat volk te danken had: een degelijke opleiding, een goeie gezondheid, een mooi lief en een ferm pensioen. Over dat pensioen wilde ik hem tegenspreken, maar daar kreeg ik de kans niet toe, want de kwaaie schreeuwde heel luid in mijn oor: ‘En waarom hebt gij een reis naar Turkije geboekt?’ Ook daarop kon ik geen antwoord geven, want die dikkerd had het alweer overgenomen en legde me vriendelijk uit dat ik moest begrijpen dat ik me verdacht gemaakt had. ‘Verdacht? Hoezo?’ vroeg ik. De lange kwaaie begon weer te schreeuwen: ‘Wij stellen hier de vragen!’ Waarop die dikke weer: ‘Leg ons eens uit waarom gij uw baard hebt laten groeien.’ Ik voelde aan mijn wang die ik ‘s avonds, zoals steeds, gladgeschoren had en ontdekte niets wat op een baard kon wijzen. Tegelijk besefte ik dat ik in een kafkaiaanse situatie van het niveau 3 terechtgekomen was en dat het geen zin had die twee tegen te spreken. Ik stond op het punt alles te bekennen wat ze maar wilden, toen die kwaaie opeens tot zijn maat zei: ‘Godver, ’t is alweer acht uur. We gaan eerst koffie drinken.’ Daarop verlieten we gedrieën het lokaal, de twee politiemensen voorop en ik als laatste. Zij sloegen rechts af naar de plek waar het koffieapparaat staat en ik naar links, richting voordeur. Buiten stond een zwaarbewapende politievrouw een jointje te smoren. Ik ging naast haar staan. De winterkou sloeg op me neer en ik zette mijn kraag recht. ‘Wat een weer hé’, zei ze terwijl ze me haar frietzak presenteerde. Ja, dat was waar, de lucht zat potdicht van het onweer dat op uitbarsten stond. Ik nam een ferme snok en terwijl de nederwiet zich een weg naar mijn hersenen zocht, keken we samen uit over het plein dat helemaal wit kwam te liggen van de hagelbui die van west naar oost over het land aan ’t trekken was.
Flor Vandekerckhove

Monty Python - "And Now For Something Completely Different"

Een reactie posten