zaterdag 28 februari 2015

Over Moby Dick (1)

— Kpt Ahab gaat aan zijn queeste ten onder. —
Dit is wat ik altijd doe wanneer ik een boek schrijf: ik trek op onderzoek. Dat heeft zelden met de plot te maken, ’t is geen veldwerk, want dat soort klussen klaart mijn verbeelding wel… zonder erbij gehinderd te worden door enige vorm van kennis, zoals een wijze man het over die methode zegt. Ik trek op onderzoek, maar verlaat mijn zetel niet; wat ik uitpluis is het genre waaraan ik me op dat moment overlever. Dat komt doordat ik geen literaire opleiding genoten heb. Ik leer al doende, ik ben een leerjongen op leeftijd. Elk boek dat ik schrijf, opent voor mij een haast onuitputtelijke wereld van namen, boeken, voorbeelden en afgeleiden waarin een kat haar jongen niet meer vindt.
Niet zolang geleden heb ik een scenario geschreven dat in een stripverhaal moet uitmonden. Jo Clauwaert is daar nu beelden bij aan ’t bedenken. Rooie Machteld en de Uitgezogenen is een gothic verhaal dat zich in het jaar 2102 afspeelt op de Oostendse Oosteroever, in en rond de vervallen gebouwen van de visveiling. In die toekomst blijken de vampiers nog altijd onder ons te zijn.
Maar goed. Al wat hierboven staat wil zeggen dat ik me de voorbije maanden over twee verschillende, mij tot dan toe vreemde, werelden gebogen heb, deze van de strip en de wereld van de gothic. De lijst met onderwerpen die in de rechterkolom van de blog staat, leert me dat ik al vier bijdragen aan ’t eerste gewijd heb en vijf aan gothic. Daar komt er nu eentje bij, want terwijl ik die wereld aan ’t onderzoeken ben, leer ik dat Moby Dick van Herman Melville tot de Amerikaanse gothic gerekend wordt. Dat wist ik niet, en da’s vreemd, want ik heb dat boek nog maar pas uitgelezen!
Eens je dat weet, bekijk je het uiteraard met andere ogen. En ja, nu je ’t zegt, de monomane kapitein Ahab voldoet aan alle kenmerken van de antiheld uit het genre: een lichamelijk gebrekkige man die het grote je ne sais quoi uitdaagt en eraan ten onder gaat. De witte walvis is voor Ahab wat het monster is voor Frankenstein. Ik heb dat niet eerder opgemerkt, want die Ahab mag dan bezeten zijn, hij is dat wel op een voor mij zeer herkenbare manier; hij is een visser die tot het uiterste gaat en ik heb zo’n mannen persoonlijk goed gekend; sommige leven nog, de meeste zijn dood. De gelijkenis tussen Frankenstein en Ahab heb ik daardoor niet opgemerkt, evenmin als deze tussen Ahab en Heathcliff uit Wuthering Heights.
Had ik het kunnen weten? Wel ja, maar dan had ik dat boek beter moeten lezen, nauwkeuriger, misschien wel op de manier die close reading heet. Ik blader en kijk naar m’n aantekeningen. Dat Melville ons in een gothic avontuur wil onderdompelen blijkt al van bij de start. Ismael, de verteller, wil inschepen voor de walvisvaart, maar hij doet dat niet in New Bedford, toentertijd Amerika’s modernste haven van de walvisvaart. Neen, hij kiest voor het oude, afgeleefde Nantucket, ‘want er hing om alles wat met dat beroemde oude eiland te maken had iets fijn ruigs waar ik allemachtig schik in had.’
Hoe herkenbaar! Toen ik in 1988 de redactie van Het Visserijblad in handen nam, opende ik mijn kantoor niet in Zeebrugge, de haven die vooruitliep in de Vlaamse visserij, maar op de afgeleefde Oostendse Oosteroever, want dat ‘had iets fijn ruigs waar ik allemachtig schik in had’. Daar is Rooie Machteld en de Uitgezogenen gegroeid, eerst in mijn verbeelding en vervolgens in ‘t script. En nu ga ik heel die Moby Dick opnieuw lezen. ’t Zou me sterk verwonderen mocht je daar in ’t vervolg niets meer over vernemen. 
En voor dat vervolg, klik je hier.
Flor Vandekerckhove

donderdag 26 februari 2015

De wereld volgens Hoss (2)

— Zo ziet Hoss eruit zonder zijn
cowboyhoed. —
Eerder heb ik u al verteld hoe ik Hoss heb leren kennen, een Amerikaanse cowboy op rust, waarmee ik, zo leert hem zijn stamboom, enigszins verwant ben. Hoss is oud en verlaat nog maar zelden zijn huis. Des te actiever is hij op ’t internet. Gisteren had ik hem weer aan de lijn (gesteld dat je dat woord mag gebruiken als je elkaar via Skype telefoneert.)
Waarmee ik mijn dag gevuld had, zo wilde hij weten. Ik had net een stuk in de blog gepost dat De literaire spiegel van Lenin heet, ik had er nogal op gezwoegd & gezweet omdat het over de weerspiegelingtheorie ging, een moeilijke literaire kwestie als je ’t mij vraag, en ik zei hem dat ook. Ik dacht niet dat het hem zou interesseren, maar ik vergiste me deerlijk.
‘De idee dat een verhaal de werkelijkheid weerspiegelt moet je vergeten’, zei hij, terwijl hij tegelijk zijn neus snoot in zo’n grote, rode zakdoek met witte bolletjes. Die zakdoek had me afgeleid en daardoor had ik zijn woorden niet meteen begrepen. Terwijl ik probeerde te achterhalen wat hij exact gezegd had, ging hij alweer verder. ‘Een verhaal schrijven is iets produceren en iets produceren houdt in dat je een materiaal bewerkt. Je verhaal kan dus nooit een spiegel zijn van dat materiaal, want je hebt het bewerkt, je hebt het met taal vervormd, er met die taal iets anders van gemaakt. ’t Is zoals een smid die van een stuk ijzer een hoef maakt, je zegt daarna toch ook niet dat die hoef een spiegel van dat ijzer is.’ Breek nou mijn klomp, wilde ik antwoorden, maar om die zin vertaald te krijgen, ken ik te weinig Amerikaans. Dus zegde ik iets anders, ik zei: ‘Maar Hoss toch, hoe komt het dat je zoiets weet? Ik zit uren op dat spiegelprobleem te zwoegen en jij schudt daar al snuitend het antwoord uit je zakdoek.’ Waarop hij me uitlegde dat het werk in de prairies jaarlijks maar acht maanden in beslag nam en dat de cowboys de overige vier maanden werkloos waren. Zelf had hij die vrije tijd gebruikt om boeken te lezen. En weer wilde ik zeggen: breek nou mijn klomp. ‘Kijk jongen,’ zei Hoss, die me altijd jongen noemt, ‘wat je in de literaire theorie eerst en vooral moet uitvogelen is dit: wat is de grondstof waarop een schrijver arbeid verricht? Is dat de werkelijkheid? Damned neen. De arbeid van zo’n schrijver vertrekt niet van de wereld-zoals-ze-is, maar van de wereld zoals die mens zich die in zijn hoofd voorstelt. En da’s niet hetzelfde. Bijlange niet! Zo’n voorstelling is altijd een zootje ongeregeld, zelfs al denkt die schrijver daar anders over, zelfs als zingt Raymond van het Groenewoud dat in zijn hoofd alles zeer eenvoudig is. Maar wat Raymond daar ook over mag zingen, met dat zootje vangt de schrijver zijn werk aan, daarmee gaat hij aan de slag. Al schrijvend, met taal dus, confronteert hij het zootje met een fictief, maar concreet verhaal. Hij zet dat zootje dus om in concrete scènes en hij doet dat met zijn gereedschap, de taal.’ U begrijpt, lezer, dat ik sprakeloos was. Hoss maakte het allemaal verstaanbaar door het woord ideologie te vervangen door zootje, wat een ideologie uiteraard ook is; dat van die hoefsmid was ook goed gevonden, echt uit 't leven gegrepen, uit 't leven van het paardenvolk in de prairies. En hoe kende hij eigenlijk het oeuvre van Raymond van het Groenewoud? Omdat ik te perplex was om te antwoorden, was het mijn beurt om mijn neus te snuiten, maar dan in een stuk papier van de keukenrol. ‘Dat maakt een fictief verhaal juist zo interessant’, zei Hoss hoestend, ‘het resultaat klopt nooit volledig met de abstracte voorstelling die schrijvers van de werkelijkheid maken. Soms zijn het juist de onvolmaaktheden in het verhaal die…’  En toen viel de verbinding uit. Damned & Hell!
Flor Vandekerkhove
(Vervolgt wellicht)


dinsdag 24 februari 2015

De literaire spiegel van Lenin

— Wladimir Iljitsj Lenin —
Wie leest dat nu nog? Dat is ’t eerste wat ik me afvraag wanneer ik het boekje uit het rek haal. Het heet Over kunst en literatuur, de auteur is Wladimir Iljitsj Lenin, de uitgever is gehuisvest in Moscou en heet Progres. Daarin vind ik zes verschillende artikels die Lenin tussen 1908 en 1911 aan het oeuvre van de Russische schrijver Leo Tolstoj wijdt. Nogmaals, wie leest dat nu nog? U misschien, want u vindt die stukjes ook op het internet als u hier drukt.
Die teksten leren me minstens evenveel over Lenin als over Tolstoj. Over Lenin leer ik bijvoorbeeld dat hij in de eerste plaats een politicus blijft, ook als hij fictie leest. Wat hem in een verhaal interesseert is dit: hoe verhoudt het zich tot de maatschappij waarin het ontstaan is. Terwijl hij dat uitvlooit laat hij me echter ook kennis maken met een ingewikkeld literair probleem.
Bij Tolstoj ziet dat er als volgt uit. De schrijver is een telg van de adel, een klasse die het maar normaal vindt dat ze teert op de miserie van arme boeren. Wie tot de adel behoort heeft met dat ‘teren op’ geen probleem, men ziet het zelfs niet, het blijft in het duister; als het al eens de kop opsteekt wordt het vlug als zijnde ‘normaal’ weer weggezet. (Dat 'teren op' wordt zo normaal geacht dat ook de uitgebuite boeren het, zelfs in hun grootste miserie, eveneens normaal vinden. Wie oud genoeg is om op de tv Het gezin Van Paemel gezien te hebben, weet waarover ik spreek.) Maar kijk, in zijn literair werk toont Tolstoj ons op verhelderende wijze dat die boeren wel degelijk door de adel uitgebuit worden. Hij toont het beter dan de boeren het zelf kunnen doen en Lenin wil dan ook dat Tolstojs verhalen massaal onder de boeren verspreid worden. Blijkbaar kan zo’n graaf-auteur er al schrijvend in slagen om de adellijke vooringenomenheid achter zich te laten. Daardoor wordt het werk van deze schrijvende graaf, dixit Lenin, een ‘spiegel van de Russische revolutie’. Een spiegel! 
Kan een schrijver zijn/haar klasse verlaten en, ‘ontheemd’ als hzij dan is, de lezer ‘een spiegel’ van de werkelijkheid voorhouden? Of moet de vraag anders gesteld worden: hoe kan een boek ontsnappen aan de vooringenomenheid van de schrijver die het pleegt? Lenin: Op het eerste gezicht kan het vreemd en gezocht lijken de naam van een groot kunstenaar in verband te brengen met een revolutie, die hij duidelijk niet heeft begrepen en waarvan hij duidelijk afstand heeft genomen. Wat bepaalde verschijnselen kennelijk niet juist weerspiegelt kan men immers moeilijk een spiegel noemen!
De spiegel van Lenin blijkt een merkwaardig meubelstuk te zijn, want de schrijver blijft de dingen toch vanuit een welbepaald oogpunt zien, namelijk het zijne: ‘De tegenstellingen in Tolstoj’s werken (…) zijn inderdaad schreeuwend. Aan de ene kant zien wij de geniale kunstenaar (…) Aan de andere kant zien we de landheer (…). Aan de ene kant het (…) protest tegen maatschappelijke leugen en schijnheiligheid, maar aan de andere kant (…) de perverse prediking van onderwerping (…).’ 
Tolstoj weerspiegelt dus bijlange niet alles: ‘Dat het Tolstoj door deze tegenstellingen absoluut onmogelijk was de arbeidersbeweging (…) noch de Russische revolutie te begrijpen, spreekt vanzelf.’ Andere zaken weerspiegelt hij wel: ‘Vanuit dit standpunt vormen de tegenstellingen in Tolstojs ideeën inderdaad een spiegel voor de tegenstrijdige voorwaarden waaronder de boeren hun historische rol in onze revolutie moesten spelen (…)’ Hoe een auteur daarin slaagt legt Lenin ons niet uit of het zou moeten zijn waar hij het over ‘genialiteit’ heeft, over ‘geniale werken’, een ‘geniale belichting’ en een ‘geniaal kunstenaar’.
Wat denken andere marxisten eigenlijk van Lenins spiegel? Volgens Leon Trotski is de artistieke schepping geen spiegel, maar ‘een vervorming (…) van de werkelijkheid, volgens specifieke artistieke wetten.’ Bertold Brecht heeft het over een ‘speciale spiegel’  Georg Lukács zegt dat een groot schrijver wel degelijk de realiteit kan weerspiegelen, gesteld dat hzij op een goed moment in de geschiedenis geboren wordt. Voor Pierre Macherey weerspiegelt de literatuur geen dingen, maar tegenstrijdigheden. Terry Eagleton is van mening dat je de metafoor van de spiegel beter verlaat.
Misschien mag ik het voorgaande als volgt samenvatten. Een schrijver wordt in zijn doen en laten (en dus ook in wat hij schrijft) geleid door de vooringenomenheid waarin hij baadt. Daardoor kan de spiegel ons alleen maar een vervormd beeld tonen. Maar aan de productie van een literair werk hangt ook een on(der)bewust, intuïtief kantje dat aan die vooringenomenheid ontsnapt. Dat is althans wat de marxistische criticus Alexandr Voronsky daarover zegt. Misschien kun je dan spreken van een gebarsten spiegel. Wanneer een schrijver erin slaagt ons in die barsten te laten kijken, dan mogen we hem/haar een genie noemen, want daar wordt belicht wat normaliter in duisternis gehuld blijft. Dat laatste vind ik mooi gezegd van mezelf, maar het belet niet dat ik het nog altijd niet goed begrijp. Dus sluit ik af met een ander citaat van Wladimir: ‘Leren, leren en nog eens leren.’
Flor Vandekerckhove
Het Gezin Van Paemel

zaterdag 21 februari 2015

De wereld volgens Hoss

— Hoss op skype. Op mijn vraag 
heeft hij zijn hoed opgezet. —
Hoss denkt dat de wereld uit goeie en slechte mensen bestaat. Hij denkt dat je de goeie mensen aan hun paard kunt herkennen. Ik spreek hem niet tegen. Hij beweert ook dat Condoleezza Rice geen vrouw is, maar een man. Daarin spreek ik hem evenmin tegen. Hoss is een oude Amerikaanse cowboy die onverwachts via Skype tot mij gekomen is. Oud als hij is, verlaat hij omzeggens zijn huis niet meer. Om de tijd in dat huis te doden klimt hij regelmatig in zijn stamboom. Onlangs heeft hij in die boom ontdekt dat hij van een landmens afstamt die in de veertiende eeuw in Vlaanderen gewoond heeft, meer bepaald in Aartrijke. Daardoor heb ik Hoss trouwens leren kennen, want zelf stam ik eveneens af van die Stevin Ygghebrechts die inderdaad in 1370 in Aartrijke geboren is. [Ik heb daar vroeger al een stukje over geschreven en dat vindt u hier.] Zo'n gemeenschappelijke afkomst maakt van ons nog geen familie, maar de ontdekking brengt Hoss en ik toch nader tot elkaar. We zijn het er bijvoorbeeld al skypend over eens geworden dat de wereld klein is, wat merkwaardig is voor twee mensen die vooral thuis blijven. Nu meldt hij me dat hij uitgevogeld heeft dat die Ygghebrechts in Aartrijke het beroep van eigenbeideraar uitoefende. Wel wel wel, Hoss en ik, alsmede onze voorouders en zelfs ons nageslacht, zowel dat van mij alhier als dat van Hoss over de plas… We stammen allemaal af van een Aartrijkse eigenbeideraar! Ik weet niet wat een eigenbeideraar is en het internet maakt me ter zake ook niet wijzer. In dat net vind ik trouwens evenmin beelden van Condoleezza Rice die aantoonbaar als man op een paard zit en ons daarbij demonstreert of hzij een goed dan wel een slecht mens is. Ik weet bijgevolg niet wat ik daar allemaal moet van denken, maar volgens Hoss heeft alles met alles te maken. En daar heeft hij wel een punt. 
(Vervolgt wellicht)

Flor Vandekerckhove

woensdag 18 februari 2015

Aangespoeld in Bredene

Van mensen die het binnenland voor de kust inruilen, zeggen wij, autochtonen, dat ze aangespoeld zijn. Deze figuurlijke betekenis is inmiddels zo goed ingeburgerd dat we haast vergeten dat hier ook letterlijk dingen aanspoelen. Uit mijn jeugd herinner ik me een aangespoelde zeehond, tientallen pakken boter uit een gestrand smokkelschip en een losgeslagen droogdok. Legendarisch is het Mariabeeld dat niet één keer, maar driemaal in Bredene aanspoelt; reden genoeg om op die plek een kapel te bouwen: de Visserskapeldoor ons gemeenzaam ’t kapelletje genoemd.
Minder bekend is het verhaal van het onbekende voorwerp dat vanaf 1937 verschillende keren op het strand van Bredene aanspoelt. De volkskundige auteur Karel Clybouw heeft er een bijdrage over geschreven en tekenaar Camiel Geselle heeft er een schets van gemaakt.
— Zo schetste Camiel Geselle het onbekende voorwerp
(Uit de collectie van de Heemkring Ter Cuere)—
In de beschrijving van Clybouw heet het als volgt: ‘In Bredene, in het gebied Westwaarts van de Avenue Le Grand, meer bepaald ter hoogte van de molen van De Heer Hubert Henri, steekt men de duinen over en daar op het strange, tegen de hoogwaterlijn, vindt men halverwege de Oogstmaand van 1937 een vreemd en onbekend voorwerp.’ Uit deze notities weten we dat het 7 ft lang is (in die tijd wordt alles wat aanspoelt in Engelse maten beschreven). Het heeft een spitse neus, is dun en van een materiaal dat volgens Clybouw enigszins op bakeliet lijkt, maar dan lichter, sterk genoeg om hem te dragen zonder dat het breekt. De vorm laat de heemkundigen, blijkens de tekening van Geselle, aan een platvis denken, maar dan een zeer grote. Aan een van de twee platte kanten, zo noteert Karel verder, is er een gleuf met groeven waarvan het nut onduidelijk is, net zoals het nut van de twee hechtingen. Daarin kan Clybouw wel zijn voeten steken, maar niet zijn klompen, wat hem laat vermoeden dat het geen landbouwwerktuig betreft dat uit den vreemde naar hier afgedreven is. Het ding wordt enige tijd onderwerp van discussie tussen Bredenaars die het komen bekijken in het schuurtje van Clybouw. Waarna iedereen het vergeet.
Dat verandert in de daaropvolgende zomer, wanneer blijkt dat het voorwerp uit de schuur verdwenen is en door een strandjutter op het strand weergevonden wordt, krek op dezelfde plaats waar het een jaar eerder ook al aangespoeld is. Weer neemt Clybouw het met zich mee, weer zet hij het in zijn schuurtje en weer verdwijnt het, om tijdens de daaropvolgende zomer weer op dezelfde plek aan te spoelen. Driemaal! De vergelijking met het miraculeuze Mariabeeld dringt zich op. Is er sprake van een Hogere Macht? Pastoor Victor Lozie schrijft hoe dan ook een brief naar bisschop Waffelaert en we weten ook dat er een commissie aangesteld wordt onder voorzitterschap van burgemeester Andries Joseph Zwaenepoel. Het onderzoek maakt duidelijk dat het voorwerp nergens in de Bijbel vernoemd wordt. Het werk van de duivel dan? Deze denkpiste wordt in de kiem gesmoord doordat WO II losbarst, wat uiteraard andere kopzorgen meebrengt, alsmede een andere burgemeester. Om ervan af te zijn besluit die het voorwerp op een geheime plek te begraven, want in die tijd denken de mensen nog dat iets weg is als je ’t in de grond steekt; een misvatting, zoals ook blijkt uit wat volgt.
In Bredene geraakt deze vreemde geschiedenis in de vergetelheid, maar zelfs in de vergetelheid maalt de geschiedenismolen verder. Op de plek waar het onbekende voorwerp keer op keer kwam aanspoelen, wordt vele jaren later een surfclub gebouwd. Toeval? Wie zal 't zeggen? Dat de slierten jongeren die daar nu over het duin trekken mij aan de oude bedevaarten laten denken, heeft wellicht met mijn verbeelding te maken. Maar u zult me niet tegenspreken als ik zeg dat de voorwerpen die daar bij die surfclub op ’t strand liggen verdomd goed op de tekening van Camiel Geselle lijken.

dinsdag 17 februari 2015

De engel in Nick Cave



Op vrijdag 13 februari — een datum die zo luid om een cliché schreeuwt dat ik er niet kan aan toegeven — keek ik op de Nederlandse televisie naar 20.000 days on Earth, het fel bejubelde portret van Nick Cave, rockartiest, auteur en scenarist. Ik zou daar niets over schrijven, ware het niet dat ik de mens ooit op een podium heb zien staan, alwaar hij me van zijn uitzonderlijk talent overtuigd heeft. Ik heb daar toen een stukje over geschreven dat u hier kunt nalezen. De film bevestigt het in de overtreffende trap: Nick Cave is een groot kunstenaar.
Met die woorden valt hij ons huis binnen: At the end of the 20th century, I ceased to be a human being. That's not necessarily a bad thing. It's just a thing. I awake, I write, I eat. I write, I watch TV.’ Wil dat nu niet krek ‘t zelfde zijn als wat ik doe? Zo ziet mijn dag er inderdaad ook uit: ik word wakker, eet, schrijf, eet, schrijf, ga joggen, eet en kijk tv. U begrijpt dat zo'n gelijke dagindeling me nader tot Cave brengt. Kijk hoe gelijk we in de wereld staan, de Nick en ik, aan elkaar geklonken door een soortgelijke schrijfpraktijk en alleen maar gescheiden door dat flinterdunne televisiescherm. Een beetje later is het alweer van dat: It's a world I'm creating... ...a world full of monsters and heroes, good guys and bad guys. It's an absurd, crazy, violent world... where people rage away and God actually exists. And the more I write, the more detailed and elaborate the world becomes and all the characters that live and die or just fade away, they're just crooked versions of myself.’ Beter kan het niet geformuleerd worden: wij, schrijvers, creëren een wereld bevolkt met personages die tegelijk wel en niet op ons gelijken (‘crooked versions’). U moet maar naar het universum van dichter Peter Holvoet-Hanssen kijken, een wereld die Kapersnest heet. In die verbeelde wereld waart een marineblauwe dichter rond die her en der mensen op de schouder tikt om hen te ridderen — zelf spreekt Peter over riederen. Of u moet maar naar mijn eigen wereld kijken, waarin ik u, vergezeld van lange schaduwen, tegemoet treed als de hard boyled loner die ik niet ben… of misschien wel, maar dan toch alleen maar in een ietwat scheve versie, ‘a crooked version of myself’.
Ik voel dat ik het gaspedaal een beetje moet lossen, want u vindt dat ik mezelf niet met de grote Cave mag vergelijken. U hebt gelijk. Dat ik tegen ’t einde van de XXste eeuw opgehouden ben mens te zijn, mag ik van mezelf niet zeggen. In de scheve versie waarin ik al schrijvend verander, blijf ik menselijk, al te menselijk. Da’s ’t verschil. Cave overstijgt dat in zijn optredens; hij wordt dan een engel: ‘If you can enter into the song and enter into the heart of the song, into the present moment, forget everything else, you can be kind of taken away... (…) you turn into an angel or something like that.’
Maar voor de rest? Kijk eens wat Cave nog in die film zegt en vervang Brighton eens door Bredene: Places choose you. They can take hold of you whether you wish them to or not. I used to come down to Brighton years ago, and what I remember most is that it was always cold and it was always raining... ...with a glacial wind that would blow through the streets and freeze you to your bones. But you gotta drop anchor somewhere and somehow here I am. Brighton, with all its weather, has become my home and, whatever hold this town has on me, well, it's been forcing its way violently into my songs.’
Flor Vandekerckhove


zondag 15 februari 2015

Film noir: vrouwen, sigaretten en een oud kantoor

— Al mijn fouten, tekortkomingen, misdaden, zonden, verslavingen en andere ongemakken wortelen in de film noir. —

Nooit eerder ben ik in deze blog zo persoonlijk geweest. Heden breng ik u onverbloemd op de hoogte van mijn karaktergebreken, verachtelijke opvattingen & andere tekortkomingen, alsmede van de bronnen waaraan ik me gelaafd heb om mijn verwerpelijke levenswandel te voeden. U begrijpt dat ik het zo kort mogelijk wil houden; ik ben ook niet van plan er later nog op weer te komen.
Pulp is waar mijn voorliefde voor
lingerie vandaan komt.
Eén: elkeen die mijn persoonlijke geschiedenis een beetje kent, weet dat het instituut huwelijk me, nevenvormen inbegrepen, veertig jaar miserie opgeleverd heeft, om nog te zwijgen over de herinneringen waarmee mijn exen achterblijven. Twee: over de vrouwenbeweging zult u me geen kwaad woord horen vertellen, maar toen Dolle Mina in 1969 op straat een stuk lingerie verbrandde, vond ik dat een verwerpelijke actie en toen de Vlaamse meiden, in navolging daarvan, hun bh’s achterwege lieten, vond ik dat, zijdezacht uitgedrukt, geen goed idee. Ik heb daar toentertijd niets over gezegd — de tijdgeest zou het me ook niet toegelaten hebben — maar in stilte heb ik er wel vele jaren onder geleden. Drie: toen ik achttien werd, vond ik dat een sigaret perfect bij mijn imago paste en toen ik dat enkele jaren later alweer niet meer vond, bleef ik toch roken, wat maakt dat ik al in de zestig was toen ik er eindelijk mee kon kappen; dik veertig jaar acetonitriel, ammoniak, nicotine, benzeen, fenol, teer, methanol en andere brol in mijn longen! Vier: succes, daar loop ik in een grote boog omheen. Als ik me inzet dan is ‘t voor uitzichtloze zaken, ik sluit me bij voorkeur aan bij kansloze bewegingen, mijn kantoor heeft altijd in kansarme buurten gelegen, de tijdschriften die ik uitgegeven heb mag je commercieel waardeloos noemen, mijn verhalen worden zelden gelezen. Ik vond, vreemd genoeg, dat het zo hoorde en eigenlijk vind ik dat nog altijd.
Ik heb me wel meermaals afgevraagd waar al die afwijkingen vandaan komen, en kijk, nu het er niet echt meer toe doet, wordt alles plotsklaps duidelijk: de manier waarop ik me in de wereld bewogen heb wortelt in covers van pulpboekjes, filmaffiches aan het raam van Alida’s café en beelden uit B-films, zoals die op vervelende zondagmiddagen, in ’t Frans gedubd, via de zender Rijsel, tot mij gekomen zijn. Waar anderen zich hebben laten inspireren door heiligenlevens, blitse sporthelden of flamboyante politieke voormannen, is mijn leven gemodelleerd op maat van veelal ongure en altijd afwijkende personages uit de film noir (tip: onder het blauw zit een prachtige inleiding op het genre). Laat me toe dat aan te tonen door bovenstaande tekortkomingen in omgekeerde volgorde weer op te roepen, van vier naar één.
Zo hoort een kantoor te zijn: armoedig, uitgeleefd.
Vier. Mijn kantoor in het Oostendse havengebied — leeg, armoedig, uitgeleefd ­— verschilde nauwelijks van dat van privédetective Philip Marlowe in The Big Sleep (1946, wie de in blauw gezette titel aanstipt zal zien dat je bij Marlowe niet met Marcel Proust moet komen aandraven). Daar zat ik dan, net als die Marlowe, te niksen, benen gestrekt, voeten op een bruin gevernist bureau, wachtend op de dingen die zouden komen. Ik heb altijd gedacht dat het zo hoorde en luisterde nauwelijks naar raadgevers die me tot grotere activiteit probeerden te bewegen. Drie. Nu ik in de aanloop naar dit stukje een heleboel van die films (her)bekeken heb, valt het mij op: iedereen rookt zich te pletter. In Out of the Past (1947) komt Robert Mitchum een plek binnen, hij ziet daar Kirk Douglas staan die hem meteen vraagt: ‘Cigarette?’ Mitchum houdt zijn hand omhoog, toont zijn sigaret en zegt: ‘Smoking’. Uiteraard. Bij het mensbeeld dat ik in mijn kindertijd opgebouwd heb hoort, kanker of geen kanker, een sigaret. Twee: de biotoop van de vrouw is in die wereld heel anders. Zij houdt zich niet op in een schamel kantoortje, zoals de good guy dat doet, maar in het boudoir, alwaar rokende armoelijders, zoals Humprey Bogart en ik, hen in vernuftige lingerie te zien krijgen. Dat de personages van Nightmare Alley (1946, wie de in 't blauw gezette titel aanklikt kan heel de film zien), een roman noir van William Lindsay Gresham, tot het
Bij het mensbeeld uit mijn kindertijd hoort een sigaret.
subproletariaat behoren, belet niet dat de cover van die pulproman me vandaag nog altijd laat watertanden. Dat coverbeeld laat u ook, zo hoop ik althans, begrijpen waarom ik Dolle Mina’s afkeer van lingerie nooit heb kunnen appreciëren. Eén: het huwelijk. De vrouwen in de film noir laten me steevast achter met beelden van mascara, lippenstift, lange benen, roodgelakte nagels, pumps, lange handschoenen… Zelfs wanneer ze onder de kogels neerzijgen geraakt hun haar niet in de war — 't is wellicht, o contradictie!, tijdens zo'n neerzijgen dat het woord levenskunst uitgevonden is. In Out of the Past is geen van die vrouwen getrouwd, in The Maltese Falcon (1941) gaan de mannen ongehuwd door ’t leven of ze zijn slecht getrouwd. Van de femme fatale die steevast in dat soort films te zien is, vergeet ik altijd hoe slecht het uiteindelijk met haar afloopt, maar ik onthoud wel haar seksuele aantrekkingskracht. De enige getrouwde vrouw in Double Indemnity (1945) zit in dat huwelijk opgesloten en ze zal haar man doden omdat hij geen affectie meer voor haar toont:
‘I feel as if he was watching me. Not that he cares, not anymore. But he keeps me on a leash so tight I can't breathe.’ Neen, dan kiest een mens toch voor de fantasie die je rond zo’n single femme fatale kunt weven. Niemand verwoordt dat trouwens beter dan femme fatale Kathie Moffatt wanneer ze in Out of the Past tot Jeff Bailley zegt: ‘I never told you I was anything but what I am — you just wanted to imagine I was.’ En als er iets is waaraan ik nimmer een tekort gehad heb dan is het wel dit: imaginatie
.
Flor Vandekerckhove

vrijdag 13 februari 2015

Van de gothic naar de film noir

Omdat ik gedurende lange tijd een stripscenario aan ‘t brouwen was, heb ik u meermaals meegesleurd in mijn verkenning van het genre. Voor mij was ’t een ware ontdekkingstocht, want strips zijn nooit echt mijn ding geweest. Tijdens die tocht vond ik voorwaar onverwachts een Amerikaanse voorloopster van de heldin uit mijn verhaal. Anders dan die Amerikaanse strip baadt mijn scenario echter in de gothicsfeer en dat leidde weer tot andere ontdekkingen, die mij eveneens enthousiasmeerden, zodat ik u ook daarmee moest lastigvallen, zoals dat het geval was toen ik de auteur China Miéville leerde kennen, een kameraad die me inmiddels de term gothic marxism bijgebracht heeft.
Gothic speelt zich, zo vernam ik al surfend, bij voorkeur af in verleden werelden zoals die er bijvoorbeeld uitzagen in het Victoriaanse Engeland. Maar zelf word ik toch vooral geboeid door de uitzonderingen op die regel, die er evengoed zijn, zoals de film 1408 die zich in het hedendaagse New York afspeelt, maar desalniettemin zeer gothic is.
Nu weer leidt de zoektocht me naar een nieuwe wereld waarover ik eerder nooit iets vernomen heb: deze van de gothic noir, een term die gothic aan film noir koppelt. Meestal speelt zo'n film noir zich af in het stedelijke decor van de jaren veertig, vijftig, maar wanneer noir aan gothic gekoppeld wordt, verplaatst de handeling zich, noblesse oblige, nogal eens naar vroegere tijden: het Victoriaanse Engeland, Frankrijk ten tijde van de revolutie, Amerika tijdens de burgeroorlog. Ook hier zijn er uitzonderingen en weer zijn het die uitzonderingen die het genre erg interessant maken: The Sign of the Ram (1948, hier helemaal te bekijken), Rebecca (1940, dat hier staat), Ruby Gentry (1952, hier), The Night of the Hunter (1955), What Ever Happened To Baby Jane (1962); films die u meestal moeiteloos en gratis van het internet kunt halen, zoals dat tot voor kort ook het geval geweest is met Madeleine (1950) dat ik oorspronkelijk onder dit stukje gezet heb, maar daar door youtube inmiddels ook weer weggehaald werd.
Madeleine is een vrouw die in Glasgow leeft, zo te zien in een tijd waarin er al veel auto's rijden, en dus in de stedelijkheid van de film noir. Maar er is geen vergissing mogelijk, de toegenomen mobiliteit belet niet dat Madeleine kleren uit de jaren stilletjes draagt en worstelt met de dubbelzinnigheden van de victoriaanse moraal, waarin de gothic zo goed gedijt. Trouwt Madeleine met de acceptabele, maar saaie man die haar familie prefereert of kiest ze voor een hartstochtelijke lover die haar alleen maar naar het schandaal kan leiden? Dit is gothic met de sterk afgelijnde schaduwen van de film noir!
En zo blijf ik almaar nieuwe dingen ontdekken — hoe mooi is de pensioenleeftijd! Op deze ontdekkingstocht die me nu stilaan van de gothic verwijdert en me naar de boeiende wereld van de klassieke film noir voert begin ik gaandeweg te begrijpen — en dat is, zo moet ik bekennen, quite shocking — dat mijn vrouwbeeld door dat laatste genre gevormd werd. Indien u een gediplomeerd psycholoog bent dan mag u me tegenspreken, maar dat vrouwbeeld heeft zich volgens mij in mijn kindertijd gevormd en ja, mijn kinderjaren zijn tegelijk de hoogdagen van de film noir geweest. Op het internet ontplooien zich nu die beelden, covers van pulpboekjes, cinema-affiches en wat zie ik? De vrouwen die ik vandaag mooi noem, zijn ook vrouwen die daar afgebeeld worden, dames die de film noir maken tot wat hij is! Wel wel wel, dat verklaart veel. Dat ik daar nooit eerder op gekomen ben! Maar goed, aangezien ik me toch voorgenomen heb om dit jaar meer over vrouwen te schrijven, zal ik ter zake een en ander ontbloten in een volgend stukje dat u zeker moet lezen.
Flor Vandekerckhove

woensdag 11 februari 2015

1408, gothic klacht tegen de broodschrijverij

— Het Dolphin Hotel, de New Yorkse versie van Wuthering Heights —
Er bestaat een Amerikaanse versie van de gothic novel. Die verhalen spelen zich niet af in oude, vervallen burchten, want zo’n gebouwen hebben de Amerikanen nu eenmaal niet, maar ze hebben bijvoorbeeld wel hotels die honderd jaar op de teller hebben staan en evengoed de dreiging van zo’n gothic vertelling in zich dragen. Zo’n hotel is de Dolphin, waarin broodschrijver Michael (Mike) Enslin per se de te mijden kamer 1408 wil bezetten. De film, die in de titel alleen maar het kamernummer draagt, is, zo vind ik, van het mooiste wat het genre te bieden heeft. Je krijgt er niet alleen koude rillingen van, maar ook stof tot nadenken.
Mike is een hedendaags gothic personage van het Amerikaanse type: take the money and run. Zijn dochtertje is gestorven en hij kan daar niet mee omgaan. Hij laat zijn vrouw, Lilian, achter, verdoet zijn tijd met surfen, hij drinkt, heeft zijn literaire ambities opgeborgen en schrijft alleen nog prullaria; boekjes over spoken waarin hij zelf niet gelooft, maar die wel het toerisme bevorderen: 10 haunted Graveyards, 10 Haunted Lighthouses, 10 Haunted Hotels… Over die spoken is hij behoorlijk duidelijk: ze doen de kassa rinkelen. Tot de manager van de Dolphin zegt hij onomwonden: You're playing a little game. You're selling the mystique. But eventually, we both know you're gonna give me the key and I'm gonna go up to the room and I'm gonna write my story and your bookings are gonna go up 50%.’ Zo’n schrijver mag zich dan wel ver boven jan modaal verheven voelen, meer dan een knechtje van het kapitaal is hij blijkens die uitspraak toch niet.
Lilian, de verlaten echtgenote, staat dan weer voor dat merkwaardige idealisme van de Amerikanen. Ze heeft haar best gedaan om het doodzieke dochtertje te laten geloven dat er op dit leven nog een ander volgt en staat daarin recht tegenover Mike die een plat materialisme aanhangt. Hoe dwaas, want hij zou Lilians troostende woorden ook kunnen zien als een, weliswaar scheef gericht, verlangen naar een betere wereld in het algemeen en beterschap voor hun dochter in het bijzonder. Is dat trouwens niet de betekenis die Marx aan het verschijnsel religie geeft? [D]e zucht van de in benauwenis verkerende mens, het gemoed van een harteloze wereld.’  Wanneer je dat Amerikaanse idealisme kunt doorprikken — wat op zichzelf al interessant om doen is — wordt de film veel meer dan een goed verfilmd spookverhaal; hij wordt dan een indrukwekkende aanklacht tegen de broodschrijverij. Want Mike weigert om de geschiedenis van zijn overleden dochter te boek te stellen (literatuur) en verdoet zijn tijd liever met het plegen van boekjes die nergens op slaan (pulp). 
Dat is evenwel niet altijd het geval geweest. Dat blijkt al vroeg in de film. Tijdens een signeersessie komt een jong meisje met een verfomfaaid boek aandraven: The Long Road Home, het debuut van Enslin. Duidelijk is dat ze er veel aan gehad heeft, maar Mike maakt haar ook meteen duidelijk dat hij dat soort niet-commerciële boeken ver achter zich gelaten heeft. Het meisje heeft nog een vraag. Is de daarin beschreven verhouding tussen de zoon en de vader op enige werkelijkheid gebaseerd? Mike ontkent, maar de film toont ons dat Mikes weigering om verantwoordelijkheid op te nemen ook de relatie met zijn vader verstoord heeft. Die vader daagt in de film regelmatig als spook op om zijn zoon aan te porren het alsnog te proberen, en neen die vader neemt daarbij geen blad voor de mond: I never gave a shit because you are a bullshit writer.’
Kan het nog goed komen met Mike? Ja en neen. De titel van ’s mans debuut is daarbij niet zonder betekenis. Mike zou een lange weg moeten afleggen om weer thuis te geraken, zowel in het huis van zijn echtgenote als in dat van de literatuur; het zit er dan ook niet echt meer in. Maar zo zegt hij ook: ‘I lived the life of a selfish man. But I don't have to die that way.’ Hij steekt de vermaledijde kamer in de fik, sterft in de vuurzee en geeft daarmee de fakkel door aan Stephen King die er een interessant, inmiddels ook spannend verfilmd, gothic verhaal van maakt, dat u, mocht u in een ander land wonen, hieronder kunt bekijken. Maar misschien geraakt u er hier ook mee weg, het valt te proberen, want bij mij lukt het op die manier wel degelijk.
Flor Vandekerckhove

maandag 9 februari 2015

Larissa Reissner, een remedie tegen de chick lit

— Larissa Reissner (1895-1926) —
In 1929 publiceerde de uitgewezen Russische revolutionair Leon Trotski zijn autobiografie. In 1930 werd het boek onder de toepasselijke naam Mijn leven in ’t Nederlands uitgegeven en die oude vertaling kunt u hier helemaal gratis van ‘t internet halen. Zelf heb ik dat ook gedaan, want er valt op elke bladzijde van dat boek wel iets te leren: dat Trotski machtig goed kon schrijven bijvoorbeeld, maar ook dat het boek opnieuw vertaald zou moeten worden, want een ‘voorrede’ schrijft men vandaag niet meer, ook niet als men vindt dat daarvoor ‘het rechte ogenblik’ aangebroken is. Wie evenwel doorheen al dat oubollige en vooral erg houterige Nederlands kijkt, ontdekt een schatkist. Een van de schatten uit die kist heet Larissa Reissner, een medestrijder waarvan Trotski blijkbaar lyrisch wordt: ‘Deze heerlijke jonge vrouw, die zo velen bekoorde, is als een vurige meteoor aan de hemel van de revolutie voorbijgetrokken. Aan het uiterlijk van een Olympische godin paarde zij een fijn ironisch verstand en de dapperheid van de soldaat. (…) Zij heeft vertellingen geschreven over de burgeroorlog, die in de literatuur zullen blijven voortleven. (…)’ Nou nou.
Ik struin het internet af en vind nog wel mannen die deze ‘Olympische godin’ bezingen. Karl Radek bijvoorbeeld die haar minnaar geweest is en Boris Pasternak (ja, die van dr. Zhivago) die een gedicht aan haar gewijd heeft. Uit dat net haal ik ook twee in het Engels vertaalde ‘vertellingen’ van deze ‘heerlijke jonge vrouw’. In de ene, Hamburg at the barricades, heeft ze het over de revolutionaire ontwikkelingen in Duitsland. De andere tekst, Svyazhsk, is iets ouder en beschrijft een episode in de Russische burgeroorlog.
Svyazhsk blijkt de naam van een negorij in Rusland te zijn, de plek waar het Rode Leger halsoverkop terechtkomt nadat de Witten de bolsjewieken in Kazan een pandoering van jewelste gegeven hebben. Ik probeer enkele stukjes te vertalen. ‘Het was, geloof ik, de derde of de vierde dag na de val van Kazan dat Trotski in Svyazhsk toekwam. In het kleine stationnetje kwam zijn trein vast te zitten; zijn locomotief hijgde een beetje, werd ontkoppeld, vertrok om water in te slaan, maar kwam niet terug. De wagons bleven in de rij staan, even onbeweeglijk als de vuile strorieten boerenhutten en de barakken die bezet werden door de staf van het Vijfde Leger. Die onbeweeglijkheid onderstreepte stilzwijgend dat het van hieruit nergens heen ging (…) Beetje bij beetje begon het fanatieke geloof echt vorm te krijgen dat dit kleine stationnetje het startpunt zou worden van een tegenoffensief op Kazan.’
‘Elke dag dat dit godvergeten, arme spoorwegstationnetje het tegen de veel sterkere vijand uithield, werd het sterker en steeg het vertrouwen. Van in den verre, van afgelegen dorpen in het hinterland, kwamen soldaten, eerst man per man, vervolgens kleine detachementen en uiteindelijk militaire formaties die in veel betere staat verkeerden.’
‘Ik zie dat Svyazhsk nu voor me, waar geen enkele soldaat ‘onder dwang’ vocht. Alles wat daar leefde en in zelfverdediging aan ’t vechten was —alles was verbonden door de sterkste banden van zelfdiscipline, vrijwillige deelname aan een strijd die bij de start zo hopeloos leek.’
‘Mensen sliepen op de vloer van het station, in vuile hutten vol stro en gebroken glas — zij hoopten nauwelijks op succes en vreesden daardoor niets. De speculatie wanneer en hoe dit zou eindigen interesseerde niemand. ‘Morgen’ bestond gewoon niet; er was alleen maar dit korte, hete, walmend stukje tijd: vandaag. En men leefde ernaar, zoals men in de oogsttijd leeft.’
Akkoord, Larissa Reissner Is de mindere van Isaak Babel maar dat is een onheuse vergelijking, want de meerdere van Babel moet nog geboren worden. Bovendien schrijft ze dit stukje in 1922, ze is dan nog maar 27 en staat al mijlenver boven de auteur van Vijftig tinten grijs. Neen, chick lit is evenmin de passage waarin ze een nacht in dat stationnetje beschrijft: ‘En nooit hebben ze geleefd, niets weten ze van ’t leven, zij die nooit de nacht op de vloer doorgebracht hebben, in gescheurde en door luizen bereden kleren, daarbij almaar denkend hoe wondermooi de wereld is, oneindig mooi! Dat het oude hier omvergeworpen wordt en het leven met blote handen vecht voor de onweerlegbare waarheid, voor de witte zwanen van zijn verrijzenis, voor iets dat zoveel groter en beter is dan het stukje sterrenhemel dat we door het fluwelen duister van een venster met gebroken ruiten zien — voor de toekomst van de hele mensheid.’ Dat is toch wel een stuk literaire non-fictie waarvan een mens alleen maar stil kan worden.
Flor Vandekerckhove
The Russian Civil War

zondag 8 februari 2015

Balans & perspectieven (2)

Intussen werd het veiligheidsniveau aan de kust van 3 op 3,5 
gebracht. Ook joggers komen nu in 't vizier te staan.

Inmiddels is ’t dik drie jaar geleden dat ik deze blog opgestart heb. Daar valt een balans van op te maken. Ik heb dat trouwens al eens gedaan, wel, ik zal het ook in de toekomst doen wanneer er weer eens een nieuw stukje tot in de top tien geraakt, zoals dat nu enigszins onverwachts gebeurd is met het in memoriam voor Marcel Van Paemel.
In de voorbije drie jaar werd er meer dan 80.000 keer gekeken naar de 376 stukjes die ik alhier gepubliceerd heb. 142 mensen laten zich automatisch verwittigen wanneer er een nieuwe bijdrage verschijnt, 183 zijn lid van de site geworden en 626 internetgebruikers zeggen regelmatig de blog op te zoeken. Dat is allemaal verwaarloosbaar klein als je ’t met The Huffington Post vergelijkt, maar ’t is wel meer dan het publiek dat ik kon bereiken in de tijd dat ik papieren boeken in de winkel deponeerde.
Drie jaar is een voldoende lange periode om naar trends te speuren. Zo te zien schrijf ik bij voorkeur over onderwerpen die niemand anders het schrijven waard vind. In mijn blog zult u vruchteloos zoeken naar een commentaar op de betoging in Parijs waarin iedereen zei Charlie te heten, maar Ik heb wel over een merkwaardige betoging geschreven die in 1929 in New York is doorgegaan. Wanneer ik het over boeken heb, dan is dat vooral over werken die nauwelijks (nog) gelezen worden, zoals godbetert Isidoor van Aster Berkhof, waarover ik nochtans iets te vertellen heb dat u kan interesseren, iets over een duivenkot bijvoorbeeld. In de blog komen films, zoals Kes, aan bod die u lang vergeten ben, maar die mij bijgebleven zijn. ik belicht politieke strekkingen, zoals het trotskisme, die nauwelijks bestaan en waarmee ik me nochtans verwant voel; kunstenaars waar u in Het Laatste Nieuws zelden iets over leest, zoals die Serrano met zijn aanstootgevende werken. Ik plaats personen voor het voetlicht die daar volgens de meesten onder u niet thuishoren, zoals de cowboy Broncho John en ik haal herinneringen op aan mensen waaraan vandaag niemand nog denkt, zoals Oscar Vereecken. Ik schrijf over Bredene, een plek waar niemand anders over schrijft, toch niet op de manier waarop ik dat doe in het verhaal Wolvenkinderen, waarin ik herinneringen ophaal aan twee broers die enige tijd in die gemeente gewoond hebben; een stukje dat u echt eens moet aanklikken, want het werd veel te weinig bekeken, dus: Wolvenkinderen
Bij een balans hoort een debet- en een creditkant. Welke zijn de tekortkomingen? Uit de ontleding van de ‘pageviews’ leer ik dat ik voor de man in de straat schrijf. Zelfs wanneer ik me in de hogere regionen van de cultuur begeef, zoals deze bijvoorbeeld via James Joyce tot ons komen, gaat het om de man in de straat die het allemaal niet begrijpt. Dat heeft een sociologische reden: ik ben zelf een man in de straat. Da’s goed, want, zo zegde meester Blomme me destijds al: 'Ge zoudt beter opschrijven wat ge kent, in plaats van door het venster te kijken.' Tegelijk valt het mij echter ook op dat ik veel te weinig over vrouwen schrijf. Dat ikzelf geen vrouw ben mag, vind ik, geen excuus zijn. Ik neem me bijgevolg voor om dat in de toekomst meer te doen, over vrouwen schrijven, want mocht ook de vrouw in de straat mijn blog regelmatig beginnen consumeren dan verdubbel ik toch mijn lezerscorps.
Laat me eens kijken. Kent u Larissa Reissner, een vrouw die destijds velen kon bekoren? Neen? Hebt u ooit iets van deze spetter vernomen, een beeldschoon vrouwmens waarvan men destijds zei dat ze verhalen aan 't schrijven was die in de literatuur zouden voortleven? Neen? Dan moet die Larissa hier zeker een plek krijgen. Wie evenwel wil weten wannéér het in de blog komt, schrijft zijn/haar e-mailadres in het vakje dat bovenaan in de rechterkolom staat. Druk vervolgens op ‘submit’ en… hopla! Als premie krijgt u onderstaand lied aangeboden, een gratis meezinger (BTW-verhoging niet inbegrepen, maar deze tax shift kunt u dan weer deze sympathieke regering aanrekenen).
Flor Vandekerckhove