zondag 30 november 2014

Au repos des invalides

Veel herinneringen die ik neerschrijf zijn onwaar. Ze worden geproduceerd in het wankele geheugen van een mens die waarheid en verbeelding door elkaar haalt. Ik weet dat, want zo nu en dan wordt zo’n herinnering door de waarheid achterhaald. Ooit vertelde ik iemand dat haar vader een klasgenoot van me geweest was. Later deelde die vader me mee dat hij nooit in mijn klas gezeten had, zelfs niet in mijn school. Daar had ik nochtans zwaar op willen inzetten, want voor mijn geestesoog zie ik hem wel degelijk zitten, achteraan, met snotneus en waterige oogjes, altijd een beetje slaperig. Niet dus. Gisteren was het weer van dat. Ik fietste voorbij een bouwvallig huis waarin ooit een café uitgebaat werd. Daarna was het leeg komen te staan en vervallen geraakt. De gevel werd aan ’t oog onttrokken door timmerwerk dat krakers uit het pand moest weghouden. Ik had dat café destijds goed gekend, want als kind had ik er mijn vader meermaals uit weggehaald. Ik had het in een boek vermeld als Au repos des voyageurs. Daar fietste is gisteren dus weer voorbij. Omdat het huis gesloopt wordt, waren de planken weggehaald. Op de gevel las ik Au repos des invalides. Van voyageurs was geen sprake. Ook daar had ik nochtans zwaar op willen inzetten.
Die vergissing is gemakkelijker te verklaren dan die van de vermeende klasgenoot. Over de ware cafénaam heeft zich in 1962 de schaduw van een film van Roger Vadim gelegd. Brigitte Bardot heeft in dat jaar ongetwijfeld mijn kinderlijke aandacht getrokken met de affiche waarop zij die film, Le repos du guerrier, propageert. Als mijn vader dan toch zijn repos in een café moest zoeken dan had ik liever dat hij dat als guerrier deed dan als invalide. Voortschrijdend inzicht leerde me vervolgens dat mijn vader invalide noch guerrier was, waarna de naam zich in mij genesteld heeft als Repos des voyageurs, zoals veel cafés ook nu nog heten.
Terwijl ik deze scheve kwestie recht aan ’t zetten was, begon ik me iets anders af te vragen. Waarom heette dat café eigenlijk Au repos des invalides? Het bevond zich krek op de grenslijn van Bredene en Oostende. Was er een verband met bedevaarders die vanuit Oostende naar de Visserskapel in Bredene trokken, waarbij de minder valide bedevaarders onderweg een rustpunt aangeboden werd? Had het te maken met het zeemanstehuis Godtschalck dat zich daar rechtover bevindt? Kwamen oudere, invalide vissers er nu en dan een kraken? Was de waard zelf een invalide mens en trok hij een cliënteel van lotgenoten aan? Was het etablissement een stamcafé van gekwetste oorlogsveteranen? 
Zoals dat wel meer gebeurt met deze herinneringen: de waarheid is inmiddels niet meer te achterhalen. Temeer daar het café een voorgeschiedenis heeft die ons naar lang vervlogen tijden leidt. In een heemkundig werk over de Oostendse Oude Vuurtorenwijk lees ik: In 1927 hield V. Van Hifte er [bedoeld wordt de Fortstraat in die verdwenen wijk] het cafe: ‘Au repos des invalides’. Dit café verhuisde later naar de hoek van de Groenendijkstraat-Kongolaan, tweede huis rechts naast het gekende café van Elisée Vangheluwe alias ‘Lies Gebeurs’ waarvan verder nog sprake. Het café bestaat nog steeds.’ (*) Toen wel ja, maar nu niet meer… tenzij in het wankele bouwwerk dat geheugen heet. En voor wat mijn eigen geheugen betreft: verbeteren zal dat niet meer. Slecht nieuws hoeft dat niet te zijn, want ook dat heb ik inmiddels ondervonden: hoe slechter het geheugen, hoe beter de verhalen.
Flor Vandekerckhove

(*) Rudolf Weise. De Schorre van Lissemoris en de Oude Vuurtorenwijk. Oostende, 2007. Oostendse historische publicaties nr 16. 120 ps. p.45. Te downloaden op: http://www.google.be/urlsa=t&rct=j&q=&esrc=s&source=web&cd=1&ved=0CCEQFjAA&url=http%3A%2F%2Fwww.vliz.be%2Fimisdocs%2Fpublications%2F220942.pdf&ei=hRx7VKGuLJLYap62goAD&usg=AFQjCNGMOaYR35qEP-v11WEKypmxV7N_rQ&sig2=OE5iiUiPichIqzGAfnSLdg

https://www.youtube.com/watch?v=48guKZN7mxM
Brigitte Bardot - Le Repos Du Guerrier

woensdag 26 november 2014

Op zoek naar de moeder aller infiltranten

— 1929: Een suffragette betoogt, sigaret
in de hand. Of is ze een infiltrant
?
Ik wil niet overdrijven, maar toch: 't zijn ruige tijden. Er wordt geprotesteerd, gestaakt, betoogd. De dingen worden in vraag gesteld, de orde aangetast, het kapitaal bevraagd, de eigendom belaagd… Van de weeromstuit weerklinkt alom de waarschuwing: mijd onbekenden die zich in dokwerkerkledij hullen! Distantieer u van onwilligen die van staking naar staking hollen! Isoleer het tuig dat de onderhandelingspositie ondermijnt! Verwijder u van provocateurs die naar links uitwijken, waar de stoet naar rechts hoort af te slaan! Hoed u voor de infiltranten!
Infiltranten, het is waar, ze bestaan. Ze infiltreren zelfs in mijn mailbox, in mijn brievenbus, in mijn krant en in mijn hoofd. Ze leggen ons uit dat er geen alternatief is. Ze laten ons geloven dat ze het voor onze kinderen doen. En voor de tewerkstelling natuurlijk. En ja, ze bevinden zich ook aan de stakingspiketten, ze luisteren een gesprek in de kroeg af, ze zitten naast u in vergaderingen, ze lopen vooraan in de betoging, ze werpen de eerste steen en ze doen dat in meer dan een opzicht. Ze zijn gestuurd of ze komen uit zichzelf, ze worden betaald of ze doen het vrijwillig, ze voeren ideologische redenen aan of ze doen het voor de kick. 
De infiltratie van sociale bewegingen is een feit. Elkeen die een stakingspiket georganiseerd heeft of een betoging, kan het u vertellen: er is altijd wel iemand die daar, volgens weer iemand anders, niet echt thuishoort. De infiltratie heeft ook een lange geschiedenis. Iemand moet daar eens een boek over schrijven. Daaruit zou wellicht blijken dat Pasen 1929 een hoogdag van de infiltratie genoemd moet worden. Op die dag zien we immers de moeder aller infiltranten aan het werk.
Op die mooie lentedag marcheren de suffragettes door de straten van New York. Ze eisen gelijkberechtiging. Als mannen mogen stemmen, waarom dan niet de vrouwen? Als mannen mogen werken, waarom dan niet de vrouwen? Als mannen mogen roken, waarom dan niet de vrouwen? Zo gezegd, zo gedaan. In de betoging wordt een groep vrouwen opgemerkt die demonstratief aan ’t roken slaat. Op straat nog wel! Dat radicale gedrag trekt alle aandacht naar zich toe. Fotografen en reporters, commentatoren en toeschouwers… Ze hebben maar één ding onthouden: op straat rokende vrouwen.
Wat een statement! De sigaret als symbool van de vrouwenemancipatie. Op die dag wordt een langdurige alliantie gesmeed tussen de vrouwenbeweging en de tabaksindustrie, een verbond dat veertig jaar later nog bestaat. Vrouwen hebben ook recht op longkanker! Met deze slogan trekt Dolle Mina op 4 maart 1970 in Antwerpen voor het eerst de straat op. Doelwit: een verzekeringskantoor waar mannen wel en vrouwen niet mogen roken.
Weinigen weten op dat moment dat de alliantie tussen de tabaksindustrie en de vrouwenbeweging het gevolg van infiltratie is. Achteraf blijkt dat de rokende vrouwen in de betoging van 1929 geen suffragettes zijn, maar huurlingen die door reclameman Edward Bernays naar die manifestatie gestuurd worden. Deze Bernays voert op dat moment campagne voor de tabakgigant Philip Morris, een bedrijf dat beseft dat de omzet van Lucky Strike verdubbelt, mochten de vrouwen massaal aan ’t roken slaan.
Reclameman Bernays is niet de eerste de beste. Hij is een neef van Sigmund Freud en past diens inzichten toe op het reclamevak. Hij begrijpt dat je mensen dingen kunt laten kopen die ze niet nodig hebben. Je moet dat ding alleen maar weten te koppelen aan een bestaand verlangen dat daar niets mee te maken heeft, vrijheid bijvoorbeeld. De sigaret is voor vrouwen bijgevolg geen kankerstok, zegt Bernays, maar een torch of freedom, een vrijheidsfakkel. Of je koppelt de stinkstok aan iets als macht. Dan wordt de sigaret een surrogaatpenis. Vind jij dit vergezocht? Feit is dat het gewerkt heeft, bijzonder goed zelfs. Edward Bernays heeft in 1929 de sigarettenmarkt opengebroken… door binnen te dringen in de vrouwenbeweging. De moeder aller infiltranten blijkt een man te zijn!
Flor Vandekerckhove

Op youtube: Edward Bernays, Part I Of Cigarettes and Suffragettes


maandag 24 november 2014

Mistinguett en de reuzin


— De Av. Marc Samdam in Bredene. Rechts staat de woning van de Russin. Links achteraan zien
we het dak van het hoge huis waar Mistinguett woonde. —
Zodra we haar ontwaarden, riepen we haar smalend na: de reuzin, de reuzin, de reuzin… We deden dat tot het vrouwtje haar stok omhoog stak en wij er razendsnel vandoor gingen. Ze was oud & krom en huisde in een uitgeleefde villa, waar ook tien katten woonden. Zo rook het daarbinnen naar verluidt ook. Mijn nicht was zeven, ik acht. Het woord empathie was ons vreemd en we waren dan ook 'n bijzonder wreedaardig stel; m'n nicht nog meer dan ik. Zo’n oud, alleenstaand vrouwtje konden we gemakkelijk de baas, zeker als we voldoende afstand hielden: de reuzin, de reuzin, de reuzin… U begrijpt het, de reuzin was onderwerp van spot. En ze was dat net zoals die andere oude vrouw die enkele huizen verder woonde, aan de overkant van dezelfde laan. Die ging als Mistinguett door ons kinderleven. Ook zij werd door ons nageroepen: Mistinguett, Mistinguett…
Het waren bijnamen die we thuis opgevangen hadden. We wisten geen van beiden waarom we dat ene vrouwtje als reuzin nariepen en het andere als Mistinguett. De reuzin was klein en het was ook niet zo dat ze de vrouw van een reus was, want ze leefde alleen. Waarom heette ze dan reuzin? De Franse actrice Mistinguett had haar successen in de eerste helft van de eeuw gevierd en wij waren van de tweede helft. Het waren onze ouders die een verband legden tussen de extravagante filmster en de vrouw die in Bredene in een veel te hoog huis woonde. Misschien vereenzelvigde die vrouw zich met de actrice, misschien deed ze zich beter voor dan ze was, misschien weigerde ze om oud te worden, misschien kleedde ze zich opzichtig, misschien schminkte ze zich… Wie in die tijd in Bredene woonde kon maar beter gewoon doen. Zeker als je een oude, alleenstaande vrouw was; onnuttig en gevaarlijk tegelijk.
Mistinguett is niet in Bredene blijven wonen. Heeft ze haar laatste dagen in een meer mondaine plaats gesleten? Het huis waar ze gewoond heeft bestaat nog steeds. Ook de villa van de reuzin staat er nog. Na haar dood werd het huis verkocht en mooi gerestaureerd. Telkens ik door de Prinses Marie-Josélaan rijd en dat huis, recht tegenover het park, passeer, denk ik weer aan de reuzin, waarvan ik inmiddels weet dat mijn nicht en ik haar bijnaam verkeerd interpreteerden. Zij werd door onze ouders niet reuzin genoemd, maar Russin. 
Gevlucht voor de bolsjewieken? Een relict uit de tijd waarin die laan Avenue Marc Samdam heette en Bredene de jet set probeerde aan te trekken? Russische adel? Misschien maakte de Russin wel deel uit van de geschiedenis. De kans dat we daar nu nog iets over te weten komen is evenwel miniem en hij wordt almaar kleiner. 
Maar kijk, de levens van de Russin en van Mistinguett hebben op aard’ onverwachts toch een spoor nagelaten, en wel in deze blog. Of het mijn jeugdige spotternijen goedmaakt, weet ik niet; een mens doet wat hij kan en soms is dat genoeg, soms niet.
Flor Vandekerckhove

zondag 23 november 2014

Een showproces uit 1938


De grootvader van de Rus Vadim Z. Rogovin (°1937-†1998) was een van Stalins vele slachtoffers. De kleinzoon kon geen geloof hechten aan de officiële versie waarin zijn grootvader een verrader genoemd werd, maar doordat hij geen inzage kreeg in de dossiers, kon het alleen maar een vermoeden van onschuld zijn. In 1956 trad er in de Sovjet-Unie, met Nikita Chroestjov, een korte periode van politieke dooi aan, zodat Rogovin zijn zoektocht naar de waarheid eindelijk kon aanvatten. Tegen de tijd dat het, onder Brezhnev, alweer begon te vriezen, had Vadim een verband ontdekt tussen het showproces van 1938 en de toenemende ongelijkheid die in de USSR al langer aan de gang was. Rogovin was daarmee op iets gestoten dat hem niet meer los zou laten. De daaropvolgende periode van openheid, die Gorbatsjov belichaamde, gebruikte hij om de stalinistische terreur verder te onderzoeken. Het leverde enkele boeken op, waarvan ik er zojuist een dichtgeklapt heb. (*) Daarin concentreert Rogovin zich op het Derde Proces van Moskou dat in maart 1938 plaatsgreep, het zgn. Proces tegen de eenentwintig; het laatste van een aantal open processen tegen vooraanstaande figuren uit de Communistische Partij en het Sovjetregime. Deze keer betrof het vermeende samenzweerders die zich verenigd hadden in een ‘Rechts-Trotskistisch Blok’. Op de beklaagdenbank zaten Nikolai Bukharin en Alexei Rykov, bekende figuren die zich ter rechterzijde van de partij ophielden, naast eertijds linkse opposanten (Nikolai Krestinsky, Arkady Rozengolts en Khristian Rakovsky) en een aantal artsen die er gewoon van beschuldigd werden mensen vermoord te hebben.
Dat proces ging verder dan de twee vorige. De start van de Rechts-Trotskistische samenzwering was volgens de openbare aanklager al in 1918 te situeren. Daar trek je als lezer toch de wenkbrauwen van op, want dat betekent dat de Russische communisten al van in den beginne geïnfiltreerd, ja zelfs geleid werden door aanhangers van het kapitalisme, huurlingen van het Westen, trawanten van de tsaar, saboteurs en andere provocateurs die door de aanklager zelfs vergeleken werden met de… Ku Klux Klan. Maar die ongeloofwaardige prietpraat paste wel in de stalinistische logica, want op die manier konden de mislukkingen van de stalinistische economie in de schoenen van de samenzweerders geschoven worden. Al de beklaagden werden bijgevolg schuldig bevonden en meteen afgemaakt, met uitzondering van drie die veroordeeld werden tot tientallen jaren opsluiting. Die moesten ze echter niet uitzitten, want ze werden al in 1941 geëxecuteerd.
De processen van 1937-38 hadden meer op ’t oog dan de liquidatie van de eenentwintig beklaagden. De purge strekte zich uit tot alle lagen van de partij: ‘Van de 1.996 afgevaardigden op het 17de Partijcongres… werden er 1.108 gearresteerd, waarvan er 848 neergeschoten werden.’ Rogovin geeft nog cijfers. In de archieven vindt hij elf boekdelen met lijsten van veroordeelde communisten: 5.449 werden naar kampen en gevangenissen gestuurd. 38.848 werden neergeschoten. Ze werden vervangen door nieuwelingen die het denken wijselijk aan vadertje Stalin overlieten.
In een jaar tijd maakte de terreur onder de bevolking 400.000 dodelijke slachtoffers. Volgens Rogovin had deze massale staatsterreur ook langdurige gevolgen. Zo wijst hij er ons fijntjes op dat de kapitalistische omwenteling die de Sovjet-Unie op ’t einde van de jaren tachtig op zijn kop zette het bestaande staatsapparaat grotendeels in stand kon houden omdat de communisten er al vele tientallen jaren eerder door Stalin uit verwijderd waren.
Flor Vandekerckhove

(*) Vadim Z. Rogovin. Stalin’s Terror of 1937-1938: Political Genocide in the USSR. Mehring Books. 513  ps. ISBN 978-1-893638-04-4.

donderdag 20 november 2014

Over Roland Desnerck en de verjongingsoven van ‘t Sas

Roland Desnerck (links) en De Laatste
Vuurtorenwachter. (Foto Jo Clauwaert)
Hoelang ken ik Roland Desnerck (°1938) inmiddels al? Een halve eeuw? Dat is overdreven, zij het alleen maar een beetje, want we moeten toch ver in de tijd terugkeren. Desnerck is in die jaren nog actief in de VUJO, de jeugdafdeling van de Vlaams-nationalistische Volksunie. In Oostende geven die jongeren een blad uit dat De Klutser heet en dat helemaal in de geest van de sixties een linkse koers vaart. De partijleiding, waaraan in Oostende namen kleven als Miel Vansteenkiste en Jef Nagels, wordt er zenuwachtig van en het komt tot een open conflict. De Klutser verdwijnt en de revolterende jongeren stappen op. Een ervan is Roland Desnerck: Ik ben toen zeer ontgoocheld geweest. Ik besefte tegelijk hoe hard de politiek kon zijn en ik besefte vooral dat het niets voor mij was. Ik zou me voortaan concentreren op heem- en taalkunde. Niet veel later, in 1972, verscheen mijn Oostends Woordenboek.’ Dat wil zeggen: de eerste versie, want er zullen er nog veel volgen.
Dat woordenboek is overigens niet de eerste literaire worp van Desnerck. In 1953 heeft hij, als vijftienjarige (!), al een feuilleton in Het Kustblad gepubliceerd. De afleveringen worden gebundeld en Roland trekt ermee de boer op. Daarmee legt de tiener een basis onder een praktijk die tot vandaag blijft duren. Inmiddels staat zijn naam op een reisgids, heeft hij het epos van Reinaert de Vos en ook dat van Tijl Uilenspiegel op rijm gezet en zorgt hij ervoor dat Kuifje in ’t Oostends te lezen is. Het belet hem niet om tussendoor les te geven, een roman te plegen, toeristen door stad en platteland te gidsen, een CD met vissersliederen te produceren, Oostendse spreuken & gezegden te verzamelen en ja, ook spookverhalen.
Die Oostendse griezelverhalen heeft hij nu in een boek gegoten (*), tachtig spookhistories en wondervertellingen in ’t Oostends, vertaald in ’t Algemeen Beschaafd Desnercks, een soort Nederlands waarin al dat graafwerk in de catacomben van het Oostendse dialect nogal wat sporen achtergelaten heeft. 
Jocelyn Wildenstein, klant van een
verjongingssmid uit de XXIste eeuw.
In dat boek vinden we roesschaerts, molfiets, waternekkers, stratennaaiers en kludden à volonté. Veel van die verhalen heb ik al eerder gehoord en gelezen, maar ik verneem wel voor het eerst iets over het bestaan van een Engelsman die lang geleden door een walvis ‘uitgescheten’ werd aan ’t Sas van Bredene. Daar zou hij zich vervolgens specialiseren in het hergieten van oude vrouwen: ‘Hij vond in de smisse vele soorten smeltmachines en apparaten en vormgevingmachines, kocht hier en daar nog wat onderdelen en kon zo een degelijke verjongingsmachine samenstellen.’ Hij testte zijn machine uit op ene Germaine, ‘de dronkelot van twee straten verder’. Met succes, want door die drastische verjongingskuur was de oude Germaine onverwachts in staat om nog een carrière in 't nachtleven van Blankenberge uit te bouwen. Dat succes trok dan weer duizenden vrouwen aan die allemaal in sterk verjongde vorm ‘zwevend en dansend’ de smisse konden verlaten. ‘Waren de vrouwen gekrompen, geen nood. Hij smolt een hoeveelheid keien tot brij en die gingen samen met het wijfje de verjongingsoven in.’ Waardoor alles weer een maatje jonger, groter, ronder, strakker en steviger werd. Het is een fantastisch verhaal dat evenwel heel realistisch wordt wanneer we de verjongingsoven vervangen door plastische chirurgie, de smeltmachine door botox en de keienbrij door implantaten.
In de inleiding van dat boek wijst Desnerck er ons op dat ‘onze tijd van elektriciteit, computers en detectie’ de voedingsbodem voor dat soort griezelverhalen vernietigd heeft. Roland kan gelijk hebben voor wat de XXste eeuw betreft, maar het ziet ernaar uit dat de XXIste die deur weer openzet.  Want kijk, terwijl ik het net aan ’t afspeuren ben naar een passende illustratie, stoot ik plotsklaps op de beeltenis van ene Jocelyn Wildenstein (foto). Dat is dan wel geen ‘dronkelot’ van ’t Sas, maar een societyfiguur uit New York die toch duidelijk te veel gebruik gemaakt heeft van de verjongingsmachine. Spooky! Of je moet eens kijken naar het filmpje dat ik hieronder geplaatst heb en waarop je de danig verjongde Elsa Patton ziet, een ster van de Amerikaanse televisiereeks Real Housewives of Miami. Niet twijfelen: de Stratennaaier is Back! Aaaaahhhhh! 
Flor Vandekerckhove

(*) Roland Desnerck. 80 Oostendse spookverhalen en wondervertellingen. 2014. Uitg. Zorro, Damme. 320 blz. 29,95 euro. ISBN 978 94  6168 0341. 


vrijdag 14 november 2014

Lurre

Veel van mijn herinneringen spelen zich af in Bredene, de plek waar ik mijn jeugd doorgebracht heb. Ik ben er lange tijd weggebleven, maar nu woon ik weer in de wijk waar alles mij aan vroeger herinnert. Ik schrijf daar graag over. Sommigen noemen het nostalgie, maar dat is ten onrechte. Ik mag die stukjes omwille van de schoonschrijverij een beetje romantiseren, maar ik verlang niet naar die tijd, integendeel, ik ben blij dat hij voorbij is. William Trevor, een Ierse auteur, die een boek met soortgelijke herinneringen publiceerde, zegt iets soortgelijks wanneer hij het strand van zijn jeugd afwandelt: There is no nostalgia here, only remembered facts — and the point that passing time had made: the strand is still the strand, taking change and another set of mores in its stride, as people and houses cannot. While you walk its length, there is something comforting in that.(*) Het is een beetje moeilijk om dat citaat raprap te vertalen, maar je begrijpt dat het gaat om herinneringen, strand en troost. En 't strand van Ierland is daarin niet anders dan dat van Bredene.
Maar goed, een huis dat afgebroken wordt of dat is blijven staan, iemand die je op straat ontmoet of net niet meer, een anekdote die opgerakeld wordt, een oude foto waarvan je dacht dat hij voorgoed verloren was, een madeleinekoekje… Je weet hoe ’t gaat. Het ene woord brengt het andere mee en op ’t einde heb je een verhaal, zoals het onderstaande.
Ik had nooit gedacht dat ik nog eens aan hem herinnerd zou worden. Maar toen ik beroepshalve een stukje over Oostendse vislossers aan ’t samenstellen was, stootte ik op zijn naam; een bijnaam uiteraard, want veel vislossers waren alleen maar zo bekend. Ik had het in dat stuk over De Benne, Sonny Boy (Kamiel Deledicque), Frans De Hamers, Leize, bennenbaas Tuur Lenaers, Dove Pier, Fons de Eenarm, Lange Frans, De Witten, De Bennenpoeper (!)… En dan was er ook een vislosser die Lurre heette.
Die Lurre kende ik. Hij woonde in Bredene. Bij zijn zuster, zei men. Hij passeerde ons huis wanneer hij op stap ging. En dat deed hij veel. Lurre had immers een drankprobleem in de overtreffende trap; hij wàs een drankprobleem. Zo ervoer hij dat ook zelf. ‘Kijk naar Lurre’, riep hij altijd weer, ‘Lurre is een sukkelaar’. Wij waren jong en lachten om die oude man die er te pas en te onpas de oorlog bij haalde, een oorlog waarin hij bunkers voor de bezetter gebouwd had: ‘De Duitsers waren smeerlappen, maar ze hadden lekkere soep.’ De logica van de proletariër. En wij maar lachen. Of hij vertelde over de jaren vijftig in de Oostendse vismijn, over een tijd waarin de dagen meer uren leken te tellen, werkdagen die om zes uur ’s morgens begonnen en tot zeven, acht uur ’s avonds konden uitlopen. En wij maar lachen. Tussen het vele werk door, tijdens de werkuren, mocht hij er vlug een gaan kraken in de kantine; niemand sprak hem daarop aan. En wij maar lachen.
Het ging van kwaad naar erger en Lurre besloot er zelf een punt achter te zetten. Op een dag nam hij zijn fiets, reed ermee het staketsel op, fietste tot helemaal op ‘t einde van die pier en hield niet op met trappen toen de diepe zee het van het land overnam. En wij maar lachen.
Flor Vandekerckhove

(*) William Trevor. Excursions in the Real World. 182 ps. Pinguinbooks. 1995.

dinsdag 11 november 2014

De Groote Slachting

— Siegfried Sassoon (1886-1967) —
11 november, tijd voor een poëem. Neen, dit stukje gaat niet over In Flanders Fields, het wereldberoemde gedicht van John McCrae. Daarin staan weliswaar mooie zinnen over leeuweriken & klaprozen, maar ’t is en blijft een misselijkmakende oproep om zich naar de Groote Slachting te begeven: If ye break faith with us who die / We shall not sleep, though poppies grow / In Flanders fields. (In de vertaling van Herwig Verleyen luidt het: Doet gij dit niet, dan zullen wij in deze aarde / geen rust kennen, ondanks de klaprozen / in Vlaanderens velden.) Als voorbeeld van de uitdrukking 'op iemands gemoed werken' kan dat tellen.
De Britse dichter Siegfried Sassoon zag dat toch anders. Net als John McCrae vocht ook hij aan het front. Maar hij vond niet dat het zijn dichterlijke plicht was om jongeren de loopgraven in te lokken, waar ze met duizenden tegelijk zouden creperen. Integendeel, nadat hij in 1917 met zijn Soldier’s Declaration luidop geprotesteerd had tegen het verderzetten van de oorlog, werd hij in ’t Britse leger een referentie voor afwijkende meningen. Waarop men hem vlug naar de psychiatrie afvoerde.
Hij had nochtans gelijk. De Engelse Pat Barker schreef Weg der geesten, een trilogie over de Eerste Wereldoorlog. Over de situatie in de loopgraven zei ze in een interview: ‘Zelfs in 1917, toen de oorlog al drie jaar aan de gang was en er maandelijks, alleen al aan Britse zijde, soms meer dan honderdduizend manschappen sneuvelden ging men op die voet door. 1917 was echter ook het jaar van de grote muiterijen. In het Franse Etaples heeft een opstand van Britse troepen plaatsgevonden die gewelddadig is onderdrukt, en bij de Fransen had Pétain de grootste moeite zijn eenheden weer in het gareel te brengen. Aan Russische zijde gingen de soldaten nog veel verder: die schoten hun officieren dood en gingen gewoon naar huis. In dat klimaat past ook de privérevolte van de Britse dichter Siegfried Sassoon, die centraal staat in het eerste deel van de trilogie. Naast dat actieve verzet bestond er ook steeds meer passief verzet. Sommige soldaten inhaleerden opzettelijk gifgas, want van een beetje gas werd je wel ziek maar ging je niet dood, was het idee. Anderen schoten zichzelf in de voet. Zelfmoord was geen zeldzaamheid, want sommigen waren liever dood dan dat ze het risico moesten lopen zonder armen en benen in een karretje te belanden. Het gebeurde ook geregeld dat de vijand bereid was een handje toe te steken om ervoor te zorgen dat je werd afgekeurd. Als een Brits en een Duits bataljon lange tijd tegenover elkaar lagen, nam de bereidheid elkaar aan te vallen sterk af. Er werd niet langer geschoten als doden of gewonden uit het niemandsland werden gehaald en er werd gewoon gewacht op de aflossing. Als je het zat was kon je je rechterwijsvinger boven de loopgraaf uitsteken en die door een Duitser laten afschieten. Dan kon je geen geweer meer overhalen en was je ongeschikt voor dienst aan het front.’
In het gedicht Suicide in theTrenches zegt Siegfried Sassoon het simpelweg als volgt:

I knew a simple soldier boy
Who grinned at life in empty joy,
Slept soundly through the lonesome dark,
And whistled early with the lark.

In winter trenches, cowed and glum, 

With crumps and lice and lack of rum, 

He put a bullet through his brain. 

No one spoke of him again.

You smug-faced crowds with kindling eye 

Who cheer when soldier lads march by, 

Sneak home and pray you'll never know 

The hell where youth and laughter go.

De Engelse rocker Peter Doherty heeft het op muziek gezet en ik heb van dat gedicht een vrije vertaling gemaakt:

Die soldaat heb ik gekend, een jongen nog
Die zonder zorgen naar het leven keek,
Zo een die rustig sliep als 't donker was
En fluitend aan de dag begon.

In de loopgraven, die winter waarin alles anders werd,
— Bommen, luizen, maar geen rum —
Schoot hij zich een kogel door het hoofd
En niemand sprak nog over hem.

Sta niet zo zelfvoldaan te juichen
Wanneer die jongens opmarcheren
Sluit je deur en bid opdat je nooit te weten komt
Naar welke hel de jeugd luid lachend trekt.
 Flor Vandekerckhove

zaterdag 8 november 2014

Hoe de duivel vanuit Gent naar Bredene kwam

Heel lang geleden, toen het op Allerheiligen nog ijskoud placht te zijn, trokken mijn ouders en ik jaarlijks naar de begraafplaatsen. Daar gingen we dan overleden familieleden begroeten. Aan vaderskant lagen die in Westkerke, moeders familie leidde ons naar Gent. Aan die verschillende werelden hield ik indrukken over die me gevoelig gemaakt hebben voor het verschil tussen dorp en stad, natuur en cultuur, dorpelingen en stadsmensen, zee- en stadslucht, veel en weinig plaats, West-Vlaams en Gents. Er waren ook neveneffecten. Een ervan betreft de wisselwerking tussen verbeelding & werkelijkheid, die bij mij groot genoemd mag worden. Over die wisselwerking gaat dit stuk.
Het winteruur bestaat nog niet, maar desalniettemin wordt het op Allerheiligen ook in die tijd al vroeg donker. Bovendien hangt er mist, en mijn vader verkiest de goed verlichte Gentse Steenweg boven de onverlichte snelweg. We doorkruisen de stad, op zoek naar de binnenbaan die ons naar huis zal leiden. Ik tuur aandachtig door het zijraampje, want ik weet dat we op onze tocht door het stadscentrum het kasteel van Geeraard de Duivel passeren. Ik ken dat gebouw, want mijn stripheld Nero heeft daar een avontuur beleefd dat met een toverhoed te maken heeft, waarop zowel hij als die Geeraard aanspraak maken.
Ik ben een kind en de suspension of disbelief heeft bij mij vrij spel. Maar in de wereld van Madam Pheip, Jan Spier en detective Van Zwam neemt Geeraard de Duivel qua geloofwaardigheid een aparte, vooraanstaande plaats in. Het kasteel waarin hij woont, de gracht waarin Nero valt… Marc Sleen heeft het naar waarheid getekend. De naam van de kasteelheer, de kwalijke reputatie die hij torst… Het bestaat ook náást het stripverhaal. Marc Sleen noemt Geeraard een duivel, maar dat is geen verbeelding. In Gent wordt Geeraard door iedereen zo genoemd. De Duivel heeft daar zelfs een straat. Nero komt in die strip in ‘t water terecht, maar dat is de historische figuur evengoed overkomen, zo vertelt mijn moeder me. 
Kijk, zegt ze opeens. Naast me doemt het sombere steen op. Daar woont hij, zegt mijn moeder, en kijk, daar, vanuit dat raam wordt hij in ’t water gegooid. Ze wijst omhoog, ik probeer de afstand te schatten en kom tot de conclusie dat het een ferme plets opgeleverd heeft; ook dat heeft Marc Sleen goed getekend. Nu nog, voegt moeder eraan toe, horen de mensen hoe Geeraard ’s nachts, telkens weer, in ’t water terechtkomt. Ik geloof haar, want ik mag jong zijn, ik weet toch al dat de dingen altijd weerkomen, net zoals ook wij jaarlijks weer van Bredene naar Gent rijden om daar op dat immens grote kerkhof de weg te verliezen. 
Het strafste argument houdt moeder evenwel voor ’t laatst. Toen ze klein was, zegt ze, is ze eens in dat gebouw geweest, en… het riekt er naar solfer. Ik weet niet wat solfer is, maar ik geloof haar. Zo ziet dat steen er ook uit, als een gebouw dat naar solfer ruikt. Geen twijfel mogelijk: hier woont de duivel.
Daar op dat moment, heel lang geleden, toen het op Allerheiligen nog ijskoud was, heeft de duivel zich in mijn fantasie genesteld. Jawel, uitgerekend op Allerheiligen. Vanuit het Duivelsteen heb ik hem, in de mist, via de Gentse Steenweg, naar de kust gebracht, alwaar hij zich sindsdien in menig appartement garni à louer opgehouden heeft. Dat is niet zonder gevolgen gebleven, al kan ik u, om allerlei redenen, niet zeggen welke dat zijn. Maar dat die gevolgen veel verhalen opgeleverd hebben is een feit. Zoals de vertelling die u zopas gelezen hebt er een is, een verhaal waarin werkelijkheid & verbeelding zodanig haasje over spelen dat ik inmiddels niet meer weet wat echt gebeurd is en wat ik er gaandeweg bij bedacht heb.
Flor Vandekerckhove


vrijdag 7 november 2014

Sire, het volk mort

Donderdag 6 november. Dat heb ik nog niet meegemaakt, toch niet sinds ik met pensioen ben: om acht uur ’s morgens sta ik al in Oostende op de trein te wachten. Om daar zo vroeg te geraken heb ik de fiets van stal gehaald, want op zo’n dag kan een mens niet op de tram rekenen. De trein voert me naar Brussel waar ik, ten behoeve van deze blog, een kleine reportage maak. Ik weet dan nog niet goed waarover die zal gaan, maar ’t zal met de grote vakbondsbetoging te maken hebben die zich aldaar ontplooit.
Eerst denk ik iets te maken rond de restanten van mijn partijtje, maar dat is inmiddels zo klein, en de manifestatie zo groot, dat ik het nergens kan ontwaren. Vervolgens overweeg ik een stukje te maken over het werkelijke aantal betogers, maar aan 102.407 geraak ik de tel kwijt. Niet getreurd, de onderwerpen liggen in Brussel voor ’t grijpen.
Iemand houdt een bordje in de lucht waarop OESTERBANK staat; niemand meldt zich aan. Wie ook alleen blijft staan is de jonge vrouw die opkomt VOOR EEN MATRIARCHAAT. Haar medebetogers denken aan Liesbeth Homans en trekken in een wijde boog om haar heen. Ik ga in ‘t midden van een onder de volkswoede vertrappeld bloemperk staan en concentreer me nu volledig op de slogans die voorbijtrekken. Sommige heb ik in de jaren zeventig zelf gedragen. POTEN AF VAN DE INDEX en HAAL HET GELD WAAR HET ZIT. Andere heb ik nooit eerder gezien, zoals dat groot, blauw spandoek waarop SPA REINE staat. Er stappen veel mensen achter. Ik denk niet dat het een reclamestunt is, maar mocht het er een zijn dan is ’t een slag in ’t water, want langs de weg liggen vooral lege blikken Jupiler.
De mooiste plakkaten zijn, zo heb ik altijd al gevonden, de huisgemaakte. Ze zijn ook bijzonder leerzaam, omdat ze een inkijk geven in het reëel bestaande ongenoegen. Ik leer er bijvoorbeeld uit dat niet iedereen na afloop braaf naar huis zal trekken: LA REVOLTE EST EN MARCHE. Ja, dan weet je het wel. Zo zijn er nog: STOP DE KAPITALISTISCHE WAANZIN. Het is het soort slogans dat getorst wordt door lieden die er ter plekke korte metten mee willen maken. De vakbondsleiders noemen hen bij voorkeur infiltranten, de pers spreekt over heethoofden, de burgemeester van Antwerpen zegt dat het dokwerkers zijn. Maar als ik hen goed inschat, dan zijn ‘t gewoon moe getergde mensen die eindelijk eens vanachter hun tv komen en daardoor fel overdrijven. Misschien zijn 't coiffeurs (wat een goed teken zou zijn, want ik herinner me een uitspraak van Lenin die zei dat een revolutie te herkennen valt aan het feit dat de coiffeurs staken). 
Het soort plakkaten dat die haarkappers meezeulen is, zo leert me de ondervinding, altijd vastgemaakt aan lange stokken, waarmee je de politie op behoorlijke afstand kunt houden; het is niet zeker of dat alleen maar een neveneffect betreft. Je neemt dat stoofhout achteraf ook niet weer mee naar huis, je steekt het in de fik. Ja, en dan krijgen de dokwerkers een slechte naam! Of de infiltranten!
Er vallen constanten te ontdekken, maar elke manifestatie levert ook, laat ons zeggen, conjuncturele slogans op. In de persoonlijke top tien die ik blijkbaar aan ’t samenstellen ben, en wat uiteindelijk het onderwerp van mijn reportage geworden is, staat op twee een spandoek dat gedragen wordt door twee gepensioneerde medemensen. Letters in drie kleuren: ZET DIE PLAAT AF ! Een impliciete verwijzing naar de grote Vlaamse roerganger, die misschien niet door mijn Nederlandse lezers begrepen zal worden. Maar op één staat een bord met een zeer expliciete verwijzing naar dezelfde man. Het handgemaakte bord wordt gedragen door een tiener, wat bijzonder hoopgevend is voor de toekomst en al. Ik verneem dat ze geenszins van plan is om zich langer dan nodig ten dienste van het kapitaal te stellen: VERGEET HET ! En dat we ons samen moeten verzetten, mag blijken uit haar rode pet (ABVV) en groene handschoenen (ACV). Bovendien weet ze de huidige politieke situatie goed samen te vatten in een oneliner die kan tellen: MET DE WEVER NIKS DAN ZEVER.
Flor Vandekerckhove

woensdag 5 november 2014

Een inleiding in de marxistische literaire kritiek

Alexandr Voronsky (1884-1937)
Na de Russische revolutie werd Alexandr Voronski een van de vooraanstaande literatuurcritici van de Sovjet-Unie. Na de dood van Lenin koos hij de kant van Trotski in diens strijd tegen Stalin. Hij werd ervoor geëxecuteerd. In 1998 verscheen een keuze uit zijn werk, een Engelse vertaling van zesentwintig artikelen, essays en redevoeringen die Voronski tussen 1911 en 1936 geschreven heeft. (°) De bundel heet Art as the Cognition of Life, wat wil zeggen dat kunst ons iets over ’t leven kan leren. 
Voronski legt ons uit hoe we dat aan boord moeten leggen. De man is een marxist. Hem interesseert de vraag in hoeverre gevoelens, gedachten en stemmingen die in een literair werk uitgedrukt worden, rijmen met de belangen van een sociale klasse. Ook vraagt hij zich af welke rol concrete artistieke doctrines in de sociale strijd spelen.
Sociologisch onderzoek, zo stelt Voronski, volstaat echter niet om een literair werk te waarderen. Zo’n onderzoek mag dan voorop staan, het is niet compleet. Aan literatuur hangt immers een on(der)bewust kantje vast; ze komt in belangrijke mate intuïtief tot stand: Intuition is our active unconscious. Intuitive truths are authentic and indisputable; they require no logical verification and frequently cannot be verified by logical means precisely because they undergo preliminary development in the subconscious realm of our life and then reveal themselves immediately, suddenly and unexpectedly in our consciousness, as if they were independent of our “ego,” and not subject to its preliminary work’. Daarom moet de criticus tegelijk nagaan, zegt Voronski, in hoeverre een boek ‘esthetisch waar’ is. Dat laatste is een merkwaardig begrip en Voronski moet veel moeite doen om het me uit te leggen: For the artist thinks in images: the image must be artistically true, i.e., it must correspond to the nature of what is portrayed. In this lies perfection and beauty in the work of an artist. Elders zegt hij: ‘The aesthetic evaluation is made as a result of the sensation that the artist has correctly, comprehensibly and accurately constructed his images for us.’ En ten slotte: ‘Our mind takes an active part in the creation of the image, but an even greater part in its creation belongs to unconscious creative work. The image is aesthetically evaluated, and the aesthetic evaluation is not devoid of rationalistic elements, but in its underlying core it is also intuitive. Therefore there is no foundation to say that the definition of art as thinking with the help of images suffers from narrow rationalism. Only such a definition gives a satisfactory answer, from the standpoint of Marxism, to the question: what is artistic truth?
Pffffffff, ik probeer samen te vatten. De literaire criticus, zegt Voronski, onderzoekt hoe sociale strijd en klassenbelangen in de literatuur tot uiting komen, er rekening mee houdend dat de auteur in belangrijke mate geleid wordt door onder- of onbewuste mechanismen die hem juist daardoor een aparte plaats bezorgen.
Karel van het Reve verduidelijkt me een en ander. In een lang essay (°°) onderzoekt hij ‘de behoefte, reeds bij Marx te vinden en in het westerse en Russische marxisme nergens ontbrekend, om het schone te verbinden aan het goede (…)’ En ook aan 'het ware’.
Hij citeert een mij onbekende literair criticus die over de personages van Dostojevski zegt: ‘De personages maken zich los van hun schepper, voeren hun eigen leven, tot de uiterste consequenties van hun aangeboren aard en de dialectiek van hun levensontwikkeling, van hun wereldbeschouwelijke strijd verloopt in een heel andere richting dan de publicist zich ten doel stelde. De dichterlijke juiste vraagstelling wint het van de politieke bedoeling, van de sociale reactie van de schrijver.’ Wat Voronski bijgevolg zegt is dit: literatuur bezorgt ons een soort intuïtieve kennis die ons helpt om de realiteit te begrijpen. Dat intuïtieve karakter maakt dat literatuur waarheden aan het licht brengt die niet meteen door de auteurs zelf bedoeld zijn. 
De Duitse literaire criticus Marcel Reich-Ranicki is het daar ongetwijfeld mee eens. Hij is van mening dat ‘de meeste schrijvers niet veel meer van literatuur begrijpen dan vogels van ornithologie. En dat ze hun eigen werk al helemaal niet kunnen beoordelen. Want doorgaans weten ze weliswaar wat ze ongeveer wilden laten zien en verduidelijken, bereiken en bewerkstelligen, maar die wetenschap vertroebelt hun blik op wat ze werkelijk hebben gepresteerd en gemaakt. De criticus moet onderzoeken — zo grondig en zorgvuldig als maar mogelijk — wat de auteur heeft geschreven. Wat de auteur verder over zijn werk heeft te zeggen, moeten we niet negeren, maar ook niet bijzonder serieus nemen.’ (°°°)
Flor Vandekerckhove

(°) Aleksandr K. Voronsky, Art as the Cognition of Life: Selected Writings, 1911–1936, trans. and ed. Frederick S. Choate (Mehring Books, 1998), 190 ps.
(°°) Karel van het Reve. Sovjet-annexatie der klassieken. Bijdrage tot de geschiedenis der Marxistische cultuurbeschouwing. (1954). Opgenomen in Verzameld werk, deel 1. A’dam. Uitgeverij G.A. van Oorschot. 2008. 
(°°°) Marcel Reich-Ranicki, Mijn leven. A’dam. Uitg. Bert Bakker. 2000.

zondag 2 november 2014

Al mijn liefde verwoordend, leef ik verder *


Heeft de dorpsklok al geluid
over dit Bredense dodenveld?
Werd de toorts hier doorgegeven?
Zij die blijven en zij die verdergaan,
een wijle hier verenigd.
Er valt nog iets te zeggen,
misschien ook niet.
Dan volgt een dag,
een week, een jaar,
een tijd…
Maar ooit komt gij hier weer, 
want zo vergaat het leven.






[* De titel boven deze fotobijdrage komt uit Mijn tegenstem van Hughes C. Pernath.]

zaterdag 1 november 2014

Een wave in Wackerbout

November dodenmaand. Elk jaar denk ik nog eens aan de vele residenten die ik destijds in het rusthuis Wackerbout mocht leren kennen. ’t Is lang geleden, want ik ging daar mijn moeder bezoeken. Ze is in 2008 overleden.
Dat bezoek was ook een bevoorradingskwestie. In haar nieuwe woonst verslond moeder grote stapels chocola. Eerst bezorgde ik haar daar kolossale hoeveelheden van, maar dat kon niet blijven duren, want ze stak echt te veel zoets achter de valse kiezen.  Ik moest haar op rantsoen zetten: drie repen per dag. Nog te veel natuurlijk, maar wat kon ik eraan doen? Zelf was ik geen haar beter. Ah meneer, noem het een chocoladeverslaving.
Mij gaf de dokter op den duur de raad om de chocola links te laten liggen, want het niveau van mijn suiker (en van mijn bloeddruk en van mijn cholesterol en van mijn gewicht) was zorgwekkend hoog geworden. Ik moest oppassen, zo zegde hij, want ik werd een dagje ouder.
‘s Anderendaags zat ik weer in Wackerbout, naast mijn moeder, in de benedengang die daar met een Gentse kwinkslag De Glazen Straat genoemd wordt.  Links en rechts van ons zaten tachtigplussers in rolstoelen over het weer te zwijgen.  Ik vertelde moeder over mijn doktersbezoek en over het chocoladeverbod dat ik van de man gekregen had.  Het maakte geen indruk.  Daarom voegde ik er een beetje luider aan toe: ‘Ja, we moeten oppassen, want we worden een dagje ouder.’  Prompt ontstond er beroering in de gang. Wat begon bij moeder, werd overgenomen door haar linkerbuurvrouw en vervolgens door de buurvrouw van die buurvrouw. En kijk, een hele rij krakende hoofden kwam beurtelings in beweging.  Ik zag die beweging vertrekken, voortschrijden, uitdeinen tot op ’t einde van de rij, waar zij de gang overstak, weer doorgegeven werd en vervolgens de cafetaria introk, er doorheen ging, weer naar buiten kwam en uiteindelijk van rechts, helemaal aan ’t andere einde van die gang, terugkwam tot bij de rechterbuurvrouw, waarna mijn moeder haar weer overnam. En telkens had ik er de bevestiging van mijn woorden in gezien.  Ja,’ zo was het in een wave over de rolwagens getrokken, ‘ja, we worden een dagje ouder.’
Flor Vandekerckhove