woensdag 29 oktober 2014

Wonder Woman in Vlaanderen

Eerder heb ik al melding gemaakt van een stripverhaal waaraan Jo Clauwaert (tekeningen) en ik (scenario) werken: Rooie Machteld en de Uitgezogenen. (1) Dat verhaal speelt zich af in een Vlaanderen waaruit de industrie wel volledig weg is, maar de bewoners toch nog uitgezogen worden. Het is een work in progress, maar we weten toch al dat het verhaal in de tradities van de gothic novel baadt en dat de heldin trekken vertoont van de Amerikaanse Wonder Woman die als ’t ware de naar Amerika uitgeweken tante van onze Rooie Machteld is.
Wonder Woman werd in 1941 bedacht door William Moulton Marston (†1947). Het was zijn antwoord op Superman die in 1938 tot leven kwam en op Batman (vanaf 1939). De auteur baseerde zijn heldin op twee vrouwen: Elizabeth (Sadie) Holloway en Olive Byrne. De eerste was zijn echtgenote, de tweede zijn minnares. Uit beide verhoudingen ontsproten kinderen. Het is iets wat wel meer voorkomt, zeldzamer is dan weer dat ze al vanaf de jaren twintig in ’t geheim samenleefden, in een ménage à trois.
Marston en zijn vrouwen waren sterke figuren. Hij was een bekende psycholoog (en de uitvinder van de leugendetector). Zijn minnares, Olive Byrne, stamde uit een familie waarin het feminisme prominent aanwezig was. Haar tante, Margaret Sanger, was een bekende activiste. Echtgenote Elizabeth Holloway (†1993) was dan weer een vrouw met drie universitaire diploma’s, in een tijd waar hogere studies maar zelden voor vrouwen weggelegd waren. Na haar huwelijk met Marston bleef ze professioneel actief, ook zeldzaam in die tijd. Terwijl Elizabeth uit werken ging, zorgde Olive voor de kinderen (twee van haar en twee van Elizabeth). Het ménage à trois functioneerde wonderwel, zo goed zelfs dat de vrouwen ook na Marstons dood bleven samenleven.
Het kan haast niet anders dan dat een auteur die zich aan zo’n bron mag laven, een sterk vrouwelijk personage neerzet, een heldin met feministische waarden. De Amerikaanse feministe Gloria Steinem zegt daarover: ‘Wanneer ik nu terugblik op de Wonder Woman verhalen van de jaren veertig, ben ik verwonderd over hun feministische boodschap. Wonder Woman symboliseert veel waarden van de vrouwencultuur die feministen nu veralgemeend willen zien.’ (2)
De kledij van deze superheldin komt dan weer uit een ietwat minder feministische hoek. Wonder Woman is vestimentair sterk verwant aan de Varga Girls, tekeningen van schaars geklede dames die het blad Esquire op de middenbladzijde afdrukte en die tijdens WO II iconische pin-ups werden, fel gesmaakt door de Amerikaanse soldaten in Europa.
Varga Girls werden zo genoemd naar hun ontwerper
Alberto Vargas. Ze werden als centerfold in het blad Esquire
opgenomen en waren er geliefd bij de Amerikaanse soldaten
die tijdens WO II in Europa vochten.
De combinatie bracht veel lezers in verwarring. Jill Lepore die een boek over deze stripfiguur schreef zegt daarover: ‘Veel mensen maakten zich zenuwachtig over Marstons bedoelingen… “Is dit een feministisch project bedoeld om meisjes te helpen kiezen voor de universiteit en voor een carrière of is dit een soort soft porno?”’ (3)
En dan is er tenslotte nog een facet dat zowel feministisch genoemd kan worden als het tegendeel ervan. In bijna alle verhalen die Marston schrijft, wordt Wonder Woman geketend of vastgebonden, waardoor ze al haar krachten verliest. Dat gebeurt zoveel keer dat sommige critici er een seksuele obsessie in ontdekken. Marston zou een liefhebber geweest zijn van de seksuele praktijk die bondage (4) heet. Hij blijkt inderdaad van mening te zijn dat bondage gepromoot moet worden, en dat zijn strip er goed aan doet jonge mensen in de praktijk in te leiden. Wanneer hij dienaangaande van sadisme beschuldigd wordt, zegt hij: ‘Dit, mijn beste vriend, is de enige echt grote bijdrage van mijn Wonder Woman tot de morele opvoeding van de jongeren.’ (5) Tegelijk komt het beeld van de geketende vrouw uit de feministische beweging. Suffragettes plegen in Amerika inderdaad geketend te betogen, als symbool van hun onderdrukking. Zou het kunnen dat Marston het nuttige aan het aangename paart en het feminisme aan de bondage? Daar lijkt het inderdaad wel op. 
Wonder Woman slaagt er hoe dan ook telkens weer in om zich van haar ketenen te bevrijden, waarna ze met herwonnen supervrouwelijke krachten al het bestaande te lijf gaat. En dat, waarde lezers, zal in de Vlaamse strip Rooie Machteld en de Uitgezogenen niet anders zijn.
Flor Vandekerckhove

(1) Zie De griezel die kapitalisme heet, gepost op 26 augustus 2014, onder http://florsnieuweblog.blogspot.be/2014/08/de-griezel-die-kapitalisme-heet.html
(2) Geciteerd In Wonder Woman: The complete History. 207 ps, auteur Les Daniels. 2004. Uitg. Chronicle Books.
(3) Jill Lepore. The Secret History of Wonder Woman. 410 ps. 2014. Uitg. Knopf.


dinsdag 28 oktober 2014

Voor een libertair marxisme

Als er iets is waaraan de linkerzijde geen gebrek heeft dan is het wel aan isten. Er zijn socialisten, communisten, anarchisten… en die moeten vervolgens ook nog in vele subgroepen ondergebracht worden: isten à volonté. Voor de meeste mensen mag dat één pot nat zijn, maar de direct betrokkenen cultiveren wel graag — al te graag! — de verschillen. De resultaten zijn er dan ook naar: in ’t beste geval wordt er neerbuigend op de andere neergekeken, in ’t slechtste geval is er sprake van blinde haat. De twee houdingen hebben met elkaar gemeen dat ze de zaak geenszins vooruithelpen.
Toch zijn ook daar mensen te vinden die bruggetjes slaan. Dat doen bijvoorbeeld Olivier Besancenot en Michaël Löwy, vooraanstaande activisten van de Franse Nouveau Parti Anticapitaliste (NPA): ‘Ons vertrekpunt, door onze geschiedenis en onze vorming, is het marxisme (…) Maar we zijn ervan overtuigd dat de marxisten veel te leren hebben van de gedachte, de cultuur, de strijd en de ideeën van de anarchisten; van hun weigering van elke vorm van  tirannie, dominantie, onderdrukking; van hun “radicale idee van de vrijheid” (Walter Benjamin); van hun onbuigzame, revolutionaire geest die even vijandig tegenover het Kapitaal staat als tegenover de Staat.’ En daarna volgt een zin die als een programma klinkt: ‘Wij denken dat de revolutionaire cultuur van de XXIste eeuw marxistisch en libertair zal zijn.’ Wanneer de auteurs de libertair Daniël Guérin citeren waar die zegt dat de marxisten er goed aan zouden doen zich in een anarchistisch bad onder te dompelen, antwoorden ze: ‘Dat bad is nu meer dan ooit nodig.’
Wat die twee nu vooral niet moeten doen is een nieuw isme in ’t leven roepen, al dan niet gekoppeld aan weer een nieuwe club, maar dat zijn ze ook geenszins van plan: ‘Volgens ons is het libertair marxisme geen afgewerkt theoretisch corpus: het betreft meer een affiniteit; een zekere politieke en intellectuele aanpak; de gemeenschappelijke wil om, door middel van de revolutie, komaf te maken met de dictatuur van het kapitaal en zodoende aan een niet-vervreemde, egalitaire maatschappij te bouwen, bevrijd van de dwangbuis van de staat.’
Besancenot en Löwy zijn niet de eersten die in die richting denken. ‘Er bestaat feitelijk niet zoiets als één libertair marxisme, maar een grote verscheidenheid aan min of meer gelukte pogingen om bruggen te werpen tussen de twee grote revolutionaire tradities.’ Het boekje dat die twee nu geschreven hebben scheert in vogelvlucht over die pogingen, alsmede over bijdragen die denkers daar vroeger al over gepubliceerd hebben: ‘Wij willen enkele libertair marxistische graantjes zaaien, in de hoop dat ze een vruchtbare bodem vinden en kunnen groeien’. En dan gaat het over de beginjaren van de Iste Internationale, de commune van Parijs, de martelaren van Haymarket in Chicago, de Industrial Workers of the World (IWW), de eerste jaren van de Franse CGT, de Russische en de Spaanse revolutie,… Er worden figuren belicht die over de muurtjes heenkeken: Louise Michel, Daniël Guérin, Victor Serge, Pierre Monatte, Rosa Luxemburg, Nestor Makhno, André Breton, Emma Goldman, Buenaventura Durruti, Benjamin Péret, de zapatist Marcos… Doorheen de conflicten wordt naar samenhang gezocht: wat ging er mis in de Russische revolutie en in de Spaanse? ‘Vandaag verplicht de tragische balans van de revoluties ons om anders te gaan denken, in de hoop dat we het socialisme zijn menselijk gezicht kunnen terugbezorgen.’ De auteurs, die beiden uit het trotskisme komen, sparen Trotski niet, meer bepaald voor wat betreft het drama dat zich in Kronstadt afgespeeld heeft en waarbij die Trotski het bevel gaf om de opstandelingen militair te vernietigen: ‘Volgens ons is het conflict tussen Kronstadt en de macht van de bolsjewieken (…) een tragische en broedermoordende confrontatie tussen twee revolutionaire stromingen. De verantwoordelijkheid van deze tragedie is verdeeld, maar valt vooral op degenen die de macht in handen hadden.’ Lees: Trotski.

Olivier Besancenot & Michael Löwy. Affinités Révolutionnaires. Nos Êtoiles Rouges et Noires. Pour une solidarité entre marxistes et libertaires. 2014. Êd Mille et une nuits. 212 ps. 5,60 €. ISBN 978-2-75550-722-5.



zondag 26 oktober 2014

Waarom Bredene geen zeedijk heeft

Mooie duinen, maar geen zeedijk in Bredene. 
Zit koning Leopold II er voor iets tussen?
In de jongste editie van het onvolprezen kwartaaltijdschrift Brood & Rozen staat een stuk dat geschreven werd door Marc Constandt, conservator voor de gemeentelijke musea van Middelkerke. (*) Hij heeft het daarin over de impact van de auto op het kusttoerisme, invloed die uiteraard groot geweest is.
De aanwezigheid van de auto is al vlug voelbaar in Oostende, toentertijd de meest mondaine badplaats. Rally's (1899, Parijs-Oostende) en snelheidswedstrijden promoten het nieuwe vervoermiddel dat uiteraard gekocht wordt door de rijken, maar waaraan ook jan met de pet zich graag vergaapt. De auto opent een zee aan mogelijkheden en het kusttoerisme zal er zijn deel van opeisen. Politici spannen zich hard in om een wegennet te creëren dat de auto eer aandoet en hotels beginnen garages te voorzien. Architecten beseffen dat de auto een plaats nabij de woonst moet krijgen. Nieuwe beroepen zien het licht: automecanicien, garagist, pomphouder, chauffeur.
In die ontwikkelingen speelt, voor wat de kust betreft, de Koninklijke Baan een grote rol. ‘Deze nieuwe weg was moderner dan de klassieke steenwegen, waarvan de kasseien niet bepaald comfortabel waren. Hij dankt zijn bestaan aan koning Leopold II. Die was zelf een liefhebber van auto’s en ondervond dus aan den lijve wat de slechte staat van de wegen betekende.’ Het is van meet af aan de bedoeling om heel de kust, van Knokke tot De Panne, voor het nieuwe voertuig te ontsluiten, maar dat gebeurt niet in één ruk. In 1903-1904 wordt het eerste stuk aangelegd en dat verbindt Oostende met De Haan. In 1911 wordt Oostende koninklijk met Middelkerke verbonden. Tegen de tijd dat WO I uitbreekt ligt er al een Koninklijke Baan van Westende tot in Blankenberge. Je moet tot In 1933 wachten om via die weg van De Panne tot in Knokke te kunnen rijden.
Constandt wijdt in zijn studie ook een paragraaf aan Bredene. Nadat hij het over dat eerste stuk Koninklijke Baan, van Oostende tot De Haan, gehad heeft, schrijft hij: ‘De aanleg had echter het ongeplande gevolg dat ook Bredene toeristische ambities begon te ontwikkelen, eigenlijk zwaar tegen de zin in van de koning, die daar een te nabije concurrent voor Oostende in zag.’ En daarna formuleert hij de voor mij meest intrigerende zin uit zijn verhaal: ‘Waarschijnlijk kreeg Bredene daarom geen zeedijk van de overheid.’
Ik denk niet dat ze in Bredene zo’n zeedijk missen, maar de passage roept wel vragen op, zoals deze: wat betekent het woord ‘waarschijnlijk’ in voorgaande zin? Bestaan er aanwijzingen dat die dijk daar ooit overwogen werd? Zijn er historische bronnen bekend die het over zo’n potentiële zeedijk in Bredene hebben? Bestaat er een citaat van Leopold II waarin hij zich negatief over die vermeende Bredense concurrentie uitspreekt? Met andere woorden: baseert Constandt zich op historische bronnen of is 's mans bewering een soort veredelde cafépraat? En ten slotte is er nog deze vraag: is het niet de taak van de plaatselijke heemkundigen om onwetenden zoals ik daarover te instrueren? ’t Wordt tijd dat ik me weer eens naar heemhuis Turkeyenhof begeef. (**)
Flor Vandekerckhove

(*) Marc Constandt. Met de automobiel naar zee. De impact van een nieuw vervoermiddel op de Belgische kust (1900-1940). In Brood & Rozen, Tijdschrift voor de geschiedenis van de sociale bewegingen. 2014/3. Ps 42-51. Meer info op http://www.broodenrozen.be
(**) Dat is intussen niet echt meer nodig, want architect Erwin Mahieu leerde me intussen al meer over de prangende kwestie van de afwezigheid van een zeedijk in Bredene. U vindt zijn informatie onder de opmerkingen. Klik hieronder ' 1 opmerking' aan.

zaterdag 25 oktober 2014

Het nut van de onnut

Kunst moet nutteloos zijn!  Dat is de mening van Oscar Wilde, groot voorstander van l’art pour l’art. Over dat principe valt te redetwisten, en dat is dan ook massaal gebeurd: het is verdedigd en aangevallen, uitgebreid en ingekrompen, opgehemeld en verworpen. Er is al zoveel over geschreven dat er niets meer aan toe te voegen valt. Wat evenwel door niemand betwist wordt is dit: Oscar Wilde heeft er de goegemeente danig mee geprovoceerd, ja zelfs geschoffeerd.
Ik denk dat ik wel weet waarom. Oscar Wilde leeft, net als wij, in een tijd waarin alles zijn nut moet hebben. Dat is een van de grondwaarden van de vermeend rationele maatschappij die de onze is. Wat onnuttig is moet weg: uit de statistieken, uit de subsidieregelingen, uit het zicht, uit de werkloosheidscijfers, uit de begroting, ja zelfs uit het land. Alleen wat nut heeft zal overblijven. Is dat niet de achterliggende gedachte van het containerbegrip duurzaamheid? Is dat niet wat achter de besparingsdrang van zoveel regeringen schuilt?
Wie in zo’n context beweert dat iets nutteloos moet zijn, wijkt zeer ver af van wat algemeen gedacht wordt. De stelling provoceert en schoffeert, maar het alzo geproduceerde kunstwerk doet uiteraard nog meer. Zo’n kunstwerk is dan onnuttig, maar het legt wel verlangens bloot die niet meteen bevredigd kunnen worden, toch niet binnen de bestaande verhoudingen. Het laat ons vermoeden dat er een conflict bestaat tussen het leven zoals het is en het leven zoals het in onze stoutste dromen kan zijn. Het onnuttige kunstwerk wordt zodoende een venster dat ons buiten het bestaande laat kijken. Mij lijkt het produceren van zo’n onnut— o contradictie —bijzonder nuttig te zijn. Of hoe het nut van iets juist in de onnut ervan kan liggen.
Flor Vandekerckhove



vrijdag 24 oktober 2014

Vier twee vier

Boven van links nr rechts: Serge Schaut, Pierre Demaeyer, Erik Poppe, Marc Knockaert,
Willy Versluys, Danny Crabeels, Honoré Pitteljon. Onderaan van l. nr r.: Ronny David,
Flor Vandekerckhove, Bert Tas, Gilbert Coenye.
Waarom ze dat niet meer op die manier doen, is onduidelijk, maar wij speelden altijd in de formatie 4-2-4. 
De vier verdedigers beletten, als een niet te slopen muur, de tegenstander elke doorgang, de vier aanvallers hadden niets anders te doen dan te scoren en de twee middenvelders liepen voortdurend achter de feiten aan (ik kan het weten, want ik was er een van). 
Om dat euvel te vermijden was er soms sprake van een slingerback, maar waar die in onze 4-2-4 ingepast werd, weet ik niet meer. Vaag herinner ik me wel een merkwaardige regel die stelde dat drie corners gelijk stonden aan één penalty, maar ’t kan zijn dat dit alleen maar voor strandwedstrijden gold. Mijn geheugen laat me ook in de steek bij de vraag of wij ooit een wedstrijd gewonnen hebben. En wij, dat waren de voetballers die de afgewassen kleuren van het Patronaat verdedigden.
Dat Patronaat heeft niets met VOKA te maken, het is een vergeten woord en een term die in deze geseculariseerde wereld om enige uitleg vraagt. Het verschijnsel ontstaat, zo leert me de Wikipedia, in België rond 1850, wanneer pastoors op zondag, na de mis, jongeren beginnen op te vangen in een zondagsschool. 
Het schoolse element valt stilaan weg en de patronaten worden ontspanningsclubs. In de vroege jaren zestig is er zo’n patronaat in Bredene-Sas en een andere in Bredene-Duinen. Wij zijn die van de Duinen. Ons lokaal bevindt zich onder de kerk, in de crypte. Later maken we ons van die kerk los en kun je ons, onder de verlichte naam Patro, in een tearoom vinden, nog later in een danszaal en uiteindelijk in een nauwelijks verlichte dancing; verhuizingen waarin onze hormonen een belangrijke rol gespeeld hebben.
Maar we hadden het over onze voetbalclub die, zo leert ons bovenstaande foto, armlastig was. De meesten van ons deden het op basketschoenen of turnpantoffels. Meer dan eens is het gebeurd dat de bal bleef liggen, terwijl een pantoffel doel trof. Als er al truitjes waren dan hadden we er niet genoeg om iedereen te kleden. Het voetbalplein moesten we huren of nog liever krijgen, en veelal was dat een terrein nabij de vuurtoren, dat in mijn herinnering het plein van de IZNO heette. Aan de naam mag ik twijfelen, maar ik weet wel heel zeker dat het terrein hobbelig genoemd mocht worden.
Voetbalploeg van de Oostendse kunstsien. Bovenaan van links naar rechts: 
Dave Driesmans (KRAAK), Pascal Vandenheede, Luc Martinsen, een Spaanse gast op verplaatsing, 
x, Hans Demeulenaere. Onderaan van l. nr r.: Hugo Van Loock (met zoon Floris), 
Flor Vandekerckhove, James De Coninck, een ons onbekende gastspeler, Maarten Loy 
en de vegetarische hond Tzara.
U begrijpt dat Patro niet meteen een kweekvijver van talent was. De beste man van het elftal was ongetwijfeld Ronny David. Onlangs heb ik Ronny op foto gezien en ik denk daaruit te mogen afleiden dat hij de sport nadien krachtdadig afgezworen heeft. Erik Poppe was bij lange niet zo goed als Ronny, maar toch beter dan de rest, en ik meen te weten dat hij later in het liefhebbersvoetbal terechtgekomen is, met name in de spetterende caféploeg Tijl of in de ploeg met de proletarische naam Bouwvak Bredene. (*)
Zelf bracht ik er niets van terecht. Toch ben ik op het einde van de voorgaande eeuw gerekruteerd door F.C. Avondgenoegen, een ploeg die uit members van de Oostendse kunstsien bestond. Op de terreinen van Duin & Zee speelden we wekelijks onze oefenwedstrijden. En we hebben ook eens een echte match gespeeld tegen een groep muzikanten uit Brugge. We voetbalden die dag alsof de kunstgeschiedenis ervan afhing en we hebben die partij dan ook glansrijk gewonnen (4-2). Achteraf bleek evenwel dat we ons daarbij zodanig geforceerd hadden dat de ploeg op doktersbevel ontbonden werd.

Flor Vandekerckhove


(*) Ik begon opeens te vermoeden dat Tijl en Bouwvak twee namen voor ‘t zelfde waren. Intussen weet ik beter. Wie onder dit stuk op 'opmerking' drukt, kan lezen hoe die clubs zich tot elkaar verhouden.

(**) Sommigen beweren dat de club FC Avondgenoegen heette, maar daar herinner ik me zelf niets van.



zondag 19 oktober 2014

Broncho John versus John Wayne

John Sullivan, aka Broncho John 
In 1886 maakten de Duitse socialist Karl Liebknecht, de Brit Edward Avelin en zijn gezellin Eleanor Marx (dochter van) een rondreis door Amerika om daar geld in te zamelen voor de goede zaak. Tegelijk leerden ze de Amerikaanse situatie kennen. In 1891 publiceerden Avelin & Marx hun bevindingen in The Working-Class Movement in America. (1)
In het negende hoofdstuk besteden ze aandacht aan de sociale situatie van, jawel, de cowboy: ‘Voor de meeste mensen een “stoutmoedige, slechte man”, roekeloos met zijn leven en dat van anderen, iemand met vage morele noties, vooral wanneer het eigendomsrechten betreft; meestal volgegoten met whisky en altijd handig met een revolver.’ Ja, zo kennen we ze, de John Waynes die ons via Hollywood bereikt hebben.
Maar in Amerika leren Eleanor & c° een andere versie kennen. In Cincinnati nemen Amerikaanse vrienden de delegatie mee naar een museum waarin levende cowboys de attractie vormen: ‘Ze zaten in kleine groepjes op verschillende platforms, in prachtige kleren, en ze verveelden zich te pletter. Een nette gentleman in een gewoon pak sprak over hen in de bekende stereotiepen. Hij stopte bij een van de platformen en zei dat de heer John Sullivan, alias Broncho John, het woord zou nemen.’
Tot verwondering van de Europeanen formuleert cowboy Broncho John daar een felle aanklacht tegen de kapitalisten in ’t algemeen en tegen de rancheigenaren in het bijzonder. De man introduceert hen tegelijk in het cowboyleven zoals het is. ‘Geen klasse werkt harder en wordt minder betaald voor zijn diensten’, zegt hij. Hoe dat komt? ‘Ze hebben geen vakbond, terwijl de werkgevers een van de sterkste en meest despotische organisaties opgericht hebben om de arbeidsvoorwaarden te dicteren.’ De cowboys kunnen daar maar weinig weerwerk tegen bieden: ‘Ze bevinden zich mijlenver van elkaar, in grote vlakten en onherbergzame woestenijen, sommigen hier, anderen daar, zodat gezamenlijke actie haast uitgesloten is.’
De Europese delegatie maakt een afspraak met de cowboy en 's anderendaags vertelt John Sullivan hun over het werk in de prairies: ‘Zo’n zes tot acht maanden per jaar — de periode van het werk in de vlakten — zit hij niet alleen van ’s morgens tot ’s avonds in het zadel, maar soms ook gedurende de hele nacht. Het is geen klein bier om het hoofd koel te houden in het gedrang wanneer de beesten op hol slaan.’ Broncho John vertelt hun in concreto over een drijfjacht van 200 mijl waarbij geen van de cowboys de tijd neemt om te rusten of zelfs maar iets te eten. Hij vertelt over verdrinkingen terwijl ze met de kudde door rivieren waden; soms duurt het, zegt hij, een maand om zo’n kudde van 4.000 stuks over de stroom te krijgen. Dan is er nog het gevaar van prairiebranden, stropers en indianen. Bovendien verwachten de eigenaars dat het vee onderweg in gewicht toeneemt, ‘ook als de cowboy er zelf fel door moet vermageren’. Voor dat alles wordt hij schaars betaald, in het beste geval is dat 25 dollar/maand. Hij mag om meer vragen, maar dan wordt hij uiteraard ontslagen en vervangen. Van dat schaarse inkomen moet hij zelf zijn dure uitrusting betalen: wapens, lange mantel, vilten hoed, speciale laarzen, zadel… John schat die kost op 145 dollar. Wie dat geld niet heeft, kan bij de rancheigenaar terecht die hem dan ouwe brol bezorgt à rato van 15 dollar/maand. Het paard blijft altijd eigendom van de rancher. Als het werk op de prairies erop zit wordt de cowboy werkloos, zonder inkomen. Neen, hij is helemaal niet de vrije kerel die we uit de westerns en uit de avonturen van Lucky Luke kennen.
Eleanor Marx
Maar, een mens vraagt het zich toch af, wie is eigenlijk de informant waarover Eleanor Marx en Edward Aveling het in hun boek hebben? Vinden we vandaag nog ergens sporen van deze klassenbewuste koewachter? En kijk, daar ontvouwt zich voor onze ogen weder het wonder van het internet. Cowboy John Harrington Sullivan (°1859-†1958) blijkt een autobiografie geschreven te hebben die, zo waarschuwt men ons wel, nogal ‘geromantiseerd’ is. (2) Bovendien zijn er de memoires die zijn zoon — Texas Jack! — gepubliceerd heeft. (3) En beide boeken zijn, net zoals de studie van Marx & Avelin, helemaal gratis & voor niets op ’t internet te lezen. Aangenaam leesvoer is dat voor iemand die op vakantie gaat, al dan niet jodelend als een lonesome cowboya long way from home… En leerzaam zijn die teksten ook.
Flor Vandekerckhove

(1) Edward Avelin & Eleanor Marx. The Working-Class Movement in America. 1891. Te lezen op https://www.marxists.org/archive/eleanor-marx/works/wcia.htm
(2) Sullivan, J. H., Life and Adventures of Broncho John: His First Trip Up the Trail1896. Te lezen op http://www.inportercounty.org/Data/Misc/broncho-john-book.html
(3) John H. (‘Texas Jack’) Sullivan. 'Broncho John’ Sullivan’s Memories of Half a Century. As Told To, and Recorded By, His Son. Valparaiso, Indiana Vidette-Messenger, July 9, 1935. Te lezen op http://www.inportercounty.org/Data/Misc/broncho-john-VM-1935.html





vrijdag 3 oktober 2014

De eenling van de Flandern (2)

(Foto © Jan Saudec)
De voorbereiding had vele maanden geduurd, maar was rimpelloos verlopen. Toen ik weer eens 'van corvee' geweest was, had ik de sleutel van het arsenaal in plasticine gedrukt en er een kopie van laten maken. Ik had een vluchtweg voorbereid. Vanuit het dakraam had ik een scherpe blik op de toegangspoort en een goed uitzicht over het binnenplein. Gisteren had ik in de stad, op de muren van de universiteitsbibliotheek, met kalk het teken aangebracht, waardoor de Flandern wist dat ik er klaar voor was.
Na de dagtaak was ik onopgemerkt naar de zolder getrokken. Daar had ik het raam geopend. Ik keek uit over het plein naar de toegangspoort waar de wacht zijn tijd stond te verdoen. De officier was nergens te zien, maar ik wist dat hij aan de toog met de barman aan ’t ouwehoeren was. Soldaat, officier, barman, ik… Voor de rest was de kazerne leeg. Door lege hangen wandelde ik naar het arsenaal, ontsloot de deur, nam het wapen en de munitie, stak alles in een draagtas en trok weer naar de zolder. Daar installeerde ik me in de positie die ik ingeoefend had. Ik nam een tafel, plaatste daar een zetel op en schoof die stelling tot onder het dakvenster. Ik bracht de munitie aan, legde het geweer op het kozijn, kroop op de tafel en ging zitten. Ik moest alleen maar wachten. 
Augustus liep naar zijn einde en er hing een loden hitte over de stad. De avond viel traag over het plein. Terwijl alle geluid dat nog van verre sprak verstierf, moest ik aan Willem Kloos denken. Langs het dakvenster vlood met ras gerucht een al te late vogel en daarna werd het stil. Om elf uur, 23.00 in militaire termen, gingen de lampen aan. Het plein baadde nu in 't licht dat, zo wist ik, tegen de vroege ochtend (04.00 in militaire termen) weer gedoofd zou worden. Maar voor het zover was, zou alles gebeurd zijn.
Ik had het doelwit maandenlang geobserveerd, ik kende haar gewoonten, ik kende haar bewegingen, ik kende elk plooitje van haar gezicht. Ik wist wanneer ze aan de poort zou bellen (tussen 00.00 en 01.00), ik wist dat ze het plein diagonaal zou kruisen en dat haar minnaar haar in de bar gewoontegetrouw zou opwachten. Ik wist dat hij daarmee niet alleen de grenzen van zijn huwelijk overschreed, maar ook die van het leger, want in die tijd waren vrouwen nog taboe in een kazerne. Ook zij speelde met vuur, want ze was de echtgenote van de generaal en ze deed het met een ondergeschikte van haar man, een kapitein.
Het doelwit was mooi, op het toppunt van haar kunnen, een en al zinnelijkheid. Terwijl ik haar in die zetel zat op te wachten, stelde ik me voor hoe ze op deze zwoele zomeravond naakt in haar kamer stond.  Ik keek toe hoe ze, loom van de hitte, haar bed opzocht en me daarbij haar mooie, volle billen toonde.  In gedachten zag ik vervolgens hoe ikzelf uit het duister trad, waar ik me eerst opgehouden had, en hoe ik, naakt, voorzichtig op haar kont kwam zitten; hoe mijn knieën zich links en rechts naast haar dijen schraagden, mijn pik rustend in haar bilnaad. De geur van bloesems vulde de kamer. Ik streelde haar langzaam en langdurig. In de hitte van de voortschrijdende nacht mengde de massageolie zich met ons vers zweet, terwijl ze weerloos onder me bleef liggen. Mijn handen maakten een reis over het landschap van haar lichaam. Eerst haar schouders, dan haar rug waarvan ik elk plekje streelde, vervolgens ging het traag maar onbeschaamd naar beneden waar ik haar kont opzocht. Terwijl de olie overdadig in haar bilnaad liep, maakte de lust zich van haar meester. Ik voelde hoe mijn pik tussen haar billen groeide en…
Ik schoot… Wakker. Over het plein verdreef de ochtendzon het duister. De officiersbar was gesloten, het koppel had de liefde bedreven, zij was weer bij haar kolonel, hij bij zijn thuiswerkende echtgenote. Ik had mijn kans verslapen. De soldaat zette de poort al open, ’t kon nu niet lang meer duren vooraleer de eerste militaire pennenlikkers het kazerneplein zouden oversteken. 
Ik sloot ik het raam, ontdeed het geweer van zijn munitie, streelde mijn stramme knoken en liep door de halfduistere kazernegangen tot aan het arsenaal waar ik het wapen weer mooi op ’t rek plaatste. Ik sloot de deur. Langs de achterkant verliet ik ongezien het gebouw. Ik liep de hoek om en langs de voorkant stapte ik het kazerneplein op om een nieuwe werkdag aan te vatten in dienst van ’t vaderland.
Flor Vandekerckhove

[Wie wil weten wat aan dit verhaal voorafgaat, kijkt naar het eerste deel ervan:  
http://florsnieuweblog.blogspot.be/2014_09_01_archive.html




donderdag 2 oktober 2014

Hoe gaat het inmiddels met Christine Keeler?

— In Femme Fatale (2000) verwerkte ik
een stukje over Christine Keeler. —
Vreemd gaan doen ze allemaal, maar ze gaan er niet allemaal op dezelfde manier mee om. In Frankrijk doet de president het vandaag, gewoon over en weer, op de scooter. En Mitterand zei destijds het enige wat erover te zeggen valt: Et alors? In de Verenigde Staten wordt het staalhard ontkend: I did not have sexual encounters with that woman. Waarmee Bill Clinton bedoelt dat hij alleen maar haar jurkje ondergespoten heeft. In het Verenigd Koninkrijk vallen ze erover: Minister treedt af na seksschandaal. De krant is deze van 29 september, de minister is Brooks Newmark die via ’t internet een reeks expliciete foto’s naar een tabloidjournalist heeft gestuurd die zich valselijk uitgaf voor een jong meisje. Het ontslag past in een lange traditie en we weten allemaal hoe de Britten aan hun tradities gehecht zijn. 
De vrouw van minister van Verkeer Malcolm Sinclair schoot zich in 1994 een kogel door het hoofd toen de buitenechtelijke verhouding van haar man uitlekte. Het parlementslid David Ashby nam in 1994 ontslag nadat zijn echtgenote de tabloids verteld had dat hij met mannen sliep. Milieuminister Tim Yeo moest in 1994 ontslag nemen toen bekend werd dat hij een buitenechtelijk kind had. Michael Brown nam ontslag nadat er foto’s gepubliceerd werden waarop hij hand in hand met zijn vriendje aan ’t wandelen was. Een andere parlementair werd dood aangetroffen in nylonkousen, jarretels en een plastic zak over het hoofd (merkwaardig detail: deze parlementair was van het mannelijk geslacht.) Parlementslid Hartley Booth moest opstappen nadat hij een affaire met een 22-jarige studente opgebiecht had.
Maar de moeder van alle Britse seksschandalen is ongetwijfeld de Profumo Affaire die de kranten in 1963 teisterde. Een van de hoofdrolspelers, Stephen Ward, pleegde zelfmoord op het einde van het proces waarin hij een pooier genoemd werd. Daar was niets van aan, net zomin als de betrokken meisjes, Christine Keeler en Mandy Rice-Davies, hoeren waren. Niemand had, zoals toen wel beweerd werd, informatie doorgespeeld aan de Russen, en drugs waren er alleen maar te vinden in de krantenkolommen die over de affaire berichtten.
Much ado about nothing, zo lijkt het nu wel, maar dan vergeten we toch uit welke tijd we komen. 1960 was het jaar waarin in Engeland nog een proces gevoerd kon worden rond Lady Chatterley’s Lover, een literaire klassieker die D.H. Lawrence al in 1928 geschreven had. Pas na dat proces werd het boek niet langer verboden omwille van de seksueel getinte passages.
Ik weet dat allemaal doordat ik me ooit in dat Profumoschandaal verdiept heb. En dat komt dan weer doordat de Oostendse Christine Pire me gevraagd had een toneelstuk te schrijven. Dat zou in 't overgangsjaar 2000 Femme fatale worden, een monoloog waarin ik een stukje over Christine Keeler verwerkt heb.
Die Christine Keeler (°1942) was een working class girl die in 1961 een korte affaire had met John Profumo (°1915 - †2006), een conservatief politicus, telg uit de opperklasse. Een en ander speelde zich af op de sofa van Stephen Ward die ook bevriend was met ene Eugene Ivanov, een Rus die ten huize van Ward thee kwam drinken. Dank zij de theorie van de stepping stone kun je raden hoe het er daar verder aan toegegaan is. Wat begon met een kopje thee — onschuldig, maar desalniettemin een drug — ging van kwaad naar erger. En hopla, op de sofa van Stephen Ward zat opeens alles bijeen om er een lekker schandaal van te brouwen: ouwe mannen & jonge vrouwen, high society & working class poor, politiek & seks, thee & poesters (*), drugs & spionage! Een mix waarvan journalisten likkebaarden, een zootje dat de politieke oppositie niet links kan laten liggen, een item dat ons, gewone burgers, afleidt van de dingen die er werkelijk toe doen. Bingo!
Maar, zo vroeg ik me gisteren af: hoe zou het inmiddels met Christine Keeler gaan? Dat het slecht afgelopen is met Stephen Ward, zegde ik al. Hoe is het de anderen vergaan? De aristocraat Astor, ook betrokken bij het schandaal, sterft in 1966 als een sociaal verstotene. Rice-Davies gaat in zaken, woont in Israël en heeft zich daar tot het Jodendom bekeerd. De laatste gegevens die ik over Christine Keeler vind, dateren van 2013. Ze is dan 71 en ze leeft, zo lees ik, 'in a London shelter’. Ik weet niet goed wat ik van dat ‘shelter’ moet denken: tehuis, onderdak, doorgangshuis, asiel… Maar bij geen enkele van die vertalingen krijg ik een goed gevoel.
Flor Vandekerckhove
(*) Een poester staat in de Vlaamse vissersgemeenschap voor een koffie met een scheut cognac.



woensdag 1 oktober 2014

Peter en de Alfaman

— Peter Holvoet-Hanssen en Marnix Verleene — 
Sinds maart publiceer ik regelmatig een column in het regionale weekblad De Zeewacht. Daarin vertel ik telkens iets over de Oostendse vissersgemeenschap. Deze week draagt het stukje de titel Peter en de Alfaman. De openingszin luidt als volgt: ‘De Antwerpse dichter Peter Holvoet-Hanssen heeft een roman geschreven die Zoutkrabber Expedities heet.’ En ik vervolg enigszins schoolmeesterachtig, zoals het een ware volksopvoeder past: 'Laat me u vertellen waarom zo’n mededeling in deze column terechtkomt.' Waarna ik — belofte maakt schuld — de daad bij het woord voeg: 'Het begint al bij de kaft. Daarop zien we een kaai en het dok dat erachter ligt. Op die kaai: een ouwe spoorwegbedding, enige balken en aan de rand tiert welig het onkruid. Helemaal vooraan liggen oesterschelpen waarmee iemand een beeld gevormd heeft: hart met anker; een icoon dat we al eerder gezien hebben… maar dan op de arm van menig visser. We herkennen de plek: dit is de Baelskaai op de Oostendse Oosteroever.’
De foto op die kaft is van Jo Clauwaert. Ik ken die mens persoonlijk en ik kan u naar waarheid zeggen dat hij een ware vriend der vissers is. Zijn foto maakt ons dan ook duidelijk wat volgt: deze Zoutkrabber Expedities hebben het pad van de vissersgemeenschap gekruist, want de Oosteroever, zo dient u te weten, is de stek van de Oostendse visserij. Daar bevindt zich de vismijn, daar hangen netten aan de kaai, 't is daar dat het lied der branding ruist bij dacht en nacht, daar vind je vissers, lassers, lossers, dichters, drinkers en denkers, daar vind je de laatste visserskroegen. En daar vind je ook Finbar, de antiheld uit het boek van Peter Holvoet-Hanssen: ‘Zoom in op de Belgische kustlijn. Daar ligt Oostende, de Koningin der Badsteden. (…) Finbar had eerder al de badplaats van onderuit verkend, kroeg na kroeg. Op een februariavond belandde hij aan de overkant van de vaargeul, in café De Middenclub.’ Daar ontmoet die Finbar een visser die zich de Alfaman laat noemen en waarin we moeiteloos schipper Marnix Verleene herkennen, een visser-dichter die aan de Oosteroever wereldbekend is; hij houdt er, bij wijze van spreken, kantoor.
In die column maak ik vervolgens onbeschaamd reclame voor dat boek.  ‘U moet dit boek kopen’, schrijf ik op dwingende wijze, ‘en ik zal u zeggen waarom. Peter Holvoet-Hanssen toont ons, Oostendenaars, dat er in de visserij zoveel meer te vinden is dan wij eruit gehaald hebben. Wat we er te veel uit gehaald hebben is geld; wat we er te veel in laten liggen hebben is verbeelding.’ Ohlala, straffe taal voorwaar, maar ik weet waarover ik spreek, want ik heb een kwarteeuw lang Het Visserijblad uitgegeven, het tijdschrift van de vissersgemeenschap.
Toen ik daar voor het eerst voet aan wal zette, viel het me meteen op: het vissersleven is te belangrijk om het aan de reders over te laten. Misschien herkent u daar mijn antikapitalistisch trekje in. Tot mijn grote genoegen constateer ik dat ik daarin onveranderd gebleven ben, want dat is wat ik nu in die column zeg: ‘Wat ons nu nog van dat vissersleven rest, is te belangrijk om het aan de kapitalisten van de Vlaamse Visveiling over te laten.’ Veel is het trouwens niet wat ons rest, daarom besluit ik dat stukje in De Zeewacht met een zin van Nikos Kazantzakis: Forward, my lads, sail on, for Death’s breeze blows in a fair wind!
Flor Vandekerckhove

Peter Holvoet-Hanssen, Zoutkrabber Expedities. Uitg. Prometheus. 2014. 224 ps. 19,95 €.