zondag 3 augustus 2014

Een stok achter de deur

Mijn ouders zijn overleden, maar ik woon nog altijd in hun huis, een rijhuis met een koertje. Ik kan het niet verkopen, ik kan het niet verhuren, ik moet er blijven wonen, dat is mijn lot.
Toen ze oud werden, vroegen mijn ouders me om de helft van het koertje uit te breken en er een tuintje aan te leggen. Tegen de muur kapte ik twee rijen stenen weg en er kwam een perkje van twee meter lang en een halve meter breed; veel werk voor een tuintje van niemendal. Zij plantten een rij bloemen. De koer werd gereduceerd tot een tuinpad. Het daaropvolgende jaar vroeg mijn vader me om een grote nagel — een vijfduimer zei hij — door een stok te slaan. Het had iets met dat tuintje te maken, maar hij zei niet wat. Ik begreep er de zin niet van, maar sloeg de nagel door de stok die vervolgens achter de deur, tegen de muur van het koertje, kwam te staan. Daar stond hij nog toen mijn vader stierf, hij stond er ook nog toen later mijn moeder stierf. Zelf bleef ik achter in dat veel te grote huis, met het veel te kleine tuintje, het piepkleine koertje en met die stok achter de deur. Traag rijpte in mij het verlangen om elders te gaan wonen. Dat zouden mijn ouders niet prettig gevonden hebben. Maar ik ging toch naar een immobiliënkantoor waar ik mijn voornemen kenbaar maakte. 
Misschien kwam het door een opspelend geweten, maar de daaropvolgende nacht kon ik niet slapen. Daardoor hoorde ik het lawaai dat vanaf de koer tot in mijn slaapkamer doordrong. Ik liep de trap af en opende de achterdeur. In het donker ontwaarde ik de contouren van een inbreker. Ik greep de stok die al die jaren doelloos achter de deur stond, ging op de indringer af en sloeg de vijfduimer dwars door zijn rug. En voor de zekerheid nog eens. Hij viel neer, sloeg wartaal uit terwijl hij stuiptrekkend aan ’t doodbloeden was en kwam al gauw om het leven. Op mijn koertje! Waarmee ik onverwachts met een lijk opgezadeld zat. En er was al zo weinig plaats. Ik moest de dingen ongedaan maken. Ik groef het tuintje uit en draaide het lijk erin. Tegen de tijd dat het begon te dagen had ik het perkje alweer dichtgegooid en het koertje schoongespoten. ’s Anderendaags kocht ik chrysanten die ik in het tuintje plantte. Daarna sliep ik de klok rond.
Mijn ouders hadden een stok achter de deur gezet en me daardoor zelfs post mortem hun wil opgelegd. Wilde ik het potje in mijn tuin gedekt houden dan zat er voor mij niets anders op dan in dat huis te blijven wonen. Ouders doen hun kinderen wat aan, dacht ik mijmerend, terwijl ik naar de chrysanten keek die bloeiden zoals er in dat perkje nooit eerder iets gebloeid had.
Flor Vandekerckhove

Een reactie posten