dinsdag 26 augustus 2014

De griezel die kapitalisme heet


Vijfentwintig jaar lang ben ik de uitgever geweest van Het Visserijblad, een tijdschrift in de gemeenschap van beroepsvissers. Al die tijd heb ik me onledig gehouden op de visserskaaien van de Vlaamse kust, vooral op de Hendrik Baelskaai in Oostende waar ik lange tijd gewoond heb. Ik mocht er getuige zijn van het toch wel aparte vissersleven dat er gedijt. Of niet gedijt, want van enig gedijen is daar hoe langer hoe minder sprake. Het gaat met de visserij immers van kwaad naar erger. Wie kan ontvlucht de sector, de kaaien bieden inmiddels een desolaat uitzicht, almaar meer gebouwen komen leeg te staan; de al lang verwaarloosde buurt begint eruit te zien als het decor van een griezelfilm; een achtergrond geschikt voor een gotische roman met veel plaats voor horror, zeg maar een gothic novel waarin de middeleeuwse kastelen vervangen zijn door wat vandaag als industrieel en maritiem erfgoed omschreven wordt: zinkende schepen, gebouwen die rijp gemaakt worden voor de sloop, als ze inmiddels al niet neergehaald zijn. Dat is trouwens geen accident, het is een situatie die typisch is voor het kapitalisme. In mijn kast zit een boekje van Amadeo Bordiga, dat het bevestigt: Murdering the Dead, voorwaar een gotische titel. (1)
Die omgeving was zowel terneerdrukkend als inspirerend. Daardoor groeide het idee om een verhaal te bedenken dat die desolate omgeving zou gebruiken om het gotische karakter van het kapitalisme te benadrukken. Toen ik mijn voornemen aan fotograaf en beeldend kunstenaar Jo Clauwaert vertelde, reageerde die meteen enthousiast: ik zou het script leveren en hij zou de tekeningen maken. Het wordt dus een stripverhaal. We zijn ermee bezig, maar alleen in die mate dat we met veel dingen bezig zijn. Of het uiteindelijk ook afgewerkt geraakt is nog onzeker.
Het kan vergezocht lijken om het kapitalisme via een gotisch verhaal aan te pakken, maar dat is het niet. Ook Marx was het al opgevallen dat het kapitalisme een gotisch karakter heeft. Hij gebruikte meermaals de metafoor van de vampier om de werking van dat kapitalisme te illustreren. Het kapitalisme zuigt arbeid uit zijn slachtoffers, zegt Marx, net zoals de vampier bloed zuigt. (2) Ook in diens meesterwerk, Het kapitaal, wordt die metafoor gebruikt: Kapitaal is gestorven arbeid, welke alleen tot nieuw leven kan komen door als een vampier levende arbeid op te zuigen en die des te langer leeft naarmate er meer van wordt opgezogen.’ (3) En verder: ‘Men moet toegeven dat onze arbeider anders uit het productieproces te voorschijn komt dan hij er binnen is gegaan. Op de markt kwam hij als bezitter van de waar ‘arbeidskracht’ tegenover andere warenbezitters te staan, als warenbezitter tegenover warenbezitter. Het contract, waardoor hij de kapitalist zijn arbeidskracht verkocht, bewees als het ware zwart op wit dat hij vrij over zichzelf beschikte. Nadat de koop is gesloten, ontdekt men dat hij geen ‘vrij man’ was; dat de tijd, waarvoor het hem vrijstaat zijn arbeidskracht te verkopen, de tijd is waarvoor hij gedwongen wordt die arbeidskracht te verkopen, dat in feite zijn uitzuiger niet loslaat zolang er nog een spier, een pees, een druppel bloed valt uit te buiten’. (4)
Zoiets moet wel marxistische auteurs geïnspireerd hebben. De Britse trotskist China Miéville (5) is zo’n auteur. Hij heeft me de termen gothic marxism en gothic capitalism bijgebracht. De mens heeft in dat genre al verschillende boeken geschreven, waarvan er ook een aantal in ’t Nederlands vertaald zijn. Op ’t internet staat overigens een mooi filmpje waarin Miéville het over ‘Marxisme and Halloween’ heeft, een speech die aantoont dat er wel degelijk trotskisten bestaan die tegelijk grote humoristen zijn, een aanrader! (6)
Kapitalisme en de gothic novel, het kan inspireren. En het heeft wel meer mensen geïnspireerd. De idee leeft dat er in het kapitalisme een soort monster aan ’t werk is. De Amerikaan David McNally schreef daar zelfs een heel boek over. (7) Wanneer ik vervolgens de termen google leer ik over het bestaan van een serie die in Amerika op de tv vertoond werd. In Buffy the Vampire Slayer blijken er volop creaturen (vampiers, zombies enzovoort) te zien die, zo stelt Lena Wånggren, volop gelegenheid geven om het monsterlijke van het alledaagse kapitalisme te analyseren. (8) Het is ook in dat essay dat ik verneem dat de striptekenaar Tom Sutton (9) in de beste tradities van de situtionisten met dat Buffyverhaal aan de haal gegaan is. Het leverde een tekenverhaal op: Buffy the Anarcho-Syndicalist: Capitalism bites. Ook dat is helemaal gratis van het internet te downloaden, maar de tekeningen inkleuren moet je zelf doen. (10)
Flor Vandekerckhove

(1) Amadeo Bordiga. Murdering the Dead. Amadeo Bordiga on Capitalism and Other Disasters. London, Antagonism Press. 2000.
(2) ‘Capital posits the permanence of value (to a certain degree) by incarnating itself in fleeting commodities and taking on their form, but at the same time changing them just as constantly; alternates between its eternal form in money and its passing form in commodities; … But capital obtains this ability only by constantly sucking in living labour as its soul, vampire-like’ K.Marx, Grundrisse p.646. Ik vind geen Nederlandse vertaling.
(3) K.Marx, Het kapitaal deel I. http://www.marxists.org/nederlands/marx-engels/1867/kapitaal/8.htm
(5) http://nl.wikipedia.org/wiki/China_Miéville
(6) http://wearemany.org/v/2013/06/marxism-and-halloween
(7) David McNally. Monsters of the Market: Zombies, Vampires and Global Captalism. (2010) Het boek is in PdF-formaat gratis te downloaden: http://digamo.free.fr/mcnally11.pdf
(9) http://en.wikipedia.org/wiki/Tom_Sutton
(10) Buffy the Anarcho-Syndicalist: Capitalism Bites. Nihil Press, 2004. https://libcom.org/files/buffy.pdf





maandag 25 augustus 2014

Un urinoir peut en cacher un autre

De Duitse dichter Hugo Ball was in België toen de Eerste Wereldoorlog ontbrandde en wat hij te zien kreeg vervulde hem begrijpelijkerwijze met afschuw. Met zijn gezellin, de dichteres Emma Hennings, maakte hij zich vlug uit de voeten en het koppel vestigde zich in het neutrale Zwitserland. In Zürich, waarheen ook veel andere kunstenaars gevlucht waren, opende het koppel een cabaret dat ze Voltaire noemden. Er werd muziek gespeeld, je kon er dansen en er was plaats voor artistieke en literaire evenementen. In dat cabaret werd in 1916 Dada geboren, een rebelse kunstbeweging ontstaan uit afkeer van de oorlog. De Dadaïsten leefden in tijden waarin er niet veel plaats was voor nuance, ze waren dan ook tegen alles.
Toen die oorlog ten einde liep keerden de kunstenaars naar hun thuislanden terug, en ze brachten Dada met zich mee. Zo opende een van hen in Berlijn een Club Dada, waarin een groep artiesten een manifest opstelde met de oproep om antikunst te maken. De politie nam het manifest in beslag, een maatregel die vandaag overtrokken lijkt, maar die wel te begrijpen valt in oorlogvoerende naties die danig op hun tandvlees zaten; landen waar revolutionaire bewegingen overigens, beginnend in Rusland, voet aan de grond schenen te krijgen. Daar komt bij dat de beweging al vlug een internationalistisch perspectief ontwikkelde: de Dada Club werd al gauw de Dadaïstische Centrale Raad van de Wereldrevolutie, een naam van het soort dat ongetwijfeld ook vandaag enige aandacht van de Staatsveiligheid zou opwekken. Het hoogtepunt van al dat artistieke geweld was de Eerste Internationale Dada Tentoonstelling in 1920. Waarna de beweging uiteenviel — je weet hoe ’t met zo'n Internationales gaat. Maar het zaad was intussen wel verspreid en er zouden opvolgers komen die duidelijk door Dada geïnspireerd werden — surrealisten, situationisten, punk, neodada… — een reeks die ook in de toekomst ongetwijfeld voortgezet zal worden.
Ook in Amerika was Dada actief. Het was zelfs in New York dat de wellicht meest radicale gebeurtenis van Dada plaatsgreep. In 1917 presenteerde Marcel Duchamp daar een Fountain, een omgekeerde pisbak die hij signeerde met  R. Mutt. Schandaal verzekerd!
Over dat urinoir zijn inmiddels wellicht boeken volgeschreven, maar het ding leert ons toch vooral dat kunst niet objectief te definiëren valt. En als we ons aan enig populisme mogen bezondigen, dan gaat het als volgt: iets wordt kunst omdat een groep rijke mensen, daarin geholpen door individuen die te lang naar school geweest zijn, overeenkomen dat het kunst is. Je zou het ook anders kunnen zeggen: in het kapitalisme wordt iets kunst doordat het op de kunstmarkt als dusdanig (h)erkend wordt. Ten bewijze: de pisbak wordt een kunstobject, antikunst wordt kunst. Je kunt dat spijtig vinden en je kunt dat gebruiken om ermee de beperkingen van opstandige kunstenaarsbewegingen te onderstrepen. Maar kijk, weer snelt een populistische blik ons ter hulp. Duchamp heeft zijn slag toch wel thuisgehaald, want wat moet je denken van een maatschappij waarin de elite veel geld overheeft voor het verwerven van een pisbak waarin je niet eens kunt pissen? Zo’n maatschappij is echt wel ziek. Toch? (*)
Flor Vandekerckhove
(*) Toch is, zo zie ik op ‘t internet, de naam van een groothandel in sanitair. Die kon ik echt niet laten liggen.

zondag 24 augustus 2014

Aziz en Žižek, twee intelligente überhipsters

— Rachida Aziz —
Je moet er een jonge vrouw voor zijn, een modeontwerpster van Marokkaanse afkomst, iemand die een winkel uitbaat in de hippe Dansaertwijk in Brussel; het helpt als je activistisch ingesteld bent, een beetje gestudeerd hebt en het helpt zeker ook als je over veel creativiteit beschikt die met een gezonde dosis ambitie gepaard gaat. Wanneer je al die kwaliteiten in je verenigt en daar vervolgens ook nog eens publiekelijk getuigenis van aflegt dan is de kans groot dat je inzichten creëert die bij de enen weerzin oproepen, bij anderen enthousiasme, maar die in elk geval merkwaardig zijn.  
Zo’n inzichten levert de ontwerpster Rachida Aziz af in een recent gepubliceerd opiniestuk. (*) Daarin heeft ze het over de jongeren die vanuit het Westen naar Syrië trekken om daar in dienst van de IS (Islamitische Staat) het nieuwe kalifaat op te richten: ‘De beelden die ons bereiken uit de bolwerken van IS roepen herinneringen op aan Rambo III, een van de iconische geweldfilms uit de jaren 80. Dat is niet toevallig. Vlak voor de aftiteling verschijnt de zin: “Deze film is opgedragen aan de dappere moedjahedien in Afghanistan”. (…) Aan de manier waarop de strijders van IS hun machinegeweren vasthouden, kan je zien dat ze veel naar dergelijke films gekeken hebben. Ze hebben hun lange, golvende haren gemeen met Sylvester Stallone. Hun gespierde lichamen tonen ze trots doorheen hun hippe, nauw aansluitende T-shirts. (…) Met hun Ray-Ban-zonnebrillen, lange baarden en aparte hoofddeksels zouden ze in Europa überhipsters zijn.’ Neen, zo heb ik dat nooit eerder bekeken en dat komt inderdaad doordat ik geen jonge vrouw ben, geen modeontwerpster van Marokkaanse afkomst die in de Dansaertwijk enzovoort. De Rambofilms heb ik destijds aan mij voorbij laten gaan, een Ray-Ban-zonnebril zou ik niet van een exemplaar uit de Aldi kunnen onderscheiden en ik verneem hier voor het eerst iets over het bestaan van het woord überhipster. Wat Aziz me leert is verrijkend. En ze gaat verder. Ze wijst op het gebruik van de marketingmethodes die IS aanwendt en op een interpretatie van de islam die aan het Westen ontleend wordt, het oriëntalisme waarover Edward Said een ook mij bekend werk geschreven heeft. Aziz: ‘Het is een koloniale, westerse fantasie waarbij strijders met zwaarden zwaaien, op wilde paarden rijden en hun ontrouwe vrouwen het hoofd afhakken zoals in Duizend-en-één-nacht. (…) Na oriëntalistische schilders en schrijvers in de 19de eeuw was het de voorbije eeuw de beurt aan Hollywood om dat beeld in honderden films te reproduceren. De documentaire Reel Bad Arabs, how Hollywood vilifies a people (…) toont de markantste voorbeelden.’ Ik heb de trailer van die film hieronder geplaatst. En ja, als je het zo bekijkt dan kan de gewelddadige IS inderdaad voorgesteld worden als ‘de meest volmaakte selfulfilling prophesy uit de geschiedenis.
— Amerikaanse foltering in Abu Graib —
Aziz besluit haar opiniestuk met een extreem gevaarlijk inzicht: ‘Voor de tweede keer meent een door het Westen uitgespuwde religieuze groep dat het enige heil bestaat in het stichten van een zuivere staat in het Midden-Oosten waar de bestaande bevolking met alle middelen moet weggejaagd worden. Na een joodse staat krijgen we nu een islamitisch rijk. (…) De geschiedenis herhaalt zich.’ Waarmee Rachida Aziz de toorn van de goegemeente over zich heen haalt, want van het zionisme moet iemand van Marokkaanse afkomst afblijven. Haar opponenten wijzen op de onaanvaardbaarheid van de vergelijking: hebben de Amerikanen geprobeerd de Arabieren tot de laatste man/vrouw uit te moorden? Neen toch. Immigranten worden alhier gediscrimineerd op de arbeids- en huizenmarkt, maar ze worden niet massaal gedeporteerd en omgebracht, zoals dat met de Joden destijds wel gebeurd is. De gevangenis van Abu Graib mag door de Amerikaanse folteringen terecht een vreselijke reputatie torsen, maar een uitroeiingskamp is het nooit geweest. Al dat terecht geformuleerde weerwerk belet mijns inziens niet dat Aziz wel degelijk gelijk heeft: het is voor de tweede keer dat een door het Westen uitgespuwde religieuze groep heil zoekt in het stichten van een zuivere staat in het Midden-Oosten. Ook nu weer moet de bestaande bevolking er met alle middelen weggejaagd worden. Ik heb het nooit eerder op die manier bekeken en Aziz heeft me in deze de ogen geopend. Dat zou ze niet gekund hebben had ze de wereld niet bekeken als de jonge ondernemende vrouw van Marokkaanse enzovoort enzovoort die ze hier geworden is.
Of ze had een oudere, Sloveense filosoof moeten zijn, een radicale criticus van het kapitalisme, een polemist van het hoogste niveau, zoals Slavoj Žižek er dan weer een is. In een essay (**) heeft hij het juist over die Amerikaanse folteringen in Abu Graib. Ook Žižek heeft mijn blik verruimd. ‘Abu Graib was niet louter een geval van Amerikaanse arrogantie tegenover een derdewereldvolk: met hun onderwerping aan vernederende martelingen werden de Irakese gevangenen in feite ingewijd in de Amerikaanse cultuur. Zij kregen een voorproefje van de obscene onderkant (…) wat we krijgen (…) is juist een direct kijkje in de Amerikaanse waarden, in het hart zelf van het obscene genot dat de Amerikaanse levenswijze ondersteunt.’ Of de marteling als mediaspektakel, waarbij de Amerikaanse soldaten, net zoals de IS-strijders van Aziz, pionnen zijn in dat spektakel waaraan ze wel deelnemen, maar dat tegelijk ver boven hen uittorent. Waaruit Žižek besluit: ‘Om Walter Benjamin te parafraseren: het lijkt alsof iedere botsing van beschavingen in werkelijkheid een botsing van onderliggende barbarijen is.’
Flor Vandekerckhove

(*) Rachida Aziz. Hipsters met een AK-47, in De Standaard, zaterdag 16 augustus 2014.
(**) Slavoj Žižek. Tolerantie als ideologische categorie, in Geweld, Zes zijdelingse bespiegelingen. Boom, A’dam. 224 ps.



woensdag 20 augustus 2014

Langs de kapellekensbaan (IV)

Wat daar gebeurd is? Ik weet het niet en misschien is dat maar goed ook, want de kans is groot dat de vragen mooier zijn dan het antwoord. Ik zou het kunnen vragen aan kapelletjesspecialist Valentin Degrande, want die weet alles: In de regio Brugge alleen telde ik 319 kapellen waarvan 66 in 't Brugse, 43 in de buurt van Beernem en 42 in de buurt van Torhout. In Oedelem heb ik 28 kapellen geteld, in Moerkerke 24.’  Hij heeft er zeven boekjes over geschreven. Een ervan vermeldt wellicht ook dit kapelletje waarvan ik op 6 maart, tijdens een wandeling door ’t Vriijgeweed, een foto maakte. (*) Kapelletjes? Ah madam, ik heb er nogal wat gefotografeerd, maar dit is toch ’t allermooiste. Met stip! Wat we daar allemaal te zien krijgen! Voer voor wel tien vragen en evenveel verhalen.
Het is, zoals dat vaak het geval is, ingebouwd in een pijler die de toegangspoort tot een boerenerf schraagt. Het is een oude boerderij, wellicht gebouwd vóór de Eerste Wereldoorlog, in een tijd waarin dit land nog achthonderdduizend boeren telt. Het kapelletje is een gesloten nis, niet gemaakt om ooit weer geopend te worden. Komt het daardoor dat het gevallen beeldje nooit rechtgezet werd? Hoe komt het overigens dat het gevallen is? Van zo’n nis mogen we toch veronderstellen dat het daarbinnen windstil is. En dan is er dat fotootje op de achtergrond. Wie staat daarop afgebeeld? Wordt die foto daar bij de bouw meteen in geplaatst? Betreft het de stamvader van een boerengeslacht? Zou dat niet van hoogmoed getuigen, een hovaardigheid die geenszins met zo’n kapelletje te rijmen valt? (Of juist wel, want elke religie is aanvankelijk voorouderverering.) Of moeten we het aan de andere kant van de stamboom zoeken? Is dit de foto van de boerenzoon die in 1914 naar het front gestuurd wordt en er nooit meer van terugkomt? Is hij in de Westhoek achtergebleven? (‘Altijd iemands vader, altijd iemands kind’) Wie heeft die foto daar aangebracht? Valt het beeldje bij die bewerking om en vindt men het de moeite niet om het weer recht te zetten? Is men op de vlucht en heeft men er de tijd niet voor? Heeft men dat kapelletje op die manier geënsceneerd en verwijst de gevallen madonna naar de aan ’t front gevallen soldaat? Is dit bijgevolg de kapel van Maria-der-gevallenen? Is de woede om ’t verlies zo groot dat de boer zijn geloof afvalt en het beeldje bewust een duw geeft? Misschien wordt die foto daar aangebracht door de allerlaatste bewoner van het erf, iemand op hoge leeftijd, iemand die daarna met onzekere hand het kapelletje slecht afsluit, vlak voor hzij naar ‘t ziekenhuis trekt waaruit hzij nimmermeer terugkeert. Markeert die foto daarmee het absolute einde van een boerengeslacht?  Waarna de wind tussen de slecht aangebrachte stopverf vrij spel krijgt en er zodoende het mooiste aller kapelletjes van maakt.
Flor Vandekerckhove

(*) Maar dit kapelletje kent Degrande ook niet want, zo laat hij me weten: 'Ik heb geen gevelkapelletjes of nissen in hekkenpijlers geïnventariseerd (wegens te veel).'



dinsdag 19 augustus 2014

Drie keer de Duinenstraat

Werden de foto’s op dezelfde dag genomen? Dateren ze van hetzelfde jaar? Betreft het opnamen van ver uit elkaar liggende perioden? Ik weet het niet, maar ze tonen ons wel het verschillende karakter van die drie stukken, zoals ik dat inderdaad ook in mijn kindertijd ervaren heb.
De foto’s komen van het internet, waar ze te vinden zijn in de verzameling van www.delcampe.be. Ze laten elk een stukje van de Duinenstraat zien. Het eerste beeld toont die in de richting van Bredene-Dorp, vanaf de hoek met de Golfstraat. De twee andere laten ons in de richting van de zee kijken. Op de tweede zien we het stuk tussen de Golfstraat en de Prins Karellaan, de derde gunt ons een nostalgische blik op de straat vanaf de Prins Karellaan tot aan het kruispunt met de Driftweg-Kapelstraat (toen nog Kapellestraat).
Wie door de straat wandelt, vertrekkend van het verst zichtbare punt op de eerste foto en de hele weg aflegt tot het einde dat zichtbaar is op de derde postkaart, heeft nauwelijks een paar honderd meter gelopen. En toch heeft hij drie verschillende biotopen doorkruist. Overdrijf ik? Misschien, maar dan toch niet meer dan een beetje. Laat het ons bekijken.
De eerste postkaart toont het stuk waar ik als kind gewoond heb. Links op de hoek staat het nog altijd indrukwekkende huis van de familie Rosseel, met daarachter het terrein waar de Rosseels in die tijd hun vrachtwagens stallen. Daar tegenover: de garage die door mijn oom uitgebaat wordt. Dat zijn niet bepaald ondernemingen die het van het toerisme moeten hebben. Naast de garage, maar op de foto onzichtbaar, is er nog de groentewinkel van mijn grootouders en het etablissement van Alida dat wel plechtstatig café du Littoral heet, maar toch vooral de dorst van de autochtonen lest. Aan de overkant is er een krantenwinkel, een kleine kapperszaak, de winkel van mijn ouders en nog een terrein (garre) om vrachtwagens op te plaatsen. Voor de rest zijn er woonhuizen en vlak voor de hoek met de Frankrijklaan is er de boerderij van Jerome Lagast, een voorsmaakje van het leven in het verder gelegen dorp dat nog helemaal op het ritme van de landman leeft. De straat is omzeggens leeg op een voetganger na en een moeilijk te ontcijferen figuur, misschien wel iemand die een handkar duwt. Geen fietsers, geen auto’s, geen reclamepanelen. Als je er een kleur bij moet bedenken dan is dat grijs, het geluid is dan het gieren van de wind. Het is geen toeval dat de fotograaf de blik naar ’t achterliggende polderland richt. Niemand denkt bij het zien van dit straatbeeld aan iets wat op toerisme lijkt.
Hoe anders wordt dat wanneer je op die hoek de andere kant uitkijkt en nochtans… dit is dezelfde straat. We keren ons om en lijken in een andere wereld terecht te komen. Rechts op de tweede foto loopt een jongetje, dat kan ik zijn of misschien ben jij het wel; zijn kledij leert ons dat het zomer is. We zien boven hem een stuk van een reclamebord: Pension Beau Séjour. Verder, achter de luifel van beenhouwerij Minne, hebben de uitbaters van café du Sport het terras opgezet. Aan de overkant, voor de etalage van ‘de bazar’ staan buurvrouwen te kletsen. Iedereen is klaar om de toeristen te ontvangen. Een grijsaard wandelt de straat af, het zou mijn grootvader kunnen zijn en misschien ook de jouwe. We zien fietsers en een auto. Dit is een zomerse voormiddag, je ruikt dat; je ziet zomerhemden, je denkt kleuren bij die foto: de luifel van de slagerij in strepen rood en wit; je ruikt de zerpe geur van Rodenbach die misschien wel op ’t terras van du Sport geconsumeerd wordt.
Het toerisme waarvan dat stuk straat zwanger lijkt te zijn, is al helemaal aanwezig op de derde foto. Want kijk, hoe meer we zee, strand & duinen naderen, hoe meer het straatbeeld door dat toerisme gekleurd wordt. De krantenwinkel van Poppe is er dan ook helemaal op ingesteld. De kranten hangen uit; postkaarten aan de buitenmuren; zes, zeven reclameborden aan de gevel; ook de daarnaast liggende winkel heeft een en ander op de stoep gezet. Allemaal merchandising, alhoewel niemand in die tijd dat woord gebruikt. Drie (!) auto’s in de straat. Aan de overkant, maar onzichtbaar op de foto, de bergplaats van Melis’ strandcabines. Dit is voorwaar het hart van het toeristische Bredene. Hoe verschillend is dit beeld niet van de eerste foto die nauwelijks honderd meter verder geschoten wordt, misschien wel op dezelfde dag. En wat me tenslotte ook opvalt: geen van die drie foto's toont het beeld van een vissersdorp dat aan het Noordzeestrand ligt; je weet wel, zo'n dorp waar de branding ruist bij dag en nacht, een dorp waar mensen hun brood verdienen met zwalpen op de baren. Misschien komt dat wel doordat zo'n dorpsbeeld alleen maar bestaat in de liedjes die Jan Verbraeken en andere Will Tura's erover zingen. 
Flor Vandekerckhove



zondag 17 augustus 2014

Hoe kan ik mijn geluk bezingen?

Eerste poging — Het is vroeg en ’t is nog donker. Ik rijd achter ’t licht van mijn fietslamp aan. Zondag, niemand loopt op straat en ik ben op weg. Fluitend.
Tweede poging — Ik begrijp dat ik te vroeg ben. Ik loop de laan af die naar het park leidt. Het regent prikjes op het vijverwater en aan de overkant zie ik een man zijn kilometers lopen. Op een bank luister ik naar het ruisen van de populieren. Of naar de koekoek, dat kan ook.
Derde poging — Ik heb me gehaast en nu ben ik er. Het is nog donker, de deur is op slot. De wind speelt met de regen in het licht van een lantaarnpaal. Ik sta om de hoek, uit de wind, en weet dat dit het mooiste moment is van een dag die nog moet komen. De deur gaat open, de dag begint.
Vierde poging — Eerst neem ik de tram, dan de trein, daarna een bus en op ’t einde sla ik rechtsaf, daarna vier keer links. Het ziet er leuk uit, veel volk, veel oude bekenden ook. Ik schud handen, geef hier en daar een kus en als ik daarmee klaar ben, keer ik op mijn stappen terug. Ik loop de straten af, vier keer rechts en op ’t einde links. Ik wacht op de bus die me naar ’t station zal brengen, daar neem ik de trein en een uur later zit ik op de tram die me weer naar huis brengt.
Synthese — Hoe kan ik mijn geluk bezingen? Het was vroeg en het was nog donker. Het was zondag en niemand liep op straat. Achter ’t licht van mijn fietslamp reed ik naar ‘t station. Daar nam ik de tram, daarna de trein, dan een bus en op ’t einde sloeg ik rechtsaf en daarna vier keer links. Ik had me gehaast en nu was ik er. Ik begreep dat ik te vroeg was, de deur was nog op slot. De wind speelde met de regen. Wachtend op de dag die nog moest komen, stak ik de weg over en liep de laan af die naar het park leidde. Het regende prikjes op het vijverwater en aan de overkant zag ik een man zijn kilometers lopen. Op een bank luisterde ik naar het ruisen van de populieren. 
Toen het daarvoor tijd werd, ging de deur open. Binnen zag het er leuk uit, veel volk, veel bekenden ook. Ik schudde handen en ging meteen weer weg. Vier keer rechts, een keer links, bus, trein, tram, fiets. Thuis vroeg ik me af of ik nog iets over die koekoek moest schrijven.
Flor Vandekerckhove




donderdag 14 augustus 2014

Langs de kapellekensbaan (III)

In een vorig stukje had ik het over een merkwaardig gebruik waarbij mensen een beeld van Sint-Jozef in de grond begraven. Dat zou helpen om een huis verkocht te krijgen. Een lezer vroeg me of er ook een heiligenbeeld bestaat dat schuldeisers op afstand houdt. Wellicht wel, want er is een sint voor omzeggens alles. Een gespecialiseerde website leert me bijvoorbeeld dat Sint-Isidorus-van-Sevilla inmiddels over het internet waakt. Vandaag echter hebben we het over een heilige die niet schuldeisers, maar wel schoonmoeders op afstand houdt.
Waar werd de hiernaast staande foto gemaakt? Had ik geweten dat al die kapelletjes ooit in deze blog zouden komen, dan had ik dat genoteerd. Dat is helaas niet gebeurd. Herinner ik het me goed als ik meen dat het op een wandeling langs de Ieperboog was? Lag de Dikkebusvijver in de buurt? Konden we daar in de verte de Kemmelberg zien liggen? Hoe dan ook, het kapelletje oogde mooi, werd goed onderhouden en stond te midden ’t groen. Het sierde de ingang van een woonerf.
Godelieve (°1045-†1070) heeft in Gistel een eigen abdij. Wie alles over het intrieste leven en de vreselijke dood van deze vrouw wil weten, moet er maar eens naartoe trekken. Zelf ben ik er verschillende keren geweest en ik herinner me dat ze er lekkere, zelfgemaakte taarten verkopen.
Ze is de patrones van kleermakers en naaisters. Dat komt doordat ze (zelfs na haar dood!) hemden zonder naad kon naaien. Daar bestaat een bewijsstuk van. Ik heb dat hemd destijds met eigen ogen aanschouwd, maar ik ken te weinig van de stiel om er een oordeel over te kunnen vellen. Waarom ze patrones van de leurders is, is me helaas onduidelijk. Maar storender is mijn onwetendheid betreffende de volgende vraag. Is Godelieve ook de beschermheilige van de duivenmelkers, vogelvangers, vinkenzetters, kippenkwekers en vogelaars? Ik vind er geen aanwijzingen voor en nochtans: ze heeft op miraculeuze wijze massaal veel vogels in een kot verzameld. De plaats ontbreekt me om dieper op die kwestie in te gaan, maar dat kot is in de abdijtuin wel degelijk te bezichtigen.
Haar voorspraak wordt ingeroepen bij keelpijn en dat komt doordat ze uiteindelijk gewurgd werd. Dat ze helpt tegen oogziekten is ook gemakkelijk te verklaren, want ze heeft ooit een blind kind met behulp van het aldaar aanwezige water ziende gemaakt. U kunt dat overigens zelf proberen over te doen, want het miraculeuze water waarin Godelieve na haar wurgdood ook nog eens gedumpt werd, vloeit daar heden nog steeds, weliswaar met behulp van een moderne waterleiding en kraantjes. Alhoewel er niets mis is met mijn ogen, heb ik dat water eens op mezelf getest en ik moet zeggen dat ik er zeer tevreden over was.
Maar al wie Godelieves abdij, Ten Putte, bezoekt zal het met me eens zijn: deze heilige wordt vooral aangeroepen bij echtelijke problemen. Terecht, want Godelieve heeft het slecht getroffen met haar echtgenoot, ze is dus een ervaringsdeskundige. Het is een lot dat nog steeds veel vrouwen treft, zo getuigen de talrijke briefjes die er ophangen; vooral beden om schuinsmarcherende echtgenoten weer op ’t rechte pad te brengen. Of het helpt weet ik niet, maar in de cafetaria ontwaarde ik toch veel koppels die er niet erg ongelukkig uitzagen. Dat kan door de taart komen, maar ook doordat die koppels eindelijk eens vanonder de vleugels van de schoonmoeders weg waren, want Godelieve helpt ‘bij conflicten met schoonouders en dan de schoonmoeders in ’t bijzonder.’
Flor Vandekerckhove

woensdag 13 augustus 2014

Langs de kapellekensbaan (II)


Uw tijd gaat nu in, want dit stukje begint met een quiz. Wie is de beschermheilige, zo luidt de eerste vraag, van de kerkgemeenschap, van huisvaders, echtgenoten, huizeneigenaars en christelijke gezinnen? U hoeft nog niet af te drukken… Wie is de patroonheilige van weeskinderen, kinderen in ’t algemeen, alsmede van hun opvoeders? Wie houdt er toezicht op ongehuwde meisjes en ook op maagden, categorieën die elkaar uiteraard niet voor de honderd percent heu… dekken? Welke heilige beschermt de weggebruikers, reizigers, bannelingen, vluchtelingen, weggevoerden en mensen zonder papieren? Wie waakt er in den hoge over handarbeiders, werklieden in ’t algemeen, en meubelmakers, timmerlieden, wagenmakers & schrijnwerkers in ‘t bijzonder? Wie beschermt onze ingenieurs en pioniers? Wie begeleidt de stervenden en tegelijk ook de doodgravers die de afgestorvenen achteraf de put in helpen? Hoe heet bijgevolg de heilige die ons een zalige dood kan bezorgen? Hoe heet de patroonheilige van België? Welke heilige wordt er op 1 mei in de katholieke kerk gevierd? Wiens voorspraak wordt er door katholieken ingeroepen om de kuisheid te bewaren (een moeilijk te begrijpen verzoek dat wellicht ook zelden ingewilligd wordt), om uitkomst bij woningnood, bij verzoekingen en verleidingen, in wanhopige situaties en voor een goede dood? En nu een apocriefe: wie is de patroon van de hoorndragers? U hebt goed geraden, dit kan alleen maar Jozef van Nazareth zijn, aka Sint-Jozef, de pleegvader van Christus, de echtgenoot van Maria.
Gezien het grote aantal taken dat deze Jozef opgelegd krijgt is het niet verwonderlijk dat er langs Vlaamse wegen nogal wat kapelletjes aan hem gewijd worden. Weliswaar minder dan aan diens echtgenote, maar toch voldoende om hem een mooie tweede plaats te bezorgen.
Jozef van Nazareth was timmerman van beroep. Het is dan ook geen toeval dat we op onze wandelingen doorheen ’t Vlaamse land zo’n kapelletje aantroffen op de gevel van een Westkerkse meubelwinkel. Op de etalageruit: UITVERKOOP. Op de gevel: Wat u buiten niet ziet, vraag het binnen. Dat konden we niet doen, want de zaak was al lang beklonken en het huis stond er nu enigszins verwaarloosd bij; achtergelaten lijkt me het juiste woord te zijn.
EcoJoe verkoopt biologisch afbreekbare beelden van Sint-Jozef, 
'The hardest working saint for real estate'. 
Speciaal gemaakt om in de grond te begraven, omgekeerd uiteraard. 
Dat huis zouden ze te koop moeten stellen. Dat is de enige conclusie die ik kan trekken nadat ik op ’t internet een aantal sites bekeken heb die zich in Sint-Jozef specialiseren. Veel ervan tonen ons immers hoe men dat moet doen, een huis verkopen. Dat gaat als volgt. Maak een gat in de grond dat groot genoeg is om er Sint-Jozef vertikaal in te begraven. Plaats het beeld in dat gat, maar wel omgekeerd: kopje naar beneden, voeten omhoog. Let er ook op — en dat is zeer belangrijk, ik kom er verder nog op terug — dat het omgekeerde beeldje met het gezicht naar het huis wijst dat verkocht moet worden. Bid negen opeenvolgende dagen de noveen die u van zo’n site (bijvoorbeeld http://www.sint-jozef.eu) kunt downloaden. Zodra het huis verkocht is, graaft u het beeld weer uit de grond, waarna het uiteraard een ereplaats krijgt in uw nieuwe huis (of misschien in dat van de immobiliënmakelaar). De uiteenzetting betreffende deze verkooptechniek wordt, zo zie ik, afgerond met een bede: ‘Graag zouden wij van u een berichtje ontvangen indien u uw huis heeft verkocht met en door de hulp van Sint-Jozef.’ Op die site vond ik er geen spoor van, maar ik vond elders wel een filmpje waarin iemand de methode naar eigen zeggen met succes aangewend had. Ik probeerde het hieronder te plaatsen, dat is me niet gelukt, maar u kunt het wel bekijken. (*)
Rest me nog twee zaken uit te klaren. Ten eerste: mocht u in deze geseculariseerde tijden niet over zo’n beeld beschikken dan raden we u de Mavaka-Kadoshop aan (http://www.mavaka.com/jozef-heilige-jozef.html). Ten tweede: let er tijdens de graafwerken op dat de omgekeerde Sint-Jozef wel degelijk naar het te verkopen huis kijkt, want er bestaat een getuigenis van iemand die dat niet deed en wat geschiedde? Het huis aan de overkant van de straat werd meteen verkocht.
Flor Vandekerckhove.
(*) U kunt het filmpje bekijken op https://www.youtube.com/watch?v=iAlCR9TUC5A#t=14

maandag 11 augustus 2014

Langs de kapellekensbaan (I)

De Kapellekensbaan met hoofdletter is een roman van Louis-Paul Boon, maar Langs de kapellekensbaan zonder hoofdletter in die baan is de naam van een aantal stukjes die ik, als ’t God belieft, in deze blog zal publiceren. Die stukjes worden telkens geïnspireerd door een artefact dat mijn vriendin en ik tijdens het wandelen gefotografeerd hebben, veelal een kapelletje. (Vandaar: als 't God ’t belieft.)
Toen we die foto’s maakten, was ’t niet de bedoeling er een verhaal rond te breien. Het waren herinneringen die ik in een computermap onderbracht. Vele wandelingen later was die map een digitale variant geworden van wat in ’t analoge leven een zootje heet. Ten behoeve van de overzichtelijkheid begon ik het uit te splitsen. Een van de pakketjes werd Langs de kapellekensbaan, want, zo was ’t me gaandeweg opgevallen: kapelletjes… er waren er niet weinig. ’t Is niet voor niets dat het lied luidt: Waar men gaat langs Vlaamse wegen / Komt men U, Maria, tegen
Daar mag u dan weer niet uit afleiden dat al die kapelletjes aan de moeder Gods gewijd zijn, want op 27 februari kiekten we in de polders achter Blankenberge het kapelletje van Sint-Job. (*) Een tekstpaneel geeft uitleg: ‘Deze kapel werd in het eerste kwart van de 19de eeuw opgericht nabij de plaats van de in 1575 verwoeste kerk van Sint-Jans-op-den-dijk. De kapel is toegewijd aan Sint-Job. Volgens de overlevering ging Sint-Job, door zijn vrouw verlaten en door zijn kinderen bespot, met zijn door wonden bedekte lichaam op een mesthoop zitten. De merkwaardige bekroningen van de tuitgevels stellen volgens sommigen mesthopen voor.’
Op de gevel: ‘Heilige Job van ’t kapelleken Bescherm ’t Christen Volk Dat U vereert’. Waarom alleen ‘van ’t kapelleken’ en ‘vereert’ geen hoofdletter krijgen is onduidelijk, dat geldt ook voor de kleurenkeuze van de letters, soms rood, soms zwart. Is ‘t creativiteit van de letterzetter, zit er een geheime boodschap achter, is 't een code? Mocht dat laatste het geval zijn dan is die wellicht alleen maar door gelovigen te kraken en misschien ook wel door de Italiaanse professor Antonio Negri, want die heeft zich intens met deze Bijbelse figuur beziggehouden.
Misschien vindt u dat merkwaardig voor een revolutionaire neomarxist als Negri, maar dat komt doordat u de context niet kent. Negri heeft vele jaren in Italiaanse gevangenissen doorgebracht. Het is hier de plaats niet om daar dieper op in te gaan, maar ik probeer straks op ’t internet een filmpje te vinden dat ’s mans levensverhaal vertelt. U moet onderaan dit stukje maar eens kijken of ik dat ook gevonden heb. Hoe dan ook: ‘Begin 1983 zit Negri al vier jaar in de gevangenis: aanvankelijk in voorarrest, beschuldigd van meerdere moorden, later veroordeeld voor het aanzetten tot terrorisme. Het zijn jaren die gekenmerkt worden door verdriet en pijn en naarmate ze duren, steeds meer. (…) Negri overleeft deze opschorting van leven dankzij zelfdiscipline, studie en strijdlustige intellectuele arbeid. En wanneer de pijn en de leegte hem dreigen te overmeesteren, gaat hij zich concentreren op teksten die lijden en pijn als thema hebben. (…) Het boek Job leest hij als een fenomenologie van het lijden en van de onmiddellijkheid van de ervaring van zinloze pijn in het leven.’ (**) En hij schrijf er een boek over, Il lavoro di Giobbe (Het werk van Job), dat in 1990 uitgegeven wordt en in 2002 herdrukt. Ik heb dat Italiaanse boek uiteraard niet gelezen en mocht het in ’t Nederlands vertaald zijn dan had ik er toch niet veel van begrepen, maar wat ik van dit alles wel onthoud is dat een hedendaagse revolutionair nog altijd door de Bijbel geïnspireerd kan worden.
Op het net vind ik trouwens een citaat van Negri waaruit blijkt dat ook Franciscus Van Assisi hem inspiratie levert: ‘Als verzet tegen het opkomende kapitalisme weigerde Franciscus elke discipline. Tegenover soberheid plaatste hij een vreugdevol leven dat alles omvatte; de natuur, de dieren, zuster maan en broeder zon, de vogels van het veld, de arme en uitgebuite mensen, samen tegen de wil van de macht en de corruptie. Vandaag bevinden wij ons opnieuw in de situatie van Franciscus: we plaatsen tegenover de ellende van de macht, de vreugde van het zijn. Dit is een revolutie die geen macht kan beheersen — omdat socialisme, samenwerking en revolutie samenklitten in liefde, eenvoud en ook onschuld.’
Natuur, dieren, zuster maan en broeder zon, vogels van het veld, arme en uitgebuite mensen, dat alles hebben wij op onze wekelijkse wandelingen overvloedig ontmoet, maar of we onderweg ook een kapelletje van Sint-Franciscus gekruist hebben… Ik moet maar weer eens in mijn virtuele fotomapje beginnen delven.
Flor Vandekerckhove

(*) Meer over Sint-Job op http://nl.wikipedia.org/wiki/Job_(persoon)
(**) De citaten komen uit Sonja Lavaert, 2011. Het perspectief van de multitude. Agamben, Machiavelli, Negri, Spinoza, Virno. VUBPress Brussel. 493 ps.  Over dat boek schreef ik eerder een stuk in http://florsnieuweblog.blogspot.be/2013/01/onder-filosofen.html

zaterdag 9 augustus 2014

Afscheid van Stalin

— Van links naar rechts: Churchill, Roosevelt, Stalin. —
Er is weinig kans dat u het verleden jaar gevierd hebt, maar op 18 december 1878 werd Ioseb dze Besarionis Dzjoegasjvili geboren. De jongen zal later wereldbekend worden. Er wordt een politieke doctrine naar hem genoemd die wereldwijd miljoenen volgelingen organiseert. Velen zijn bereid voor hem te sterven, velen zijn bereid voor hem te moorden. De invloed van Stalin (1878-1953) — de man van staal — is dan ook groot, schrikbarend groot.
Wanneer Nikita Chroestsjov in 1956 kenbaar maakt dat zijn voorganger misschien wel een merkwaardig man geweest is, maar dan een met een behoorlijk geschifte geest, maakt dat veel ophef. Hoe reageren de stalinisten daarop? Aan die vraag hangt voor mij een persoonlijk kantje. Ik heb lang een vriendin gehad die uit zo’n stalinistisch nest komt. In haar fotoalbum heb ik destijds een kiekje gezien dat ons dat nest toont, een gewoon Vlaams gezinnetje, maar aan de muur hangt niet de beeltenis van Christus Koning, maar een portretje van Jozef Stalin. Ik heb het haar gevraagd: hoe verwerkt zo’n gezin in 1956 die schok? Ze blijkt er geen traumatische herinneringen aan overgehouden te hebben. Die mensen hebben dat fotootje verwijderd en zijn verder blijven ijveren voor de partij van Stalin, maar nu zonder Stalin.
Dat was niet overal en bij iedereen het geval. Bij velen veroorzaakte de speech van Chroetsjov een crisis. Ze gaven de hoop op, verlieten de partij, namen afscheid van de politiek of zochten een nieuwe thuis in de sociaaldemocratie, anderen volharden daarentegen in de boosheid en traden toe tot dissidente communistische partijen die Stalin hoog in ’t vaandel bleven voeren.
De Italiaanse schrijver Italo Calvino (1923-1985) was een communist in die tijd en hij herinnerde zich dat momentum. Veel later, op 16 december 1979, schreef hij er een stuk over. Het verscheen in La Repubblica, een van de belangrijkste Italiaanse kranten. Ik vond er een Engelse vertaling van in Hermit in Paris, Aurobiographical writings. Het boek Eremita a Parigi (1994) werd postuum gepubliceerd door zijn weduwe Esther Judith Singer die er ook het voorwoord voor schreef. Het bevat twaalf autobiografische stukken, waarvan de meeste al eerder, maar verspreid, gepubliceerd werden. De weduwe had de stukken chronologisch gerangschikt teruggevonden in een map. Calvino had er notities bij geschreven en Esther kon eruit opmaken dat het misschien wel de bedoeling was ze later in een autobiografie te verwerken. ‘There is no doubt that they refer to the most important aspects of his life, with the explicit intention of explaining precisely his political, literary and existential choices, of informing us about how, why and when they happened.’
Dat geldt ongetwijfeld voor het stukje met de titel Was I a Stalinist Too? Al in de openingszin vertelt Calvino ons over de breuk: ‘I was one of those who left the Communist party in 1956-57 because it did not de-Stalinize fast enough. But what did I say when Stalin was alive and Stalinism was accepted without question inside Communist parties? 
Voor de jonge Calvino was Stalin de man die in 1945 in Yalta naast Churchill en Roosevelt in de fauteuil zat. Wat ervoor gebeurd was (o.a. de strijd tegen Trotski, de grote zuiveringen…) was voor hem alleen maar dat: dingen die ooit wel gebeurd waren, maar waarbij hij zich niet betrokken voelde. De negatieve connotaties die ze opriepen waren, zo zegt hij, als ’t ware weggebrand door de oorlog. Die oorlog had zelfs recentere frustraties weggebrand bij degenen die, iets ouder dan Calvino, aan ’t begin van die oorlog met de ontmoedigende periode van het Hitler-Stalin pact geconfronteerd waren. Dat was allemaal verleden tijd. Nu waren de dingen anders: ‘Communism had become a huge river, now distant from the headlong and uneven course it began with, a river into which the currents of history flowed.  Maar hoe reageerde de schrijver Calvino dan op een impasse als het socialistisch realisme? Hij zag het als een ontsporing, veroorzaakt door overijverige bureaucraten, maar dat het tekenend was voor het stalinisme zoals het was, neen, dat had hij niet gezien. Zijn weerwerk bestond erin, zo zegt hij, zelf werk te produceren dat zou kunnen dienen als model voor de waarden van een nieuwe samenleving. Gezichtsvernauwing inderdaad: ‘Stalinism possessed the power and the limitations of all great simplifications.’ Simplificaties waaraan zoveel schrijvers zich blijkbaar met groot enthousiasme overgaven.
Na zijn breuk met de partij verdwijnt de politiek uit het centrum van Calvino’s leven. Maar hoe kijkt hij in 1979 terug op zijn stalinistische periode? Hij miskent die niet: ‘So I will conclude by saying: if I have been (though very much in my own way) a Stalinist, this was not by chance. There are elements that characterize that epoch, which are part of me: I don’t believe in anything that is easy, quick, spontaneous, improvised, rough and ready. I believe in the strength of what is slow, calm, obstinate, devoid of fanaticisms and enthusiasms. I do not believe in any liberation either individual or collective that can be obtained without the cost of self-discipline, of self-construction, of effort. If this way of thinking seems to some people Stalinist, well all right, I will have no difficulty in admitting that in this sense I am a bit Stalinist still.’ Wie zo’n kalme vastigheid zoekt, en tegelijk een revolutionair wil zijn, vindt die wellicht wel bij het stalinisme of bij partijen die daar historisch uit gegroeid zijn. Concurrerende ismen, zoals het trotskisme, kunnen daarmee vergeleken alleen maar als een zootje ongeregeld omschreven worden. Ik kan het weten, want ’t is in die hoek dat ik destijds terechtgekomen ben (een hoek waarnaar ik inmiddels, zo moet ik hier eerlijkheidshalve nog aan toevoegen, for old times' sake, ook teruggekeerd ben).
Flor Vandekerckhove



woensdag 6 augustus 2014

Dit zijn de regels

‘De rode morgenzon blonk twijfelachtig in het oosten, en was nog met een kleed van nachtwolken omgeven, terwijl haar zevenkleurig beeld zich glinsterend in elke dauwdruppel herhaalde; de blauwe dampen der aarde hingen als een onvatbaar weefsel aan de toppen der bomen, en de kelken der ontwelkende bloemen openden zich met liefde om de jongste straal van het daglicht te ontvangen.’ 
Dat veredelde weerbericht is absoluut niet bruikbaar om er een boek mee aan te vatten, zegt Elmore Leonard. Deze succesvolle Amerikaanse pulpschrijver heeft ‘10 rules of Writing’ geschreven. Bovenaan staat: je mag nooit een boek openen met het weer. Nochtans is het met bovenstaande zin dat Hendrik Conscience De leeuw van Vlaanderen opent. Is Conscience dan een slechte schrijver? Sommigen zeggen van wel, anderen van niet, maar niemand kan beweren dat De leeuw een onbetekenend boek is. Het heeft zijn auteur in Vlaanderen wereldberoemd gemaakt en het werd tot lang na diens dood gelezen; het boek is belangrijk geweest voor de ontwikkeling van het Vlaamse nationalisme. Ik mag daar wel een tegenstander van zijn, maar ik mag niet zeggen dat het boek geen maatschappelijke invloed heeft uitgeoefend. Het is daarenboven ook een boeiende ridderroman die ik in mijn jeugd graag gelezen heb. En ja, het start met het weer.
Ik zie dat Conscience trouwens ook Leonards tweede regel aan zijn laars lapt: vermijd prologen. Wie De leeuw begint te lezen moet normaliter eerst door Consciences voorwoord heen, een bittere pil trouwens, waarin hij het over de ‘transferts’ van Vlaanderen naar Wallonië heeft. Neen, er is niets nieuws onder de Vlaams-nationalistische zon.  
Elmore Leonard mag dan een pulpschrijver zijn, hij heeft wel keiharde meningen. Regels drie en vier: gebruik alleen maar het werkwoord zeggen om een dialoog doorheen de tekst te voeren, gebruik geen bijwoorden om dat zeggen bij te kleuren.  Vijf: hou je uitroeptekens onder controle. Ik denk niet dat Louis-Ferdinand Céline van deze regel op de hoogte was toen hij Dood op krediet schreef. Zes: Gebruik nooit het woord ‘opeens’ of ‘ de hel brak los. Dat is spijtig, want elke schrijver die vastraakt wordt veel geholpen door een zin als: ‘Opeens ging de bel.’ Waarna alles weer mogelijk wordt. Zeven: wees spaarzaam met dialectwoorden. Daar staat Finnigans Wake van James Joyce nochtans vol van, er staat zelfs verkeerd begrepen Oostends dialect in dat boek. Acht en negen zijn er die Marcel Proust in zijn zak mag steken: vermijd gedetailleerde karakterbeschrijvingen en hou je niet onledig met het uitvoerig beschrijven van plaatsen en dingen. Leonard besluit met een raad die ik alleen maar kan beamen: probeer weg te laten wat lezers in een boek neigen over te slaan. Wanneer die lezers echter lezen zoals ik dat doe, dan krijg je wel zeer, zeer dunne boekjes.  
De tien regels van Elmore Leonard inspireerden in 2010 de Britse krant The Guardian om een aantal auteurs te vragen wat hun persoonlijke do’s and don’ts waren. Onder anderen Elmore Leonard, Diana Athill, Margaret Atwood, Roddy Doyle, Helen Dunmore, Geoff Dyer, Anne Enright, Richard Ford, Jonathan Franzen, Esther Freud, Neil Gaiman, David Hare, PD James en AL Kennedy gingen op de invitatie in.
Ian Rankin geeft beginnende schrijvers de raad om hardnekkig te blijven proberen. Hij wordt daarin bijgetreden door Jeanette Winterson: stop nooit wanneer je vastzit: blijf proberen! Geoff Dyer denkt daar helemaal anders over: als ’t niet gaat dan moet je iets anders doen. Hij is ook van mening dat je best een computer gebruikt omdat die je schrijffouten corrigeert. Annie Proulx daarentegen is van oordeel dat je beter zonder computer schrijft. Michael Moorock meent dat een schrijver alles moet lezen waarop hzij de hand kan leggen, Will Self daarentegen meent dat je beter ophoudt met het lezen van fictie (’t zijn toch allemaal leugens). Deze Will raadt je wel aan om altijd een notitieboekje bij de hand te houden. Dat vindt AL Kennedy onnodig: ‘the good things will make you remember them.’
En dan moet ik nog het boekje van Mereith Maran beginnen lezen. In Why We Write stelt ze een gelijkaardige vraag aan twintig auteurs, maar ze voegt er ook nog eens de waarom-vraag aan toe. Ondertitel: hoe en waarom doen ze wat ze doen. Ongetwijfeld vallen ook daar veel tegenstrijdigheden in te ontdekken, want de waarheid is natuurlijk dat er geen regels zijn. Schrijven is de anarchistische daad bij uitstek. Literatuur groeit & bloeit dank zij het overtreden — over-treden — van de regels: eerst leer je de regels kennen en dan treed je erover.
Schrijven? Er zijn uiteraard ook veel redenen te bedenken waarom je het niet zou doen. De zuipschuit Charles Bukowski maakte daar een mooi gedicht over. Ter lering heb ik het hieronder gezet.
Flor Vandekerckhove