maandag 30 juni 2014

De tijdverdroller

De Cloaca van Wim Delvoye.
Zij behoorde eertijds tot een groep van linkse feministen. Hij was in die tijd een anarchist. Dat was vroeger. En dit is nu. Zij twijfelt. Heeft de vakbond nog wel zin? Moet ze daar wel lid van blijven? (Het heeft iets met de belastingen te maken.) Hij twijfelt eveneens. Of hij al dan niet zijn buurman zal verklikken. (Het heeft iets met een rekening te maken.) Ik aanhoor hun twijfels en vraag me af wat er met die twee gebeurd is.
Het komt door de tijdgeest, denk ik, en het komt door de leeftijd. Ze zijn met de (leef)tijd(geest) meegegaan. Men zegt dat het zo hoort, maar daar durf ik aan te twijfelen. Die twijfel komt, zo zegt men, doordat ik in de tijd ben blijven steken.
Misschien is dat wel zo. Misschien komt het door de aldus ontstane afstand dat ik de tijdverdroller wèl aan het werk zie en zij niet. Dat apparaat is inderdaad onzichtbaar voor wie mee schuift met zijn tijd, maar de tijdverdroller valt gemakkelijk te visualiseren door aan de kakmachine van de Belgische kunstenaar Wim Delvoye te denken. De tijdverdroller slorpt de tijd vooraan op, haalt hem door de mangel — in mijn tijd klassenstrijd genoemd — en scheidt de aldus vermangelde tijd achteraan weer af, maar nu als een compacte drol. Die drol heeft naargelang de tijd verschillende benamingen, maar in deze era heet hij onbetwistbaar middenklasse.
De productiviteit van de tijdverdroller is fabuleus. Daardoor zijn de maatschappelijke klassen vandaag bijlange niet meer wat ze in mijn tijd waren. De middenklasse omvat vandaag, op z’n Amerikaans, haast iedereen. Het is een reuzendrol geworden. En hij groeit en groeit en groeit. De Internationale Arbeidsorganisatie voorspelt dat er tegen 2018 wereldwijd vier keer meer mensen tot de middenklasse zullen behoren dan dat aan het begin van deze eeuw het geval was. Criterium? Een inkomen van dertien dollar per dag. 9,52 euro! Per dag! En hopla, weer scheidt de tijdverdroller een lading middenklassers af. De toekomst gloort de mensheid dampend tegemoet. De sociale mobiliteit ligt binnen ieders handbereik. De drempel is nooit zo laag geweest. En de drol die erop ligt was nooit zo hoog.
Flor Vandekerckhove



dinsdag 24 juni 2014

Wilde Wijven

Elke levensfase laat in je hersenen een beklijvend beeld achter, een geur, een smaak. Alles komt ervoor in aanmerking: een bank in het park, een reclameslogan, de geur van Dettol… Aan dat ene ding hangt dan een vat vol herinneringen vast dat, hopla, helemaal uitgegoten wordt. Marcel Proust heeft die ervaring met zijn madeleinekoekje gestalte gegeven in een literair meesterwerk (dat als vat evenwel te bodemloos is om het ook uitgelezen te krijgen).
Voor een schare Vlamingen die in 1983 tieners zijn, leveren de Violent Femmes ongetwijfeld zo’n beklijvend beeld op. Dat is het eerste wat ik denk wanneer ik op 19 juni in Brussel een optreden van deze gewelddadige vrouwen (allemaal mannen overigens) meemaak. Ik ben daar in de AB, zo zie ik, weeral eens de nestor; ik zie nog wel iemand die daarvoor in aanmerking komt, maar die lijkt alleen maar oud. Ik sta tussen vooral veertigers die de ouwe songs (de groep heeft geen andere) enthousiast meezingen. Allemaal! Van ’t begin tot ’t einde. Daar sta ik echt wel van te kijken.
Violent Femmes? Nooit van gehoord. De naam is niet meer dan een grap bedacht door een teenager, zo vind ik na veel zoekwerk op 't internet, meer valt daar niet over te zeggen. Veel kans ook dat u deze groep niet kent. Dat kan zijn omdat u, net zoals ik, wat deze materie betreft compleet onwetend bent, maar ’t kan ook zijn doordat deze Amerikanen niet helemaal mainstream zijn, want ja, als zelfs Patje de coiffeuse die groep niet kent, dan is er wellicht sprake van een succès d’estime, van een cultstatus.
Die status is wel verdiend, vind ik. Ik heb me daar in de AB geen moment verveeld. En ik begrijp ook waarom die Violent Femmes zo’n diepe indruk nagelaten hebben in 't hoofd van wie in 1983 een teenager is. Ken je hun Country Death Song? De tekst is gebaseerd op een krantenbericht uit 1862. Een vader is ten einde raad: er is geen geld, er is geen voedsel… Een man kan daar niet mee omgaan: nothing for a man to do but sit around and think. Mannen moeten iets kunnen doen, iets. Dus verdrinkt hij zijn geliefde dochter in een waterput. De daad biedt uiteraard geen uitkomst, de miserie wordt er alleen maar groter door: ‘Don't speak to me of lovers, with a broken heart. / You want to know what can really tear you apart? / I'm going out to the barn, will I never stop in pain? / I'm going out to the barn, to hang myself in shame.’ Wie jong is in 1983 weet het wel: No Future! Dat heeft frontman Gordon Gano goed verwoord door een gebeurtenis uit de XIXde eeuw te bezingen. We bevinden ons op de Amerikaanse boerenbuiten en we krijgen uitzicht op de American dream, zoals bekend veelal een nachtmerrie. Gordon Gano geeft het punkgevoel van 1983 daarmee een waarde die dat momentum ruim overschrijdt. Als er iets is wat de afwezigheid van ook maar enige toekomst illustreert dan is het wel die moord uit 1862. En weet je wat? Violent Femme Gordon Gano schrijft het lied wanneer hij nog maar in het tweede jaar van zijn middelbare school zit. Wanneer je zoiets doet, mag je best een icoon worden, vind ik. En dan mag je zo'n song dertig jaar later nog eens overdoen in Brussel. 
Bij het buitengaan keek ik nog eens goed naar de gezichten van de veertigplussers die de zaal verlieten. Ze waren even verlost geweest van de miserie die hun opgroeiende kinderen met zich meebrengen, want ook dat hadden ze luid & wild meegezongen: 'Just take your lovely daughter and push her in the well'. Even waren ze terug in de tijd geweest waarin zij zelf nog de miserie van hun ouders waren. Het madeleinekoekje, Violent Femmes genaamd, had hen duidelijk goed gesmaakt. Meer moest dat niet zijn. Een mooie avond was dat daar in Brussel.
Flor Vandekerckhove



zondag 22 juni 2014

Het streven

Kan hedendaagse kunst de wereld verbeteren? Zo luidt de ondertitel van een boek dat in de boventitel Het streven heet. Intussen weten we wel je dat zo’n vraag niet met ja of neen beantwoordt. En we weten ook dat het definitieve boek daarover nooit geschreven zal worden. Hans den Hartog Jager heeft dan ook 224 bladzijden nodig om de vraag… open te laten.
Dat is niet erg, want in die 224 bladzijden maken we kennis met veel kunstenaars die zich in hun werk over die problematiek buigen. Sommige namen ken ik, andere ken ik ook, maar die was ik wel vergeten, van enkele kunstenaars die Hans den Hartog Jager vermeldt heb ik een tentoonstelling gezien, andere moet ik nog helemaal ontdekken. 
Al lezend verzamel ik al de namen. Ik beloof mezelf om ze allemaal beter te leren kennen, zowel degenen die me al bekend zijn als de anderen. Het levert me alvast een indrukwekkende inventaris op, een programma waarmee ik lang zoet zal zijn, een plan voor onderzoekingen die ongetwijfeld hun weg naar deze blog zullen vinden: Lewis Hine (foto’s van kindarbeiders), Walker Evans (Let Us Now Praise Famous Men), Olafur Eliasson (Little Sun), Marjetica Potrc, Peter Fend, Renzo Martens (Episode III: Enjoy poverty), Hans Haecke (Shapolsky et al. Manhattan Real Estate Holdings, a Real-Time Social System, as of May 1, 1971), Joseph Beuys (de kunstenaar was betrokken bij de oprichting van drie politieke partijen), The Guerrilla Girls, Constant (New Babylon), Andres Serrano (Sign of times), Anselm Kiefer (Occupations-serie), Steve McQueen (Static / Gravesand), Francis Alÿs (When Faith Moves Mountains), Martha Rosler, Andrea Fraser, Jonas Staal, Peter Fend, Richard Florida (New Model), Werner Herzog (Fitzcarraldo), David Hammons (Spade with chains / African American Flag), Adrian Piper, Judy Chicago, Hannah Wilke, Martha Rosler (Semiotics of the Kitchen)…
Wat zouden die kunstenaars zelf geantwoord hebben op de vraag van Hans den Hartog Jager? Kan hedendaagse kunst de wereld verbeteren? Ik denk dat ik hun reacties in één zin kan samenvatten: ‘Neen,' zo zullen ze zeggen, 'we kunnen het alleen maar proberen.’
Flor Vandekerckhove
Hans den Hartog Jager, Het streven. Uitgeverij Athenaeum Polak & Van Gennep. 224 pagina’s. € 19,95



woensdag 18 juni 2014

Velodroom

De Laatste Vuurtorenwachter en zijn oud-leraar Alfons 
Vandenbussche.(met cap). (Foto Jo Clauwaert.)
Wanneer was ik voor ’t laatst in de velodroom van Oostende? Ik moet het opzoeken. Er was een wielerwedstrijd bezig en Benoni Beheyt nam eraan deel. Iedereen jouwde hem uit. Dat moet kort na het fameuze wereldkampioenschap geweest zijn waarin die Beheyt verrassend zijn kopman Rik Van Looy geklopt had. 1963! Heel wielerminnend Vlaanderen nam het Beheyt kwalijk. Vandaar dat jouwen.
1963, misschien ’64. Ik was een teenager, ik liep school. Vandenbussche was mijn leraar Nederlands. Ik denk niet dat hij toen in die velodroom aanwezig was. En als hij er was, dan zal hij zeker niet gejouwd hebben, want Alfons is niet dat soort mens.
Alfons is anders. Dat heb ik later ontdekt. Nadat je van zo’n school af bent, kom je de leraren ervan nauwelijks nog tegen, ze lijken wel opgeslorpt te zijn in een verleden dat je maar al te graag achterlaat. Daar zijn, wat mij betreft, twee uitzonderingen op, Vandenbussche is er een van. Ik heb hem later ontmoet in een instituut waar hij Russisch ging studeren; ik ben hem vaak tegengekomen in toch wel linkse kringen; ik heb hem in de zaal zien zitten tijdens evenementen waarbij ik het spreekgestoelte moest beklimmen; ik kom hem tegen in de boekhandel… En telkens blijkt dat hij is aan ’t leren is, bijleren, altijd aan ’t leren. Nu nog. En hij nadert de tachtig! Zo’n mens is dat.
Alfons Vandenbussche leert nu filmen en maakt, almaar bijlerend, mooie documentaires. Ik ben zo’n film gaan bekijken. Die gaat over de Oostendse velodroom waar ik vijftig jaar geleden Benoni Beheyt heb staan uitjouwen. Door die film heb ik dan weer veel bijgeleerd. Bijvoorbeeld dat we het daar nog altijd velodroom mogen noemen, maar dat ‘t geen velodroom meer is. Nadat de renners er weggebleven zijn, omdat ze op den duur van put naar put hobbelden, is het lang een vuile boel gebleven, daarna is ‘t een velo-droom geworden en die droom is in 2010 uitgemond in een bowl — ik zie tot mijn verwondering dat het woord in ’t Nederlands bestaat: bowl.
De jeugd heeft zich de plek toegeëigend. Ze zijn met velen en ze zijn velerlei. De film laat me scouts zien die naast een jeugdhuis in harmonie leven met BMX-champions. Hangjongeren bewonderen het werk van graffitikunstenaars. Pakistani spelen er cricket, rolschaatsers en bowlriders leven er hun duivels uit… Da’s mooi om te zien, maar het mooiste is toch wel het beeld waarin Alfons Vandenbussche — op dat moment de vijfenzeventig al gepasseerd — van die jongeren interviews afneemt. Hij heeft een cap opgezet — ja, ook dat woord bestaat in ’t Nederlands: cap.
Bowlriders, skaters, caps… Subculturen waar ik niets van afwist. Dat had, zo meende ik, met mijn leeftijd te maken. Maar nadat ik daar mijn oud-leraar aan ’t werk gezien had, was ik dat excuus wel kwijt. En dus begon ik beter op te letten wanneer zo’n snotneus met een scheve cap en een skateboard — jawel, het staat in ’t groene boekje: skateboard — onder de arm mijn pad kruiste. Daar gaat misschien wel een nieuwe Ed Templeton, denk ik nu. Mocht je de wenkbrauwen fronsen omdat die naam je niets zegt, dan is dat geen probleem, want een mens is nooit te oud om bij te leren. Beginnen kan alvast met de trailer van Alfons' film die hieronder staat.
Flor Vandekerckhove

zondag 15 juni 2014

De barbaren

Of het vandaag nog in zwang is weet ik niet, maar toen ik klein was zegden we het regelmatig: al wat je zegt ben je zelf. Het was een uitermate efficiënt antwoord op alle verwijten waarmee kinderen elkaar om de oren sloegen. Al wat je zegt ben je zelf! Ik moet er regelmatig weer aan denken terwijl ik De barbaren van Alessandro Baricco aan het lezen ben.
Vandaag, zo noteert hij in dat essay, trekt men niet meer naar de bibliotheek om daar iets uit te diepen, neen, men googelt zich een antwoord. Dat is niet het meest doorwrochte antwoord, maar de webpagina met de meeste links. Het antwoord dat we tot voor kort in de diepte zochten, vinden we nu aan de oppervlakte. Diepgaand versus oppervlakkig. Baricco spreekt over een ‘zielsverlies’. 
Mensen van mijn leeftijd herkennen die kritiek. Velen bieden zelfs weerstand. Ik ken er die nog altijd met een vulpen schrijven omdat dit een ‘diepere’ schriftuur oplevert. Ook ken ik iemand die van een e-boek reader zegt dat hij waardeloos is omdat je eerst aan een boek moet kunnen ruiken voor je het leest. Wie daar anders over denkt is een barbaar. Ik denk dat ook nog wel eens, maar tegelijk zeg ik tot mezelf: ‘Al wat je zegt ben je zelf.
We kunnen er niet meer naast kijken, we zitten middenin de overgang van een oude naar een nieuwe cultuur. We zullen daar niet aan ontsnappen. Google doet vandaag wat de uitvinding van de boekdrukkunst destijds ook gedaan heeft. Wat we meemaken is waarlijk een mutatie. ‘Het idee (…) dat je diep moet gaan op dat wat we bestuderen, tot we de essentie ervan bereiken, is een mooi idee dat aan het uitsterven is; daarvoor in de plaats komt de instinctieve overtuiging dat het wezen der dingen niet een punt is maar een baan, dat niet in de diepte verborgen zit maar over de oppervlakte verspreid ligt, dat het niet binnen in de dingen schuilt, maar zich vertakt aan de buitenkant ervan, waar ze daadwerkelijk beginnen, dat wil zeggen overal.’
Zelf ben ik al gezwicht. De tekenen liegen niet. Mijn geprefereerde literaire genre, zowel voor ’t lezen als voor ’t schrijven, is het zeer korte verhaal, uitermate geschikt voor de blog die, dat weet u wel, echt mijn ding geworden is. (A.L. Snijders, die de term zeer kort verhaal gelanceerd heeft, is een voorloper, al weet hij dat wellicht niet.) Mijn jongste boek heb ik als e-boek gepubliceerd. Ik heb me ook een e-boek reader aangeschaft waarop ik in enkele dagen tijd vierhonderd boeken gedownload heb die ik wellicht nooit zal lezen. Baricco weet dat het zo gebeurt: ‘De daling van de kwaliteit is gepaard gegaan met de stijging van de kwantiteit.’ Die mens heeft het me allemaal duidelijk gemaakt, maar niet alleen door wat hij in dat essay schrijft. Ook de manier waarop ik dat boek aan ’t lezen ben, leert het me. Ik lees en surf tegelijk, als ware ik een overjarige maar volleerde virtuele beach boy, naar beelden die erbij passen. En kijk, ik heb in dat boek nog honderd bladzijden te gaan en ik heb intussen al een filmpje — een aanrader! (*) — bekeken waarin een journaliste internationale kunstenaars opzoekt die ‘barbaars’ tewerk gaan door hoge en lage cultuur met elkaar te verbinden. Ed Templeton is zo'n kunstenaar, Walter van Beirendonck, Brian Kenny, Martha Colburn, Anton Unai, Maarten Vanden Eynde zijn dat eveneens, en Sarah Maple is er ook eentje; ik neem je hieronder mee naar een vernissage van het werk van deze Sarah. 
Tijd om samen te vatten: ik heb al lezend een reportage bekeken, kennis gemaakt met een aantal kunstenaars, een vernissage meegemaakt en in deze blog heb ik tussendoor dit stukje gepubliceerd over een boek… dat ik nog aan 't lezen ben. Voorwaar, voorwaar, ik heb de kant van de barbaren gekozen, ik ben een collaborateur. Baricco heeft me dat geopenbaard. Godver, dit is waarlijk een goed boek!
Flor Vandekerckhove


Alessandro Baricco, De barbaren, De Bezige Bij, 2012, 237 blz, ISBN: 978 90 234 7192 9.


zaterdag 14 juni 2014

Duurzaam

In die tijd zag ik die economie ten gronde veranderen. Zij werd, zo zegt men, verduurzaamd. Iedereen deed eraan mee, er viel niet aan te ontsnappen, zeker niet door mij. 
De drukker sloot zijn atelier om de hoek en ging vijf kilometer verder werken, dat was beter voor zijn duurzaamheid. Zelf stond ik daardoor onderweg voor zeven rode lichten.
Het depot van de distributeur lag eertijds op een boogscheut van de drukkerij. Van die boogscheut was na de verduurzaming geen sprake meer. Het depot werd verplaatst. Dertig kilometer verder. Ook dat droeg bij tot de duurzaamheid. Dus schakelde ik noodgedwongen Taxipost in, een onderneming die eveneens sterk op weg was naar verduurzaming.
De bevoorrading van de abonnees door de facteur werd eveneens verduurzaamd. Tante post kreeg een cool imago en werd bpost. Ik moest de stapel met tijdschriften voor de abonnees nu naar een speciaal postkantoor brengen van waaruit die naar Gent getransporteerd zou worden. Vanuit Gent keerden die exemplaren daarna terug, want ja, de abonnees woonden vooral in mijn omgeving.
In dat speciale postkantoor mocht ik de andere lading, deze die voor Taxipost bestemd was, niet deponeren. Dat mocht uitsluitend in gewone postkantoren geschieden. Dus reed ik daarna naar zo'n gewoon kantoor. Een bestelwagentje van bpost bracht die stapel vervolgens van daaruit naar dat speciale postkantoor waar ik even eerder zelf geweest was. 
Daarna begon het pas. Twee nijvere vrachtwagenchauffeurs brachten mijn tijdschriftje weg. De ene trok naar Gent met de stapel voor de abonnees, de andere chauffeur reed naar Antwerpen met de lading voor Taxipost.
Eerst Gent. Van daar uit werden, zoals gezegd, m'n abonnees bediend. Bpost nam daar vier werkdagen tijd voor. Omwille van feestelijkheden was het blad soms acht dagen onderweg, van Gent naar hier! Niets aan te doen, ’t was voor de duurzaamheid.
Dan Antwerpen. Van daaruit reed Taxipost naar de winkeldistributeur. Als alles goed ging. Die keer ging het niet goed. Bij de distributeur mankeerden ze een doos. Bpost wist die te traceren in weer een ander postkantoor waar het verkeerdelijk afgeleverd was, nadat een computer het postnummer verkeerd gelezen had.
Ik formuleerde een klacht. Die werd twee dagen later beantwoord: alles was inmiddels terechtgekomen. Een kwartier later belde de distributeur me om te vragen waar dat pak toch bleef. Hoezo? Bpost wist me nu te vertellen dat het vermiste pak inmiddels alweer naar Antwerpen gestuurd was om aldaar door de slechtziende computer herlezen te worden.
Ik had er geen goed oog meer in. Daarom vroeg ik de distributeur om alvast de andere exemplaren naar de krantenwinkels te sturen. Dat bleek eilaas onmogelijk, want een computer, in Brussel deze keer, had de noden van de winkeliers op voorhand becijferd en die cijfers klopten niet met de levering. Ha neen, want er mankeerde, zoals gezegd, een doos.  Maar goed, een dag later paste de Brusselse computer de cijfers aan en de distributeur deelde me mee dat de klus ’s anderendaags geklaard zou worden. 
Inmiddels had ook de computer in Antwerpen de postcode correct kunnen lezen. Taxipost leverde dan ook het zoekgeraakte pak in het distributiedepot… waar men nu, althans volgens de nieuwe berekeningen van de Brusselse computer, tevéél exemplaren liggen had, waardoor de winkeldistributie wéér niet uitgevoerd kon worden…
Inmiddels geef ik dat tijdschrift niet meer uit. Het heeft de omslag van de gewone naar de duurzame economie niet duurzaam overleefd.
Flor Vandekerckhove


vrijdag 13 juni 2014

Lapkoes, een recept, een column

De Oostendse Vistrap halverwege de vorige eeuw: een en al bedrijvigheid
Kent u A.L. Snijders? Ik vraag het u omdat deze Nederlandse schrijver alhier te weinig bekend is. Ik vind dat spijtig, want hij is mijn lievelingsauteur. Snijders schrijft zeer korte verhalen. Hij leest ze voor op de radio of publiceert ze in een krant. Oorspronkelijk voegde hij daar telkens een ‘briefje aan de redacteur’ aan toe.
Die manier van werken inspireerde me om iets soortgelijks te ondernemen, een variante op wat deze Snijders placht te doen. Ik begon wekelijks een briefje naar het regionale weekblad De Zeewacht te sturen, een briefje dat telkens de Oostendse vissersgemeenschap tot onderwerp had, want ja, ik had toch nog een en ander te vertellen over die gemeenschap waarvan de landman te weinig weet. De visserij is inderdaad, zo heb ik al veel ervaren, een grote onbekende in die stad die er nochtans veel aan te danken heeft.
Een kwarteeuw lang heb ik Het Visserijblad uitgegeven. Ik ben daar in 2014 mee opgehouden, maar niet omdat ik uitgeschreven ben. De pastoor houdt niet op met bidden wanneer hij met pensioen gaat en de filosoof stopt niet met nadenken omdat hij vijfenzestig is. Zo zal ik ook blijven schrijven.
Dat doe ik in deze blog, en inmiddels dus ook in dat weekblad. De uitgevers betalen me ervoor, en da’s goed, want mijn pensioen is karig en het leven is duur. In ruil blijf ik mijn pen wijden aan mensen die niet meer van deze tijd lijken te zijn, maar er desondanks toch deel van uitmaken: de vissers van Oostende.
De rubriek in dat blad heet Lapkoes. Roland Desnerck vermeldt het woord in zijn Oostends woordenboek: visserskost op zee, vissersmaal bestaande uit aardappelen, ajuinsaus, laurierbladeren, en ofwel vis ofwel ingeblikt vlees.
Lapkoes is ook buiten de visserij bekend, het is een klassieker in de koopvaardij. Denen en Noren kennen het als lapskaus. De oorsprong is rond 1700 in Lancashire te vinden, waar het gerecht lobscourse heette. In 1880 werd de term al zodanig met de zeevaart geassocieerd dat lobcouser een lapnaam voor matroos werd.
Lapkoes is een pot au feu, een stoofpotje. Je maakt het klaar de dag voor 't eten. Smelt dan een weinig boter en laat er gesneden ui in zweten. Voeg er kleine stukjes cornedbeef aan toe, plus tijm & laurier en laat die dingen met de uien zweten. Nu moet je daar nog geschilde aardappelen bijvoegen, maar je moet die wel eerst in stukjes snijden, waarna je alles in die mate onder water zet dat de bovenste aardappelen niet bedekt zijn. Laat het zootje zachtjes koken tot de aardappelen gaar zijn. Op het laatste kun je er nog erwtjes en wortels aan toevoegen. Laat alles sudderen tot het water je in de mond komt.
flor Vandekerckhove

maandag 9 juni 2014

Daar zijn ze weer


Moeder Vogel (juni 2014)
Van mijn moeder heb ik een huis geërfd en een kat. Het huis bestaat nog, ik woon erin, maar de kat, Pol, is inmiddels overleden. Over Pol heb ik in deze blog eerder al een stukje geplaatst. (*)
Toen ik in dat huis kwam wonen, maakte ik met Pol de afspraak dat ik vooraan zou verblijven en hij achteraan, in ’t achterhuis, ook wel ‘t kot genaamd. Dat vond hij goed, want Pol was een eenzelvige kat die niet zoveel nood aan menselijk gezelschap had. Dat was trouwens iets waarin we goed overeenkwamen.
’s Morgens kwam hij bij mij ontbijten, maar daarna concentreerden we ons elk op onze eigen bezigheden. Als ’t mooi weer was bracht Pol zijn dagen op ’t dak door. Als ’t regende trok hij zich terug in zijn kot via een primitief kattenluik, zeg maar een gat, dat ik uit de deur gezaagd had.
Toen Pol oud geworden was, kreeg hij gezelschap van een koppel merels. Ook zij maakten van het poezendeurtje gebruik. Dat was mooi om te zien. Ik liet hen betijen, ook omdat Pol, zo zag ik aan zijn lichaamstaal, het helemaal niet erg vond. Hij zat zich links te wassen terwijl de merels rechts hun nest maakten.
Moeder merel, die ik al bij de eerste kennismaking, toepasselijk maar niet erg geïnspireerd, met Vogel aansprak, broedde er de eieren uit en daarna werd de kroost verzorgd door Vogel en haar man die ik eveneens Vogel noemde. Dat broeden gebeurde niet één keer per jaar, maar verschillende keren. Dat gebeurde niet één jaar, maar verschillende jaren. Pol had er, zoals ik zei, geen last van, maar ik toch wel een beetje. De merels kakten overal in ‘t kot, zodat ik tijdens ‘t broedseizoen telkens een andere plek moest zoeken om de was op te hangen. Heel vervelend was dat niet, maar toch een beetje.
Verleden jaar, in de zomer, stierf de stokoude Pol. Ik spijkerde het kattenluik dicht. De merels moesten maar elders een nest zoeken. Na de winter, tijdens de eerste mooie lentedagen, zette ik de deur van ’t kot open om de boel te verluchten. Toen ik die ’s avonds weer ging sluiten zag ik in een hoek, vlak boven mijn werkbank, een nest dat ik eerder nog niet opgemerkt had. Onoplettendheid mijnerzijds, zo dacht ik eerst nog, maar de tweede dag zag ik hoe Vogel parmantig, en nu via de grote deur, in en uit trippelde en ja, op de derde dag zat ze al op ’t nest.
Ik ben niet sentimenteel en maar ’n lauwe dierenvriend, maar ik begrijp nu wel dat de familie Vogel ’t achterhuis van Pol geërfd heeft. Dus heb ik het kattenluik weer opengemaakt. Het heet nu vogelluik. 
Inmiddels zijn de eieren uitgebroed. Vader en moeder Vogel vliegen in en uit. De was hangt elders.
Flor Vandekerckhove


zaterdag 7 juni 2014

Marat leeft!


In de junidagen van 1789 begonnen vertegenwoordigers van het Franse volk zich in ‘t openbaar te verenigen. Wilden ze in die revolutionaire dagen nog iets te betekenen hebben dan moesten ook de aristocraten en geestelijken zich daar, in 't openbaar, in de vergaderingen van 't gemeen, gaan tonen. Van harte deden ze dat niet. Baron de Gauville bracht er verslag over uit: ‘Degenen onder ons die aan hun koning en hun religie gehecht waren positioneerden zich aan de rechterkant van de voorzitter om er te kunnen ontsnappen aan het geroep en het onfatsoenlijk taalgebruik dat van de andere kant kwam… Ik heb geprobeerd om op verschillende plekken te gaan zitten (…) maar de linkerkant was onhaalbaar. Daar was ik de enige die stemde zoals ik dat deed, waardoor ik onderwerp van spot werd.’ De woorden van deze baron markeerden het ontstaan van de begrippen links en rechts in de politiek.
In die dagen ontstaat er ook een linkerzijde in de kunsten. Jacques-Louis David is er een van de groondleggers van. Deze schilder is een revolutionair van de radicale strekking. Hij komt aan huis bij een van de leiders ervan, de meedogenloze jakobijn Jean-Paul Marat, journalist en vriend van het volk, maar van de weeromstuit erg ongeliefd bij baron de Gauville en de zijnen.  Deze Marat wordt op 13 juli 1793 door een jonge tegenstandster vermoord.
David, maakt er een schilderij van. Hij schildert Marat in bad omdat hij hem een dag voor de moord nog zo aan ’t werk gezien heeft: schrijvend in bad. Reproducties van het schilderij worden vervolgens gebruikt als decorstuk bij jakobijnse manifestaties. Het werk markeert daarmee de geboorte van links geëngageerde schilderkunst.
Het schilderij inspireert ook vandaag nog kunstenaars, zo zie ik in mijn zaterdagkrant. De Braziliaanse fotograaf Vik Muniz is in 2008 met het werk van David aan de haal gegaan. Hij maakte Marat (Sebastiaõ) Pictures of Garbage, een digitale C print. Wie er meer over wil weten, kan de film Waste Land bekijken die over het project gemaakt werd. En doordat de techniek haast alles mogelijk maakt, ben ik erin geslaagd de trailer ervan onder dit stukje te plaatsen waar u het kunt bekijken.
Om het kunstwerk te realiseren werkte Muniz samen met de afvalsorteerders van Jardin Gramacho, een van de grootste vuilnisbelten ter wereld. Het werk werd in Londen geveild en de opbrengst (41.000 euro) ging naar de mensen die op de inmiddels gesloten vuilnisberg werkten. Ze kochten er een vrachtwagen mee en computers.
Het werk van Muniz is voor de betrokken afvalsorteerders ongetwijfeld een goede zaak geweest. Ze hebben er een frank, een real dus, aan verdiend, het heeft hun zelfbeeld opgekrikt en het heeft hun laten zien dat er een andere wereld mogelijk is.  Toch laat het ook een vraag achter, die goed geformuleerd werd door Janaina, de vrouw van de kunstenaar: ‘Als je ze wakker schudt… toont dat het leven anders kan zijn… Wat kunnen ze daar dan nadien mee aanvangen?’ Maar ligt het antwoord op die vraag niet in het werk van haar echtgenoot geborgen? De persoon die op de foto de plaats van Marat aanneemt is Sabastiaõ, de vakbondsleider van de afvalsorteerders. Het antwoord op de vraag luidt dan ook: verenig u, verenig u, verenig u!
Flor Vandekerckhove



woensdag 4 juni 2014

Bloed, eer en bodem


Brandstichting in VB secretariaat en café 'Roeland' in Gent
 in 1997. Het VB organiseerde daarna een betoging tegen 
het 'linkse geweld', maar uiteindelijk bleek de dader van 
deze brandstichting de uitbater van het café te zijn.
Ik voel het aan mijn water: de titel van dit stuk vraagt om uitleg. En ik voel ook dat ik daar niet mee moet dralen. Laat me dan ook toe er meteen aan te beginnen, en wel met bodem, het laatste woord van deze onwelriekende drieslag.
Alleen mensen die me al zeer lang kennen, weten dat ik ooit een vertegenwoordiger geweest ben, een handelsreiziger. Hier te lande representeerde ik in die functie de firma Warner Brothers uit de USA. Niet deze van de filmindustrie, maar hun naamgenoten uit de bouwsector. Die Warners hadden in de omgeving van New Orleans een moeras gekocht. Dat hadden ze verkaveld in honderden stukjes swamp en ook de Belgen konden zo’n stukje kopen als ze bereid waren daarvoor langs mij te passeren. Ik word aan dat verleden niet graag herinnerd. Zeker niet nadat ik gezien heb hoe New Orleans in 2005 helemaal kopje onder ging. Als ik er nu toch op terugkom is ‘t opdat u zou weten dat de bodem uit de titel enerzijds op de moerasgrond slaat die ik in die tijd te verkopen had. En anderzijds ook wel op mijn zelfrespect dat een bodempeil bereikt had.
Eer! Neen, veel eer viel er met die bezigheid niet te rapen. Géén zelfs, maar dat belette niet dat ik hardnekkig probeerde de eer hoog te houden, vooral thuis, ten aanzien van mijn echtgenote. Daarom verliet ik iedere morgen de echtelijke woning om mij zogezegd naar mijn dagtaak te begeven. Vervolgens zocht ik in een door mij te prospecteren gebied een etablissement waar ik zeker geen bekenden zou ontmoeten. In zo’n herberg bracht ik al lezend de dag door en ’s avonds keerde ik weer huiswaarts. Neen, ik had die dag geen swamp verkocht. Morgen beter.
Toen ik de regio rond Gent moest prospecteren, kwam ik zodoende terecht in een café dat Vlaams huis Roeland heet. In wat op de gevel wervend tehuis aller Vlamingen genoemd werd, zat ik veilig. Daar zou niemand me herkennen. Ik bestelde een koffie, monsterde het interieur dat begrijpelijkerwijze helemaal in Vlaamse stijl uitgevoerd was en noteerde dat naast me een koppel zat, middelbare leeftijd, dat al van heel vroeg in de ochtend Vlaams, uiteraard donkerbruin bier aan ’t consumeren was.
Die dag kwam ik niet aan lezen toe, want de glazen van dat koppel werden in hoog tempo geleegd en weer gevuld, wat tot gevolg had dat die twee almaar luider begonnen te praten, zeg maar te redetwisten. Ongewild werd ik deelgenoot aan dat gesprek. De man bleek een kwade dronk te hebben. Hij begon zijn vrouw toe te snauwen en ik begon me daar erg ongemakkelijk bij te voelen. Van de waard moest ik geen hulp verwachten, want die wisselde alleen maar glazen, waarna hij telkens weer verdween in de ongetwijfeld groezelige achterkamers van dit tehuis aller Vlamingen.
Opeens hoorde ik hoe die man zijn vrouw voor kutmarokkaan begon uit te schelden. Dat vond ik echt een brug te ver. Ik ben geen held, maar ik vond toch dat ik de eer van die vrouw moest verdedigen. Ik haalde diep adem, stond recht, ging me vlak voor de tafel van die twee stellen. Ik keek in vier staalblauwe, ongetwijfeld Arische ogen en zegde met enigszins trillende stem: ‘Meneer, zijt gij niet beschaamd om uw partner een kutmarokkaan te noemen?’ Lang moest ik niet op het antwoord wachten. De vrouw die ik kwam verdedigen gooide haar glas meteen tegen mijn onderlip. Die lip werd doorboord door de hoektand die eronder zat en ik begon te bloeden. Dat bloed zocht zich een weg over mijn kin, langs mijn hals, naar mijn hemd dat ervan doordrenkt werd. Ik keek verwilderd om me heen en zag dat de waard uit het niets tevoorschijn gekomen was om de voordeur open te houden waarlangs ik het hazenpad koos.
Toen ik die avond thuiskwam zegde mijn vrouw: ‘Dat ge nog geen enkel stukje bodem verkocht hebt, tot daar! Dat ge ons gezin daarmee de eer onthoudt waarop het recht heeft, daar nog aan toe! Maar als er ook bloed aan te pas komt, dan zoekt ge beter ander werk.’ Wat ik vervolgens ook gedaan heb.
Flor Vandekerckhove

maandag 2 juni 2014

Maya Angelou ontmoet David Rovics


Maya Angelou (1928-2014)
Op 28 mei stierf Maya Angelou. Antoine Légat bracht me van dat overlijden op de hoogte door me een kopie van zijn bericht aan singer/songwriter David Rovics te sturen: Just heard in the late night news that Maya Angelou died. After Amiri Baraka and Pete Seeger, it's a generation that goes away.’
Ik dook meteen in mijn dozen met ongelezen boeken, want ik meende dat ik lang geleden een werk van deze Amerikaanse schrijfster gekocht had. Vinden deed ik het evenwel niet.
Misschien heb ik het boek in een vorig leven achtergelaten, misschien verwar ik die vermeende aanwinst met een ander, eveneens ongelezen boek, misschien heb ik het uitgeleend en nooit teruggekregen en is ’t juist daardoor ongelezen gebleven. Hoe dan ook, tot voor kort zou dit het einde van deze tekst geweest zijn; een geaborteerd stukje dat verdwijnt in het stof van het chauffagekot waar mijn kartonnen dozen staan. 
Tot voor kort! Want inmiddels is er wel een grote doos met ongelezen boeken bijgekomen en die doos heet internet. Tot voor kort is daardoor wel erg voltooid verleden tijd geworden.
Ik duik het net in en kom er twee minuten later weer uit tevoorschijn met veertien (!) boeken die ik daar, als ware ik een volleerde internetpiraat, schaamteloos gaan kapen ben. Ik monster mijn buit. Maya Angelou heeft meer geschreven dan ik me tot enkele minuten geleden kon voorstellen. Daar zijn kinderboeken bij (die ik meteen weer het net instuur) en kookboeken (en ook die verdwijnen weer in de virtuele wereld), veel dichtbundels (die ik nog even achter de hand houd), maar ’t meest van al zijn het autobiografische geschriften. Ik beloof mezelf dat ik ze allemaal zal lezen. Later, maar nu niet.
Heden wil ik u immers de distributiepraktijken van de onafhankelijke singer/songwriter David Rovics leren kennen, want het is tenslotte via een bericht aan deze zingende medemens dat ik van dat overlijden op de hoogte gebracht werd.
David Rovics is een behoorlijk linkse jongen waarvan ik vermoed dat hij het werk van de filosoof Walter Benjamin achter de kiezen heeft, en meer bepaald Het kunstwerk in het tijdperk van de mechanische reproductie. Veel van Rovics songs zijn in het commerciële circuit terechtgekomen, maar de man heeft er tegelijk wel voor gezorgd dat ze ook allemaal gratis te downloaden zijn. Meer zelfs, hij moedigt het gratis verspreiden van zijn songs aan en protesteert tegen websites als iTunes die geld vragen om zijn werk te downloaden: ‘Feel free to download these songs. Use them for whatever purpose. Send them to friends, burn them, copy them, play them on the radio, on the internet, wherever. Music is the Commons. Ignore the corporate music industry shills who tell you otherwise. Downloading music is not theft, you're not hurting anyone, I promise. (…)’ Zouden er voor boeken andere normen moeten gelden? Ik denk het niet.
Flor Vandekerckhove