vrijdag 18 april 2014

Zomerliefde


In die zomer werd ik verliefd op het
mooiste meisje ter wereld. —
In Antwerpen heette het bedot, denk ik, maar wij zegden katjeduuk. We speelden het een zomer lang, denk ik toch. 
Er was een meisje bij dat Hilde genoemd werd, denk ik, en een jongen heette Luc. Er waren er nóg die meespeelden, want de Antwerpse familie, die in die zomer bij mijn tante kwam logeren, kan alleen maar kroostrijk genoemd worden; een kroost zo rijk dat je al naar ’t midden van de vorige eeuw moet terugkeren om er nog zo een tegen te komen.
We waren jong. Zeg maar non ho l'età per amartiWe huppelden als lammetjes doorheen een, zo denk ik, lange, hete zomer die naar zee, zand en ambre solaire rook. 
't Huppelen gaat me inmiddels zo goed niet meer af en de zomers rieken vandaag naar alweer ergens een BBQ. Misschien was 't vroeger niet altijd beter, maar het rook toch beter.
Die kroostrijke familie woonde in Borgerhout, in de Vandeperrelei en meer bepaald in het nummer 79 van die straat. Dat denk ik niet, dat weet ik heel zeker. Geef toe dat het merkwaardig is, dat zeker weten, want er zit meer dan een halve eeuw tussen. Zoiets onthouden kan dus alleen maar met de liefde te maken hebben.
En zo is het inderdaad, die zomer werd ik, onverwachts & onvoorbereid wegens dat non ho l'età, verliefd op het mooiste meisje van heel de wereld, een telg van die kroostrijke familie. 
Tijdens ’t katjeduuk spelen verstopten wij ons, dat meisje en ik, bijvoorbeeld achter de staldeur van het varkenshok van Zoë. Gerdje (die ouder was in jaren  / en daardoor meer ervaren) nam daar dan mijn hand vast. Meer moest dat niet zijn. We zegden niets, we deden niets, maar ik voelde mijn jeugdig hartje wel in mijn keel kloppen. We keken niet, we zoenden niet, we streelden niet, laat staan dat we getast zouden hebben, we hielden alleen maar handjes vast. Elke dag, een hele zomer lang. En ik maar hopen dat Luc (of Hilde) ons daar nooit zou vinden. En uiteindelijk, op ’t einde van die zomer, memoriseerde ik haar adres, die Vandeperrelei.
Was ik van plan daar ooit naartoe te gaan? Eens ik meer man geworden was bijvoorbeeld? Ik kan het me niet herinneren. Het was, denk ik, meer bedoeld als souvenir; een adres als aandenken, iets om nooit te vergeten.
— Gerdje en ik, bijna zestig jaar later. —
Ik herinner me ook die ene keer dat ik een botsautootje met haar mocht delen. Dat geschiedde onder de tonen van Oh Carol, een song waarvan ik dacht dat die door Paul Anka gezongen werd, maar waarvan youtube me heden leert dat het op conto van de door mij helemaal vergeten Neil Sedaka staat. Paul of Neil, whatever, de tekst staat hoe dan ook in mijn geheugen gegrift: But if you leave me / I will surely die!
Gelukkig waren dat alleen maar woorden. Want tijdens de daaropvolgende vakantie leerde ik Christine uit Charleroi kennen die me in ruil voor mijn eeuwige trouw haar borsten toonde. Zou het daardoor komen dat ik nooit naar de Vandeperrelei in Borgerhout getrokken ben? ’t Zou kunnen, want seks heeft me, zo moet ik toegeven, wel meer van ’t rechte pad weggeleid. Of juist op ’t rechte pad gebracht, dat kan natuurlijk ook.
Flor Vandekerckhove



Een reactie posten