maandag 28 april 2014

De Kludde van Oostende


De Kleine Weststraat is een geheimzinnige
straat die je bij voorkeur links laat liggen.
Het was schipper Rogge die me over Kludde vertelde. Of ik daar al van gehoord had? Ik niet, neen, maar de waard wist dat Kludde een kwelgeest was. Zijn slachtoffers werden verplicht hem heel de nacht te dragen. Tegen de morgenstond verdween het ding in het niets.  De schipper bevestigde: op weg naar huis botste hij keer op keer weer tegen Kludde aan en die liet hem niet los voor de dag weer aangebroken was. Thuis viel dat niet uit te leggen. Zijn echtgenote verliet het echtelijke dak, met medeneming van hun gemeenschappelijke nageslacht. ‘Kludde heeft mijn leven verwoest’, zei de schipper. Mij leek het vooral een verhaal van veel zelfmedelijden te zijn, maar Rogge gaf me onverwachts een houvast: ‘Kludde woont in de Kleine Weststraat. De naam staat op de bel.’ Een adres! Meer had ik niet nodig om een verhaal te schrijven.
De Kleine Weststraat is een ietwat geheimzinnige straat, een moeilijk in te schatten zijstraat, onduidelijk in zijn sociale samenstelling, met een vage maatschappelijke betekenis en daardoor ook een straat die je bij voorkeur links laat liggen. Daar liep ik nu. Ik monsterde de deurbellen die veelal naamloos waren. Halverwege was een vrouw vanuit haar raam over de straat aan ‘t kijken. Toen ik dicht genoeg genaderd was, vroeg ik of er in de buurt een Kludde woonde. ‘Ik denk dat je mijn moeder zoekt,’ zei de vrouw in ’t plat Oostends, ‘maar je zult haar hier niet vinden, want ze zit in Benidorm.’
En is er ook een meneer Kludde?’ vroeg ik. Neen, die was er niet. ‘De enige die hier is ben ik. Je zult het met de kleine Lolita moeten doen.’ Ze lachte gul. En omdat ik niet meteen wist hoe dit verhaal verder zou verlopen, keek ik om me heen. De vrouw die zich Lolita noemde, merkte mijn besluiteloosheid op en zei: ‘Wacht.’ Ze trok zich terug en een moment later liet ze een sleutel op de stoep vallen. ‘Kom maar naar boven’, zei ze, ‘ik zal het je vertellen.’
De trap had betere tijden gekend, de muren waren vaal, het rook er muf. Vanaf de eerste verdieping klonk de stem van Billie Holiday, mijn lievelingszangeres: We'd be so grand at the game/ So carefree together that it does seem a shame. Toen ik boven kwam stond Lolita me in ‘t deurgat op te wachten. Nauwelijks twintig. Blote voeten, korte rok, spannend shirt. Ik probeerde er ontspannen uit te zien, maar mijn lichaamstaal ging een andere kant uit, want voor mij stond wel degelijk een vrucht, rijp om geplukt te worden. 'Ik heb die plaat ook,’ zei ik naar waarheid (mijn stem sloeg over). En terwijl ik mijn keel schraapte antwoordde ze: ‘Ha, tof, meneer is een kenner. Ik heb al haar platen.’ In haar versleten woonst zaten we recht tegenover elkaar in oude fauteuils waarin je diep kunt wegzinken. Ik dacht niet meer aan schipper Rogge. We hadden het over Billie Holiday, waarop deze Lolita enigszins leek. Ze had Lady sings the blues gelezen, de autobiografie, en ik had de film gezien. Lolita vond dat we veel met elkaar gemeen hadden en naarmate haar rok verder omhoog schoof, vond ik dat eigenlijk ook. We praatten & praatten, lachten & dronken, en we deden uiteindelijk alles wat Billie Holiday ons zo passend voorzong. Weinig was het niet, want Lolita bezat inderdaad al haar platen.
Het was alweer aan 't dagen toen ik de voordeur achter me dichttrok. Ik had een beetje geld achtergelaten opdat Lolita de week zou kunnen doorkomen. Ik keek naar de deurbel waarop onbeholpen Decludde L. geschreven stond. Schipper Rogge had gelijk, zo wist ik nu met zekerheid. Kludde bestond wel degelijk. En terwijl ik de Kleine Weststraat uitliep, streelde ik de zuigplek die Lolita in mijn nek achtergelaten had.
Flor Vandekerckhove


Dit verhaal is gebaseerd op de folkloristische kwelgeest Kludde, die enkel 's nachts tevoorschijn komt. Hij springt de nietsvermoedende voorbijganger in zijn of haar nek. Deze is dan verplicht hem de rest van de nacht op zijn of haar rug te dragen. Kludde laat zijn gedaantes afhangen van de situatie.  In Aalst wordt hij Kledden genoemd. Hij woonde daar in de Dender, de Aalstenaars wisten hem te verjagen richting Dendermonde. In Oostende is Kludde nu een jonge vrouw die luistert naar de naam Lolita Decludde.


zondag 27 april 2014

Geheimen van de k(r)aai


Al brachten de kraaien het uit.
Een kwarteeuw lang heb ik Het Visserijblad uitgegeven, het tijdschrift van de Vlaamse zeevissers. Een kwarteeuw lang heb ik me in die jagersgemeenschap ondergedompeld en al die tijd heb ik op de kaaien de woorden en de feiten genoteerd, de zekerheden en de twijfels die daar geuit werden. Trouw heb ik er ook telkens verslag van uitgebracht.
Maar niet altijd! Veel van wat ik daar gehoord heb, is immers niet voor publicatie bestemd. Dat heeft in eerste instantie met zwartwerk te maken, met een grijs circuit, met economische praktijken die het daglicht niet mogen zien. U weet waarover ik het heb, want het is niet omdat iets niet uitgebracht wordt, dat u het niet weet. Het betreft dan ook praktijken die ik, als journalist, in de denkbeeldige rubriek Publiek geheim pleeg onder te brengen.
Maar er is meer, veel meer. De economische geheimen vormen maar een miniem deel van al wat vanuit de visserij zijn weg naar de openbaarheid niet vindt. Er bestaat daar immers een ongeschreven wet die zegt: alles wat in zee gebeurt, blijft in zee. Niet bestemd voor publicatie is alles wat onderweg, aan boord van ’t schip, gebeurt. Ruzies, afrekeningen, vechtpartijen, ja zelfs doodslag, als ’t al geen moord is… Daar wordt door de vissers niet over gesproken.
Er is nog een derde categorie geheimzinnigheden. Ook die heb ik nooit gepubliceerd. Maar ik heb ze wel genoteerd. Meer zelfs, ik heb ze stuk voor stuk op waarheid gecontroleerd. En nu ik op pensioen ben, en me niet langer door mijn zwijgplicht gebonden voel, wil ik ze vooralsnog publiek maken. Het zou te spijtig zijn, zo vind ik, mochten die verhalen, samen met de laatste vissers, voorgoed verdwijnen.
Over welke verhalen heb ik het? In de steekkaartenbak, die k(r)aaigeheimen heet, vind ik titels als Spookschip, Watergeest, Witte vrouw, Kludde, Dwaallicht, Weerwolf… Hola, zo hoor ik u al tegenwerpen. U hebt het over sagen en legenden, volksverhalen en mythen, bijgeloof en fabels. Ik begrijp uw twijfel, maar ik moet u tegenspreken. Het betreft verhalen die vissers me, veelal onder invloed en omgeven door de nodige geheimzinnigheid, in rokerige kroegen verteld hebben, maar die ik nadien wel degelijk op waarheid gecontroleerd heb. De titels (die ik misschien nog wel verander) mogen dan suggereren dat het visserijfolklore betreft, maar elk van de vertellingen, die ik op die steekkaarten gemakshalve onder zo’n volkse titel genoteerd heb, betreft zaken die door mij nagegaan zijn en die ik concreet kon maken met naam en toenaam, en veelal ook met traceerbare plaatsen en door elke lezer te controleren data. 
Daarover gaan die verhalen trouwens. Ze gaan minder over de warrige beweringen die de betrokkenen me eerst verteld hebben, ze gaan des te meer over wat ik op mijn zoektocht ondervonden heb, soms tot mijn eigen scha en schande.
In de maanden die volgen zal ik die losse notities fatsoeneren, zo neem ik me voor. Ik probeer uit elke steekkaart een volwaardig verhaal voor deze blog te distilleren en ik probeer het te doen zonder dat ik daarbij iemand kwets. Ik zeg dat omdat de meeste betrokkenen inmiddels wel overleden zijn, maar niet allemaal. U zult begrijpen dat ik mezelf een proces wil besparen.
Die manier van werken zal, zo denk ik, niet beletten dat u bij het ene verhaal zult griezelen, net zoals ik dat gedaan heb toen ik er research naar deed. Een ander zal u wellicht aan een detective, genre Philip Marlowe, laten denken, want zo voelde ik me ook toen ik het onderzocht. Een derde verhaal dreigt dan weer, zo zie ik ’t al gebeuren, erotisch te worden, want ik herinner me dat…
Hopelijk kan ik mijn bedoelingen ook hard maken, want het is en blijft een experiment. En een uitdaging. De vraag die ik bij elk van die steekkaarten moet beantwoorden is namelijk deze: ben ik in staat om bijvoorbeeld het genre van het griezelverhaal te imiteren of dat van de detectiveroman. En als kers op de taart uiteraard ook dat van een erotisch kort verhaal.
Ik heb er inmiddels al een in de blog geplaatst. Kijk maar eens naar het hierboven staande De Kludde van Oostende, gebaseerd op waargebeurde feiten, jawel: http://florsnieuweblog.blogspot.be/2014/04/de-kludde-van-oostende.html
Flor Vandekerckhove

zaterdag 26 april 2014

1 mei, honderd jaar geleden


Zelf ben ik niet zo’n feestganger, maar daar vormt het Feest van de arbeid toch ’n beetje een uitzondering op. Het is niet zo dat ik op die dag het huis verlaat om mij, in ’t rood gehuld, eens goed te laten gaan, maar ik maak van die dag wel gebruik, zij het niet elk jaar, om weer eens in Gent m'n oude strijdmakkers op te zoeken. Die oude strijdmakkers zijn de kameraden waarmee ik, toen ik nog jong & dynamisch was, het kapitalisme te lijf ging. Het is telkens een vreugdevol weerzien, vooral met degenen die de idealen van hun jeugd trouw gebleven zijn. Ja, 1 mei steunt op een lange traditie waar ik inmiddels deel van uitmaak. En daar wil ik nu een stukje over schrijven.
Kan ik die viering koppelen aan het thema van de Groote Oorlog waarin we dit jaar ondergedompeld worden, zeg maar verdrinken? Laat me eens kijken. Honderd jaar geleden werd 1 mei ook al gevierd. Toen waren er overal in Europa bijeenkomsten waarop de arbeidersbeweging op de gevaren van het militarisme wees. Zowel in Duitsland als in Frankrijk wezen de socialisten er toen op dat de strijd om de koloniën en invloedssferen naar een oorlog konden leiden.
Ik vraag me af of er ook dit jaar weer zo’n redevoeringen zullen zijn. Want zopas heb ik een stuk gelezen van de door mij zeer gewaardeerde journalist John Pilger die onomwonden stelt dat de eenzijdige berichtgeving over Oekraïne ons klaarstoomt voor alweer een nieuwe wereldoorlog. (*) Is zijn vrees terecht?
De verwittigingen die op 1 mei 1914 geuit werden, waren dat wel degelijk, zo bleek kort nadien. Nauwelijks drie maanden na de viering brak de Eerste Wereldoorlog uit.
De arbeidersbeweging, toen nog eensgezind verenigd in wat we als de Tweede Internationale kennen, had die oorlog inderdaad al van verre zien aankomen. In november 1912 riep ze haar organisaties en partijen op om zo’n oorlog te beletten. En, zo voegde ze eraan toe, als er dan toch een oorlog zou uitbreken dan moest die gebruikt worden om de val van het kapitalisme te bewerkstelligen. Krasse taal!
In de zomer van 1914 was het zover. Maar de socialisten deden niet wat ze twee jaar eerder afgesproken hadden, integendeel. In de Duitse Reichstag stemden de sociaal democraten de financiële kredieten goed die de oorlog zouden bekostigen. Dat deden ook de socialisten in andere landen. De Belgische socialist Camille Huysmans zei hierover: ‘De Internationale is dood, zegden de enen, omdat ze de oorlog niet heeft kunnen verhinderen. Het antwoord hierop is eenvoudig: de Internationale alléén heeft haar plicht gedaan. Maar ze heeft de macht niet om de oorlog te verhinderen. Meer nog. We wisten allen dat ze in 1914 de macht daartoe niet had. (…)’  
Daar was niet iedereen het mee eens. Sommigen beschouwden dat wel degelijk als verraad. Het socialisme scheurde middendoor. Het schisma bleef bestaan en het bestaat vandaag nog steeds.
Tijdens die oorlog wierpen de Russen het oorlogvoerende regime in hun land omver. Was dit voor de Internationale niet het moment om de vredesleuzen weer van onder het stof te halen? De Vlaming Camille Huysmans was in elk geval betrokken bij een poging om de oude waarden in eer te herstellen. Hij riep op tot het organiseren van een socialistische wereldconferentie in Stockholm. Hij kreeg de wind van voren, en niet alleen vanuit nationalistische hoek.
Ook de Belgisch socialist Emile Vandervelde was over dat initiatief niet te spreken. In opdracht van de regering werd hij zelfs naar Rusland gestuurd om er de socialisten juist aan te porren om de oorlog tegen Duitsland verder te zetten. Vandervelde heeft dat zelf altijd ontkend, maar zowel zijn biograaf (Abs) als Nic Bal (*) betwijfelen of Vandervelde in deze kwestie wel de waarheid spreekt.
Hoe dan ook, in Stockholm ontmoette Huysmans wel degelijk Vandervelde die op weg was naar Rusland. Vandervelde en Deman namen daar de trein naar Petrograd.
In die trein delen de twee Belgen een coupé met Leon Trotski en diens echtgenote. Zowel Vandervelde als Deman vermelden die ontmoeting in hun memoires. De eerste beweert dat hij in dat coupé een lang gesprek met Trotski had die inmiddels de kant van de bolsjewieken gekozen had. Trotski ging, zo vertelt Vandervelde, tekeer tegen de socialisten die de oorlog wilden voortzetten. De Man daarentegen zegt dat Trotski elk gesprek met Vandervelde weigerde. De Man en Vandervelde waren het er wel over eens dat Trotski een ‘warhoofd’ was die zich als een ‘zenuwlijder’ gedroeg, een man die ‘geen zelfbeheersing’ had.
Wat op een botsing van persoonlijkheden lijkt, is veel meer dan dat. Die treinreis illustreert beter dan wat ook de breuk die het socialisme in die dagen beleeft. Nic Bal vertelt het zo: ‘In de voormiddag van 17 mei 1917 stoomde de trein het Finlandstation van Petrograd binnen. Vandervelde en De Man werden opgewacht door enkele verkleumde functionarissen van het Belgisch gezantschap met een kleine Belgische vlag. Een enorme menigte met rode vlaggen en spandoeken verwelkomde Trotski. Een muziekkorps zette de Internationale in. Een beetje smalend riep Trotski Vandervelde toe: “Je merkt, citoyen, dat dit onthaal mij wordt voorbehouden, en niet de voorzitter van de Internationale.” Vervolgens werd hij in triomf op de schouders van de menigte gehesen en naar buiten gevoerd. Na Lenin was de tweede vijand van het nieuwe regime in zijn vaderland teruggekeerd, die binnen de maanden mede aan het hoofd zou staan van de Oktoberrevolutie, de “tien dagen die de wereld schokten”.’
Flor Vandekerckhove

Wie hieronder 'opmerkingen' aanstipt, vindt daar een interessante aanvulling, vooral betreffende  de (mislukte) conferentie van Stockholm. 

(**) De citaten komen uit: Nic Bal, Zij droegen de rode vlag. De legendarische leiders van de socialistische strijd. 1988. A’pen, Standaard Uitgeverij. 246 ps.

vrijdag 18 april 2014

Zomerliefde


In die zomer werd ik verliefd op het
mooiste meisje ter wereld. —
In Antwerpen heette het bedot, denk ik, maar wij zegden katjeduuk. We speelden het een zomer lang, zo denk ik toch. Er was een meisje bij dat Hilde genoemd werd, denk ik, en een jongen heette Luc. Denk ik, denk ik… Want je weet hoe 't gaat met zo'n verre herinneringen. 
Er waren er hoe dan ook nòg die meespeelden, want de Antwerpse familie, die in die zomer bij mijn tante kwam logeren, kan alleen maar kroostrijk genoemd worden; een kroost zo rijk dat je al naar ’t midden van de vorige eeuw moet terugkeren om er nog zo een tegen te komen. Denk ik.
We waren jong. Zeg maar non ho l'età per amartiWe huppelden als lammetjes doorheen een, zo denk ik toch, lange, hete zomer die naar zee, zand en ambre solaire rook. 
't Huppelen gaat me inmiddels zo goed niet meer af en de zomers rieken vandaag vooral, helaas, naar alweer ergens een BBQ. Misschien was 't vroeger niet altijd beter, maar het rook toch beter, denk ik.
Die kroostrijke familie woonde in Borgerhout, in de Vandeperrelei en meer bepaald in het nummer 79 van die straat. Dat denk ik niet, dat weet ik heel zeker. Geef toe dat het merkwaardig is, dat zeker weten, want er zit een halve eeuw tussen, méér zelfs!, en ‘t geheugen is nooit mijn sterkste kant geweest. Zoiets onthouden kan dus alleen maar met de liefde te maken hebben.
En zo is het inderdaad, die zomer werd ik, onverwachts & onvoorbereid wegens dat non ho l'età, verliefd op het mooiste meisje van heel de wereld, een telg van die kroostrijke familie. 
Tijdens ’t katjeduuk spelen verstopten wij ons, dat meisje en ik, bijvoorbeeld achter de staldeur van het varkenshok van Zoë. Zij (die ouder was in jaren  / en daardoor meer ervaren) nam daar dan mijn hand vast. Meer moest dat niet zijn. We zegden niets, we deden niets, maar ik voelde mijn jeugdig hartje wel in mijn keel kloppen. We keken niet, we zoenden niet, we streelden niet, laat staan dat we getast zouden hebben, we hielden alleen maar handjes vast. Elke dag, althans in mijn herinnering, een hele zomer lang. En ik maar hopen dat Luc (of Hilde) ons daar nooit zou vinden. En uiteindelijk, op ’t einde van die zomer, memoriseerde ik haar adres, die Vandeperrelei.
1956. Dr. Vandeperrelei in Borgerhout, de straatnaam heb ik onthouden,
de straat zelf heb ik nooit gezien.
Was ik van plan daar ooit naartoe te gaan? Eens ik meer man geworden was bijvoorbeeld? Ik kan het me niet herinneren, maar, mmmm, ik denk het niet. Het was, zo denk ik, meer bedoeld als souvenir; een adres als aandenken, iets om nooit te vergeten.
Ik herinner me ook die ene keer dat ik een botsautootje met haar mocht delen. Dat geschiedde onder de tonen van Oh Carol, een song waarvan ik dacht dat die door Paul Anka gezongen werd, maar waarvan youtube me heden leert dat het op conto van de door mij helemaal vergeten Neil Sedaka staat. Paul of Neil, whatever, de tekst staat hoe dan ook in mijn geheugen gegrift: But if you leave me / I will surely die!
Gelukkig waren dat alleen maar woorden. Want tijdens de daaropvolgende vakantie leerde ik Christine uit Charleroi kennen die me in ruil voor mijn eeuwige trouw haar borsten toonde. Zou het daardoor komen dat ik nooit naar de Vandeperrelei in Borgerhout getrokken ben? ’t Zou kunnen, want seks heeft me, zo moet ik toegeven, wel meer van ’t rechte pad weggeleid. Of juist op ’t rechte pad gebracht, dat kan natuurlijk ook.
Flor Vandekerckhove


maandag 14 april 2014

Stagger Lee


Omwille van omstandigheden die u niet aangaan heb ik de jongste vijf jaar meer rockconcerten bijgewoond dan in de zestig jaar die eraan voorafgegaan zijn. Da’s niet moeilijk, zo zullen mijn kinderen repliceren, want, vader, gij hebt nooit eerder een rockconcert bijgewoond. Ze hebben gelijk, ik ben een neofiet in de materie. Maar deze neofiet is inmiddels al wel gaan luisteren naar liveoptredens van Arno, Bruno Deneckere, Pavement, Daniel Lanois & Trixie Withley, Pixies, Jon Langford, Paul Weller, The Black Crowes, Brendan Croker, Gavin Friday en Nick Cave. Wie er iets van afweet zal beamen dat het, zeker voor een beginneling, een indrukwekkende lijst is.
Het ene concert maakte, zo moet ik wel zeggen, al wat meer indruk op me dan het andere, maar echt imponeren deden wel Nick Cave & The Bad Seeds (Sportpaleis A’pen, 18 november 2013). Zozeer zelfs dat ik achteraf een en ander ging uitvogelen. 
In een ronduit indrukwekkende song voert Cave me mee naar de crisisjaren dertig: It was back in 32 when times were hard… Ik spitste de oren. Cave leerde me ene Stagger Lee kennen: He wore rat drawn shoes and an old Stetson hat / Had a 28 Ford, had payments on that. Nee, ’t ging niet goed met die mens en het ging daarenboven van kwaad naar erger. Lee kwam op straat te staan en zocht soelaas in een kroeg die onheilspellend The Buckett of Blood heette. Aldaar dronk hij niet gewoon een Stella, neen, hij schoot er de barman neer en neen, het was geen ongeluk, want Cave telde four holes in diens motherfucking head. Maakte deze Lee zich vervolgens vlug uit de voeten? Driewerf neen, hij neukte eerst nog de plaatselijke hoer Nelly Brown, known to make more money than any bitch in town, en om dat spetterende cafébezoek af te ronden vermoordde hij ook haar vent, de genaamde Billy Dilly. Laat het duidelijk zijn: Stagger Lee was, zoals Cave het zo treffend zingt, een bad motherfucker.
Ja, da’s rock ’n roll van de overtreffende trap. Maar terwijl ik dat allemaal aan ’t uitvissen was, kwam ik ook te weten dat Stagger Lee echt bestaan had; niet in het thuisland van Nick Cave en evenmin in de crisisjaren dertig, maar in Amerika op het einde van de negentiende eeuw. Een krant bracht toen inderdaad het bericht dat een mens neergeschoten werd door ene Lee Shalton, alias Stag Lee. Het geschiedde op 28 december 1895 in een etablissement in St. Louis.
Geweten is dat Stag Lee een zwarte medemens was, een pooier, een soort politieker ook, een kaartspeler en een revolverheld. Blijkt dat een hoofddeksel het moordmotief was, want in ’t kaartspel had Lee zijn Stetson aan een tegenstander verloren; reden genoeg om de colt boven te halen. Hij vermoordde de mens, nam zijn hoed terug, zette die op en verliet de gelagzaal. In sommige milieus zou men dat wellicht als cool omschrijven.
A stag is slang is voor iemand die geen vrienden heeft. Stag Lee wordt in de volksmond al vlug Stagger Lee. Maar merkwaardig is toch wel dat deze man-zonder-vrienden, een moordenaar en een bad motherfucker, al vlug in de blues bezongen wordt als ware hij een held.
Er is een uitleg voor. Lee is zo slecht dat hij, zo leert de overlevering, gevreesd wordt door de politie en de rechters. (*) Voor de onderdrukte zwarten wordt hij van de weeromstuit een lichtend voorbeeld: ziehier een zwarte telg uit de onderklasse die de blanke baas durft te tarten! Want je kunt die mens wel veel verwijten, maar niet dat hij — om het een beetje in de terminologie van Nick Cave te zeggen — met zijn kloten laat spelen. Stagger Lee wordt een legendarisch product van de vrijheidsstrijd. In de opstandige jaren zeventig zegt Black Panther Bobby Seal over zichzelf en zijn kompaan Malcolm X bijvoorbeeld dat ze Stagger Lee figuren zijn.
Vertrekkend vanuit de blues veroverde het thema omzeggens heel de muziekwereld. (**) De bad motherfucker werd inmiddels al bezongen door o.a. James Brown, Neil Diamond, The Clash, Pat Boone, Fats Domino, Bob Dylan, Duke Ellington,The Grateful Dead, Woody Guthrie, The Ventures, Ike & Tina Turner, Ma Rainey, Jerry Lee Lewis, Tom Jones, Beck, Missisippi, John Hurt, the Black Keys, Elvis en dus ook Nick Cave.
Maar Cave is niet zomaar een interpretator. Hij is een kunstenaar die met het gegeven aan de haal gaat en daar zijn eigen verbeelding aan toevoegt. Hij haalt het lied weg uit het zwarte Amerika van de negentiende eeuw en brengt het binnen in zijn eigen context, met name deze van de bekende crisisjaren dertig. Ook de vorm verandert: de blues maakt plaats voor het groteske. De traditionele bluestekst luidt: Stagger Lee... shot Billy / Oh, he shot that poor boy so bad / Till the bullet went through Billy / And it broke the bartender's glass. Niet zo bij Nick Cave. Daar gebeurt iets helemaal anders: Yeah, I'm Stagger Lee and you better get down on your knees / And suck my dick, because If you don't you're gonna be dead / Said Stagger Lee // Billy dropped down and slobbered on his head / And Stag filled him full of lead. 
Hoe die Billy kan neerzijgen èn tegelijk op zijn hoofd kwijlen is een vraag die we hier onopgelost laten (***). Maar 't is juist het groteske dat de song optilt tot boven het niveau van de zoveelste interpretatie. Het is de stijl van Cave die dat er een meesterwerk van maakt. Of… Nick Cave als meester van het groteske, een register dat alleen de allergrootsten kunnen bespelen zonder zichzelf belachelijk te maken.
Flor Vandekerckhove

(**) Er bestaat een site waarop de meeste van die vertolkingen te beluisteren zijn: http://www.staggerlee.com/index.php
(***) De tekstlijn is voer voor discussie op 't internet. Aangenomen wordt dat 'head' slaat op de kop van de penis, waardoor dit gebeuren toch al iets begrijpelijker wordt: http://forum.wordreference.com/showthread.php?t=277012&langid=13




Van Antoine Légat kreeg ik volgende toelichting:: 'Heel mooi stuk, beste Flor, en belangrijk dat het gebeurt! Ik heb het zelf al eens overwogen te doen, ook met andere oude blueskrakers als, pakweg, 'Saint James Infirmary', 'Bourgeois Blues', 'Hoochie Coohie Man', 'Got My Mojo Working' en 'House Of The Rising Sun'. Thematisch komt bvb. 'Frankie & Albert' in de buurt van 'Stagger Lee'. Sommige hebben een 'vaste' tekst, zoals 'House', andere hebben de schrijflust van anderen opgewekt, zoals 'St James' met zijn ongeveer 280 coupletten. Daar kan je gerust een dikke turf mee vullen. Opvallend is dat zovele van die songs op een realiteit teruggaan. Bij 'House' levert dat zelfs een bijzonder boeiende detectiveroman op! Ikzelf leerde 'Stagger Lee' of 'Stagolee' (of... Er zijn nog schrijfwijzen) kennen via een oude bluesplaat in de sixties. Ik zou moeten opzoeken welke tandeloze ouwe zwarte met 65 grandchildren joelend op de frontporch de song inzong (die LP ligt op zolder, maar het enige wat ik nog weet is dat het géén van de bekende blueslui was), maar de eerste versie van iemand met naam die ik me herinner was van Dr. John (rond 1970) Voor blues buffs is het bekend terrein, maar dat 'bekend terrein' houdt op aan de grens van de blues...
Ik kan je zo in de vlucht één koorecksy meegeven: het is Daniel Lanois
[ik heb de fout inmiddels verbeterd]. Maar voor de rest zit je er BOENK! op, me dunkt... Swell dat je Bruno nog eens vermeldt... We kunnen dat niet genoeg doen!' 


Joris De Voogt schreef me: 'Mooi stukje over Stagger Lee! De oude blues is inderdaad zeer inspirerend. Luister ook eens naar 'Strange fruit' van Billie Holiday (over een lynchpartij door de KKK) en 'Black, brown and white' van Big Bill Broonzy.'

vrijdag 11 april 2014

De ene zeppelin is de andere niet (2)


Boven Oostende wordt een zeppelin neergehaald. Hij komt vlak
naast de oude vismijn terecht. Op de ommezijde staat
handgeschreven: 'Un zeppelin abattu devant Oostende 1917.'
(Foto collectie D. Eyland.)
Deze blog besteedt veel aandacht aan de gemeente Bredene. Gemakzucht van de auteur wellicht, want zodra hij door het raam kijkt aanschouwt hij dat onderwerp. Vanuit zijn zetel heeft hij er een ruim zicht op: ten oosten tot de kerk van Klemskerke, westwaarts tot de Oostendse vuurtoren; gebieden die hij, gemakshalve, tot Bredene rekent.
De stukjes die hij daar vervolgens over schrijft hangen in eerste instantie maar met haken en ogen aan elkaar. Om ze een beetje te fatsoeneren moet hij veelal zijn stek verlaten en zich naar de kenners begeven die zich gemeenzaam in de gelagzaal van de heemkring Ter Cuere ophouden. Daar is geen plaats voor mooischrijverij à la De Laatste Vuurtorenwachter. Daar onderzoekt men de bronnen. Daar zegt men bijvoorbeeld nooit zeppelin tegen een Astra Torres. (*)
Daar moest ik aan denken toen ik op een liedtekst stootte die wijlen Jef Klausing uit het wankele geheugen van enkele oude Oostendenaars gevist had en die wel degelijk een zeppelin tot onderwerp had (**): ’s Avonds ging hij naar Iengeland / Om bommen te smijten / En de vluchtelingen zagen dat / en riepen den Iengelsman. / Hij kreeg een schot al in zijn gat / En ie had twee vlerken / En osten in de haven kwam / dan riepen ze hoera.
Ha, daarvan heb ik een foto, dacht ik meteen. Op die foto is een drukluchtschip te zien, waarvan ik vermoed — ik moet voorzichtig zijn — dat het een zeppelin betreft. Hij is hoe dan ook neergekomen in het water van de haven, vlak naast  de vismijn — de cierk — die toen nog in de stad lag.
Het refrein van dat lied gaat als volgt: En in Ostende, den tiensten oegst / Lag er in d’haven een zippeling, / Een Iengels vliegmachien / Had dat gezien / En ie smeet een bom op de zeppeling. De tekst is duidelijk. Datum van het gebeuren is 10 augustus.
Ook deze foto komt uit de collectie van Eyland. Is dit de zeppelin
waarvan sprake is in het lied?
Op de foto die ik heb staat achteraan handgeschreven: Un zeppelin abattu devant Ostende 1917. Wellicht is het niet deze die door de Oostendenaars bezongen werd, want Jef Klausing heeft een en ander over dat lied uitgevogeld: ‘De Duitse bestuurbare luchtballon L.12, die op 9 augustus 1915 een raid boven Dover had uitgevoerd, werd door een Engels vliegtuig boven zee neergeschoten. Van de 31 leden van de bemanning konden er enkel 14 gered worden.’ Hij weet nog meer: ‘Het wrak werd binnengesleept in de haven van Oostende. Een kraan moest erbij gehaald worden om het gevaarte aan land te trekken, doch bij dit maneuver scheurde het omhulsel en kwam het gas vrij dat deze bevatte. Een uitslaande vonk van een voorbijvarend schip deed het gas ontvlammen en het overblijfsel van de ballon vatte vuur.’
Het lied gaat over een voorval in 1915. De foto heeft het over 1917. Waardoor een mens het zich begint af te vragen: hoeveel zeppelins zijn er tijdens De Groote Oorlog eigenlijk in dat dok terechtgekomen? ’t Wordt tijd dat ik me weer eens naar Ter Cuere begeef. Ze schenken daar trouwens lekkere koffie.
Flor Vandekerckhove

Van Erwin Mahieu kreeg ik volgend bericht. 'De Zeppelin t.h.v. van de “cirque” in Oostende is de L.12. Deze was samen met nog twee andere Zeppelins een aanval aan het opzetten richting Londen, toen hij op 9 augustus 1915 getroffen werd in het staartgedeelte en langzaam leegliep.
Hij werd richting Oostende gesleept met de bedoeling hem te redden met de 40 ton kraan aan de Cockerillkaai, tot een vonk dan toch de Zeppelin deed uitbranden (10 augustus 1915).
De eerste foto kreeg mijn bijzonder aandacht: ik heb een foto van enige seconden later waar je nog uitsluitend het staartstuk ziet. Ontelbaar zijn de foto’s die van de L.12 genomen werden toen hij Oostende werd binnengeloodst. Je zou bijna denken dat iedere Duitsers met een fotoapparaat rondliep !
Beide foto’s die je toont zijn wel degelijk van deze L.12.'

(*) Over drukluchtschepen in WO I verschenen al eerder stukjes in deze blog.
en het stukje vlak voor dit dat u nu aan 't lezen bent:
http://florsnieuweblog.blogspot.be/2014/04/de-ene-zeppelin-is-de-andere-niet-1.html
(**) Jef Klausing, Het groot Oostendsch liedtboeck, 1991. p. 511.

De ene zeppelin is de andere niet (1)


Een drukluchtschip van het type Astra Torres vliegt — vaart? — boven Oostende. 
2014 is het jaar van De Groote Herdenking. Het land wordt overspoeld door plechtigheden, boeken, voordrachten, televisiereeksen, reportages, de Tour de France, bodyguards van Obama en Britse toeristen, want dit jaar is het honderd jaar geleden dat De Groote Oorlog begonnen is.
Ook deze blog nam al deel aan De Groote Herdenking. We bogen ons al over de lotgevallen van het schip Vindictive dat in de Oostendse havengeul tot zinken gebracht werd (*); ik ging op zoek naar sporen van het panoramaschilderij, De Slag aan de IJzer, dat indertijd Britse toeristen naar Oostende moest lokken (*); we vonden handgeschreven getuigenissen over de toestroom van vluchtelingen in Oostende (*); in de heemkring Ter Cuere kwamen we meer te weten over de oorlogsgraven op ’t kerkhof van Bredene-Dorp (*) en we piekerden ons suf over een foto die we in het boekje Bredene in oude prentkaarten gevonden hadden en waarop we een zeppelin zagen. Of dat althans dachten. (*)
Op dat zeppelinstukje wil ik nog even terugkomen.
Oorspronkelijk droeg dat de evidente titel De zeppelin. Die werd inmiddels gewijzigd. Ik deed dat nadat een kenner me een mailtje gestuurd had waarin hij zei dat de betreffende foto geen Zeppelin was, maar een Astra Torres, een drukluchtschip van Spaanse makelij dat door de Britten in Frankrijk aangekocht werd. De betreffende Astra Torres kwam tegen het einde van augustus toe op de Oostendse oosteroever en maakte er als verkenningstoestel deel uit van een smaldeel dat verder uit een tiental vliegtuigen bestond. De Britten bleven daar slechts enkele dagen. Zegt die kenner me: ‘Er is een verschil tussen een Zeppelin en een Astra Torres. De gondel van deze laatste zit niet vast aan de met gas gevulde ballon, maar hangt er op enige meters afstand met kabels aan vastgemaakt.’ Wist ik dat? Neen, dat wist ik niet. Dus veranderde ik achteraf een en ander in dat stukje, wegens juist is juist. Het is in deze immers zoals de bananenproducent het destijds al zei: zeg nooit banaan tegen een Chiquita.
Maar… Laat me toch toe daar nog nog een beetje over te muggenziften, want helemaal ongelijk had ik evenmin. De titel luidde immers niet De Zeppelin, maar De zeppelin, waarbij ik zeppelin niet met een kapitaal, maar met een kleine letter geschreven had.
Het gebeurt wel meer dat een merknaam als soortnaam gebruikt wordt. Wie het over een bik heeft, bedoelt daar wellicht een balpen mee, van welk merk ook. Niet elke waterverwarmer is een Bulex, maar wanneer ik over een bulex spreek dan hoef ik het toch niet meteen over dat merk te hebben. Wanneer ik mijn kodak zoek, dan vind ik hopelijk mijn fototoestel, dat nochtans Sony heet. De rij is lang: pamper, maïzena, pyrex, skai, tefal, vaseline, walkman, luxaflex… Het zijn soortnamen, maar ze stammen wel degelijk van merknamen af.
Ook persoonsnamen kunnen zo’n soortnaam worden. De sandwich is genoemd naar de graaf van Sandwich; de diesel naar uitvinder Rudolf Diesel; een hooligan is niet noodzakelijk familie van de Ierse familie met die naam; een casanova hoeft niet per se de afstammeling van de achttiende-eeuwse avonturier te zijn en een drukluchtschip wordt in de volksmond een zeppelin genoemd, ook als die Astra Torres niet door Ferdinand Adolf Heinrich Graf von Zeppelin ontworpen werd.
Ik weet dat allemaal doordat ik het deze morgen gegoogeld, heb, kort nadat ik me met een gilette geschoren had. Dus, laat me nu maar rustig een nescafé drinken terwijl ik naar m’n discman luister. Ik moet alleen maar oppassen dat ik niet op het formica van mijn tafel mors, of erger nog, op de linoleum, want ik zit zonder kleenex. En met een stanleymes of met tipp-ex kan ik die vlek niet opkuisen hé.
Flor Vandekerckhove

(*) Over de vluchtelingentoestroom in Oostende:
(*) Over de oorlogsgraven op het kerkhof in Bredene:
(*) Over het Oostendse panoramaschilderij ‘De slag aan de IJzer’:
(*) Over mijn grootvader — een vuurkruiser! — in WO I:
(*) Over de vindictve in de Oostendse haven:
(*) Over drukluchtschepen in WO I:

maandag 7 april 2014

Een nazischrijver met stijl


Louis-Ferdinand Céline (1894-1961)
Moeten/mogen schrijvers zich maatschappelijk engageren? Mag/moet dat engagement uit hun werk af te lezen zijn? En zo ja, hoe spelen ze dat vervolgens klaar? Het blijken vragen te zijn die me erg interesseren.
De auteurs die ik daaromtrent bevraag bevinden zich meestal ter linkerzijde. Die eenzijdigheid komt uiteraard voort uit mijn eigen maatschappelijke positie. Ik ben daarin niet anders dan u: ik lees graag boeken die mijn vooroordelen bevestigen.
Dat wil niet zeggen dat ik de mening toegedaan ben dat er ter rechterzijde niets te lezen valt. De Brit Graham Greene is een rechtse katholiek èn een goeie schrijver, de Peruaan Mario Vargas Llosa staat op het standpunt van de Amerikaanse haviken, maar schrijft daarom nog geen slechte boeken. Hetzelfde geldt voor schrijvers die zich zo ver ter rechterzijde bevinden dat het degoutant wordt. Want ja, zelfs dan kan het gebeuren dat het boek van zo’n mens het lezen waard is. Omdat zijn stijl uniek is bijvoorbeeld.
Niet lang nadat Louis-Ferdinand Céline in Frankrijk roem vergaart met ronduit schitterende meesterwerken als Reis naar het einde van de nacht (1932) en Dood op krediet (1936) verrast hij iedereen met Bagatelles pour un massacre (1937), een onomwonden antisemitisch schrift. Blijkt dat een der grootste Franse stylisten een rechtse extremist is.
In Duitsland spitsen de nazi’s de oren, want Céline is niet zomaar een prulschrijvertje. Ze nodigen hem uit om Hitlers verwezenlijkingen ter plekke te komen bekijken en Céline geraakt zo mogelijk nog meer overtuigd dan hij al is. 
Uiteraard collaboreert hij tijdens de daaropvolgende oorlog en die samenwerking met de Duitsers legt hem in eerste instantie geen windeieren. Bagatelles pour un massacre wordt een bestseller. En het geld stroomt binnen. Wat Céline evenwel niet verwacht, gebeurt toch: Duitsland verliest uiteindelijk de oorlog en de Franse nazivriend moet het land ontvluchten.
Genoeg inleiding, zo denk ik, opdat u zou begrijpen dat ik met het engagement van Céline geen uitstaans heb, dat ik zijn standpunt zelfs weerzinwekkend vind.
Dat belet niet dat een aantal van zijn boeken me overdonderd hebben. Niet alleen het meesterlijke Dood op krediet dat ik zeker nog eens in close reading zal hernemen, en niet alleen Reis naar het einde van de nacht dat ik in de mooie uitgave met tekeningen van Tardi gelezen heb. Overdonderd ben ik ook geweest door een werk dat hij later geschreven heeft, lang nadat hij zich als antisemiet en als nazi buiten het menselijk fatsoen geplaatst had.
Bagatelles pour un massacre heb ik niet gelezen (er zijn grenzen), maar wel Guignols band, Kanonnevoer, Gesprekken met professor Y en Van het ene slot naar het andere.  Ik ga niet beweren dat het allemaal lezenswaard was, maar ik weet toch wel dat ik erg genoten heb van het boek Van het ene slot naar het andere.
Dat verhaalt de vlucht van Céline uit Frankrijk. Hij probeert Denemarken te bereiken waar hij zijn bestaansmiddelen (goud!) geparkeerd heeft. Al dolend komt hij eind 1944, samen met vrouw en kat, in Sigmaringen terecht, een Duits dorp waar de Franse collaborateurs zich, in afwachting van wat komen gaat, verzameld hebben. Hij wordt er de arts van.
Céline doet er in dit boek alles aan om zichzelf als ooggetuige, observator, als chroniqueur te presenteren. Is een schrijver immers niet altijd het jongetje dat aan het raam staat toe te kijken terwijl anderen buiten aan ’t spelen zijn? Het is duidelijk dat hij ook probeert om begrip op te roepen voor zijn gedrag tijdens de oorlog. ‘Gelukkig kan ik mezelf verdedigen! Goddank! Dierlijk instinct! Zoals ik door iedereen word gehaat, zoals ik word beklad!’ Maar dat is in zijn geval uiteraard een hopeloze onderneming, dat weet Céline ook wel, want hij is geen dwaas. Zijn situatie is even hopeloos als het leven in de kleine Franse enclave van Sigmaringen, dat hij met overdadig veel zelfbeklag, maar daarom niet minder overweldigend beschrijft.
Een kroniek? Op de kaft van dit boek staat niet literaire non-fictie, kroniek of reportage. Er staat roman. Céline verzint bijgevolg een eigen werkelijkheid en dat is deze van een nachtmerrie waaruit geen ontsnappen mogelijk is. Zelfs als alle nazi’s aan de repressie zouden kunnen ontsnappen, zelfs als er een algemeen pardon zou komen voor de 1142 collaborateurs die zich in het dorp bevinden, dan nog zou er geen uitweg zijn voor Céline: ‘ik zou worden gekeeld, gevierendeeld! maar zij niet!… zij absoluut niet! zij, zo zachtaardig! nee, nooit!… er was trouwens geen enkele anti-jood te vinden onder de 1142!… geen een meer!… Morand, Montherlant, Maurois, Latzareff, Laval en Brinon!… niemand!… de enige die overbleef was mijn persoontje!…(…) niet alleen Frankrijk… maar de hele wereld, vijanden, geallieerden willen me zien bloeden!… ze hebben een nieuwe mythe!… snijden we ’t dier open?… ja of nee… de priesters staan klaar!’ Zo gaat dat bladzijden en bladzijden door. 
Je zult al ver moeten zoeken om in de wereldliteratuur nog iemand te vinden die zo goed kan klagen als Céline. De unieke stijl en het 'célineaanse' ritme nemen het helemaal over van de inhoud. Al dat geklaag is verwerpelijk, maar de manier waarop Céline het doet is groots. Céline is een bijzonder afstotelijke mens die schrijft in een bijzonder aantrekkelijke stijl.
Flor Vandekerckhove