zondag 19 januari 2014

George Orwell en het burgermansfatsoen


Albert Camus, Victor Serge, George Orwell… Het zijn stuk voor stuk grote auteurs, hun oeuvre getuigt van een ernstige maatschappelijke betrokkenheid, ze bewegen zich links in het politieke spectrum… En de heftige aanvallen die ze te verduren krijgen, komen zowel van rechts als van links.  Ik blijk bijzonder geïnteresseerd te zijn in dat soort volk, zo valt het mezelf ineens op, want die drie hebben al menig spoor in mijn blog achtergelaten.

George Orwell (1903-1950) komt als Eric Blair ter wereld. Vader is koloniaal ambtenaar. Het gezin bevindt zich daarmee ergens in ‘t midden van de maatschappelijke ladder, hoog genoeg om de zoon voor zijn middelbare studies naar Eton College te sturen, te laag om daar ook nog eens universitaire studies op te laten volgen. George Orwell omschrijft zijn afkomst later ironisch als lower-upper-middle class. Bij de Britten kan dat zelfs iets betekenen.
De jonge Eric probeert eerst nog vaders spoor te volgen, maar hij houdt het niet vol tussen de expats. Hij deelt zijn verbouwereerde ouders mee dat hij schrijver wordt. En wat voor schrijver! ‘Ik vond dat ik moest ontsnappen, niet alleen aan het imperialisme maar aan iedere vorm van overheersing van de ene mens over de andere. Ik wilde afdalen, me rechtstreeks onder de onderdrukten begeven, om een van hen te zijn en aan hun kant te staan tegen de tirannen.’
Dat doet hij niet als revolutionair en nog minder als missionaris, hij doet het als auteur en journalist. Zijn engagement gaat hand in hand met zijn schrijverschap. ‘Hoe kun je anders over de armen schrijven? Daarvoor moet je zelf arm worden, ook als het maar tijdelijk is.’ Het is een methode die Jack London hem met The People of the Abyss (1903) voorgedaan heeft en die Günther Walraff later in een imposant oeuvre tot ontwikkeling zou brengen.
Orwell schudt hard aan de boom. Een eerste project voert hem naar Londen en Parijs, waar hij het lot van de zwervers deelt. Hij overleeft als bordenwasser, slaapt in afschuwelijke opvangtehuizen… Down and Out in Paris and London. Van de chique kostschool naar de onwelriekende goot!
In 1936 schrijft Orwell een verslag over de armoede in het noorden van Engeland. Daarvoor gaat hij tussen de mijnwerkers leven. Hij houdt daar het boek The Road to Wigan Pier aan over, en wellicht ook de TBC waaraan hij uiteindelijk zal sterven.
In het tweede deel van dat boek legt hij uit waarom het socialisme een kwestie van ‘common decency’ is. Dat burgermansfatsoen is overigens een constante in Orwells denken.
Als activist vindt Orwell onderdak in de Independant Labour Party (ILP), een partij die links van de grote Labour Party staat. In Spanje heeft die ILP een zusterpartij die POUM heet en in 1936 betrokken geraakt bij de Spaanse burgeroorlog. Zo’n vijfentwintig leden van de ILP trekken naar Spanje om de POUM terzijde te staan. Een van hen is Orwell. Weer koppelt hij een verregaand sociaal engagement aan zijn schrijverschap. In Homage to Catalonia zegt hij het zo: ‘Als je me gevraagd zou hebben waarom ik me had aangemeld bij de militie, zou ik gezegd hebben: “Om tegen het fascisme te vechten”, en als je me gevraagd had waarvóór ik vocht, zou ik gezegd hebben: “Eenvoudig burgerlijk fatsoen”.‘ Common decency!
Tot zijn verrassing moet hij daar niet alleen tegen de fascisten vechten, maar ook tegen de communistische partij die nochtans, net als de POUM en de anarchisten, tegen de fascisten strijdt. In mei 1937 probeert de Spaanse regering immers, daarin aangestuurd door de communisten, de controle over Catalonië af te nemen van de revolutionaire milities die er hun eigen weg gaan. Het is een keerpunt: regering en milities komen nu tegenover elkaar te staan. Orwell is in die dagen niet aan het front, maar met verlof in Barcelona. Op 3 mei wordt hij al wandelend in de stad opgeschrikt door een vuurgevecht. De anarchisten die de telefooncentrale bezetten worden door de regeringspolitie beschoten. Het POUM-kantoor wordt evenees door de gendarmes belaagd en voor hij er erg in heeft, is Orwell zelf in de strijd verwikkeld.
Daar leert hij het stalinisme kennen: ‘Direct na de May Events hadden de communisten de aanval op de POUM geopend door bekend te maken dat er documenten bestonden waaruit bleek dat deze “Spaanse trotskisten” samenwerkten met Franco, Catalaanse fascisten en zelfs Gestapo-agenten. De regering in Valencia trapte erin en stuurde NKVD-agenten naar Barcelona. Die bliezen het verhaal op tot nog grotere proporties: er was een heus spionagenetwerk waar de POUM een onderdeel van was. Het spel werd overtuigend gespeeld, met vervalste documenten en dito getuigenissen. (…) Eerst werd de partijkrant van de POUM onder censuur geplaatst. Op 15 juni werd POUM-leider Andrès Nin gearresteerd en daags erna werd de partij tot illegale organisatie verklaard. Talloze leden en sympathisanten van de POUM werden gearresteerd en opgesloten (…)’
Die gebeurtenissen zouden hem de rest van zijn leven achtervolgen. De aard van het stalinisme was voor hem duidelijk geworden: ‘Het is een echt terreurregime, fascisme opgelegd onder de pretentie van verzet tegen het fascisme, mensen die letterlijk met honderden tegelijk in de gevangenis worden gesmeten en daar maanden zonder proces worden vastgehouden, kranten worden onderdrukt enz. enz.
Die afkeer levert grote boeken op: Animal Farm en 1984. Orwells vrees voor het stalinisme is trouwens erg persoonlijk. Nadat hij het land al verlaten heeft wordt er nog, in 1938, in Spanje een politiek proces tegen hem gevoerd. De aanklacht heeft het over Orwell als zijnde een ‘rabiate trotskist’, een kwalificatie die in die dagen een einde aan je leven kan maken. Orwell vreest inderdaad dat Moskou een dossier over hem aangelegd heeft en dat hij kan vermoord worden.
Die vrees verklaart ook wel ‘s mans latere politieke ontwikkelingen die toch wel merkwaardig genoemd mogen worden. Hij schuift op naar rechts en wordt een heuse patriot die het Verenigd Koninkrijk wil beschermen tegen het rode gevaar.
In 2003 duikt een notitieboekje op waarin Orwell 135 namen genoteerd heeft van personaliteiten, veelal schrijvers, waarvan hij vermoedt dat ze naar het communisme neigen. Hij heeft de lijst, kort voor zijn dood, opgesteld om een vriendin te plezieren die voor de IRD werkt, de Information Research Department, een Britse propagandadienst die de binnenlandse invloed van het communisme in kaart brengt. Hij speelt haar achtendertig namen door: ‘(…) journalisten en schrijvers die naar mijn mening cryptocommunisten en fellowtravellers zijn of daarnaar neigen & die als propagandisten niet zouden moeten worden vertrouwd.’
Over die lijst is uiteraard nogal wat te doen geweest. Stalinisten zien er ongetwijfeld de bevestiging in dat Orwell nooit te vertrouwen geweest is. Hebben ze niet altijd geweten dat hij een 'rabiate trotskist' is? (Onverklaarbaar is dan wel waarom de naam van Isaak Deutcher — wel degelijk een trotskist! — op de lijst voorkomt.) Voor anderen is de lijst het ultieme bewijs van Orwells lichtgelovigheid. Nog anderen haasten zich om de impact van de lijst te minimaliseren. Daartoe behoort ook de vriendin aan wie Orwell die lijst gegeven heeft: ‘O, natuurlijk, iedereen denkt nu dat die mensen bij het ochtendgloren zouden worden gefusilleerd. Maar het enige wat met hen kon gebeuren, was dat ze niet zouden gevraagd worden te schrijven door de IRD.’
Wat moet ik daar nu van denken? De vraag kan vervangen worden door een andere. Zou ikzelf zo’n lijst met namen doorgespeeld hebben? Godver neen! Zo’n lijst (of een andere) doorspelen aan een staatsdienst? Neen. Het (trotskistisch!) politieke engagement dat een groot deel van mijn leven gevuld heeft, behoedt me er ten eeuwigen dage voor om zo'n stap te zetten.
Feit is dat Orwell na zijn Spaanse ervaringen danig naar rechts opgeschoven is. Dat hebben wel meer mensen gedaan die onder de mokerslagen van het stalinisme terechtgekomen zijn. Dat valt te begrijpen, maar het belet tegelijk niet dat Orwell hiermee aantoont dat de common decency, waarop hij zich beroept, bij tijd en wijle bijzonder onfatsoenlijk kan zijn, verwerpelijk zelfs.
Flor Vandekerckhove 

* Marco Daane, Het spoor van Orwell. 2011. Uitg. Atlas A’dam/A’pen. 24,95 €. 351 ps.
Een reactie posten