zondag 26 januari 2014

Amiri Baraka en het socialistisch realisme


Amiri Baraka (1934-2013)
Op 9 januari overleed de Amerikaanse literator Amiri Baraka. In De Standaard werd hij door Geert Buelens ‘de belangrijkste na-oorlogse zwarte dichter van de VS’ genoemd.  Amiri Baraka, geboren als Everett LeRoi Jones, was een geëngageerde dichter en als zwarte nationalist had hij in de Amerikaanse linkerzijde een sterke, zij het niet onbesproken reputatie opgebouwd. Niet alleen in Amerika trouwens. 
In 1994 publiceert het literaire tijdschrift Yang enige uittreksels van een 'Manifest voor een revolutionaire en internationalistische poëzie'. Het is de vrucht van een ontmoeting op een poëziefestival te Eindhoven. Daar praatten, tussen de gedichten door, wijlen Ludo Martens (voorzitter van de Belgische communistische partij PVDA) en Amiri Baraka over 'kunst in een naar rechts oprukkende wereld'. 
En, vraagt de ene aan de andere, zouden we niet samen een manifest schrijven 'dat revolutionaire dichters van de hele wereld zou kunnen verbinden tot een tegenstroom’? Ja, waarom eigenlijk niet?  En Yang publiceert vervolgens de belangrijkste delen van dat denkwerk.
De poëzie heeft nog een toekomst, zo verneem ik. Op voorwaarde dat zij zich uit de burgerlijke cultuur terugtrekt.  Het is een uitgangspunt dat me zeer aanspreekt. Ik lees verder. De plaats van de dichter is in 'het maquis', en als het gewas niet aanwezig mocht zijn, in 'de clandestiniteit'. In elk geval moet de poëzie, zo lees ik, zich voor de burgerij onzichtbaar maken door onder te duiken bij de 'gewone mensen'.  Onder die gewone mensen bevinden zich de echte dichters. Zij onderscheiden zich van de ‘valse’ die in dienst van het kapitaal staan. De ‘valse dichters’ herken je doordat ze 'het lyrisch register van democratie en vrijheid ' opentrekken. Daar worden ze, zo weet het duo, in ruil rijkelijk voor vergoed.  De twee hebben dan ook geen enkele achting voor ‘de kosmopolitische dichter die in businessclass de wereld rondreist, goed betaald om de burgerlijke cultuur van alle continenten en alle rassen te bezingen.
Ludo Martens: De ware dichter houdt zich 
op in de clandestiniteit.
Tegenover dat soort valse schrijvers wil het duo een tegenstroom organiseren. Maar de bedding waarin dat water moet tegenstromen wordt door die twee toch wel heel sterk afgebakend: 'De revolutionaire dichter neemt het op zich de literaire en poëtische verworvenheden van de vroegere socialistische samenlevingen van onder het puin te halen.  Hij wil de beste poëzie uit de socialistische wereld redden uit de modder en de nederlaag en ze een nieuw leven inblazen voor een nieuwe strijd.’
Hola! Ik leg het manifest terzijde en blijf een wijle verweesd achter. Welke ruimte laten die twee mij? In geen geval wil ik een kosmopolitische schrijver genoemd worden die in businessclass de wereld rondreist, goed betaald om de burgerlijke cultuur te bezingen. No way José! Maar het socialistisch realisme dat de twee zeggen na te streven… Mmmmm.
Heb ik een andere optie?  Neen, want het socialistisch realisme eist, zo wordt me duidelijk gemaakt, de hele artistieke ruimte voor zich op. Het socialistisch realisme is immers niet alleen maar literatuur, het is ook een wapen in de klassenstrijd en die gaat vóór alles. Die strijd speelt zich niet alleen af in fabrieken, op straat en in de politiek, zo leert de tekst me verder, maar ook in galeries en in kunsttijdschriften. 'Het Amerikaans imperialisme organiseerde en financierde grote campagnes in Europa tegen het realisme in de kunsten. Alles wat zich inspireerde op de sociale werkelijkheid werd gebrandmerkt als openlijk of verkapt bosjewisme.  De 'abstracte' kunst in allerlei vormen werd als toppunt en bewijs van de kapitalistische vrijheid gepromoot…
Ze hebben gelijk. Dat leerde ik toen ik later de magistrale studie van Frances Stonor Saunders las over dat onderwerp. (*)  Maar godver, sindsdien kan ik geen abstract schilderij meer bekijken of ik zie een klad verf, daar express aangebracht om de onderliggende realiteit mee af te dekken. Wat uiteraard beledigend is voor de kunstenaar die het gemaakt heeft, en bovendien niet strookt met mijn aanvoelen dat sommige abstracte werken wel degelijk van grote waarde zijn; dat ze helemaal niets afdekken, maar integendeel iets blootleggen.
Roger Somville: We moeten realist zijn.
Wat moet ik nu doen?  Weer richt ik mijn blik op het manifest. Ik moet er vooral over waken dat mijn werk realistisch is, zo begrijp ik. Ik moet alleen nog maar uitvogelen welke lading die vlag dekt.
De Belgische kunstenaar (en communist) Roger Somville heeft al in 1970 een manifest voor het realisme geschreven. Daaruit onthouden we dat realisme en socialistisch realisme vandaag de dag één en hetzelfde zijn. ‘Een kunstenaar bereikt het realisme als hij een katalysator wordt, een verzamelaar van ideeën, feiten, strijd, tegenstellingen en de bekommernissen van zijn tijd, als in de geest van zijn werk de overeenkomsten, de onrust of de weigering van een gemeenschap, een volk en een beschaving kunnen teruggevonden worden.’ 
Waarna we volgende merkwaardige zinnen lezen : ‘Dit realisme moet doorheen een objectieve en aanwezige realiteit, rekening houden met het historisch perspectief van het socialisme. Het is daarom dat men het realisme van onze tijd "socialistisch realisme" noemt.’ Gelukkig haast Somville zich om daarbij ook te vermelden dat het met dat socialistisch realisme in de Sovjet Unie destijds danig misgelopen is.  De eis tot transpositie (overbrenging van de realiteit in een andere vorm of gedaante), zo schrijft Somville, werd er vervangen door een eis tot conventie en dan liep het natuurlijk goed fout: 'Geloven dat de plastische taal rechtstreeks en onmiddellijk begrijpbaar moet zijn, leidt tot demagogie.’
Flor Vandekerckhove

(*) 1999, Frances Stonor Saunders, Who Paid the Piper, The CIA and the Cultural Cold War, ISBN 1 86207 029 6.

zondag 19 januari 2014

George Orwell en het burgermansfatsoen


Albert Camus, Victor Serge, George Orwell… Het zijn stuk voor stuk grote auteurs, hun oeuvre getuigt van een ernstige maatschappelijke betrokkenheid, ze bewegen zich links in het politieke spectrum… En de heftige aanvallen die ze te verduren krijgen, komen zowel van rechts als van links.  Ik blijk bijzonder geïnteresseerd te zijn in dat soort volk, zo valt het mezelf ineens op, want die drie hebben al menig spoor in mijn blog achtergelaten.

George Orwell (1903-1950) komt als Eric Blair ter wereld. Vader is koloniaal ambtenaar. Het gezin bevindt zich daarmee ergens in ‘t midden van de maatschappelijke ladder, hoog genoeg om de zoon voor zijn middelbare studies naar Eton College te sturen, te laag om daar ook nog eens universitaire studies op te laten volgen. George Orwell omschrijft zijn afkomst later ironisch als lower-upper-middle class. Bij de Britten kan dat zelfs iets betekenen.
De jonge Eric probeert eerst nog vaders spoor te volgen, maar hij houdt het niet vol tussen de expats. Hij deelt zijn verbouwereerde ouders mee dat hij schrijver wordt. En wat voor schrijver! ‘Ik vond dat ik moest ontsnappen, niet alleen aan het imperialisme maar aan iedere vorm van overheersing van de ene mens over de andere. Ik wilde afdalen, me rechtstreeks onder de onderdrukten begeven, om een van hen te zijn en aan hun kant te staan tegen de tirannen.’
Dat doet hij niet als revolutionair en nog minder als missionaris, hij doet het als auteur en journalist. Zijn engagement gaat hand in hand met zijn schrijverschap. ‘Hoe kun je anders over de armen schrijven? Daarvoor moet je zelf arm worden, ook als het maar tijdelijk is.’ Het is een methode die Jack London hem met The People of the Abyss (1903) voorgedaan heeft en die Günther Walraff later in een imposant oeuvre tot ontwikkeling zou brengen.
Orwell schudt hard aan de boom. Een eerste project voert hem naar Londen en Parijs, waar hij het lot van de zwervers deelt. Hij overleeft als bordenwasser, slaapt in afschuwelijke opvangtehuizen… Down and Out in Paris and London. Van de chique kostschool naar de onwelriekende goot!
In 1936 schrijft Orwell een verslag over de armoede in het noorden van Engeland. Daarvoor gaat hij tussen de mijnwerkers leven. Hij houdt daar het boek The Road to Wigan Pier aan over, en wellicht ook de TBC waaraan hij uiteindelijk zal sterven.
In het tweede deel van dat boek legt hij uit waarom het socialisme een kwestie van ‘common decency’ is. Dat burgermansfatsoen is overigens een constante in Orwells denken.
Als activist vindt Orwell onderdak in de Independant Labour Party (ILP), een partij die links van de grote Labour Party staat. In Spanje heeft die ILP een zusterpartij die POUM heet en in 1936 betrokken geraakt bij de Spaanse burgeroorlog. Zo’n vijfentwintig leden van de ILP trekken naar Spanje om de POUM terzijde te staan. Een van hen is Orwell. Weer koppelt hij een verregaand sociaal engagement aan zijn schrijverschap. In Homage to Catalonia zegt hij het zo: ‘Als je me gevraagd zou hebben waarom ik me had aangemeld bij de militie, zou ik gezegd hebben: “Om tegen het fascisme te vechten”, en als je me gevraagd had waarvóór ik vocht, zou ik gezegd hebben: “Eenvoudig burgerlijk fatsoen”.‘ Common decency!
Tot zijn verrassing moet hij daar niet alleen tegen de fascisten vechten, maar ook tegen de communistische partij die nochtans, net als de POUM en de anarchisten, tegen de fascisten strijdt. In mei 1937 probeert de Spaanse regering immers, daarin aangestuurd door de communisten, de controle over Catalonië af te nemen van de revolutionaire milities die er hun eigen weg gaan. Het is een keerpunt: regering en milities komen nu tegenover elkaar te staan. Orwell is in die dagen niet aan het front, maar met verlof in Barcelona. Op 3 mei wordt hij al wandelend in de stad opgeschrikt door een vuurgevecht. De anarchisten die de telefooncentrale bezetten worden door de regeringspolitie beschoten. Het POUM-kantoor wordt evenees door de gendarmes belaagd en voor hij er erg in heeft, is Orwell zelf in de strijd verwikkeld.
Daar leert hij het stalinisme kennen: ‘Direct na de May Events hadden de communisten de aanval op de POUM geopend door bekend te maken dat er documenten bestonden waaruit bleek dat deze “Spaanse trotskisten” samenwerkten met Franco, Catalaanse fascisten en zelfs Gestapo-agenten. De regering in Valencia trapte erin en stuurde NKVD-agenten naar Barcelona. Die bliezen het verhaal op tot nog grotere proporties: er was een heus spionagenetwerk waar de POUM een onderdeel van was. Het spel werd overtuigend gespeeld, met vervalste documenten en dito getuigenissen. (…) Eerst werd de partijkrant van de POUM onder censuur geplaatst. Op 15 juni werd POUM-leider Andrès Nin gearresteerd en daags erna werd de partij tot illegale organisatie verklaard. Talloze leden en sympathisanten van de POUM werden gearresteerd en opgesloten (…)’
Die gebeurtenissen zouden hem de rest van zijn leven achtervolgen. De aard van het stalinisme was voor hem duidelijk geworden: ‘Het is een echt terreurregime, fascisme opgelegd onder de pretentie van verzet tegen het fascisme, mensen die letterlijk met honderden tegelijk in de gevangenis worden gesmeten en daar maanden zonder proces worden vastgehouden, kranten worden onderdrukt enz. enz.
Die afkeer levert grote boeken op: Animal Farm en 1984. Orwells vrees voor het stalinisme is trouwens erg persoonlijk. Nadat hij het land al verlaten heeft wordt er nog, in 1938, in Spanje een politiek proces tegen hem gevoerd. De aanklacht heeft het over Orwell als zijnde een ‘rabiate trotskist’, een kwalificatie die in die dagen een einde aan je leven kan maken. Orwell vreest inderdaad dat Moskou een dossier over hem aangelegd heeft en dat hij kan vermoord worden.
Die vrees verklaart ook wel ‘s mans latere politieke ontwikkelingen die toch wel merkwaardig genoemd mogen worden. Hij schuift op naar rechts en wordt een heuse patriot die het Verenigd Koninkrijk wil beschermen tegen het rode gevaar.
In 2003 duikt een notitieboekje op waarin Orwell 135 namen genoteerd heeft van personaliteiten, veelal schrijvers, waarvan hij vermoedt dat ze naar het communisme neigen. Hij heeft de lijst, kort voor zijn dood, opgesteld om een vriendin te plezieren die voor de IRD werkt, de Information Research Department, een Britse propagandadienst die de binnenlandse invloed van het communisme in kaart brengt. Hij speelt haar achtendertig namen door: ‘(…) journalisten en schrijvers die naar mijn mening cryptocommunisten en fellowtravellers zijn of daarnaar neigen & die als propagandisten niet zouden moeten worden vertrouwd.’
Over die lijst is uiteraard nogal wat te doen geweest. Stalinisten zien er ongetwijfeld de bevestiging in dat Orwell nooit te vertrouwen geweest is. Hebben ze niet altijd geweten dat hij een 'rabiate trotskist' is? (Onverklaarbaar is dan wel waarom de naam van Isaak Deutcher — wel degelijk een trotskist! — op de lijst voorkomt.) Voor anderen is de lijst het ultieme bewijs van Orwells lichtgelovigheid. Nog anderen haasten zich om de impact van de lijst te minimaliseren. Daartoe behoort ook de vriendin aan wie Orwell die lijst gegeven heeft: ‘O, natuurlijk, iedereen denkt nu dat die mensen bij het ochtendgloren zouden worden gefusilleerd. Maar het enige wat met hen kon gebeuren, was dat ze niet zouden gevraagd worden te schrijven door de IRD.’
Wat moet ik daar nu van denken? De vraag kan vervangen worden door een andere. Zou ikzelf zo’n lijst met namen doorgespeeld hebben? Godver neen! Zo’n lijst (of een andere) doorspelen aan een staatsdienst? Neen. Het (trotskistisch!) politieke engagement dat een groot deel van mijn leven gevuld heeft, behoedt me er ten eeuwigen dage voor om zo'n stap te zetten.
Feit is dat Orwell na zijn Spaanse ervaringen danig naar rechts opgeschoven is. Dat hebben wel meer mensen gedaan die onder de mokerslagen van het stalinisme terechtgekomen zijn. Dat valt te begrijpen, maar het belet tegelijk niet dat Orwell hiermee aantoont dat de common decency, waarop hij zich beroept, bij tijd en wijle bijzonder onfatsoenlijk kan zijn, verwerpelijk zelfs.
Flor Vandekerckhove 

* Marco Daane, Het spoor van Orwell. 2011. Uitg. Atlas A’dam/A’pen. 24,95 €. 351 ps.

donderdag 16 januari 2014

Op zoek naar het vuurtorengevoel


Bell Rock Lighthouse van William Turner.
‘Vuurtorens zijn objecten uit de wereld van de zeevaart. En als bouwwerk zijn ze het resultaat van inspanningen van architecten, ingenieurs en bouwvakkers.  In onze verbeelding blijken ze daarenboven ook nog iets anders te zijn.’ Ik sta buiten, het regent en een cameraploeg registreert hoe ik bij het uitspreken van die belerende woorden met mijn armen begin te zwaaien. We bevinden ons in het Oostendse havengebied, vlak onder de vuurtoren.
De reportage Archibelge (*) heeft het over gebouwen, mensen & hun omgeving en daarin past een item over vuurtorens. Daarin passen ook de woorden waarmee ik dit stuk hierboven aangevat heb. 
Ik vertel de reportagemakers nog meer, want ik heb me goed voorbereid. Ik heb het over een vuurtoren die Bell Rock Lighthouse heet. Die werd tussen 1807 en 1811 in de Noordzee vóór de Schotse kust gebouwd, bovenop een rif waartegen menig schip te pletter gevaren is.
Ingenieur Robert Stevenson was niet weinig trots op zijn prestatie, want de vuurtoren werd al gauw bekend als een van de grootste successen van de moderne negentiende-eeuwse bouwtechnieken. Het werk mocht gezien worden, zo meende Stevenson terecht en in 1819 gaf hij opdracht aan Joseph Mallord WilliamTurner om een frontispice te ontwerpen voor zijn 'Account of the Bell Rock Lighthouse'.
Met dit verhaal leid ik de reportagemakers weg van de al te concrete vuurtoren die achter mij prominent aanwezig is. Ik leid ze naar een plek die ze niet kennen en waarover ze me bijgevolg geen concrete vragen zullen stellen. Ik leid ze doelbewust naar William Turner waarover ik een aardig eindje kan weglullen. Eens bij Turner aangekomen laat ik me goed gaan en de imaginaire dimensie van de vuurtorens openbaart zich, ten behoeve van de kijkers, in al zijn pracht, praal en heu, glorie.
De marine die Turner aan Stevenson bezorgt, komt mij daarbij goed van pas, want men weet dat de schilder het bouwwerk nooit met eigen ogen gezien heeft. Stevenson is desondanks zeer tevreden over het tableautje dat Turner vanuit zijn verbeelding heeft opgeroepen. Het komt vooraan in de brochure te staan, waar het inderdaad een vuurtorengevoel weet op te wekken.
Boudewijn Büch heeft over dat vuurtorengevoel geschreven. Hij noemt het ‘de eenzaamheid in haar meest bizarre, dus schoonste gestalte.’ Da’s mooi gezegd, maar heeft het ook iets te betekenen?
Turner toont ons in die marine een eenheid van tegenstellingen. Er is de zee die overweldigend aanwezig is, met al de imaginaire connotaties die aan dat beeld vasthangen en die inmiddels de status van cliché verworven hebben. De zee staat voor de natuur. De zee is de oermoeder waaruit alle leven voortkomt. De zee is het vrouwelijke. Er gaat aantrekkingskracht van uit, maar ook gevaar. De zee is daardoor niet alleen moeder, maar ook minnares en zelfs femme fatale. De zee geeft en de zee neemt, is eros en thanatos. De vuurtoren symboliseert dan weer iets helemaal anders. Je moet al heel ver wegkijken om daar geen fallus in te zien. En wanneer die dan ook nog eens, zoals in het schilderij van Turner, in een orgasme van hoog opspattend schuim, haast helemaal in de zee verdwijnt, dan is ’t beeld compleet.
Vuurtoren en zee staan tegenover elkaar als man en vrouw, als cultuur en natuur, als economie en ecologie. Het zijn elementen die elkaar tegenspreken, maar ze houden ook een belofte van eenheid in; het zijn tegenstellingen waarvan we diep in ons hart — en hoe langer hoe meer ook in onze portefeuille — aanvoelen dat ze overstegen kunnen/moeten worden. En waar we maar niet in slagen. We ervaren die impasse als eenzaamheid ‘in haar meest bizarre, dus schoonste gestalte’.
In 1927 publlceert Virginia Woolf To the Lighthouse. Een familie maakt plannen om de nabijgelegen Godrevy vuurtoren te bezoeken. Het komt er maar niet van. De vrouw des huizes, mrs Ramsay, is zelfs al overleden wanneer de tocht naar het rotseilandje uiteindelijk toch nog aangevat wordt. De vrouw kan het niet meer meemaken, alhoewel ze bij leven en welzijn door de aldaar staande vuurtoren gefascineerd was, ‘alsof hij met zijn zilveren vingers een of ander compartiment in haar geest streelde, dat, wanneer het open zou barsten, haar met vreugde zou vervullen.’
Mooier kan een belofte van eenheid niet beschreven worden, vind ik. Maar het blijft wel bij een belofte.  Hoe zou het anders kunnen? Virginia Woolf schrijft haar boek in een tijd waarin de burgerij (of toch het deel ervan dat zich in haar kring bevindt) haar eigen burgerlijke waarden in vraag begint te stellen. In vraag stellen? Ja. Oplossen? Neen! Ze heeft het daarover in een brief: ‘Ik bedoelde niets met de vuurtoren. Ik kan me alleen maar op een vage, generaliserende manier met symbolen bezighouden (…) op het moment waarop iemand me vertelt wat iets betekent, wordt het voor mij weerzinwekkend.
Zeedijk Oostende. Rock Strangers van Arne Quinze.
Weerzinwekkend. Aan dat woord moest ik later die dag nog eens denken. Met de filmploeg waren we oostwaarts gereden, naar ’t Hoog licht in Heist, een bouwwerk dat ook nogal wat vuurtorengevoel weet op te wekken.  Samen met een goed ingewijde pharofiel bestegen we de toren. Helemaal boven keken we uit op… een rij flatgebouwen die tussen de vuurtoren en de zee gebouwd werd. 
Weerzinwekkend inderdaad, net zoals de Rock Strangers van Arne Quinze, op de Zeedijk in Oostende, weerzinwekkend zijn.  Ook zij staan op de rand van land en water, waar ze getuigen van de impasse waarin deze maatschappij terechtgekomen is. Voor de burgers die er vlak achter wonen zijn het daardoor echt wel hinderlijke beelden. Van zodra die burgers uit het raam kijken, zien ze daar die opdringerige Rock Strangers staan die hen genadeloos wijzen op een genetisch gebrek in het kapitalisme — hún kapitalisme! — dat niet in staat is de tegenstelling van natuur en cultuur in een synthese te overstijgen.  Groots kunstwerk, zou wellicht ook Virginia Woolf gezegd hebben, en weerzinwekkend in zijn 'concreetheid'.
Het blijft bijgevolg zoeken naar datgene wat ons, in de woorden van Virginia Woolf, met vreugde zou vervullen mocht het openbarsten. Het vuurtorengevoel van mrs Ramsay smeult ook vandaag nog. Is het niet aan De Laatste Vuurtorenwachter om dat vuur weer op te stoken? Ja toch, waarom zou ik daar anders voor het oog van die camera met mijn armen staan zwaaien, als ware ik zelf een vuurtorenlicht? In de regen nog wel. Op mijn leeftijd! 
Flor Vandekerckhove

(*) Trailer op http://vimeo.com/58870958.  De reeks van drie reportages werd aangekocht door de door de Franstalige televisie en door Canvas. De reportagemakers denken dat de reeks zal uitgezonden worden op het einde van 2014.

zaterdag 11 januari 2014

Middenberm


Omdat ik in dat station nog een andere trein moet nemen, stap ik als eerste uit. Tussen twee stilstaande treinen loop ik vlug de kade af. Ik vind de uitgang niet en loop heel de weg terug. Geen uitgang!
Net wanneer ik me begin af te vragen waarom ik daar helemaal alleen loop, rijdt een van de treinen weg. Een doek wordt opzij geschoven. 
Het toneel dat zich ontvouwt is even dramatisch als lachwekkend.  Dat laatste vooral voor de tweehonderd pendelaars die op het perron neerkijken op die ene mens die vanaf de middenberm naar hen staat te kijken.
Flor Vandekerckhove

vrijdag 10 januari 2014

Drie geheimen, deel II


Nadat mijn hartslagmeter door ’t vele joggen versleten was, ging ik uiteindelijk over tot de aankoop van een sporthorloge-met-alles-op-en-aan: snelheid, kilometers, tijd, calorieverlies, hartslag, hoogteverschil en temperatuur. In de doos zaten naast dat horloge wel tien boekjes, plus een groot aantal voorwerpen. De vensterbank geraakte onder ’t materiaal bedolven. Helaas ontbrak er wel een stuk!
Gestimuleerd door mijn lage stressdrempel belde ik de winkel, eiste de verantwoordelijke aan de lijn en sprak hem vermanend toe. Dat er een stuk ontbrak had deze Davy nooit eerder meegemaakt. (Wat ik in twijfel trok.) Ik mocht een vervangstuk halen. (Wat ik maar normaal vond.) Vijfentwintig kilometer heen, vijfentwintig terug. Trillende handen, zenuwtrekje. Davy was maar wat blij dat ik weer weg was.
De daaropvolgende dag was het horloge voldoende geladen om het af te kunnen stellen. Weer trillende handen, zenuwtrekje, lage stressdrempel. De Engelse instructies verdwenen plotsklaps van het schermpje. Russisch nam er de plaats van in! Trillende handen, zenuwtrekje, lage stressdrempel. wat ik ook probeerde, Russisch was ’t en Russisch bleef het.
Ik belde Davy die nog heel goed wist wie ik was. Ik zei: ‘Davy, je hebt me een horloge aangesmeerd dat al gebruikt geweest is. Er is niet alleen dat ontbrekende stuk, er is ook iets met de instellingen, want die zijn in ’t Russisch! Ken jij Russisch Davy? Wel, ik niet!’  Ik gaf hem de tijd niet om een smoes te bedenken en sommeerde hem om mij te assisteren bij het in werking stellen van deze aankoop die ik, zo gaf ik hem nog mee, me inmiddels al danig beklaagd had. Davy durfde niet te weigeren. Drie minuten later stond alles op punt. Kinderspel.
En zo komt het dat ik nu aan mijn pols een horloge draag dat me, terwijl ik aan 't joggen ben, perfect op de hoogte houdt van mijn vorderingen, dat wil zeggen van het gebrek daaraan. Ook de hoogteverschillen van dit parcours doorheen de polders hebben niets om ’t lijf, zo kan ik nu cijfermatig constateren.
Gisteren kwam de werkster mijn appartement schoonmaken. Toen ik haar daarvoor wilde betalen, zag ik op mijn gekuiste vensterbank een ding liggen. In een gesloten plastic hoesje! Het ontbrekende stukje! Dat had ze, zei de werkster ongevraagd, achter de radiator onder de vensterbank gevonden. Ik moffelde het in mijn broekzak en besloot om er nooit iemand iets over te vertellen. Deze gebeurtenis moest een geheim blijven. Zeker voor Davy van de sporthorlogewinkel.
Flor Vandekerckhove

Drie geheimen, deel I


Als een Moldau van Smetana heeft
het zich van hot naar her verplaatst.
Het liefdesleven van sommigen gelijkt op een stilstaand water. Zo’n liefde ligt, zo lijkt het wel, waar ze altijd al gelegen heeft. Op de map der liefdeshistories kun je die plek geblinddoekt aanwijzen, net zoals je met zekerheid weet waar het Meer van Genève ligt of de Lac van Loppem. 
Dat wil niet zeggen dat er niets over te vertellen valt, want stille waters hebben diepe gronden. Ze hebben tegelijk ook ‘t voordeel dat je er de valkuilen van kent, de ondiepten en de zuurtegraad. Je zult er dan ook niet gauw in verdrinken.
Een liefdesleven waarin je niet verdrinken kunt… Ik weet niet wat ik ervan moet denken. Mijn eigen liefdesleven, zo heb ik moeten constateren, kun je bezwaarlijk als een stilstaand water omschrijven. Als een Moldau van Smetena heeft het zich van hot naar her verplaatst, meanderend, moeilijk binnen de oevers te houden, nu eens kabbelend, dan aanzwellend en meer dan eens alles met zich meesleurend; altijd onderweg, altijd anders.
Ook dat heeft voordelen. Je weet niet wat er op je afkomt, maar verrassend is het altijd; je komt al eens op plekken waar je anders niet zou komen; je blijft bewegen, wat goed voor je gezondheid heet te zijn; je leert open te staan voor het nieuwe, het andere, wat Voka een pluspunt noemt. Al die voordelen beletten dan weer niet dat je je onderweg meer dan eens afvraagt of het ook ergens uit zal monden.
Inmiddels is het wel zover. Ook mijn Moldau heeft eindelijk zijn Elbe bereikt en de finale die ik daar mag meemaken moet, zo constateer ik met genoegen, geenszins onderdoen voor deze van Smetana.  Eind goed, al goed.
Ik moest meedelen welke dames ik in gedachten had. 
Dat durfde ik niet bekend te maken.
Een aantal jaren geleden was dat bijlange het geval nog niet. Ik beleefde toen een knipperlichtrelatie. Soms was ’t aan, soms was ’t uit. Dat was iets waarmee ik maar moeilijk om kon gaan. En zo komt het dat ik in de uitfases (die overigens in frequentie en duur voortdurend toenamen) nogal eens op zoek ging naar wat managers een nieuwe uitdaging noemen.
Iemand zei me dat je daarvoor niet eens ’t huis moet verlaten, dat het internet vol zit met bereidwillige dames die zich als potentiële partner presenteren. Dus probeerde ik me daar, via zo’n gespecialiseerde site, een weg naartoe te banen.
Nadat ik mijn leeftijd ingetikt had, moest ik meedelen welke dames ik in gedachten had. Dat durfde ik, ook omdat de NSA meekijkt, niet bekend te maken. Op alle andere vragen antwoordde ik nihil. Werk: nihil, hobby’s: nihil; geslachtsziekten: nihil; haar: nihil. De lijst was daarmee verre van afgewerkt, maar ik gaf er onderweg de brui aan en stuurde het formulier half ingevuld weer op.
Groot was mijn verwondering toen ik ’s anderendaags de Mac opende. Vijfenveertig kandidaten beantwoorden aan uw profiel. Voor mijn begerig oog ontplooide zich een rist foto’s van dames die zich zeer wel konden vinden in het profiel van een man zonder werk, zonder haar, zonder geslachtsziekten en zonder hobby’s.
Omdat mijn meanderend liefdesleven me inmiddels wel geleerd had vrouwen-met-een-hoek-af te detecteren, kon ik al gauw vierenveertig kandidaten elimineren. De overblijvende vrouw was vijf jaar eerder weduwe geworden en vond dat de tijd rijp was om een nieuwe stap in ’t leven te zetten.
Ik bekeek de foto. Een vrouw die overduidelijk vijf jaar in verdriet geleefd had, keek met een triest lachje recht in de lens. Het kan haast niet anders dan dat ze Maria heette. Ik stelde me voor dat de fotograaf haar dochter was. Die wist met haar moeder geen blijf meer. Het internet moest aan de impasse een einde maken.
Rechts werd de ruime wooneenheid op een
verantwoorde wijze onderbroken
door een keukenmeubel dat daar misschien
wel door Donald Muylle geplaatst werd.
De foto moest tonen wat de vrouw allemaal in huis had. Letterlijk. Ze stond naast een tafel waarvan het blad alleen maar spiegelglad genoemd mag worden. Rechts werd de ruime wooneenheid op een verantwoorde wijze onderbroken door een keukenmeubel dat daar misschien wel door Donald Muylle geplaatst werd. Links stond een fauteuil met haakwerkje op de rugleuning. Zelf had ze zondagse kleren aangetrokken. Uit haar profiel vernam ik dat ze aan bloemschikken deed. 
Meer moet ik niet zeggen zeker? Ik klapte het deksel van mijn Mac dicht en besloot deze vernederende ervaring voor iedereen geheim te houden. Meanderend, hotsend, botsend en klotsend trok ik verder langs het ondoorgrondelijke liefdespad dat de goede God in al Zijn wijsheid voor mij uitgestippeld had. 
Nu en dan denk ik nog eens aan Maria, in de hoop dat ze inmiddels de geschikte man gevonden heeft waarmee het goed dobberen is op haar eigen, spiegelgladde Lac van Loppem.
Flor Vandekerckhove

zaterdag 4 januari 2014

De herkerstening van Bredene


Bert Ruysschaert (1915-2000)
Na de Tweede Wereldoorlog nodigt de pastoor van Bredene-Sas de jonge onderwijzer Bert Ruysschaert uit voor een goed gesprek. Hij krijgt de opdracht om daar een jongensschool op te starten ‘bedoeld als een katholieke dam in de rode burcht’.  Ruysschaert stemt toe en hij engageert zich tegelijk in de gemeentepolitiek 'om te pogen op te tornen tegen de rode vloedgolf die Bredene overspoeld had.'  Het katholieke offensief was alomvattend. Zelfs een patersorde wordt naar Bredene gehaald: ‘Zij kregen de opdracht de rode Nukkerwijk te herkerstenen.’ Er liggen voorwaar spannende tijden in het verschiet.
Later, veel later, schrijft Ruysschaert zijn memoires over die periode. Zijn ‘Herinneringen uit de schoolstrijd te Bredene’ zijn in veel opzichten merkwaardig. Het werkje dateert uit de tijd van de stencilmachine, met alle gevolgen van dien. Maar hoe amateuristisch de bundel naar vorm en inhoud ook oogt, hij bevat tegelijk wel een schat aan informatie. Meer zelfs, Ruysschaert slaagt erin deze beruchte tijd weer op te roepen, een kleurrijke periode die veel oudere Bredenaars zich ongetwijfeld herinneren. Zelf heb ik die periode in mijn roman De Poldergeesten van Bredene verwerkt. Ruysschaert heet daarin Roesschaert. Een van zijn tegenspelers, de socialistische politica Germaine Vansteenste, luistert in dat boek naar de naam Hélène Wouters.
In 1948, bij de eerste na-oorlogse gemeenteraadsverkiezingen, lijden de katholieken in Bredene een verpletterende nederlaag. Dat komt mede doordat ze in gespreide slagorde naar de kiezer trekken, gevolg van tegenstellingen die tijdens de oorlog op scherp gesteld werden: ‘De nederlaag van de katholieken lag in de naweeën van collaboratie en repressie. Tegenstellingen tussen zwart en wit, die ik acht jaar later met eindeloos geduld en de nodige doortastendheid ten slotte kon oplossen.’
Ook bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1952 delven de katholieken het onderspit ‘vooral als het gevolg van de koningskwestie, waar zij toegegeven hadden aan het straatgeweld, en ook aan het niet oplossen van het repressievraagstuk.’
De memoires van een dorpspolitieker staan uiteraard vol pittige anekdoten waaraan de politieke folklore zo rijk is. ‘De kleine menselijke factoren speelden hun rol op een kleine gemeente, waar men elkaar te goed kent, beknibbelt, belastert en probeert in de vernieling te duwen.’ Wat dacht u van deze? ‘De katholieke partij met een scherts-figuur, Maurice Lams als kopman leed een smadelijke nederlaag. Maurice had nochtans reeds zijn ceremoniepak besteld en bekenden uitgenodigd om zijn burgemeesterschap te vieren. Hij had reeds optie genomen op een wagen, een luxe in die tijd.’
Ruysschaert is meer dan zomaar betrokken partij, hij komt hoe langer hoe meer centraal in de gebeurtenissen te staan. In 1954 vormen socialisten en liberalen een regering onder premier Achilles Van Acker. De zgn. Wet Collard luidt de periode van de schoolstrijd in. Het katholiek onderwijs gaat in ’t verzet en dat wordt in Bredene geleid door Ruysschaert. Met succes want ‘Bredene was na één jaar (…) niet alleen bekend maar ook berucht voor zijn schoolstrijd’.
De gemeente wordt radicaal doormidden gespleten. Enerzijds heb je de socialisten die zich rond het blad Onze actie groeperen. Daar tegenover staan de katholieken die De stem van Bredene uitgeven, titel die later veranderd wordt in Recht voor allen, zoals ook de katholieke partij in 1958 zal heten.
Ruysschaert heeft zich opgewerkt tot voorman en schrijft met verve het partijblaadje vol. Van zichzelf vindt hij dat hij dat goed doet: ‘”Onze actie”, het socialistische orgaan was veel minder goed opgesteld: veel te lange zinnen, omslachtige uiteenzettingen, niet recht op de man af. Onze titels echter kwamen dan ook als mokerslagen aan.’
De strijd gaat naar een hoogtepunt wanneer de gemeenteraadsverkiezingen van 1958 naderen. ‘Toen schreef “Onze actie” venijnig proza tegen de oorlogsburgemeester Oscar Poppe, die de laatste plaats innam op de anti-socialistische lijst “Recht voor allen”. “Poppe, wij weigeren met U te zetelen, er kleeft bloed aan Uw handen. Wij verlaten de gemeenteraad als gij verkozen wordt".’
Het antwoord van de antisocialisten volgt prompt. In een speciale editie van Recht voor Allen wordt een foto gepubliceerd van de socialistische Germaine Vansteenkiste, liggend in het koren, rug aan rug met een Duitse marinesoldaat. ‘En als de hetze tegen oorlogsburgemeester Poppe niet stopt publiceren wij nog foto’s.’
Dat waren nog eens tijden! Ruysschaert is er tijdens het schrijven van zijn memoires nog steeds trots op: ‘Ik ben er nog altijd van overtuigd dat wij grotendeels door onze pers de schoolstrijd wonnen.’
Naast de strijd om de pers was er ook de strijd om de straat. Ook daar ging het hard tegen onzacht. ‘De meest bewogen plaktocht was deze juist voor de nationale verkiezingen van 1958. Amedé Steen, loodgieter te Bredene-Duinen, gaf ons een schriftelijke toelating te plakken op een bunker, gelegen op een stuk grond dat zijn eigendom geworden was. Wij plakten de bunker vol. De socialisten kwamen na ons en overplakten alles. Toen wij wilden beginnen met opnieuw te overplakken, daagde de groep socialistische plakkers op. Het bleef niet bij schelden en roepen. Schepen Vermoortel gaf Oscar Vandenbroucke een duw en kreeg prompt een vuistslag terug op zijn oog. Gekloven wenkbrauw en een haakje erin. De deur van het autootje van Recht voor allen, werd brutaal toegeworpen. Oscar Vandenbroucke zat er met zijn vingers tussen. Oscar trok naar dokter Tack, die hem verzorgde, terwijl de plakploeg buiten de wacht hield. (…) Het ganse politiecorps van Bredene en twee rijkswachtkombi’s werden erbij gehaald. Kommissaris Verhelst las het toelatingsbewijs, gaf het terug en verklaarde plechtig: “Jongens, doe uw plicht”.’
Tijd om af te sluiten. Uiteraard met weer een anekdote: ‘De gebroeders Hans en Norbert Haeck behoorden elk bij een ander kamp. Hans stond bij de socialisten. Norbert bij ons. Hij was eens met beide voeten in een emmer pap terechtgekomen.’ Blijkbaar plakte dat spul toch niet genoeg opdat Norbert aan Ruysschaerts partij zou blijven kleven.
De partij van Ruysschaert? Na de verkiezingen van 1958 treedt hij af als voorzitter van de CVP: ‘en ik verliet de partij, zonder spijt, zonder wrok, zonder ruzie, maar totaal ontgoocheld. Ontgoocheld, niet alleen als Vlaamsbewuste, maar als Vlaamsstrijdende. (…) Het duurde zes jaar vooraleer ik een lidkaart nam van de Volksunie.’
Omdat de geestelijkheid hem niet volgt in zijn plan om in Bredene één grote katholieke lagere school te bouwen, met een lager middelbare afdeling, verlaat hij niet alleen de partij, maar ook het onderwijs en de gemeente. ‘Ik was niet volgzaam genoeg en stond te onafhankelijk tegenover de geestelijkheid’. Wanneer hij zijn memoires schrijft is van enige verbittering niets meer te merken: ‘Mijn werk op Bredene was niet nutteloos. Dit is nu mijn stelligste overtuiging.’
Flor Vandekerkhove

Bert Ruysschaert, Hard tegen onzacht, Herinneringen uit de schoolstrijd te Bredene (1954-1958). Het werk wordt uitgeleend in de Heemkring Ter Cuere.

vrijdag 3 januari 2014

Hoe ik De Laatste Vuurtorenwachter geworden ben


De vuurtoren zoals Heman Dewit hem schiderde (zie http://hermandewit.blogspot.be.)
Toen de telefoon ging besefte ik meteen wat er gaande was. Mijn nummer was alleen maar bij het bureau bekend, het kon alleen maar vanuit dat bureau zijn dat iemand me belde.
De juffrouw was kort, zakelijk. De opdracht zou me voor onbepaalde tijd naar de kust brengen. Er was kost & inwoon en een behoorlijk loon aan verbonden.
Ik maakte er meteen werk van en trok de stad in om mijn papieren af te halen. Achter het raam zag ik de juffrouw zitten. Ik wuifde, zij wuifde niet terug. In het kantoor tekende ik het contract en de juffrouw gaf me nog mee dat mijn bestemming zich in Oostende bevond, en wel vlak naast de vuurtoren. Het zal daar ongetwijfeld goed toeven zijn, zei ze. Ja, antwoordde ik.
Ik nam de trein en daarna de kusttram tot aan de vismijn. De rest van het traject deed ik te voet. Het regende en ik voelde de ijzige noordenwind door mijn kleren waaien. Het werd me meteen duidelijk dat het daar alleen maar goed toeven is als je een warme trui aan hebt.
Op heel de kaai was maar één mens te zien. Man met pet. De waterdruppels verzamelden zich op die pet en vielen vervolgens als een watervalletje op zijn neus waar ze enige tijd stalagtietgewijze bleven hangen. Hij stond daar in de gietende regen naar het water in het dok te turen en deed verder niets. Toen ik hem passeerde keek hij niet eens op.
Het huis was 't laatste van de lange rij die op het dok uitkeek. Geen bel, maar de deur was niet op slot en ik liet mezelf binnen. Ik kwam in een oud stapelhuis terecht, riep hallo en liep intussen de trap op die me naar een sober bemeubeld appartement leidde.
Wat doet een mens in zo’n situatie? Hij doorloopt het gebouw, roept nu en dan hallo hallo, keert op zijn passen terug en bekijkt de formulieren nog eens. Ten langen leste belt hij het bureau op, waar niemand antwoordt.
Door het raam zag ik die ene man in ‘t water turen. Ik liep de kaai op, wilde vragen van wie dat huis was, maar kreeg er de gelegenheid niet toe. Zonder op te kijken zei hij: ‘Niemand gezien zeker?’ En zonder mijn antwoord af te wachten voegde hij eraan toe: ‘Ik zou maar weer naar binnen gaan, als ik u was.
Kwam het door zijn stem? In elk geval was het mij meteen duidelijk dat hij gelijk had. Ik moest gewoon doen wat me gevraagd werd. In afwachting dat mijn taak me duidelijk zou worden, kon ik in het huis alvast genieten van de kost & inwoon die in het contract beschreven stonden. De koelkast bleek inderdaad goed gevuld. Na het eten maakte ik het bed op en tegen alle verwachting in sliep ik daarna rustig de nacht rond.
’s Anderendaags zat er een brief in de bus, aan mij gericht, die ongeveer als volgt ging: Geachte heer, Uw taak bestaat erin te wachten. Zolang de opdracht duurt wordt U maandelijks de som van zoveel frank overhandigd. U moet daarvoor wel permanent aanwezig blijven. Levensmiddelen e.d. worden U door onze diensten bezorgd. Houd a.u.b. goed de vuurtoren in het oog. Hoogachtend, de juffrouw.
Dat is dan ook wat ik sindsdien doe. Elke nacht volg ik het vuurtorenlicht. Eerst nog achteloos, maar al gauw begint de stralenbundel me te interesseren en daarna zelfs te boeien. Ik heb het bed tot vlak tegen het raam geschoven. Van zodra het licht zich in beweging zet, vlei ik me neer en begin ik het ritme te volgen. Slapen doe ik pas nadat het vuurtorenlicht gedoofd is.
Overdag kijk ik naar die ene man die in ’t water staat te turen. Inmiddels heb ik hem een naam gegeven. De Laatste Waterwachter blijft doen wat hij al die tijd gedaan heeft. Wat me eerst onnuttig leek, is inmiddels een evidentie geworden. Waarom zou niemand het water in ’t oog houden? Heeft niet iedereen een taak in ’t leven? Wat mezelf betreft zie ik maar weinig verschil. Meer zelfs, ik voel me met de man verwant. Zijn wij niet degenen die daar een taak hebben, en wel als enigen?
Als enigen? Dat was lang zo, maar nu niet meer. Het was zo tot een oude lijnbus op de hoek stopte. De chauffeur bleef eerst nog rustig achter het stuur zitten. Twee uur later kwam er enige beweging in die mens. Nog een uur later stapte hij uit. Hij liep rond zijn bus, stapte weer in en daarna weer uit de bus en ging kordaat op de man af die honderd meter verder naar het water aan ’t turen was.
Die antwoordde niet op de vraag die de chauffeur hem niet eens had kunnen stellen. Ik zag het armgebaar waarmee hij de chauffeur weer naar zijn bus stuurde: ‘Niemand gezien zeker. Ik zou maar weer naar binnengaan als ik u was.’ De chauffeur keerde op zijn stappen terug, net zoals ik dat zoveel jaar eerder eveneens gedaan had. Hij werd De Laatste Mensenwachter. 
We zijn inmiddels een kwarteeuw verder. In de bus heeft hij het naar zijn zin gemaakt; tafel, bed, alles wat een mens voor de rest nog nodig heeft. Honderd meter verder staat De Laatste Waterwachter in het dok te staren. Ik weet dat De Laatste Mensenwachter me in ’t oog houdt, zoals ikzelf die twee op de kaai in ’t oog blijf houden. We spreken niet met elkaar, maar we zijn verenigd in dezelfde opdracht: het werk afmaken.
Binnenkort word ik vijfenzestig en ik ben blij dat ik nog altijd aan de slag kan. Mij krijgen ze er niet onder, want ik ben De Laatste Vuurtorenwachter. Mijn vriend De Laatste Mensenwachter geeft het ook niet op, en De Laatste Waterwachter hopelijk evenmin, want — kijk eindelijk eens met hem mee — het zeeniveau is nu toch wel vervaarlijk rap aan ’t stijgen.
Flor Vandekerckhove

donderdag 2 januari 2014

Ernst Bloch, onleesbaar maar interessant


Op 13 augustus 1961 bevinden Ernst Bloch en zijn echtgenote zich in Bayreuth, een stad in wat toen nog de BRD heette, West-Duitsland. Daar wonen de Blochs niet. Hun appartement bevindt zich aan de andere kant, in de DDR, Oost-Duitsland. De Blochs hebben evenwel van de Oost-Duitse overheid toestemming gekregen om de grens over te steken om in ‘t Westen de voorstelling bij te wonen van de Ring des Niebelungen, de bekende operacyclus van Richard Wagner.
’s Avonds, na afloop van Die Wallküre, verlaten de Blochs het Festspielhaus. Ze weten niet welke historische gebeurtenissen zich op dat moment elders in Duitsland afspelen.’s Anderendaags worden ze van de bouw van ‘de muur’ ingelicht. Bloch twijfelt, maar besluit toch om niet terug te keren. Hij wordt een burger van de Bondsrepubliek.
Bloch (1885-1977) is op dat moment al 76. Hij heeft wereldwijd een reputatie opgebouwd als filosoof. Als denker heeft hij een aparte positie weten in te nemen. Hij kan omschreven worden als een romantisch marxist. Filosofisch mag hij onafhankelijk zijn, politiek heeft hij toch wel een moment teveel aan het handje van het stalinisme gelopen.
Tot een breuk met dat stalinisme komt het wanneer de Sovjets in 1956 het opstandige Hongarije binnenvallen. Zijn oud-kameraden trekken vervolgens een lastercampagne op gang waarbij ze Bloch in 't vizier nemen, en dat bepaalt uiteraard mee zijn keuze om in 1961 niet meer naar de DDR terug te keren.
Maar hij blijft wel marxist, zo zegt ons zijn biograaf: ‘(…) il décevait donc tous ceux qui (…) avaient spéculé (…) sur son éventuel éloignement du marxisme et une éventuelle conversion du philosophe au libéralisme démocratique. Car, tout en avouant qu’il y avait effectivement  beaucoup plus de libertés à l’Ouest, dans les sociétés libérales de consommation, Bloch demeura — contre toute attente — un témoin critique et sensible de son temps et un observateur critique, étant toujours hostile au capitalisme, continuait de défendre, à partir de son nouveau poste et champ d’action à Tübingen, la cause des opprimés et des exploités.
Letterlijk en figuurlijk bevrijd van het stalinisme begroet hij de gebeurtenissen van 1968 met grote vreugde. De legendarische studentenleider Rudy Dütschke (die op dezelfde dag als Bloch de DDR achter zich laat) en de oude filosoof ontmoeten elkaar. Bloch verklaart zich solidair met de opstandige jongeren.
De weg die hij daarvoor heeft moeten afleggen is lang geweest.  In 1937 staat hij bijlange zo ver nog niet. In dat jaar bevindt hij zich in Praag. Hij werkt er mee aan een nauw bij de Communistische Partij aanleunend antifascistisch blad: ‘Certains des articles publiées par Ernst Bloch dans la « Neue Weltbühne » (…) qui peuvent nous étonner par leur ton polémique et leur dogmatisme, attestent cependant de l’incapacité, voire du refus obstiné d’Ernst Bloch de vouloir admettre la vérité sur l’état réel de l’ Union Soviétique, à l’époque des purges staliniennes (de la ‘tchistka’), de la persécution de l’opposition de gauche (trotskiste) et des Procès de Moscou. (…)’ In die tijd verdedigt Bloch de stalinistische these van het ‘hitlero-trotskisme’ die uiteraard alleen maar tot doel heeft de antistalinisten in een slecht daglicht te plaatsen. Ziet Bloch dat niet? Een Franse journalist die zijn twijfels uit over de zgn. Processen van Moskou, krijgt met Bloch te maken. Wee degene die ‘het proces tegen de machinaties van de triade (bestaande uit het nazibeest, de roofzuchtige Japanse staat en de trotskistische haat) wil bagatelliseren, misprijzen of belasteren.’ Dat trotskisme zou, dixit Bloch in 1937 nergens toe leiden of ’t zou naar de invoering van het kapitalisme in Rusland zijn en dus naar de triomf van het Duitse fascisme. ‘Dat is’, zo besluit Bloch, ‘de echte reden van dat proces; het is daar dat je kan zien waarop de samenzweerders gegokt hebben.’ Hoe valt zo’n uitspraak te verklaren in zo’n zwarte periode voor het communisme, met name de jaren waarin de Sovjet-Unie verstikt wordt onder de stalinistische repressie?
Het kwam wel meer voor dat grote intellectuelen in die tijd een dogmatische, stalinistische visie aanhingen. Dat dit ook bij Bloch het geval was, is des te vreemder omdat, zo stelt zijn biograaf Münster, zo’n dogmatisme in zijn filosofie nergens weer te vinden is.
Dat politieke dogma is dan ook even simpel als het fout is: omdat de Sovjet-Unie het socialistische vaderland is moet Stalin gesteund worden en niet Trotski. ‘[C]ela ne peut être expliqué que par un aveuglément politique temporaire du philosophe et par le fait de son engagement politique pour le communisme soviétique de cette époque était a priori déterminé par son engagement antifasciste radical.’
Feit is dat Bloch zich dat artikel achteraf nog niet weinig beklaagd heeft. Daar zijn bewijzen van. Wanneer hij in 1968-69 al zijn artikels uit de jaren dertig bijeenbrengt om ze in zijn verzameld werk onder te brengen, wil hij te allen prijze vermijden dat het betreffende stuk daarin opgenomen wordt. De weglating wordt evenwel ontdekt en in 1970 breekt er een schandaaltje over uit. Twee jaar later verzorgt de filosoof Oskar Negt een boek waarin het betreffend stuk wèl opgenomen wordt. Het blijkt, zo maakt Negt in zijn inleiding duidelijk, de enige misstap van een anders wel integere filosoof te zijn.
Van ’s mans integriteit is de anarchist Arthur Lehning (1899-2000) dan al lang overtuigd. Hij ontmoet Bloch in 1926 in Parijs. Aan zijn vrouw schrijft Lehning: ‘Hij is een van de interessantste mensen die ik ken, maar onbegrijpelijkerwijze marxist.’ Hij strikt Bloch voor zijn tijdschrift i10. Ook de Belgische trotskist Ernest Mandel (1923-1995) is een goede kennis van Bloch. In diens biografie vermeldt Stutje: ‘Bloch en Mandel gingen openhartig met elkaar om en deelden de zorg om Rudy Dutschke die verordonneerd was Engeland te verlaten. Mandel was veel gelegen aan de vriendschap (…) Blochs werk herlas Mandel keer op keer, zoals hij Marx en Hegel bestudeerde.’ 
Wanneer zowel een anarchist als een trotskist de lof van Bloch zingen dan wil dat wellicht wel zeggen dat diens stalinistische ontsporing inderdaad niet meer dan een accident de parcours is.
Maar wat moeten we denken van ’s mans filosofie? Volgens Leszek Kolakowski (een communist die later communistenhater werd, en die bijgevolg over de essentie van Blochs filosofie niet te spreken is) is dat werk wel degelijk van belang: ‘Vergeleken met de stijve schemata van het Russische dialectische materialisme is het denken van Bloch niet alleen rijker, genuanceerder en veelzijdiger, het heeft ook het voordeel dat het onmogelijk lijkt het om te smelten tot een partijprogramma of een verplichtend “wereldbeeld” van de staat. (…) Op enige wezenlijke punten wijkt het zover af van de schemata van het marxisme-leninisme dat het volstrekt niet te verenigen is met de officiële doctrine. In de eerste plaats bevat het een soort rehabilitatie van de godsdienst (…); de godsdienst heeft voor Bloch een constante en onvernietigbare kern die op een of andere manier in het futuristische marxisme bewaard moet blijven.
Zelf heb ik enige teksten van Bloch proberen te lezen, maar aangezien die niet in ’t Nederlands beschikbaar zijn, mijn Duits erg wankelbaar is en Bloch bijzonder ingewikkelde redeneringen maakt, blijft deze filosoof voor mij helaas onleesbaar.
Ja, de tekortkomingen van de jeugd blijven de oudere mens tot op de
valreep achtervolgen. Had ik maar beter moeten opletten tijdens de lessen Duits die me destijds met zoveel zorg gegeven werden. Tegelijk is het toch ook wel schandelijk dat er nog altijd geen significant werk van deze filosoof in ’t Nederlands vertaald werd. Dat zegt ook Joke J. Hermsen in een boek waarin ze een pleidooi houdt voor een langzame toekomst. Blochs meesterwerk Das Prinzip Hoffnung is volgens haar ‘nauwelijks te vergelijken met enig ander boek uit de geschiedenis van de westerse filosofie. Bloch mengt politieke analyses met filosofische vergezichten, verbindt analyses van muziek aan oude mythen en sprookjes, interpreteert literaire en andere kunstwerken vanuit een eigenzinnig tijdsdenken, bestudeert het menselijk bestaan tot in zijn diepste wortels en komt na duizend pagina’s tot de conclusie dat wij eigenlijk nog altijd in de prehistorie leven, dat wil zeggen dat onze tijd feitelijk nog niet gekomen is.’  Zo'n zin als die laatste, klinkt me toch wel hoopvol in de oren, zeker nu ik de 65 nader. Bloch zou dat beaamd hebben.
Flor Vandekerckhove

* Arno Münster. L’Utopie concrète d’Ernst Bloch. Une biografie. Paris, Ed. Kimé. 2001.
* Arthur Lehning. Dromen van een betere wereld, in Prometheus en het recht van opstand. Essays en commentaren III. Ambo/Baarn. 1987.
* Jan Willem Stutje. Ernest Mandel Rebel tussen droom en daad. Antwerpen/Gent. Houtekiet/Amsab. 2007.
* Leszek Kolakowski. Geschiedenis van het marxisme III. Utrecht/A’pen, Het spectrum.1981
* Joke J. Hermsen. Stil de tijd, Pleidooi voor een langzame toekomst. Utrecht/A’dam/A’pen. De Arbeiderspers. 2009.