dinsdag 17 september 2013

Het gezongen dagblad


Lionel Tamboer, een beroemde en
succesvolle marktzanger.
Een lezer propt een pak papier in mijn brievenbus. Daarin zitten wel honderd vellen, in alle kleuren en formaten, soms gedrukt, soms geschreven, soms nog nauwelijks leesbaar. Oude liedteksten, in extremis aan de vergetelheid ontrukt.
Zij was zoo schoon / Veel schooner dan een roos die bloeide / Men bood haar schatten / Om haar maagdebloem te plukken / Maar zij bleef rein / Als een engel zoo teer / En zij liet voor geld en goed / Haar maagdebloem niet plukken.’ Echt gebeurd! En neen, het is met die maagd en haar bloem niet goed afgelopen.
De producenten van die teksten hebben verschillende namen: liedzangers, straatzangers, marktzangers. Met elkaar gemeen hebben ze dat ze compleet uit het straatbeeld verdwenen zijn.
Zelf herinner ik me dat ik één keer zo’n marktzanger in Bredene aan ’t werk mocht zien. Hij verkocht er blaadjes waarop de teksten stonden die hij ter plekke zong.  Iets meer dan een halve eeuw geleden was dat. Da's lang geleden, maar ook weer niet zo heel erg lang. Hoe komt het dan dat we die zangers en hun blaadjes inmiddels al helemaal vergeten zijn?
Het komt doordat die straatzangers uit de laagste maatschappelijke klassen komen. Ook hun publiek bestaat uit nauwelijks geletterde mensen.  En de hogere, ‘geletterde’ klassen hechten uiteraard geen belang aan wat ze als rijmelarij wegzetten. Wat niet gedocumenteerd wordt, gaat onherroepelijk verloren.
De liedteksten werden gedrukt op dun, gekleurd, goedkoop papier.  Ze werden wel eens vliegende blaadjes genoemd.  Gelukkig zijn er ook folkloristen geweest met oog voor zo’n dingen en die zo’n teksten een tweede leven geven (door ze bijvoorbeeld in mijn brievenbus steken).
Die straatzangers mogen inmiddels vergeten zijn, ze vervulden destijds wel een belangrijke functie. Informatie, onderwijs en lectuur waren normaliter voorbehouden aan de hogere klassen; er was geen sprake van wat we massamedia noemen. De straatzangers fungeerden als journalisten voor de veelal ongeletterde werkende klasse.
Beroemd waren o.m. Joseph Sadones (actief tussen 1775 en 1810), Henri Boddin (van 1880 tot 1914), Aloïs Vanpeteghem (tussen 1885 en 1930), Achille Coppenolle, Frans Jacobs en Lionel Bauwens, alle drie actief van 1912 tot 1949. (*)
Ook in de Oostendse visserij was destijds zo’n zanger-journalist aan ’t werk. De Gentenaar Louis Vanden Eeckhaute (°1867) deed zijn legerdienst in het derde linieregiment dat in 1887 in Oostende gekazerneerd was.
Als achtjarige vergezelde hij zijn straatzingende vader al om de liedbladen te verkopen. Hij werd op zijn beurt straatzanger en trad ook op in herbergen.  Louis was, zoals veel van zijn collega’s, nauwelijks geletterd. Hij dicteerde teksten aan zijn echtgenote, waarna ze hem die voorlas zodat hij er zijn ‘final touch’ kon aan toevoegen.
Volgens een getuige was hij ‘een man die nooit dronk. Hij schreef geen kluchtliederen, daartoe ontbraken hem de lust en de gelegenheid. Alles wat niet eerlijk en rechtzinnig was bracht zijn gemoed in opstand en moest hij in bittere woorden uiten. Hij was vooral bekend als antimilitarist.’
Louis Vanden Eeckaute was de zaak van de arbeidersklasse meer dan genegen. Hij zong liederen die onderdrukking en uitbuiting aanklaagden. Daar ging de overheid destijds niet lichtzinnig mee om. Tegen hem zou minstens zestig keer een proces verbaal opgemaakt worden. Toen hij een lied ten gehore bracht over het beruchte proces dat in Frankrijk tegen Alfred Dreyfus gevoerd werd, kostte dat Louis Vanden Eeckhaute een boete van zesentwintig frank, plus een gevangenisstraf van… drie maanden! Jawel, voor het zingen van een lied.
In 1887 was deze rebellerende straatzanger dus in Oostende om er zijn vaderlandse plicht te vervullen. Dat was niet zomaar een jaar, 1887 was het jaar van de roemrijke Oostendse vissersopstand.  Soldaat Vanden Eeckhaute deed wat hij niet laten kon en maakte Het lied van de vissers: ‘Wel vissers gij moet lijden / en zoeken naar een stukje brood. / Niemand kan u verblijden, / gij lijdt veel hongersnood. / Komt gij naar uw loon te vragen / zij verachten u als een arme man. / Zij willen u de zee injagen, / zonder eten, wat denkt gij ervan?’
Het werd hem door de legerleiding niet in dank afgenomen. Omwille van dat lied werd hij dertien maanden naar de strafcompagnie gestuurd.  Maar klein kregen ze hem daar niet. Nadat hij zijn straf uitgezeten had, zong hij ook daar een lied over: ‘Ik kwam hier een liedje te zingen / Dat van de vissers bedrijft / Naar de supline werd ik gesteken, / ja, dat was voor mijne straf / Vrienden aandenk mijn droevig lijden / Wat ik heb daar ondergaan / Met water en brood en ijzers aan / Zo ben ik naar de supline gegaan.’ Ja, ook voor dat lied werd hij zwaar gestraft, en niet omdat het rijm rammelt.
Jef Klausing vertelde me dat hij Het lied van de vissers in 1957 voor het eerst hoorde in Blankenberge. Hij mocht het toen niet met zijn recorder opnemen en evenmin zeggen wie het daar voor hem zong. Zeventig jaar na de feiten liet het neerslaan van de opstand zich in de vissersgemeenschap nog altijd voelen.
Aloïs Vanpeteghem was ook een bewogen liedzanger. Hij bezong de naweeën van de Eerste Wereldoorlog en dan vooral sociale situatie waarvan het gewone volk het slachtoffer was. ‘Voor wat hebben wij zo geleden / Voor wat hebben wij zo gestreden / Voor wat offerden wij met een heldenmoed / Ons jong leven en al ons bloed (…)’ En dat in een tijd waarin het woord protestsong nog uitgevonden moest worden!
Henri Bodin zong voor WO I liederen op tekst van ene De Windt. Die had het vooral over de emigratie van Vlamingen naar Guatemala en Amerika. Ook produceerde hij een ‘Belangrijk dichtstuk over de overname van Congo’, waarin hij ook kritiek durfde te uiten op koning Leopold II.
Maar de meeste liedzangers waren niet zo sociaal bewogen. Hun was het om de sensatie te doen: moorden, verkrachte maagden, rampspoed… Andermans ellende deed ook toen al de persen draaien.
Liedzanger Jacob Hendrik Arens was vooral op zoek naar wat in hedendaags journalistiek jargon een scoop noemt. Die vond hij in november 1827 met zijn lied over een walvis die in Oostende gestrand was. 'Als zijn bakhuys open stond, / Twintig ellen in het rond / 't Was een overgroot beslag, / Als een zeeschip dat daer lag.'
Na 1900 was Tamboer een bekende marktzanger. Tamboer, alias Lionel Bauwens, was uit Eeklo afkomstig, maar in heel Vlaanderen bekend. En hij was populair. Een enquête onder zestigplussers op de Brugse markt toonde aan dat meer dan 80% van de ondervraagden naar die markt kwam om er Tamboer te horen.
Mensen kwamen speciaal naar de markt om er 'het nieuws' te
vernemen. We zien Frans Jacobs aan het werk. Achter hem zien we
dat de liedblaadjes gretig gelezen worden.
Tamboer scoorde vooral met liederen over de moorden in Beernem, een reeks gebeurtenissen uit de periode 1915-1944, die in 1991 ook een televisieserie opgeleverd heeft: De bossen van Vlaanderen.
Tamboer mag met dat soort liederen een voorloper genoemd worden van de sensatiepers. Moord! Dat was nieuws waar geld uit te slaan was, veel geld. In de 'hoogdagen' van de moorden van Beernem verkocht Lionel in drie jaar maar liefst 40.000 (!) liedbladen. Per blad betaalde hij de drukker drie centiemen. Op de markten kreeg hij er twee frank voor.
Héhé, het huwelijk tussen profijt en journalistiek is ouder dan de commerciële omroep, veel ouder.
Flor Vandekerckhove

(*) Roger Hessel,  Marktzangers als journalisten van de werkende klasse. Gezongen dagbladen niet meer te beluisteren. In: http://www.depoemp.be/De%20Moord%20van%20Nijlen/Moord_P5.pdf
Ook veel andere gegevens uit dit stuk haalde ik bij Roger Hessel.  Hij verzamelde duizenden liedjes die marktkramers een eeuw geleden op marktpleinen en straten zongen. Op de regionale zender Focus werd hij in 2012 geportretteerd in de serie Levende helden. De gegevens over Louis Vanden Eeckhaute haalde ik bij wijlen Jef Klausing.

donderdag 12 september 2013

De tragiek van de Vindictive


© Roysfoto - http://oostende-ingeblogd.skynetblogs.be
In Oostende werd de boeg van de Vindictive dit jaar verplaatst van zijn vertrouwde stek bij de Demeysluizen naar de pier aan de Oosteroever. Daar, ei zo na op dezelfde plek waar het schip tot zinken gebracht werd, zal het monument zijn definitieve bestemming krijgen.
In de nacht van 9 op 10 mei 1918 hadden Britse soldaten het schip tot in de havenmonding gemanoeuvreerd. Ze wilden ermee de haven blokkeren. Hun poging mislukte evenwel. Wat was er gebeurd?
Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden door 320 duikboten niet minder dan 3274 operaties uitgevoerd. 273 U-Boten vernietigden meer dan 11 miljoen brutoregisterton aan handelsschepen. Het was de Britten duidelijk dat ze koste wat het kost moesten beletten dat de Duitse U-boten zee konden kiezen.
Zee kiezen deden die onderzeeboten o.a. vanuit Brugge. Daar was een haven met faciliteiten voor het onderhoud van een dertigtal onderzeeboten. Via de kanalen voeren die U-boten vervolgens naar Zeebrugge en Oostende en van daaruit naar zee.  Voor de Britten kwam het er bijgevolg op aan om de twee havengeulen te blokkeren.
Een eerste poging werd ondernomen in de nacht van 22 april 1918. Enkele minuten voor middernacht, ontbrandde over heel de lengte van de Belgische kust een meedogenloze strijd. Het gevecht overtrof zowat alles wat men tijdens die oorlog al gezien had. Nooit voorheen, noch daarna, werden zoveel decoraties voor moed en dapperheid toegekend aan Britse soldaten die bij een enkele operatie betrokken waren.
Om drie uur was het alweer stil op onze stranden. De Britse aanvallers hadden zich teruggetrokken en de Duitse verdedigers konden de schade schouwen. Bleek dat de Britten in de Zeebrugse haven drie schepen en een duikboot hadden laten zinken waardoor de haven geblokkeerd werd, zij het alleen bij laag water.
De Vindictive had aan die operatie deelgenomen. Het oude schip (bouwjaar 1897) werd voor de raid op Zeebrugge gebruikt als stormboot. De troepen die de Duitse verdediging tijdens de operatie moesten aanpakken werden ermee afgezet op de borstwering aan het uiteinde van de pier.
Een Duitse torpedoboot komt, via het kanaal, uit Brugge 
toe in de haven van Oostende. (Foto collectie Daniël Eyland.) 
Tijdens de aanval produceerden de Britten een rookgordijn dat hen als het ware onzichtbaar zou maken. Helaas veranderde de wind van richting. Vlak voor de ogen van de Duitse kanonniers verscheen daar plotseling, als volmaakt doel, de Vindictive. Het schip was de pier genaderd tot op een halve kilometer. Het schip stoomde recht tegen het vuur in. Het was voor hen als het ware onmogelijk het schip te missen! De manschappen sneuvelden bij bosjes. Op 23 april, één minuut na middenacht, kwam de Vindictive ter bestemming aan; het schip raakte de pier en de landingstroepen deden wat hun opgedragen was.  Intussen probeerden de blokschepen de dam te passeren en zo ver mogelijk te geraken in de kanaalmonding die ze wilden blokkeren. Dat lukte dus, zij het gedeeltelijk.
De Britten hadden een stuk pier laten ontploffen en de blokschepen waren tot zinken gebracht, het werd tijd om de terugtocht te organiseren. Een moeilijke klus, want de stormtroepen bevonden zich nog steeds op de pier. De mannen moesten het open terrein in korte, snelle stormlopen oversteken, om dan zichzelf en gewonde kameraden met touwen en stormladders op te hijsen naar de top van de muur. Daar bereikten ze de loopplanken en strompelden ze in de ouwe Vindictive.
Maar Zeebrugge was slechts één doelwit van de raid geweest. Ook de havenmond van Oostende was die nacht door de Britten geviseerd geworden. De poging om ook het kanaal Brugge-Oostende onbruikbaar te maken door er de monding van te blokkeren was echter mislukt. De actie zou dan ook nog een flinke staart krijgen,
Bij de nieuwe poging om Oostende af te sluiten zou de Vindictive weer van dienst zijn, maar nu om in de Oostendse havenmonding tot zinken gebracht te worden.
Op 9 mei 1918, om elf uur ’s avonds, stak het konvooi van wal. In een zee van geweld slaagden de Britten erin de Vindictive tot in de vaargeul te brengen. Aan boord begon men de nodige manoeuvres uit te voeren om het schip dwars te leggen. Daarna zou men met springladingen de bodem uit het schip slaan.
De intussen opgekomen mist maakte er een zootje van. Dertien minuten nadat de Vindictive de Stroombankboei was gepasseerd, stoomde het schip naar het westen, evenwijdig met de kust om de onzichtbare haveningang te zoeken. Toen ze die niet konden vinden werd, begon men weer in oostelijke richting te varen. Om 2 uur werd het schip weer naar het westen gedraaid.
De haven zagen ze nog niet, maar het schip bevond zich nu wel in het centrum van het spervuur. De Vindictive stoomde uiteindelijk toch de havenmond in, maar het vaartuig bleek veel te dicht bij de westelijke pier te varen. Het schip moest eerst weer in het midden geraken om een obstakel te kunnen zijn.
In het gevecht was de kapitein inmiddels gedood en ook de navigatie-officier was gekwetst geraakt. De fel beschadigde Vindictive eindigde de dolle vaart door tegen de oostelijke pier aan de grond te lopen. De luitenant die nu het bevel voerde gaf bevel het schip te verlaten en de springladingen werden ontstoken. De Vindictive zonk, maar niet op de plaats waar de Britten het gewild hadden. Het schip ging een heel eind van het hoofdkanaal op de bodem liggen en de havenmond was nog altijd bruikbaar voor de Duitse U-boten.
De Vindictive komt uiteindelijk aan zijn einde tegen de oostelijke pier
in de havenmonding van Oostende.
Ook de tweede poging om Oostende te blokkeren was op een fiasco uitgelopen. Dus broedden de Britten op een plan om een derde poging te ondernemen. Die kwam er uiteindelijk niet omdat de Duitsers inmiddels alweer de Zeebrugse vaargeul vrijgemaakt hadden.
Al dat geweld had bijgevolg maar tot povere resultaten geleid. Het einde van de Vindictive kan alleen maar tragisch genoemd worden. Hoeveel mensen werden tijdens die twee raids geslachtofferd? Het is een balans die ik niet op 't internet vind. (*) Maar ik vind wel dit: They shall grow not old, as we that are left grow old: / Age shall not weary them, nor the years condemn. / At the going down of the sun and in the morning, / We will remember them.
Flor Vandekerckhove

(*) André Vollmacher liet me inmiddels weten dat er tijdens de twee Vindictiveoperaties aan Britse zijde alleen al meer dan 200 doden vielen.

maandag 9 september 2013

De tijd van Gustaaf Sorel


Het Vissersplein (ca.1930). Het is er bar, er loopt geen
mens op straat, de leegte kijkt uit op de kaai waarachter
de vissersvaartuigen liggen te wachten. De lucht voorspelt
niets dan onheil. Links boven laat een raam ons een naakte
vrouw zien. Het visserskwartier is ten eerste een buurt
waarin mensen nauwelijks geheimen kunnen hebben voor 

elkaar en ten tweede is er altijd de dreiging die uitgaat 
van de natuur.
De mooie zomer van 2013 leverde in Oostende ook een mooie tentoonstelling op. In de Venetiaanse gaanderijen toonde curator Xavier Tricot ons een chronologisch overzicht van Oostende in de internationale kunst. We zagen er schilderijen van Ensor, Spilliaert, Permeke en De Clerck.  En daarenboven ook van Turner, Heckel, Pignon, Gestel, Nussbaum en Campendonck, Kounellis, Raveel en De Cordier. Video’s, foto’s en films waren er van Dujourie, Antony en Storck.
Het was een beklijvende tentoonstelling, een gebeurtenis die in deze blog ongetwijfeld sporen zal nalaten.  Tegelijk ervoer ik er een tekort, maar dan een van het soort waar je niet meteen de vinger op kunt leggen. Ik miste een voor mij determinerend beeld (maar welk?) dat mij ooit (maar wanneer?) door een kunstenaar (maar door wie?) aangereikt was.
In afwachting dat het me zou invallen, liep ik nogmaals doorheen de tentoonstelling die een veelzijdig overzicht bood; niet alleen het mondaine, maar ook de wereld van de arbeid, niet alleen het mooie weer, maar ook het desolate, niet alleen de BCBG (bon chic bon genre), maar ook jan en alleman… Toch bleef ik iets missen, ook toen ik alweer op weg naar huis was.
De kwestie nestelde zich in mijn geest zoals een liedje dat doet; willens nillens dringt het zich aan je op, te pas en te onpas loop je het te neuriën, je slaagt er niet in het te bannen, ten lange leste word je er hoorndol van. Ik besloot dus wijselijk om er korte metten mee te maken, ik keerde op mijn stappen terug en schafte me de catalogus aan.
Thuis bladerde ik in de doorwrochte tekst van Tricot en stootte daarbij op een passage waarin een aantal Oostendse kunstenaars uit het midden van de vorige eeuw vermeld worden: Een begenadigde plek waar ze elkaar konden vinden was de kunstenaarskroeg La Chèvre folle, gelegen aan de oude toren van de in 1896 afgebrande Sint-Pieterskerk, gekend onder de naam “Peperbusse”.  Daar vonden elkaar o.a. Maurice Boel, Charly Drybergh, Lucien Guinotte, Etienne Elias, Jean Milo, Gerard Holmes, Gustaaf Sorel (…).’
De passage opent een deurtje naar een verre uithoek in mijn geheugen. Nu begin ik te zien wat ik in die mooie tentoonstelling gemist heb.  De herinneringen leiden me nu met vaste hand naar de Paulusstraat, en in die straat naar een sjofele galerie, het winkeltje van Louis die er in de jaren zeventig het werk van zijn vader verkoopt, schilderijen van Gustaaf Sorel.
Ik herinner me de schilderijtjes die daar in de etalage stonden.  Ze maakten grote indruk op me omdat ze getransponeerde, maar toch herkenbare beelden toonden van de straat waarin de galerie lag. Het kon haast niet anders: daar had Gustaaf Sorel ook gewoond.  (Dat was inderdaad ei zo na het geval, het galerietje had als huisnummer 61, de schilder had in 't huis nummer 59 gewoond; ook om de hoek, in de Kerkstaat, heeft Sorel gewoond, zo getuigt een tekst die daar op de gevel van het huis nr 46 aangebracht werd.) De schilder haalde er zijn inspiratie uit de buurt, de straat, de huizen en de mensen die er woonden.  De kunstenaar, niet toevallig een autodidact, leefde daar zelf ook te midden van zijn volk dat Michel de Ghelderode omschreef als ‘la curieuse tribu des gens de mer’.
In de jaren zeventig, toen ik voor die etalage stond, bood de Paulusstraat een desolate aanblik; een nauwe straat waarin buren niet erg veel belang aan privacy en etiquette mochten hechten. Je zag dat ook in het werk van Sorel, dat in die etalage stond, waarop nogal wat vensters te zien waren die me een ongegeneerde, voyeuristische, gefantaseerde blik in het leven van de buurtbewoners toonden. Kunstcriticus Jan Vercammen zag dat ook: ‘Vensters en deuren krijgen bij Gustaaf Sorel een overwegend picturale betekenis. Zijn huizen zijn overvloedig bewoond: het zijn huizen van mensen die trachten te leven of zich laten leven of geleefd worden, die het leven willen leiden of het ondergaan (…) Vaak zijn deuren en vensters schilderijen op zichzelf en soms krijgen ze het uitzicht van een affiche, waaruit heel wat af te lezen valt voor wie lijnen en kleuren lezen kan.’
De volkskundige auteur Omer Vilain heeft over die straat geschreven: ‘De Sint-Paulusstraat, in de volksmond kortweg de Paulusstraat genoemd, is volgens mij nog één van de laatste echte Oostendse straten. Ieder maal als ik door die straat wandel, valt het mij op dat er in die straat in de laatste vijftig jaar nog zoveel niet veranderd kan zijn. Het is een straat, op sommige plaatsen zo smal, dat men zeker gemakkelijk van de ene woning naar de andere kan binnenkijken en aldus het wel en wee van zijn overbuur kan meemaken zonder dat men het eigenlijk opzettelijk wil. Daar ziet men nog vensters die opengetrokken worden om tot de melkboer te roepen dat het “voor vandaag niet is”. Een echte volksstraat met weinig geschiedenis, en toch… Wie jaren in deze straat woonde was kunstschilder Gustaaf Sorel. (…) Het is één en al deze oude volksstraat dat uit tientallen van zijn schilderijen met duistere kleuren tot de verbeelding spreekt. Sorel is zeker steeds door de Sint-Paulusstraat geobsedeerd geweest en hij is dat gevoel als kunstenaar nooit ontrouw willen worden.’
Gustaaf Sorel (1905-1981)
Maar wat had ik in de Venetiaanse gaanderijen dan eigenlijk als een gemis aangevoeld? Waren er in die mooie zomertentoonstelling geen schilderijen van straten te zien? Werden er op die doeken geen vissers en vissersvrouwen getoond? Selecteerde de curator geen beelden van bedrijvigheid op de scheepswerven, de dokken en in de haven? Toch wel, dat alles was daar wel degelijk present.
Wat ik als een gemis aangevoeld had, oversteeg de tentoonstelling. In de Venetiaanse gaanderijen miste ik geen schilderij, maar wel een tijdsgeest. Die bestaat nu niet meer, maar die had ik wel ervaren toen ik in de jaren zeventig voor de etalage van dat galerietje stond. De ervaring zat diep opgeborgen in wat Freud misschien wel mijn onderbewuste zou noemen, maar inmiddels herinner ik me weer goed de tijd waarin een Oostendse kunstenaar, Gustaaf Sorel genaamd, organisch met zijn buurt verbonden bleef en toch universeel zinvol werk kon produceren; de tijd waarin een kunstenaar gewoon door zijn straat geïnspireerd werd, inspiratie die veertig jaar later nog altijd met verve op doek gezet werd. 
Heel de wereld is Parijs! Kent u deze uitdrukking? Hij wordt gebruikt door mensen die menen dat je het niet al te ver moet zoeken, dat je eigen stek evenveel te bieden heeft. Dat je zelf je eigen Parijs kunt maken, Gustaaf Sorel wist dat. 't Is trouwens van hem dat ik dat geleerd heb; jawel, in de jaren zeventig, kijkend door het raam van dat galerietje. En kijk mij hier nu zitten, in Bredene, in de wijk waar ik opgegroeid ben, kijkend door mijn eigen raam, schrijvend over mensen en dingen die me gemaakt hebben tot wat ik uiteindelijk geworden ben. En ook niet geworden ben natuurlijk.
Flor Vandekerckhove

Louis Sorel (redactie). Gustaaf Sorel, Zijn werk, zijn leven. 1978. Uitgegeven in eigen beheer. De citaten over Gustaaf Sorel komen uit dat boek.

vrijdag 6 september 2013

De ene filosoof is de andere niet


Er is een tijd geweest waarin het bewijs van een filosoof geleverd werd door het leven dat hij leidde. Zo begint Onfray zijn boek over het filosofisch leven van Albert Camus.  Die tijd heeft lang geduurd, zo vervolgt hij, hij heeft geduurd tot het christendom de filosoof in een theoloog veranderde en de universiteit er vervolgens een professor van maakte.  Iconen van deze negatieve ontwikkeling, zo stelt Onfray, zijn obscure denkers zoals Hegel en professoren zoals Sartre. De tegenstelling wordt, zo zegt Onfray, ook verwoord door Schopenhauer die een onderscheid maakt tussen filosofieprofessoren en filosofen. De professoren leven van de filosofie, de anderen (be)leven de filosofie.
Weerstand tegen de filosofie ‘van de Hemel en de Preekstoel’ wordt geboden door figuren als Rilke (in Brieven aan een jonge dichter), Kierkegaard en Albert Camus.  Met hun filosofie kan iemand zich een identiteit vormen, van dat soort gedachten kan men een kompas voor het leven maken. Het leven wordt dan een kunstwerk: ‘La vie devient une oeuvre, rien n’interdit qu’elle constitue une oeuvre d’art, autrement dit, une production sans duplication possible.’ (p12)
Daarmee zijn de bakens gezet: de zwaarwichtige Duitsers tegenover de lichtvoetige Fransen, de professoren tegenover de levenskunstenaars. Camus beweegt zich aan de goeie kant van deze lijn, in een traditie van Franse denkers die Onfray existentieel, maar zeker niet existentialistisch noemt, want over die laatsten is hij niet te spreken: ‘On imagine mal ce que fut cette mode à prétexte philosophique dans le petit monde de Saint-Germain-des-Prés.’ Wie kan er geloven, zo vraagt Onfray zich af, dat L’Être et le Néant van Sartre ook daadwerkelijk met aandacht gelezen werd en begrepen door ‘la faune qui faisait les riches heures des caves avec l’alcool, le jazz, le rock acrobatique, le tabac, la drague?’ Het existentialisme was er ‘une mode associée au couple Sartre et Beauvoir, aux chansons de Juliette Gréco, à la trompinette de Boris Vian, aus tenues des zazous, aux overdoses de whisky.’ (p15)
Camus wordt wel veel bij die existentialisten ondergebracht, maar daar denkt Camus zelf het zijne over: ‘Je ne suis pas un philosophe. Je ne crois pas assez à la raison pour croire à un système. Ce qui m’interesse, c’est de savoir comment il faut se conduire. Et plus précisément comment on peut se conduire quand on ne croit pas en Dieu ni en la raison.’ (p.16)
Filosoof is Camus in die zin: 'il pense pour vivre et mieux vivre, il réfléchit pour conduire son action, il médite dans le but de tracer une route existentielle, il lit, il écrit, afin de mettre en forme le chaos cartographié par le verbe. (…) Pour lui le verbe se fait chair, acte, action, sinon il ne sert à rien.’ (p.28)
Tot zover de inleiding van dit boek. Nu nog 770 bladzijden te gaan.

Michel Onfray. L’ordre libertaire, La vie philosophique d’Albert Camus. Paris, ed. J’ai Lu. 9,90 €. ISBN 978229005980-7.

Over Camus schreef ik eerder al in deze blog. Wie op een van onderstaande labels drukt vindt soortgelijke onderwerpen.

donderdag 5 september 2013

Het pensioen lonkt, de stapel groeit


Over minder dan een half jaar word ik vijfenzestig, de meet komt in zicht, het pensioen lonkt.  Ik monster aandachtig mijn op rust gestelde medemensen. Uiteraard, want ik wil weten wat me te wachten staat.  Hoe ziet het leven eruit eens de arbeidsmarkt zijn greep op een mens definitief gelost heeft?
Hola, zult u uitroepen, schrap die laatste zin maar, want als er iemand is die zich aan die arbeidsmarkt heeft weten te onttrekken, dan bent u dat wel.
Toch zal ik u tegenspreken. Het is waar dat ik al vroeg een batterij aan sociale spitstechnologieën ontwikkeld heb, wat me naar een zinvol leven weg van de prikklok geleid heeft, dat belet niet dat de markt me tot vandaag nauwlettend in ’t vizier blijft houden. Vanuit die markt lost men regelmatig een schot voor de boeg van het gammele scheepje van mijn bestaan en soms ook wel een goed gemikt schot tégen mijn boeg. Neen, ik zal maar gerust zijn wanneer het bericht in de bus valt dat de arbeidsvoorziening het voortaan zonder mij zal proberen doen.
Ik bekijk de gepensioneerden, degenen die me voorgegaan zijn.  En wat zie ik? De werkdruk is verdwenen, maar toch zijn ze gehaast. Ze negeren wachtrijen, ergeren zich aan files, haasten zich naar de tram terwijl er enkele minuten later toch weer een volgende passeert; ze steken me gejaagd voorbij, voortgedreven door elektrisch aangedreven fietsen.  Laat het duidelijk zijn, ze hebben geen tijd te verliezen. 
Wat erger is: ik zie het in toenemende mate ook bij mezelf gebeuren. Vroeger ben ik bijvoorbeeld altijd een ordentelijk lezer geweest. Gedisciplineerd door de noodwendigheden van het leven placht ik nooit twee boeken tegelijk te lezen, want, zo wist ik, wie tegelijk twee boeken leest, leest uiteindelijk niet één.  Maar op de vensterbank van mijn nakende pensioen zie ik een haast onoverkomelijke berg groeien van ongelezen boeken, wachtend op een tsunami van vrije tijd die zich over me heen zal storten. Waardoor het mij duidelijk wordt dat ook ik desondanks een drukke derde leeftijd tegemoet ga.
Bovenaan ligt L’Utopie concrète d’Ernst Bloch van Arno Münster. Deze Bloch is een filosoof die me uitermate boeit, maar waarvan ik nooit iets gelezen heb, al is ‘t maar omdat de mens in ’t Duits schreef en er nauwelijks iets van hem in ’t Nederlands vertaald werd. Misschien is dat maar goed ook, want ik weet zeker dat Bloch ook in ’t Nederlands voor mij te hoog gegrepen is, wat me niet belet zou hebben dat werk al aan te kopen. Veel kans trouwens dat ik ook op die biografie mijn tanden breek, want 388 bladzijden in ‘t Frans, kleine letters, slecht gedrukt, slordig uitgegeven… Pffff.  En da’s nog maar het topje van de stapel.
Daaronder ligt L’ordre libertaire, La vie philosophique d’Albert Camus, een boek van Michel Onfray, goed voor 800 (!) bladzijden van de Franse slag. Van de Franse slag betekent dat je die bladzijden vlug kunt omdraaien, maar toch, achthonderd!  Wanneer moet ik dàt lezen? En weet je wat vreemd is? Ik ben me al van dat probleem bewust als ik dat boek aankoop. Maar ik kan geen boek over Camus passeren zonder het tot mij te nemen.  Vraagt u zich nu af of ik dan ook alles van die schrijver zelve lees? In mijn bibliotheek neemt zijn oeuvre inderdaad veel plaats in, en dat staat daar, zo moet ik eerlijk toegeven, allemaal half gelezen. Alleen De mythe van Sisyphus heb ik tot een goed einde kunnen brengen, een essay waarvan ik me de filosofie trouwens meteen eigen gemaakt heb.
Albert Camus, zo interpreteer ik de feiten in mijn boekenkast, is een van mijn belangrijkste schrijvers, zij het dat ik daar nauwelijks iets van gelezen heb.  Vindt u dat onlogisch?  Ik heb nog zo’n favorieten.  Over Victor Serge bijvoorbeeld heb ik ook alles gelezen, maar zijn romans blijven voor mij letterlijk gesloten boeken. Een mens mag over zo’n inconsequenties niet teveel nadenken, vind ik.  Dus blijft ook Albert Camus me verder boeien, meer als persoonlijkheid dan als auteur. Nu komt daar ook nog eens die intellectuele biografie van Onfray bij.
Al die filosofie, zult u verzuchten, helpt dat me dan om de wereld beter te begrijpen? Wel, het helpt me alvast te begrijpen waarom de gepensioneerden niet rustig hun beurt in de winkel afwachten. Ook zij moeten dringend verder met hun eigen Camus en Bloch, alhoewel die hoogdringendheid bij hen wellicht anders heet en misschien ook niet in boekvorm staat te wachten.
Herlezen doe ik ook. Dat is momenteel het geval voor Ernest Mandel, Rebel tussen droom en daad van biograaf Jan Willem Stutje. Dat wilde ik tussendoor nog doen, ook al omdat ik over dat boek nog niets in de blog geschreven heb. Ik heb deze keer helaas het einde niet gehaald, omdat de nieuwe lading voorrang krijgt.  Ik was nochtans alweer aan pagina 164 geraakt, maar goed.  Ik steek het boek nu tot aan mijn pensionering weer in de kast. Dat ga ik ook doen met Makhno et la révolution ukrainienne van Ettore Cinnella. Dat werkje heb ik al lang liggen. Na mijn pensionering begin ik eraan.
De tentoonstelling heb ik inmiddels bezocht, maar de catalogustekst van Xavier Tricot (Bonjour Ostende, Oostende in de internationale kunst) moet ik nog verorberen. Daaronder ligt dan ook nog Gustaaf Sorel, Zijn leven en werk, een kunstenaar die niet op die tentoonstelling terechtgekomen is, maar die m.i. te vlug vergeten wordt.  Hopelijk krijg ik daar iets uit gelezen voor de uitleningtermijn verstreken is, want dat boek heb ik aan de bibliotheek ontleend.
Op die vensterbank ligt nog een en ander dat ik geleend heb. Duitse herfst, Een naoorlogse reportage van Stig Dagerman, een Zweedse auteur waarvan ik al lang iets wil lezen. Over Dagerman heeft Jeroen Brouwers geschreven in De Zwarte zon, een boek dat ik hier ook heb liggen. Brouwers schreef nog meer over Stig Dagerman, en ook dat wil ik lezen, maar daarvoor moet ik wachten. Dat boek moet eerst van de openbare bibliotheek van Blankenberge naar die van Oostende verkassen. Het duurt trouwens bijzonder lang voor ik daar bericht over krijg. Ik was er beter zelf om geweest! Want de tijd dringt en het pensioen nadert met rasse schreden. Help!
Flor Vandekerckhove