zaterdag 24 augustus 2013

’t Komt allemaal door Ygghebrechts


Mag ik u verzoeken plaats te nemen in de teletijdmachine? Ik wil u meenemen naar de middeleeuwen, naar de jaren dertienhonderd, en meer bepaald naar 1370.
We gaan niet naar Brussel, want daar worden in dat jaar zes Joden tot de brandstapel veroordeeld. Die zes hebben daar met hun mes in hosties gekerfd, en uit die hosties is vervolgens bloed van onze heiland gevloeid. Reden genoeg om die zes in de fik te steken.  Het geeft ons een idee van de tijdsgeest.  Maar vrees niet, we gaan niet naar Brussel.  We gaan naar Aartrijke. 
U zult nu vragend zeggen: Aartrijke of all places!? Wel ja, zal ik u antwoorden, want daar wordt in 1370 Stevin Ygghebrechts geboren. 
Stevin slijt daar zijn jeugd en wanneer hij geslachtsrijp is trouwt hij met ene Magriete waarvan de familienaam in de nevelen des tijds gehuld blijft. Omstreeks 1400 krijgen die twee een zoon, Jan.  U mag deze niet verwarren met een andere Jan, die plastisch de bastaard van Luxemburg genoemd wordt, een historische figuur, die ook omstreeks 1400 geboren wordt, maar niet in Aartrijke.  Wij hebben het over de zoon van Magriete en Stevin. Vreemd genoeg luistert hun Jan niet naar de familienaam Ygghebrechts, zoals zijn vader, maar naar Inghelbrechts. Een schrijffout wellicht.
Maar wat ik zeggen wil is dit: Stevin en Margriette zijn mijn edelouders. Da’s een term die ik tot voor kort niet kende, maar waarmee het koppel aangeduid wordt dat er achttien generaties eerder voor gezorgd heeft dat ik heden leef. Ja, u leest het goed, dat komt doordat Stevin en Margriette het in het Aartrijke van de middeleeuwen met elkaar gedaan hebben. Is dat niet merkwaardig?
Door deze daad openen ze een toekomst waarin — een mens gelooft zijn ogen niet —stamoudbetovergrootouders, stamoudovergrootouders, stamoudgrootouders, stamoudouders, stambetovergrootouders, stamovergrootouders, stamgrootouders, stamouders, oudbetovergrootouders, oudovergrootouders, oudgrootouders, oudouders, betovergrootouders, overgrootouders, grootouders en ouders u generatie na generatie uiteindelijk tot bij mij zullen leiden, tot hier in mijn zetel, bij het raam, uitkijkend op het zonovergoten dierenpark van camping Duinzicht in Bredene.  Mocht u daarin niet geïnteresseerd zijn, dan doet u er goed aan deze tekst meteen terzijde te leggen, want er valt nog een lange weg af te leggen voor we er zijn.
Wanneer de tijd rijp is trouwt ook zoon Jan (†1465).  De naam van zijn echtgenote wordt ons onthouden, maar ik moet haar wel mijn stambetovergrootmoeder noemen. Ze mag naamloos blijven, we weten wel dat ze vier kinderen krijgt. Het derde heet Jacobus, maar je mag Jacques zeggen. Die Jacques (°1430 - †1485), die noch min noch meer is dan mijn stamoudovergrootvader, trouwt meer dan eens en zijn derde echtgenote schenkt hem omstreeks 1474 een zoon die Martinus heet.
We zijn intussen al tot in de XVde eeuw opgeklommen.  De mensheid is met rasse schreden vooruitgegaan. Het is niet dat ze er in Aartrijke last van hadden, maar in het geboortejaar van Martinus wordt in Engeland het eerste gedrukte boek uitgegeven.
Martinus (†1542) trouwt met ene Mayken; dat vind ik een mooie naam.  Die twee worden mijn stamoudgrootouders.  Ze krijgen een zoon die Lucas zal heten. We weten dat die Lucas Inghelbrecht  in 1576 sterft, maar we weten niet wanneer hij geboren wordt. Intussen verdwijnt de s blijkbaar uit de naam die oorspronkelijk Inghelbrechts luidt.  Ook weten we dat hij lang voor hij sterft met ene Pieryne De Hane trouwt en dat hij na haar overlijden hertrouwt met Cornelie De Vriese die hem een zoon schenkt: Jacobus. Het repertoire van jongensnamen blijft blijkbaar beperkt tot enige klassiekers, een mens vraagt zich af waarom hijzelf dan bijgod Florent genoemd werd. 
En ja, we bevinden ons twee eeuwen na de geboorte van mijn edelvader nog altijd in Aartrijke. Honkvaste mensen zijn het, die verre voorouders van me. Ik weet nu ook waar ikzelf dat honkvaste vandaan gehaald heb. ‘t Zit in mijn bloed meneer!  Oh ja, Lucas en Cornelie zijn uiteraard mijn stamoudouders.
Jacobus Inghelbrecht en zijn echtgenote Boone, weer een Mayken (†1585), hebben een zoon die eveneens Jacobus genoemd wordt.  Deze nieuwe Jacobus verlaat Aartrijke evenmin en sterft daar op 9 maart 1638 (op een dinsdag voorwaar, zo leren ons de notulen). Zijn echtgenote, zijnde mijn stamovergrootmoeder Cornelia (Neelken) Vandekinderen overlijdt eveneens in 1638, maar we weten niet of dat op dezelfde dinsdag gebeurd is. Wel zeker is dat Neelken en Jacobus niet in een autoaccident omgekomen zijn.
Wat is er in 1638 nog gebeurd? Lodewijk XIV wordt in dat jaar geboren, de mens zal later zijn wens in vervulling zien gaan om koning van Frankrijk te worden. Maar lang daarvoor hadden Jacobus en Neelken al twee kinderen verwekt, een zoon en een dochter, toch ook een koningswens! Die zoon laten we links liggen en we volgen dochter Jacoba (zo genoemd naar vader Jacobus) die in 1615 ter wereld komt.
Jacoba Inghelbrecht wordt amper eenenvijftig, maar voor ze sterft heeft ze wel een huwelijksleven gedeeld met ene Joannes (Jan) De Rinck, waardoor die twee, zonder dat ze dat konden vermoeden, mijn stamgrootouders geworden zijn. Samen krijgen ze immers drie kinderen waarvan de tweede me omwille van familiale redenen interesseert. Hij wordt eveneens Joannes genoemd. Deze Joannes junior (waarvan het geboortejaar onbekend blijft) trouwt op zondag 30 januari 1667 met Anna Ramont, en jawel, we bevinden ons nog altijd in Aartrijke.
[Aartrijke, ik ga daar echt eens naartoe moeten fietsen, want daar liggen mijn roots en ze blijven er vele generaties lang liggen. Wellicht zou ik me daar, te midden de Aartrijkse beemden, goed voelen. Of slecht.]
Jan en Anna krijgen negen kinderen. Vierde in deze lange rij heet eveneens Joannes, zoals zijn vader en grootvader en uiteraard ook zoals de evangelist, en deze nieuwe Joannes Derinck aanschouwt het Aartrijkse licht voor het eerst op zondag 26 november 1673.
[Wat me in heel die stamboomgeschiedenis opvalt is dat er veel op zondag getrouwd wordt, wellicht omdat het de enige vrije dag is waarover die mensen beschikken, maar er worden ook nogal wat kinderen op zondag geboren, althans zo heb ik de indruk, ook dat moet ik na mijn pensionering eens uitvlooien, maar dat helemaal terzijde.]
Ook die nieuwe Derinck trouwt op een zondag, en wel op 29 juni 1704, met een madam die in 1722 overlijdt. De 50-jarige weduwnaar hertrouwt daarna met de ‘ongeveer 26-jarige’ Joanna Vermeersch. Zij wordt daardoor mijn oudbetovergrootmoeder. Dat huwelijk laat zes kinderen heu ontspruiten. Derde in die rij is Petrus Jacobus Derinck (°1730). (Petrussen hadden we nog niet mogen noteren.) Wanneer deze 25 is trouwt hij op zondag (!) 4 mei 1755 met de 22-jarige Maria Anna Cools, een weduwe uit Aartrijke.  Ze wordt amper 32, maar werd daarmee oud genoeg om mijn oudovergrootmoeder te worden.  Ze schenkt Petrus Jacobus Derinck immers drie kinderen.  Het jongste (°1762) wordt Anna Maria gedoopt. Deze meid doet iets wat in de familie ongezien is: ze verlaat Aartrijke!
Dat weten we doordat ze op 76-jarige leeftijd in het daarnaast gelegen Zerkegem sterft, een gemeente waar ook haar kinderen geboren worden. Bovendien komen we van haar iets te weten wat we van voorgaande generaties niet konden weten, met name dat ze haar kost eerst verdiend heeft als werkvrouw en later als boerin. Anna Maria Derinck trouwt inderdaad met landbouwer Pieter Aneca en ze krijgen vijf kinderen. Het derde heet Francisca Aneca, een meisje dat in 1788 geboren wordt.   Pieter en Anna Maria zijn voor mij wat men in stamboomkringen oudgrootouders noemt.
Francisca groeit, bloeit, trouwt en overleeft haar echtgenoot Josephus Vermeersch die op 23 maart 1864 in Zerkegem overlijdt. De veldwachter is dan 77 geworden. Francisca zelf wordt 83.  Mijn oud-ouders hebben vijf kinderen op de wereld gezet, en meer bepaald op dat deel van de wereld dat Zerkegem heet. Een ervan wordt smid, de andere zijn arbeiders en er is er ook een die zijn brood als paardenknecht verdient.
Maar wij volgen dochter Maria Anna Francisca Vermeersch, roepnaam Maranne (°Zerkegem, 23 juli 1820, voorwaar een zondag), en zij zal daar op woensdag (ha!) 23 oktober 1844 trouwen met de uit Roksem afkomstige 45-jarige weduwnaar Joannes (Vande)kerckhove, een werkman.  Wel ja, de Vandekerckhoves worden in officiële papieren soms ook Kerckhoves genoemd.  Hoe dan ook, voor het eerst kom ik in deze stamboom mijn eigen familienaam tegen.
23 oktober 1844 wordt daardoor voor mij een belangrijke dag. Weten jullie trouwens dat er in die dagen voorspeld werd dat Christus op 22 oktober van dat jaar zou wederkomen? De voorspelling kwam niet uit, maar een dag later trouwde Maranne wel met (Vande)kerckhove. Of dit toeval genoemd mag worden, laat ik aan het oordeel van de lezer over.
Een veel interessantere kwestie is deze.  Waar komt deze Joannes (Vande)kerckhove eigenlijk vandaan? Ik wil dat weten, want ook zijn ouders mag ik mijn oud-ouders noemen. Wel, die mensen zijn wel degelijk bekend. Joannes is kind van Angela Vergaerde (†1830) en van nog een andere Joannes, een arbeider die als Kerckhove geboekstaafd staat, in tegenstelling dus tot zijn zoon die al Vandekerckhove heet, zij het met haakjes. Hoe het langs die kant met voorgaande generaties gesteld is, komen we in deze stamboom merkwaardig genoeg niet te weten. Maar… wat niet is kan komen!
Die onwetendheid belet ons trouwens niet om Joannes (Vande)kerckhove op zijn levensweg te volgen. Het derde kind van mijn betovergrootouders wordt op 5 december 1852 in Roksem geboren en heet Karel Vandekerckhove.  Hij wordt werkman, net zoals zijn vader.  Voor het eerst lees ik mijn naam ontegensprekelijk, voluit, zonder haakjes, als Vandekerckhove.  Ook 5 december 1852 is voor mij dus een belangrijke dag, want zonder die Karel zat ik hier nu dit stamboomstuk niet te schrijven, toch niet als Flor Vandekerckhove, maar misschien wel als iemand die daar een klein beetje op lijkt.
Nathalia is de oudste dochter van 
Karel Vandekerckhove en Leonia Grosseel
Mag ik terzijde opmerken dat 1852 ook het jaar is waarin Harriet Beecher Stowe Uncle Tom’s Cabin geschreven heeft? Meer dan honderd jaar later sla ik De negerhut van oom Tom open, een van de eerste boeken die ik lees; een titel die inmiddels door het boekenbedrijf gefatsoeneerd werd tot De hut van oom Tom.
Wanneer mijn overgrootvader Karel Vandekerckhove 27 is, trouwt hij met de 24-jarige arbeidster Leonia Grosseel (°zaterdag 3 mei 1856) die hij uit Bredene weghaalt. Dat zal Bredene-Dorp zijn, want veel ander Bredene bestaat er in die tijd nog niet. 
Karel en Leonia vestigen zich hoe dan ook in Ettelgem waar ze dertien (!) kinderen krijgen waarvan de twaalfde Edmondus Richardus (°donderdag 9 december 1897) gedoopt wordt.  Edmond zal later mijn grootvader worden, want hij trouwt met Zoë Van Lyssebettens die hem vijf kinderen schenkt. De oudste is mijn vader, met name Marcel, die op 22 juni 1922 in Roksem geboren wordt en op 2 februari 1989 in Oostende overlijdt.
En dat alles weet ik doordat een mens, die onbekend wenst te blijven, dat voor me uitgevogeld heeft.  Waarna de vraag gesteld dient te worden: wat hebben we vandaag bijgeleerd? Ten eerste: dat er in die stamboom uitsluitend werkvolk te vinden is. Dat had ik kunnen vermoeden; ha ja, 't is niet voor niets dat mijn wankele politieke carrière zich in de Revolutionaire Arbeiders Liga ontplooid heeft. Ten tweede: mijn vriendin valt het op dat veel van die mannen met jonge madammen aanpappen. Ook dat had ik eerder al aangevoeld, zelfs lijfelijk. Maar dat die mens, ten derde, onthuld heeft dat ik afstam van ene Ygghebrechts die in 1370 in Aartrijke geboren werd, dat vind ik straf, zeer straf.
Flor Vandekerckhove

zondag 18 augustus 2013

Andere levens


Emmanuel Carrère is een veelzijdig man. Hij is scenarist, regisseur en auteur; verschillende van zijn boeken werden verfilmd.  We mogen hem misschien ook wel een bobo noemen, een bourgeois bohémien, een burgerlijk non-conformist van de strekking gauche caviar (*), een mensensoort dat vooral in Frankrijk goed gedijt.
Er wordt over dat milieu een beetje lacherig gedaan, ook door mij, want het betreft mensen waarvan je zegt dat ze het hart links dragen, maar de portefeuille rechts.  Dat lachen is een beetje ten onrechte, zo leer ik uit Andere levens dan het mijne, want veel van die mensen blijken interessante bondgenoten te zijn van wat we vandaag blijkbaar de working poor moeten noemen.
Zo’n interessante bobo’s vind je bijvoorbeeld in de Vakbond van de magistratuur. Dat is ‘de club van kleine rode ettertjes die weigeren deel uit te maken van de kring der notabelen. De club bestaat uit rechters die zich vooral vastbijten in witteboordencriminaliteit en ervan beticht worden aan omgekeerde klassenstrijd te doen.’ (p.111) De club werd niet toevallig in 1968 opgericht.
We leren die rechters kennen doordat Carrère zich in dat boek over de levens buigt van kennissen die met het verlies van een dierbare te maken krijgen. En ja, die kennissen bevinden zich in het milieu van Carrère veelal aan de aangename kant van ’t leven.
Een van die kennissen is Etienne, een kreupele rechter, die er een levenswerk van maakt om kredietinstellingen in ’t ongelijk te stellen wanneer ze bij hem recht komen halen.  Die machtige schuldeisers staan dan voor de rechter tegenover armlastige klanten die de leninglast niet langer kunnen dragen, er de brui aan geven en uiteindelijk in de schuldbemiddeling terechtkomen. ‘De advocaten van banken en kredietinstellingen verlieten de rechtbank zowel beteuterd als briesend en moesten hun cliënten uitleggen dat ze alleen maar hadden verloren, terwijl ze voordien in hetzelfde geval zonder meer hadden gewonnen, omdat er op het kantongerecht van Vienne een zeurpiet zat, die eenbenige rechter (…)’ (p.141)
Hola, hoort een rechter niet onpartijdig te zijn? Carrère citeert daarover ene Oswald Baudot die in de jaren zeventig een toespraak tot jonge rechters had gehouden: ‘Wees partijdig. Om het evenwicht te bewaren tussen de sterke en de zwakke, tussen de rijke en de arme, die niet even zwaar wegen, moet u de balans naar één kant laten doorslaan. Kies partij voor de vrouw tegen de man, voor de schuldenaar tegen de schuldeiser, voor de arbeider tegen zijn baas, voor de verdrukte tegen de verzekeringsmaatschappij van de verdrukker, voor de dief tegen de politie, voor de pleiter tegen de officier van justitie. De wet is vatbaar voor interpretatie, die zegt wat u wilt dat die zegt. Wees bij de keuze tussen de dief en de bestolene niet bang om de bestolene te bestraffen.’ (p.141) De geest van 1968! Ik denk trouwens dat dit ook wel de manier is waarop ik aan journalistiek gedaan heb.
Het reilen en zeilen van deze manke rechter vult een groot deel van het boek dat daarmee een aanrader wordt voor elkeen die zich in een rechtbank ophoudt, of die dat na zijn/haar studies denkt te gaan doen. Maar, zoals gezegd, dit boek gaat niet over linkse rechters, het gaat over de manier waarop mensen met het verlies van een dierbare omgaan.
Een triest onderwerp is dat, maar nare onderwerpen blijken wel meer het terrein van Carrère te zijn. Hij is een schrijver ‘van boeken die bekendstonden als duister en wreed’ (p.157) En: ‘Ze had mijn boek De tegenstander gelezen (…) ze had het een naar boek gevonden.  Ik gaf toe dat het naar was, ja, en dat het voor mij ook naar was geweest om het te schrijven, en ik schaamde me een beetje dat ik zulke nare dingen schreef (…) Argeloze lezers (…) worden erdoor in de war gebracht. Niet dat ze vinden dat het slecht is om zoiets te schrijven, maar ze vragen zich wel af waarom het nodig is.  Ze denken bij zichzelf (…) dat die jongen toch we behoorlijk verknipt moet zijn, of ongelukkig, of dat er in ieder geval iets mis met hem moet zijn, en het ergste is dat ik hun nog gelijk geef ook.’ (p.61)
Dat herken ik wel. In zoverre zelfs dat ik in deze Carrère een soortgenoot (lotgenoot?) meen te herkennen: ‘[I]k heb gedaan wat ik kon, met mijn talenten en mijn gebreken, ik heb heel erg mijn best gedaan, en dat is niet niks. Maar het belangrijkste, de liefde heb ik niet gekend. Ik ben bemind geweest, ja, maar ik heb niet weten te beminnen, of niet kunnen beminnen, dat komt op hetzelfde neer.  Niemand heeft in het volste vertrouwen in mijn liefde kunnen rusten, en ik zal uiteindelijk ook in niemands liefde rusten. Dat is wat ik toen zou hebben gezegd (…) Maar daarna (…) heb ik jou gekozen, we hebben elkaar gekozen, en het is niet meer hetzelfde.’ (p.68) Ja, ook daarover gaat dit boek, waarop je de kritiek kunt uiten dat het een beetje alle kanten uitwaaiert. Zelf vond ik dat dan weer een meerwaarde hebben.
Flor Vandekerckhove

Emmanuel Carrère, Andere levens dan het mijne. 2010, A’pen/A’dam Arbeiderspers. 240 ps.

(*) Over de gauche caviar publiceerde ik eerder al een stuk in deze blog.
http://florsnieuweblog.blogspot.be/2011/12/loftsocialisten.html. (Wie het via deze link niet open krijgt, zoekt het stuk op in de bijdragen die in december 2011 op deze blog geplaatst werden.)

woensdag 14 augustus 2013

Bijna dood


Eet hier uw boterhammen! Het eerste wat me opviel waren die vier woorden: eet hier uw boterhammen. En het tweede wat mijn aandacht trok was het uitroepteken dat erachter stond. De tekst was op de ruit geschilderd en hij riep me terug naar de tijd waarin een café nog letterlijk een herberg was, met zaal voor feestelijkheden en kamers voor reizigers; voorzieningen die desgevallend op de ruit vermeld werden, net zoals de uitnodiging om boterhammen te nuttigen.
Naar dat café was ik gefietst, want ik probeerde het nuttige aan het aangename te paren. Het aangename was de fietstocht, het nuttige was het interview dat ik daar zou afnemen. Dat interview paste in mijn onderzoek naar bijna-doodervaringen. Ik was daarmee gestart omdat ik vermoedde dat er nogal wat verhalen te rapen vallen bij mensen die vlak voor de dood rechtsomkeer maken.  Wetenschappelijk onderzoek leert ons dat er dan een verhoogde hersenactiviteit te meten valt, waardoor er op dat moment veel te beleven moet zijn.  Ik wilde die verhalen sprokkelen.
Eet hier uw boterhammen! Het is achter dat raam dat ik de waardin zou interviewen. Ik had, zoals altijd wanneer ik ga fietsen, mijn lunchpakketje bij, dat kwam dus goed uit. Het café oogde ouderwets en daardoor ook gezellig. Donkerbruine vernis, houten meubelen, een bol met kauwgom op het marmer van de tapkast, geen muziek, de geur van Dettol, een zijdeur waarop cour geschreven staat, een muur bezet met honderden slordig aangebrachte kiekjes, waarin ik een fotografische inventaris meende te ontwaren van het cliënteel van dit café. 
De waardin oogde jong noch oud; slank was ze niet, maar je kon haar ook niet dik noemen. Ik had de indruk dat ik haar eerder gezien had, maar dat was alleen een indruk. Ze was nieuw in het café dat ze naar eigen zeggen pas geërfd had, zowaar van een familielid dat nooit eerder iets van zich had laten horen. In die erfenis zat ook een mooie geldsom, voldoende om het de rest van haar leven rustig te houden. Uiteraard zat er een addertje onder het gras en dat was de verplichting om het café open te houden, ‘in de staat waarin het zich bevindt’.  Nadat ze alles gewikt en gewogen had, was ze de uitbaatster geworden van een café dat voorbijgangers sommeerde binnen te komen om er hun boterhammen te eten. Ziet u die muur daar? Ook die muur had ze testamentair helemaal intact moeten laten.
Wie zijn dat, vroeg ik, de mensen op die foto’s? Ze kende hen niet, maar ze wist er wel een verhaal over te vertellen dat, zo verzekerde ze me, een verzamelaar van bijna-doodervaringen heel erg zou interesseren. Ik legde mijn voice recorder op tafel. Al die mensen, zei ze, blijken hier in de onmiddellijke omgeving gestorven te zijn, altijd in een accident, en veelal is het accident hier, op het kruispunt, gebeurd. Mijn ogen volgden de richting die ze aanwees en ik zag verkeerslichten die een vastgelopen circulatie op het kruispunt probeerden te ontwarren. Ze zweeg. Ik zweeg. Was dit de fotocollectie van een necrofiel? Getuigde die muur van de morbide fascinatie van een vorige uitbater? Ik stond op en ging de kiekjes nader bekijken. Soms stond er meer dan één mens op zo’n foto, maar meestal waren het kopjes van individuen. Ze lachten, keken stuurs of blikten neutraal in de lens; sommigen waren scherp geportretteerd, andere afbeeldingen waren vaag. En al de foto’s waren in dit café genomen. Ik herkende het raam waar ik zopas doorheen gekeken had, ik herkende de stoel waarop ik zat en de tafel waarop mijn voice recorder lag. Interessant vond ik het heel zeker en ik besefte wel dat ik in dit café op een verhaal gestoten was, maar met een bijna-doodervaring had dit niets te maken.  Dat is ook wat ik haar zei.
Daarin vergist u zich, antwoordde ze. Wacht, zei ze vervolgens, ik ga iets halen. Ik ging weer zitten en maakte van de pauze gebruik om mijn boterham helemaal op te eten. Ze kwam terug met een doos. Vanuit die doos haalde ze een voorwerp dat in een doek gewikkeld zat en vanonder dat doek kwam een fototoestel van het goede oude merk Polaroid, de camera die zijn foto’s zelf ontwikkelde en die de opkomst van het digitale tijdperk onmogelijk had kunnen overleven. Het was een mooie polaroid, een professioneel toestel waarvoor destijds ongetwijfeld veel geld betaald was, een model dat wellicht ook nu nog door liefhebbers erg gekoesterd wordt. Dit is ‘m! zei ze. Ik schrok van haar stem die oversloeg. Haar ogen schitterden terwijl ze de polaroid enigszins plechtig voor zich uithield. Zag ik haar handen trillen? Al die lichaamstaal maakte mij alvast duidelijk dat dit een plechtig moment was. Een mooi toestel is dat, zei ik heel toepasselijk, maar het heeft nog altijd niets met een bijna-doodervaring te maken.
Dat is maar wat u denkt, repliceerde ze raadselachtig, daar zult u later wel anders over spreken. En toen deed ze iets waar ik geenszins op voorbereid was. Ze drukte af. Door de flits werd ik verblind. De situatie leek eindeloos te duren en tegelijkertijd in een nanoseconde gecomprimeerd te worden. In het duister hoorde ik een mannenstem die zei dat het nu niet lang meer zou duren. Hij haalt het, zo zei die stem. Het duister begon te wijken. Een vrouwenstem vroeg: kan ik eerst nog iets eten of is ’t beter dat ik blijf? Ik herkende die stem, maar kon hem niet thuisbrengen. Neen, antwoordde de mannenstem, u blijft. Eet hier uw boterhammen! Mijn geest vernestelde zich in een kluwen van Polaroidcamera's en medische apparaten, in zalen voor feestelijkheden en operatiezalen, in verkeerslichten en baxters, in kamers voor reizigers en ziekenkamers. Hij probeert iets te zeggen, fluisterde de vrouw die zich over me boog. Ik zag, eerst nog vaag, daarna almaar beter, dat ze jong noch oud oogde, knap noch lelijk, slank en tegelijk ook niet. Ik had de indruk dat ik haar eerder gezien had, maar meer dan een indruk was dat niet.
Flor Vandekerckhove

zondag 11 augustus 2013

Ten huize van de warme woordbakker


Peter Holvoet-Hanssen en Flor Vandekerckhove (foto Jo Clauwaert)
Een mens leeft niet van brood alleen.’ Jezus Christus heeft het destijds al spetterend verwoord in wat vandaag een oneliner heet. Een mens heeft niet alleen het materiële nodig, maar ook het denkbeeldige. Zonder denkbeelden geen verandering, zonder verandering… geen leven.

‘Ben je daar weer? Heb je soms heimwee naar het dodelijke sprookje? / Dan zend ik je opnieuw op queeste. Rozenhoedje, wakker worden.’ (1)

Niet van brood alleen!  Vandaar dat er niet alleen bakkers zijn, maar ook producenten van het denkbeeldige, het imaginaire; van al datgene wat bedacht kan worden.  Naar analogie met de broodbakkers kunnen we hen woordbakkers noemen.
Zo’n woordbakkers zijn er in alle maten en gewichten.  ‘Fictie is ruimer dan literatuur, het is in het leven veel belangrijker dan literatuur of kunst. (…) Ik denk niet dat er veel mensen zijn die het uithouden zonder fictie; iedereen heeft de behoefte om zijn echte leven aan te vullen met een fictief leven, de een of andere leugen die hij door ik weet niet wat voor mechanisme omzet in waarheid.’ (2)
Sommige woordbakkers houden zich dan ook op in de wetenschap, andere in de religie, journalistiek of politiek; ze zijn ook massaal aanwezig in de film- en reclame-industrie.  Het zijn typische sectoren waar woorden geproduceerd worden die zo’n denkbeelden oproepen.
Naast voornoemden, die we meestal in grote instituties aantreffen, zijn er ook kleine zelfstandigen van het woord.  Zij zijn als ‘t ware de warme bakkers van het imaginaire. 

‘Slaap zacht, doe je ogen toe. / De Zevenslaper weet vast wel 7 wegen naar Timboektoe.’

Holvoet-Hanssen is zo’n warme bakker en zijn bakkerijtje vind je In een uithoek van de taal; uithoek die Peter zelf het Kapersnest noemt. Die naam staat centraal in de imaginaire wereld van de dichter; zo centraal dat hij haast materiële werkelijkheid lijkt te zijn.  Wanneer Peter Holvoet-Hanssen over zijn thuis, het Kapersnest, spreekt, denkt men veelal aan zijn fysieke woonst in Antwerpen. Dit is een misvatting. De Antwerpse woning van Peter en Noëlla Elpers is geen kapersnest, het ziet er daar niet uit als een kapersnest, de geluiden die je er hoort zijn niet deze van een kapersnest en de keuken geurt daar net als deze van de buren. Het Kapersnest dat de dichter bewoont moet je bijgevolg in zijn imaginatie zoeken, net als de woorden die hij al dichtend produceert.
Waarom Kapersnest? ‘Dichten is kapen. Kapen is de rijkdommen van de taal veroveren, met instemming van de uiteindelijke opdrachtgever: de lezer. Kapen is ook een kaap ronden, een rots omzeilen om nieuwe horizonten te verkennen en nieuwe werelden te ontdekken. De Piet Hein van alle Vlaamse dichters is Peter Holvoet-Hanssen. (…) Vrijheid, zelfbeschikking, verovering, ontworsteling, dat is de zucht van de bewuste mens, en in volle hevigheid, van de dichter.’ (3)
Laat ons de vergelijking met de bakkerijsector even doortrekken, want er zijn nog gelijkenissen: zowel de warme bakkers van het brood als deze van het woord produceren op mensenmaat; ze zijn kleine zelfstandigen, ze hebben het niet gemakkelijk, ze overleven alleen maar als ze in staat zijn hoge kwaliteit te leveren, en ja, ze hebben beiden neiging/reden tot klagen.
Er is ook een groot verschil.  U weet wat u mag verwachten wanneer u ’s morgens uw bakker opzoekt.  Als ’t goed is, dan zal zijn broodje in niets verschillen van wat u daar al eerder gekocht hebt. Dat is niet het geval bij warme woordbakker Peter. Die stuurt u telkens met iets anders naar huis. De dichter zal boven zijn product misschien wel ‘stokbrood’ schrijven, maar al lezend (proevend!) zult u constateren dat het danig verschilt van wat u verwacht had.

‘ik besta in dit gedicht: de dichter switcht drie schakelaars en ik / zet een stap, ik leef (…)’

Nochtans zult u Peters waar niet naar het Kapersnest terugbrengen, zeggend dat men zich aldaar bij het inpakken vergist heeft. U weet immers dat het aan u is om te ontdekken waarom dat stokbrood zo heet.
Voor de mens die spreekt, zegt Sartre, zijn de woorden zoals ‘huisdieren’. Voor de dichter zijn het dieren in wilde staat. ‘Voor de eerste zijn het nuttige afspraken, gereedschappen, die langzaam slijten en die men weggooit als ze ondeugdelijk zijn geworden, voor de laatste zijn het natuurlijke dingen, die op natuurlijke wijze op aarde groeien zoals het gras en de bomen.’ (4) Woorden die in het wild groeien zijn onvoorspelbaar, in tegenstelling tot deze die zich als huisdieren gedragen. Vandaar ook dat het moeilijker is om een gedicht te lezen dan een croissant te eten. 
Maar de voldoening is er niet minder om: Wát overkomt me dan? Een geluksgevoel, maar niet van het gezapige of weemoedige soort, veeleer: een aansporing om door te gaan. Nieuwe moed – dat is iets wat we allemaal broodnodig hebben nu en dan, en het is waarschijnlijk een van de beste dingen die kunst en literatuur ons kunnen geven.’ (5)
Neen, je krijgt het niet voor niets. Alleen al een opsomming van een aantal titels uit de woordbakkerij van Peter plaatst ons voor een moeizaam te beklimmen berg: Strombolicchio (1999), Santander (2001), Spinalonga, Navagio (2008). Wat is me dat allemaal? De reis naar Inframundo (2011) waarin hij zijn vorige bundels herschikt, licht gelukkig al een deel van de sluier op. Inframundo betekent immers onderwereld. Peter HH neemt ons mee naar een andere wereld. En ja, dat is ook wat hij in zijn vorige bundels deed. Spinangola bijvoorbeeld is de naam van een Grieks eiland, Santander is een Spaanse havenstad, Strombolicchio is een vulkaaneiland…
Dirk De Geest, die zich vakkundig over de poëzie van Peter gebogen heeft, weet dat het deze woordbakker ‘eerder dan om het bereiken van een vaste (zelfs fictieve) eindbestemming, vooral te doen is om de beweeglijkheid zelf, het permanent onderweg zijn.’ (6) Als je er een beetje op doordenkt, dan valt dat licht te begrijpen, want het voedsel van de geest, het imaginaire, is anders dan het brood van de warme broodbakker, vluchtig, ijl, nauwelijks grijpbaar — nauwelijks te vatten!

‘poezelijnen moeten wassen / snorren voor de wereld / niet meer schoon te krijgen / uilen mokken om de maan / drie uur en donker is het licht / slijm van slapeloosheid / oploeven en afvallen'.

In tegenstelling tot de broodbakker die wellicht gewoon boven zijn oven slaapt, woont woordbakker Peter in zijn taal — de plek die hij Kapersnest noemt.  Hij beweegt erin en reist ermee naar… waar zijn verbeelding hem leidt. Alle denkbare grenzen worden overschreden. In amper een paar regels bereikt de poëtische kaperkapitein moeiteloos alle uithoeken van de wereld: van Vuureiland tot Timboektoe, van Oostende tot Kaboel en Kosovo, van het Schotse Kinloch Rannoch tot de Dode Zee of de nulmeridiaan. (…) van vulkanen en de onderwereld stijgt het ik enthousiast op naar sterren en planeten. (…) Ook mythische plaatsen liggen binnen handbereik, en temporele barrières vormen al evenmin een belemmering. Even vlotjes verspringen gedichten naar het legendarische Camelot van Koning Arthur, de onderwereld, de sprookjeswereld van Vrouw Holle en Sneeuwwitje, het Malpertuus waar de middeleeuwse vos Reinaert zijn snode plannen beraamt, de wolkenstad Nephelokokkugia van de Griekse komedieschrijver Aristophanes (…), maar evenzeer de entourage van hedendaagse kunstenaars en zangers… (7)
Op die reizen worden we vergezeld door kaper J. Enterhaeck, ontsnappingskunstenaar Houdini, Reinaert de Vos en tal van andere speelvogels. Maar allemaal zeggen ze ons hetzelfde, zij het op hun eigen manier: een ander leven is mogelijk, een andere wereld is mogelijk! ‘Een creatief schrijver is iemand die vanuit een persoonlijke obsessie of overtuiging de werkelijkheid kan vervormen en die zo vervorming zo geloofwaardig weet over te brengen dat de lezer er een objectieve beschrijving in ziet van de werkelijkheid, van de echte wereld.’ (8) O, wat een heerlijke leugen! O, wat een heerlijke waarheid!
Wat is dan die persoonlijke obsessie van Holvoet-Hanssen? Peter zegt daar zelf over: ‘Waarom doe ik dat allemaal? Ik moet u misschien ontgoochelen, want ik doe het niét uit sociaal engagement, wel omwille van mijn persoonlijke queeste: een zoektocht om mijn poëzie inhoudelijk en vormelijk voortdurend uit te dagen.’ (9)  Maar die persoonlijke queeste ontwikkelt zich niet in een maatschappelijk leeg laboratorium. Zegt Peter: ‘Zodra ge publiceert/communiceert zijt ge m.i. politiek bezig.’  
Is dat zo? Wat moeten we ons daarbij dan voorstellen, bij zo’n politieke bezigheid? Sommige woordbakkers hebben daar een onwrikbare mening over: ‘[W]ij moeten niet alleen in onze fictie onze dromen waar maken. Wij moeten zorgen dat de belofte uit onze visioenen en onze woorden ons dagelijks leven binnenkomt en een objectieve werkelijkheid wordt.’ (10)  Ja, dat is wel degelijk politiek, zij het van een andere orde dan deze die we daar gewoonlijk onder verstaan: Om misverstanden te voorkomen: bij “politiek” denk ik minder aan partijen, parlementen, verkiezingen en regeringen dan aan groepen en mensen die een bestaande orde willen ondergraven of minstens ondervragen, die versteende toestanden willen doen dansen.’ (11)
Is het dat wat Holvoet-Hanssen voor ogen staat? Wil hij versteende toestanden doen dansen? Ik denk het wel. Peter: ‘Met een gedicht schep je je eigen wereld, maar m.i. is die tegelijkertijd verbonden met de wereld. Vandaar dat ik ook af en toe met de wereld in verbinding treed, nl. daadwerkelijk met de mensen en andere dichter(e)s(sen) de baan op ga.  Dat is een persoonlijke keuze. Er zijn dichters, zoals Bernard Dewulf die zich veel intiemer opstellen, maar, vergis u niet, ook dat is een politieke daad.  Mijn straatlopen heeft echter wel een nadeel. Wie, zoals ik, “street minded” opereert, wordt rap in een hokje gestopt.  Mensen vinden dan dat ik niet schrijf “zoals den Bernaar”.  Ze zien op den duur niet meer dat ik ook veel gedichten geschreven heb die niét op een podium voorgelezen willen worden en best thuis geproefd worden, nippend van een koffie.’
We zien Peter Holvoet-Hanssen wel rondhollen, maar hij is geen militante wereldverbeteraar.  Uiteraard niet: ‘De symbolische wereld van de literatuur valt niet samen met de beredeneerde wereld van de ideologieën. In tegenstelling tot filosofische of politieke doctrines, is het literaire werk geen abstract conceptueel systeem, maar de creatie van een concrete imaginaire wereld van personages en dingen.’ (12)  Dat belet dan weer niet dat Peters wegen die van rondhollende wereldverbeteraars her en der kruisen. Beiden zien een andere werkelijkheid dan deze die ons voorgehouden wordt, want in tegenstelling tot wat de goegemeente denkt wordt de werkelijkheid niet gevormd door een reeks feiten, maar door een constructie van de verbeelding die aan die feiten samengang geeft. 'We leren het werkelijke tegenover het denkbeeldige te stellen, als lag het ene altijd binnen handbereik en het andere op een afstand, ver weg. En dat is een schijntegenstelling.  Feiten zijn altijd binnen handbereik. Maar de samenhang tussen die feiten — wat wordt verstaan onder "werkelijkheid" — is een constructie van de verbeelding.  De werkelijkheid ligt altijd aan gene zijde van — en dat geldt voor materialisten evenzeer als voor idealisten, voor Plato en voor Marx.  Hoe men de werkelijkheid ook opvat, zij ligt aan gene zijde van een scherm van clichés. Elke cultuur brengt zo'n scherm aan, ten dele om haar eigen handelswijzen te vergemakkelijken (om gewoontevorming mogelijk te maken) en ten dele om haar eigen macht te bestendigen. De werkelijkheid is bedreigend voor degenen die macht hebben. (…) Alle moderne kunstenaars beschouwen hun vernieuwingen als een weg om de werkelijkheid dichter te benaderen, als manier om de werkelijkheid inzichtelijker te maken.  Op dit punt, en alleen op dit punt, vinden de moderne kunstenaar en de revolutionair elkaar soms aan hun zijde, geïnspireerd als beiden zijn door de idee het scherm van clichés neer te halen, clichés die in de moderne tijd onbenulliger en zelfzuchtiger zijn dan ooit tevoren.' (13) 
Holvoet-Hanssen wordt, zoals elke kunstenaar, ‘gevormd door dit onophoudelijk heen en weer gaan van zichzelf naar de anderen, halverwege de schoonheid waar hij niet buiten kan en de gemeenschap waaraan hij zich niet kan onttrekken.  Daarom minachten de ware kunstenaars niets; zij dwingen zich te begrijpen in plaats van een oordeel te vellen. En als zij in deze wereld partij moeten kiezen, kan dat alleen zijn voor een samenleving waarin, naar het grootse woord van Nietzsche, niet meer de rechter zal heersen, maar de schepper, of hij nu arbeider is of intellectueel.’ (14) Het is overigens op zo’n kruispunt dat we Peter Holvoet-Hanssen voor het eerst ontmoet hebben. We hopen dat we hem — onderweg als we allemaal zijn — nog veel tegen ’t lijf mogen lopen.
Flor Vandekerckhove.

(1) De geciteerde verzen in dit stuk komen alle uit de bundel De reis naar Inframundo van Peter Holvoet-Hanssen. 2011. A'dam, Prometheus.
(2) Mario Vargas Llosa, Een manier om ongeluk te bestrijden. 1966. Meulenhof A’dam. p.200.
(3) Lukas De Vos, De boekanier der Poëzie. In Peter Holvoet-Hanssen. Kaapvaart. 2012. uitgegeven n.a.v. de 62ste Arkprijs van het Vrije Woord. Uitg. A’pen, De vrienden van de Zwarte Panter.
(4) J.P. Sartre, Wat is literatuur. 1968. De Bezige Bij A’dam.
(5) Joris Note, Kan literatuur nog dienen voor politieke verandering? In De Wereld Morgen, 27.06.2011.
(6) Dirk De Geest, De poëziemagie van Peter Holvoet-Hanssen in Ons Erfdeel 3/2011, ps 44-53.
(7) Ib.
(8) 1966, p.157.
(9) De citaten waarin Peter Holvoet-Hanssen zelf zijn werk expliciteert komen uit mijn correspondentie met de dichter.
(10) 1966, p.54.
(11) Joris Note, Wonderlijke wapens. Essays over literatuur en politiek. A'dam. De Bezige Bij, 2013. p.9.
(12) Michaël Löwy, Herbetovering van de wereld. Romantische wortels van linkse denkers.  Leuven, 2013. uitg. Socialisme 21, Grenzeloos en Uitgavenfonds Ernest Mandel. p.46.
(13) John Berger, Een ander antwoord. Verhalen en beschouwingen. A'dam, De Bezige Bij, 1996. p.190-191.
(14) Albert Camus, Rede te Stockholm (op de uitreiking van de Nobelprijs). 10 december 1957.

dinsdag 6 augustus 2013

Work in progress (XV)


 Al die veranderingen werden overkoepeld door een langdurig
evenement dat Tweede Vaticaans Concilie heette.
[Op mijn verjaardag nam ik de ondoordachte beslissing een 'autobiografie' te schrijven, een boek dat er voor niemand hoeft te zijn, behalve voor mezelf; een boek dat ik daardoor in volle vrijheid schrijf. 
Dit is het vijftiende hoofdstuk. Ik vraag me af hoever ik ermee zal gekomen zijn op de dag dat ik weer verjaar. Wie eerdere hoofdstukken wil lezen, drukt op een van onderstaande labels.]

XV.
Neen, ik mag niet klagen, tot hiertoe is ’t goed gegaan.  En 't heeft ook merkwaardig lang geduurd, dat goed gaan. In februari besluit ik dit boek te schrijven en de daaropvolgende maanden moet ik me inhouden om ’t niet in één keer, in een alles overspoelende vloedgolf van letters aan elkaar te rijgen.  De juiste woorden schieten me spontaan te binnen, zinnen volgen elkaar probleemloos op, alinea’s vormen zichzelf in een alles met zich meeslepende vloed die vier maanden geduurd heeft.  In die tijd heb ik veertien hoofdstukken geschreven, bijna vier per maand. Onderweg waan ik me al een Simenon die rap een verhaal neerpent, vervolgens een week naar de hoeren trekt en daarna weer rap een boek schrijft. 
En dan, opeens, pats! Gedaan.  Niets meer.  Ik bekijk mijn notities. Het voorgaande hoofdstuk heb ik op 19 juni afgewerkt; we zijn nu al een eeuwigheid later en ik moet nog aan het volgende beginnen.
Uitstelgedrag natuurlijk. En zoals dat altijd het geval is, heeft het een reden. Tot hiertoe heeft mijn leven zich in de wijk rond het huis afgespeeld. Daar wonen de mensen die ik ken, daar loop ik school, daar wonen mijn speelkameraden, daar woont mijn familie. Daar laat mijn moeder de bel klinken als ’t tijd is om te eten.  De wijk is een geheel, mijn organische wereld, op een natuurlijke wijze afgezoomd en overzichtelijk. Daar is vaders wil wet, daar zorgt moeder ervoor dat die wet gerespecteerd wordt. Daar groei ik op te midden van zekerheden die mee door de jaargetijden bepaald worden. Koren dat gezaaid wordt, groeit, rijpt en wordt afgereden.  Velden die vervolgens leeg blijven liggen tot alles weer opnieuw begint. Toeristen die toekomen, een tijdje blijven en weer vertrekken. Alles baadt in zekerheden. En ook wel in de verveling die ons in die dagen vergezelt, net zoals de zon die opkomt en ondergaat.
Die wijk waarin ik leefde, was mijn wereld. Ten noorden werd die afgebakend door de zee, ten zuiden door de polders, in het oosten fungeerde de Visserskapel als merkteken en ten westen was er de oude molen. Het waren grenzen die wij, spelende kinderen, zelden overschreden.
Ik herinner me dat grotere kinderen jaarlijks een voetbalmatch speelden waarvan wij, kleintjes, de toeschouwers waren. Die van de Duinen tegen die van ’t Dorp. De eersten kenden we allemaal, dat waren onze grote jongens; die van ‘t Dorp kenden we niet, die leefden van ons gescheiden, ver in de polders, daar waar de Duinenstraat overging in de Sluizenstraat, ten teken dat je in een andere wereld terechtkwam… en dat was nauwelijks een paar kilometer verder.
Heel soms trokken we fietsend op avontuur en overschreden we de grenzen. We lieten ons dan overweldigen door exotische plekken als de Spuikom waarin Haelewyck zijn oesters kweekte, of door het Dorp waar de landman over de dingen heerste. Een enkele keer trokken we de merkwaardige wijk achter de Visserskapel in, waar we een maat hadden wonen…
Ten westen trokken we zelden verder dan de oude molen, een houten bouwsel dat in die tijd al geen wieken meer had. De houten staakmolen was in 1919 gebouwd om koren te malen. In de jaren dertig werd hij niet meer gebruikt. In 1947 werd het wiekenkruis afgerukt door een storm. In 1959 werd de vermolmde molenromp omver getrokken. (Hadden we toen ook al het vermoeden dat de nakende jaren zestig ook de andere vermolmde zekerheden omver zouden trekken? Ik denk het niet.)
Jaarlijks hadden we de toeristen zien toekomen en jaar na jaar, tegen het einde van de zomer, hadden we ze ook weer zien vertrekken; altijd dezelfde toeristen die altijd bij dezelfde mensen gingen logeren; ónze toeristen. In juli stroomden ze toe, gepakt en gezakt, in wat wij de valiezenkoers noemden.  Ze bezetten er onze koterijen die wij appartementen noemden.  De straten vulden zich met een menggeur van zonnebrandolie en zeezout die zij in hun dagelijkse tocht van en naar het strand op de stoep achterlieten.  In de winkels schoten de prijzen omhoog en uit de openstaande deuren van de cafés schalde het geluid van de jukebox.  En elke septembermaand veranderde het badplaatsje weer in een boerengat waar niemand er ook maar aan dacht vijf frank in de gleuf van een jukebox te steken; waar de noordenwind je benen zandstraalde en de mensen zich kop in kas naar huis haastten om er in schaarste drie seizoenen te overleven, geduldig wachtend op de toeristen die — zeker weten — weer zouden komen om de kas te spijzen.
Dagelijks stond ik in het deurgat over de straat uit te kijken; mijn straat, mijn wereld. Dagelijks zag ik dezelfde mensen in dezelfde kleren dezelfde weg afleggen om dezelfde boodschappen in huis te halen. Nu en dan stierf er iemand en dan kwam er weer iemand bij. Wekelijks kwam een boer, met paard en kar, het vuil ophalen. Twee keer per jaar trok mijn moeder naar Oostende om er inkopen te doen, een voor de zomer en een voor de winter. Jaarlijks werd boer Lagast ingeschakeld om met paard en kar de afgebroken strandcabines te herbergen, Een keer per jaar passeerde de scharensliep en een keer per jaar kwam de pastoor thuis op bezoek. Met grote tussenpozen vervingen nieuwe kleren de oude waar ik al enige tijd uitgegroeid was.
Ik stond in het deurgat en dacht na over mijn toekomst.  Als mijn ouders toch beslist hadden dat ik geen beenhouwer zou worden dan was er misschien een kans dat ik later schuin tegenover de ouderlijke woning in het kleine huisje van de ouwe Van Blaere ging wonen. Ik zou daar leven met een trouwe herdershond aan mijn zij en er schilderijen produceren in de stijl van monsieur Gillot. ’s Avonds, na de dagtaak, zou ik de hond uitlaten; in ’t weerkeren van het strand zou ik in ‘t café van Alida een glas drinken waarna een deugddoende nacht me tot het produceren van nieuwe schilderijen zou inspireren: zonovergoten dreven, wuivend duinhelm en woest opspattende golven, en natuurlijk ook impressies van onze straat, ja vooral beelden van onze straat.
Dat is de wereld zoals ik die, veertien hoofdstukken lang, haast in een automatisme, beschreven heb. En nu, in dit vijftiende hoofdstuk, begint heel die constructie te wankelen. De knaap wordt puber, grenzen dienen per se overschreden te worden, onveranderlijke tijden veranderen, de wereld barst open, het decor wijzigt, de inhoud van dit boek verandert en daardoor wellicht ook de vorm. Daarom duurt het ook zo lang vooraleer ik aan dit hoofdstuk verder werk: omdat ik niet goed weet hoe die veranderingen in het boek vorm moeten krijgen.
Zoek ik het te ver en kan ik gewoon verder schrijven zoals ik het tot hiertoe gedaan heb? Of is ’t anders? Moet het vertelperspectief wijzigen?  Ik twijfel en twijfel en twijfel en kom daardoor niet meer aan schrijven toe. Komt er een stijlbreuk? Is dit het begin van een tweede deel? En als dat zo is, zal dit deel dan eveneens veertien hoofdstukken tellen en zal dat dan eindigen wanneer ik achttien geworden ben, een leeftijd waarop de dingen weer helemaal anders worden?
Veel kans overigens dat ik hier, op dit moment, mijn hand begin te overspelen. Elk boek heeft zo’n moment, en voor wat dit boek betreft valt dit moment hier en nu.  Ik zie ’t voor mijn ogen gebeuren, kijk, daar komt het! Voor mijn geestesoog verschijnen tal van mogelijkheden die me alleen maar naar nieuwe problemen zullen leiden. Een voorbeeld: kan ik de breuk in dit boek vorm geven door vanaf nu een nieuwe alwetende verteller in te schakelen, iemand die over de ik-figuur schrijft, waardoor die ik-figuur in het tweede deel een hij wordt?  Zo’n ingreep zou inderdaad het vormelijke antwoord kunnen zijn op de veranderingen die zich onmiskenbaar aankondigen.  Ja, denk ik dan, dat zou ik kunnen.  Maar daar stopt het helaas niet — dat doet het nooit  — dan gaat het verder. Kan die nieuwe, alwetende verteller bijvoorbeeld tegelijk de knaap zijn die in het eerste deel de ik-figuur was? Kan het kind degene zijn die de puber observeert en becommentarieert?  Het mag op filosofisch gewauwel lijken (wat het wellicht ook is) het zou wel een frisse benadering kunnen opleveren, ‘t zou een leuk spelletje à la the child is father of the man kunnen worden.
Zou ik dat kunnen? Misschien wel ja. Zou ik er mijn hand mee overspelen?  Daar bestaat veel kans toe, ja. Laat me er dus nog even over nadenken terwijl ik verder schrijf, want al die problemen lossen zichzelf uiteraard op in het schrijven. En mocht er, tegen alle verwachtingen in, toch een lezer zijn die dit boek in zijn geheel tot zich neemt, dan zal die wel zien hoe deze kwestie aangepakt werd en of de kwestie al dan niet een bevredigende oplossing gekregen heeft.
Alles, echt alles, begon te wankelen toen ik de wijkschool in Bredene achter me liet en ik dagelijks de tram naar Oostende begon te nemen.  Ik stapte op die tram en zag door de ramen hoe de wereld van mijn jeugd ineen begon te storten om plaats te maken voor het vreemde.
Toen ik die dag op die tram stapte was het ophefmakende Softenonproces aan de gang, de voorafbeelding van een toekomst waarin de pillenindustrie letterlijk het leven in handen neemt; toen ik diezelfde dag weer van die tram stapte vernam ik dat monsieur Gillot het tijdelijke voor het eeuwige gewisseld had, waardoor mijn blik op andere schilders — van Altamira tot heden — gericht kon worden; onderweg van het station naar huis zag ik dat het vuilnis nu door speciaal daarvoor ontworpen vrachtwagens opgehaald werd, de start van een milieubeleid dat een aantal decennia later zou resulteren in PMD-zakken en containerparken; het toerisme verplaatste zich vanuit de wijk naar de campingzone en van daar nog verder weg, naar Spanje, waardoor de broodwinning van mijn ouders in ’t gedrang kwam en de riem nog een beetje meer aangespannen werd. De ouwe Van Blaere verdween uit mijn blikveld en zijn kleindochter bezette als vanzelf de zo ontstane leegte; Radio Luxembourg werd van de kaart gespeeld door piratenzenders die vanuit zee ter ether kwamen; mijn onsterfelijk gewaande dooppeter stierf; mijn moeder wees me op een voorlichtingsboekje in de schuif, dat ik straal negeerde zolang mijn ouders in de buurt waren; de Grote Treinroof sloot tegelijk een misdaadtijdperk af en opende een nieuw; ik begon schoenen met scherpe toppen te dragen, waardoor mijn tenen er vandaag verkrampt uitzien; de Ford Mustang voerde de mensheid naar het opgefokte tijdperk van Johnny & Marina; er hing een gerucht in de lucht dat The Beatles heette; Etienne Vermeersch smeet in die dagen zijn kap over d’ haag waardoor er een moderniseringsgolf over het kerkvolk trok; Gigliola Cinquetti had er de leeftijd niet voor maar deed het heimelijk toch; ik kreeg een jeans aangepast die spijkerbroek genoemd werd; in de krantenwinkel van Paula Mestdagh kocht ik een wimpel met Vlaamse leeuw en bond die achteraan mijn fiets vast, zoals de langharige, blonde meiden het deden die jaarlijks naar Diksmuide fietsten om daar de IJzerbedevaart bij te wonen (mijn vlaggetje maakte op hen helaas niet de verhoopte indruk); Provo, Malcolm X, Goldfinger, de Top 40, Vietnam, de billen van mijn nicht, Mobutu… In het lunapark leerde ik een Christine uit Charleroi kennen die me haar borsten toonde in ruil voor mijn eeuwige trouw, een belofte die de daaropvolgende schoolperiode niet overleefde en waardoor ze aan ’t begin van de volgende vakantie buitensporig veel moest huilen; ik begon aandacht te besteden aan mijn imago en sloeg nu en dan op mijn eigen neus in de hoop dat die zou breken en ik eruit zou zien als een bokser. En al die veranderingen werden overkoepeld door een langdurig evenement dat Tweede Vaticaans Concilie heette.
Op 11 oktober 1962 opende de sympathieke paus Johannes XXIII de ramen van zijn doening in Vaticaanstad en sprak de daar 2540 verzamelde bisschoppen toe: ‘Als we willen dat alles blijft zoals het is, moet alles anders worden.’ Dat zei hij natuurlijk niet letterlijk, want het citaat komt van Guiseppe Tomasi, de laatste prins van Lampedusa; maar wat die lamme goedzak van een paus daar zei komt wel op hetzelfde neer.
Je houdt het vandaag haast niet meer voor mogelijk, maar dat concilie speelde een grote rol in ons leven. In het college werden debatten georganiseerd: voor- en tegenstanders van het aggiornamento gingen met elkaar in de clinch; we stelden een delegatie samen die onze verlangens, dan wel eisen, aan Rome zou overmaken.  We spraken van oecumene, catechese, diaconie, hermeneutiek, dogmatiek en synode alsof het niets was. En als we nu eens het altaar omkeerden? Of de stoelen? En als we nu eens alles lieten staan en de pastoor omkeerden? En als we het nu eens in het Nederlands (de volkstaal!) deden? Of in ’t Engels, want dat verstaat iedereen (behalve de kleine De Vos uit Oudenburg die voor dat vak zakte.) En als we de duur van de mis nu eens halveerden? Ik dacht wel dat mijn vader zo’n vernieuwing zou weten te appreciëren. En als we de catechismus afschaften? Konden we het orgel laten zwijgen en de elektrische gitaar het werk laten doen? Mochten we de hostie in onze handen nemen, ook als die handen niet gewassen waren? Bestond de duivel? Dat was een moeilijke, veel moeilijker dan de kwestie van de aflaten.  En bestond het voorgeborchte, een plek die andersdenkenden nogal eens verwarden met het vagevuur? Zouden we onze verzuchtingen per fiets naar Rome brengen, per trein of per Ford Mustang? 
U begrijpt het wel, in Rome zijn we niet geraakt, want over alles waren we het oneens. Nog een geluk dat er ook problemen waren die aan onze aandacht ontsnapten, zoals dat van vrouwen die per se priester wilden worden; dat stond niet ter discussie in een jongensschool en evenmin in een concilie waarin alles ter discussie gesteld werd.
Ter discussie stond wel ene Marcel Brauns. U kent deze mens niet, maar de vraag of die pater wel dan niet uit de partij, de orde en de kerk gegooid moest worden, laaide indertijd hoog op. Met de partij wordt deze van de Vlaams-nationalisten bedoeld die in die jaren opgang maakte en die in dat college over vaardige agitatoren beschikte, zowel in het lerarenkorps als onder de leerlingen; de orde die met deze Marcel danig verveeld zat is die van de jezuïeten die hem uiteindelijk zouden exclaustreren (een typisch jezuïtisch woord is dat); en de kerk, ja dat is de kerk die in die tijd alle richtingen uitging, maar niet deze die deze pater Brauns voor ogen stond.  Zijn uitgangspunt zag ik later treffend verwoord in een titel van zijn tijdschriftje: ‘Vlaanderen heeft geen pillen nodig, maar kinderen!’  Hij isoleerde zich met zo’n standpunten, zeker bij ons, jongeren.  Zelf waren we de kindertijd immers aan ’t ontgroeien, we vonden dat we al lang genoeg kind geweest waren in Vlaanderen. Ons moest je niet overtuigen van de voordelen van de pil en dat zou zo blijven tot het aidstijdperk veel, veel jaren later zijn intrede zou doen.  De straffe gods, zo zal pater Brauns daarover wel gedacht (en geschreven) hebben. Maar tegen die tijd luisterde er al niemand meer. Of het zou die veertig procent van de bevolking moeten zijn dat vandaag nog altijd (of weer) voor de Vlaams-nationalisten stemt.  
De tram nam me mee, weg uit mijn kindertijd, en zette me af op een plek waar ik als een buitenstaander terechtkwam. Wat een vreemd land is dit, zo vroeg ik me af, die plek waar ik terechtgekomen ben.  Het is een begrijpelijke vraag, gesteld door een kind dat uit zijn natuurlijke milieu weggerukt wordt. Eerlijkheidshalve moet ik hier evenwel aan toevoegen dat ik me die vraag ook al stelde kort nadat ik geboren was.  En als ik heel, heel eerlijk wil zijn, dan moet ik toegeven dat ik me die vraag vandaag nog altijd stel.  Misschien is 't wel die vraag die me ooit aan 't schrijven gezet heeft. Een mooie gedachte vind ik dat, en zelfs indien 't niet waar zou zijn, dan blijft 't toch nog een mooie gedachte.