maandag 29 juli 2013

Kerkhofblommen


Het oud-kerkhof in Bredene-Dorp. —
In de tijd dat het neoliberalisme nog niet alles veranderd had lag het postkantoor vlak om de hoek. Dwars over het kerkhof liep er een korte weg naartoe. ’t Was in die tijd ook al een oud kerkhof en er werden daar nog nauwelijks doden begraven. Veel zerken lagen er schots en scheef bij. Andere daarentegen werden nog altijd goed onderhouden.
Op weg naar dat postkantoor zag ik er eens een man bloemen planten.  Hij leek me al enige tijd gepensioneerd te zijn. Het fotootje op de grafsteen was vervaagd, maar de inscriptie was nog goed leesbaar. De aflijvige bleek Maria te heten (zoals de meeste vrouwen die daar begraven liggen). De tekst leerde me verder dat de vrouw daar zestig jaar eerder ter aarde besteld was, maar niet voordat ze een hoge leeftijd bereikt had. 
In het passeren knikten de man en ik elkaar toe.  Ik stopte.  'Uw moeder?' vroeg ik.  'Neen', antwoordde de man.  Hij besprenkelde het perkje met water, waardoor het er weer fris uitzag. Ik verwachtte dat hij me de familiebanden zou uitleggen, maar dat deed hij niet. Een wijle stonden we daar samen in een ongemakkelijke stilte naar dat graf te kijken en toen zei ik geheel overbodig: 'Ik ga maar weer een eindje verder.'
Vanaf die dag kreeg het graf van die Maria een vaste plaats in mijn leven. Telkens ik naar het postkantoor trok werd mijn blik ernaartoe getrokken. Het perkje leerde me dat de man het bleef verzorgen. Het mag melig klinken, maar het gaf me een geruststellend gevoel. 
En zo vergingen de jaren.
Toen het in zo’n jaar weer lente werd zag ik de verandering. Het graf van Maria bleef er desolaat bijliggen. De aarde van het perkje bleef dor en de bloementuiltjes waren verschrompeld tot niet meer dan een verre herinnering.
Ik heb het een maand lang aangezien en toen werd het me te veel. Ik ging bloemen kopen, trok een werkpak aan, nam enig tuingerief en ging naar het kerkhof waar ik Maria’s perkje weer in eer herstelde.
Toen ik daar omzeggens klaar mee was, hoorde ik onverwachts een stem. 'Uw moeder?' vroeg die stem. 'Neen', antwoordde ik. Ik besprenkelde het perkje met water, zodat het er weer fris uitzag. Ik wist dat de mens achter me wachtte tot wanneer ik de familiebanden zou uitleggen.  Maar wat kon ik zeggen?  Een wijle stonden die mens en ik daar samen in een ongemakkelijke stilte naar Maria’s graf te kijken en toen hoorde ik de stem heel overbodig zeggen: 'Ik ga maar weer een eindje verder.'
Flor Vandekerckhove

[Wie op een van onderstaande labels drukt, vindt elders in de blog nog soortgelijke stukken.]

maandag 22 juli 2013

Duurzaam met telefoons smijten


In Brussel werd op 21 juli de Nationale Feestdag gevierd en Jan Becaus bracht daar ten laatste male verslag over uit. Op dezelfde dag nam zoon Filip de kwakkelde zaak van vader Albert over. Driedubbel feest dus, 1 voor Albert, 1 voor Filip en 1 voor Jan! In Gent dan weer draaiden de Gentse Fieste op kruissnelheid. En in Parijs sloten de renners de Tour de France af met een spetterende massasprint.  Op VTM werd de film Dirty Dancing vertoond. Maar al ‘t voornoemde vervalt in het niets bij wat zich op die feestrijke dag in een zonovergoten Bredene afspeelde.
Jonge lezers begrijpen dat we het over het Belgisch Kampioenschap gsm-werpen hebben, een telefoongebeuren dat alreeds voor de vierde keer in deze, voor de rest voortreffelijke gemeente georganiseerd wordt.  Niet minder dan 1.115 deelnemers smeten er dit jaar hun gsm weg.
Voor de oudere lezers volgt nu enige uitleg. 
Een gsm is een draagbare telefoon die ge overal met u meeneemt. Er hangt geen snoer aan, anders zou dat niet te doen zijn.  Op zich is dat uiteraard nog geen reden om ermee te gaan smijten. Waarom maken ze daar dan een kampioenschap van? Wel, ik zal het u uitleggen.
In uw tijd kocht gij in heel uw leven welgeteld één telefoon. Of ge huurde een exemplaar, dat kon ook. Die werd speciaal voor u gemaakt uit een brok bakeliet, ge moest daar dan ook een tijdje op wachten. Een jaar na de bestelling kwam er een ploeg van de PTT voor uw deur een Putje graven, Tentje zetten, Tukje doen en nog een jaar later was de klus geklaard. Intussen had moeder al lang een haakwerkje gecrocheerd om onder het toestel te leggen dat voor immer & altijd in de voorplaats uwer woning zou staan pronken.
Een gsm daarentegen haalt ge in grote aantallen in huis.  Elk gezinslid heeft er één.  Minstens!  En ge schaft u dat ook niet aan voor de rest van uw leven, ge hernieuwt dat pakweg om de twee jaar: de batterij verslijt, of ge wilt na een tijdje een telefoon waarmee ge ook de weg kunt vinden, of er komt een gsm met een nieuwe look uit die beter past bij de rest van uw fikfak…
Na een tijd zit ge daar met veertig, vijftig telefoons, allemaal brol die ge nergens kwijt kunt. Vandaar dat ge al die telefoons een keer per jaar, op 21 juli, in Bredene moogt komen wegsmijten.
Maar hola, niet in zee! Want daar is zich heden een grote plastieksoep aan ’t vormen, waar we geen weg meer mee weten; een probleem dat in de tijd van het bakeliet niet bestond, want wij smeten alles in de stoof. Maar goed, ge smijt die plastieken telefoons niet in zee, maar op ’t strand. Nadien worden die daar ingezameld om ze zogezegd te recycleren, of ergens in Afrika te dumpen. Als we er maar vanaf zijn.  De opbrengst van deze feel good activiteit gaat uiteraard naar een goed doel, of wat dacht ge.
De Belgische kampioen mag naar het Wereldkampioenschap gsm-werpen trekken dat gelukkig in Finland plaatsgrijpt en niet hier. De losers hoeven niet te wanhopen, want volgend jaar hebben we weer een pak gsm’s weg te smijten.  Alreeds voor de vijfde keer, waarmee nog eens bewezen wordt dat het kapitalisme wel degelijk naar duurzaamheid streeft. 
Er zijn overigens alweer nieuwe disciplines op komst, zo kon de plaatselijke pers vaststellen.  Zo was er op die smijterij ook ene Hans Van Alphen present die daar het tabletslingeren kwam promoten. Meer uitleg zou ons echter te ver leiden.
Leve de koning, vive mareine!
Flor Vandekerckhove

zondag 21 juli 2013

Anders dan Elsschot



Het maal smaakte heerlijk.  Zijn vrouw vroeg hem hoe de dag geweest was. Zoals altijd rondden ze af met een stukje kaas, wat hem helaas nergens toe inspireerde. Samen deden ze de vaat en samen keken ze naar het nieuws. De economische toestand was hopeloos, maar de weersverwachting bleef gunstig, althans voor de tijd van het jaar.  
Ze zapten de avond rond. Hij ging de vuilniszak op straat zetten terwijl zij de boel opruimde. Aan de voordeur rookte hij een laatste sigaret. Drie vreemdelingen vroegen hem in ’t passeren de weg naar een adres dat hij niet kende. Terwijl ze in de nacht verdwenen, hoorde hij de misthoorn.  
Zijn vrouw lag al in bed. Zie haar liggen, zei hij tot zichzelf, ze lijkt wel op een stervend paard. Hij dacht niet na, niet aan wetten en niet aan praktische bezwaren; met zijn benen gespreid ging hij boven op haar zitten en met zijn handen kneep hij haar de keel dicht. Ze spartelde nauwelijks tegen. Toen alle leven uit haar verdwenen was, loste hij zijn greep. Hij ontkleedde zich, vleide zich naast haar neer, knipte het licht uit en begon aan een welverdiende nachtrust.
Flor Vandekerckhove

donderdag 18 juli 2013

Eekhoorntjesbrood


Er zijn er niet veel, maar er zijn er. De buurman komt de berg afgereden, herkent me, opent het raampje en zegt het me ter verwelkoming: Er zijn er niet veel, maar er zijn er.
Hij zegt die woorden in ’t Frans, want ik toef in Frankrijk, in de hoge Languedoc, in een streek die zo wild is dat er alleen maar Fransen wonen.  Ooit waren hier wel drie toeristen, een Nederlander, een Brit en een Belg, maar die grap is inmiddels voltooid verleden tijd. De jongste jaren vertoef ik daar alleen nog tussen de Fransen.
Ik kom er al zo lang dat ik meteen begrijp waarover de buurman het heeft.  Hij heeft het over wat daar gedaan wordt. Daarover gaat het hier in deze periode van het jaar. Iedereen spreekt erover. Iedereen gaat ernaar op zoek.  Iedereen loopt ermee rond. Iedereen toont ze aan elkaar. Al mijn buren zijn specialisten. Zij weten wanneer ze er moeten zoeken, hoe ze dat moeten doen en waar. Zij kennen de dagprijs, zij weten hoeveel er hier & daar voor gevraagd wordt, in de winkel, op de markt, in de steden, in ’t zwart, in ‘t wit. (Goeie kwaliteit kost in Parijs 80 €/kg. In 1997 werd in New York zelfs de uitzonderlijke prijs van 200 € per kilogram betaald!)
Nadat ik het eerst enkele jaren bekeken had, begon ook ik eraan deel te nemen, want ja, dat is wat ook ik daar nu doe rond deze tijd van het jaar.  Waarmee mijn integratie in de hoge Languedoc voltooid werd.
Ik herinner me mijn eerste keer. Om onze onkunde niet te etaleren kozen mijn vriendin en ik voor een bos dat enkele dorpen verder ligt. We waren daar nooit eerder geweest. Daar kenden ze ons niet, daar zou niemand het belachelijk vinden mochten we met lege handen huiswaarts keren.
Ik weet niet meer hoe het dorpje heet.  Het is een relict, er staan een tiental huisjes. Er loopt niemand op straat, niets beweegt. Er is een kerk en een gebouw dat tegelijk dienst doet als gemeentehuis, postkantoor en school. Dat gebouw is gesloten.  Met financiële steun van de Europese Unie werd er naast dat gebouw een grote parking aangelegd.  Er staat één auto, de onze.
We trekken het bos in en wanneer we er ‘s avonds weer uit tevoorschijn komen, hebben we inderdaad enkele mooie exemplaren geplukt. Moe maar tevreden zakken we af naar de vallei waar het dorpje ligt.  Daar willen we de auto nemen, nog altijd het enige exemplaar op de, dank zij Europese subsidies, nu helverlichte parking.
We passeren een vriendelijk oud vrouwtje dat meteen de juiste vraag stelt. Of we er gevonden hebben. Niet zonder trots tonen we onze oogst. Haar echtgenoot heeft onze stemmen gehoord. Hij verlaat de woning, trekt zijn bretellen over de schouders en komt erbij staan. Of we er gevonden hebben. Ja, zeg ik, er zijn er niet veel, maar er zijn er.
Neen, zij eten er zelden. Ik heb een beetje moeite om hun Frans te verstaan en daardoor kom ik niet te weten of ze uitsluitend blauwe exemplaren nuttigen, des bleus, of dat ze, omgekeerd, nooit blauwe eten. Aan hun mimiek te zien is het een ernstige zaak, blauw of niet, van het ene ga je dood, van het andere blijf je leven. Zelf heb ik nooit eerder aandacht aan de kleur van die dingen besteed.  Ik vind ze wel sympathiek, die twee oudjes, maar ik ben te moe om te socialiseren, ik wil naar huis.
Mijn vriendin rijdt. Onderweg kijk ik naar de oogst. Die dingen zijn bruin, wit, roomkleurig… maar toch ook wel met een lichte schijn, een blauwe schijn. Denk ik. Terwijl mijn vriendin de auto zigzaggend doorheen de bergen loodst, wordt de verzameling in het mandje almaar blauwer. 
Ik vraag het haar: wat zegden die oudjes ook alweer over des bleus? Ze twijfelt. Ofwel, zo probeert ze het gesprek samen te vatten, zegden ze ons dat we alleen maar blauwe exemplaren mochten eten.  Dan wacht ze even om erover na te denken en rondt ze af: maar ’t kan ook zijn dat ze zegden dat we nooit blauwe mochten eten. 
Wat denk je, zijn dit blauwe? vraag ik. Ze kijkt naar onze pluk die ik met mijn zaklamp belicht. Er zit een blauwe schijn in, zegt ze en ze stuurt me de vraag terug, zouden dit blauwe exemplaren zijn?
Je weet hoe ’t gaat: eens de twijfel gezaaid is, krijg je die niet meer weg. We kunnen het onze buren vragen, maar ook hun Frans begrijpen we niet altijd even goed. Je kunt het op een Britse manier oplossen en zeggen dat the proof of the pudding in the eating is. Maar in een kwestie van leven en dood is dat toch echt wel een belachelijk spreekwoord.
We besluiten het zekere voor het onzekere te nemen en kieperen de hele oogst het ravijn in. De eekhoorntjes zullen er wel raad mee weten.  Thuis zeggen we de buren dat we gewoon een mooie wandeling gemaakt hebben. We eten een havermoutpapje. 
Dat alles geschiedde enkele jaren geleden.  Verleden jaar waren we daar weer. Een uitstapje bracht ons ook weer naar het dorpje waar we enkele jaren eerder geweest waren en waarvan ik de naam vergeten ben. Alles stond er nog zoals voorheen; het kerkje, de tien huisjes, het afgesloten gebouw dat zowel gemeentehuis, postkantoor als school was, de reuzengrote parking waarop we nu weer als enigen onze auto plaatsten.
We zagen ook het oude vrouwtje. Zij zag eruit zoals ze er zoveel jaren eerder uitzag. We herkenden elkaar. En hoe het met meneer ging? Meneer bleek helaas het tijdelijke met het eeuwige verwisseld te hebben. Ik zei dommage en regrettable en ook condoléances en ik denk wel dat ze begreep wat ik met al die woorden wilde zeggen.
In het bos spraken we erover, mijn vriendin en ik.  Zou meneer toch blauwe exemplaren gegeten hebben? Of zou hij zich aan de anderskleurige varianten gewaagd hebben, met alle gevolgen van dien?  Hoe ziet zo’n dood er trouwens uit? Val je in een diepe slaap waaruit je nimmer meer ontwaakt? Of ga je luid roepend heen in tandengeknars en helse pijnen?
Toen we het bos weer uitkwamen, was het oude vrouwtje er nog. Er zijn er niet veel dit jaar, zei ik, er zijn er, maar niet veel. En daarna formuleerde ik de vraag die ik in het bos menigmaal gerepeteerd had. Hoe is meneer aan zijn einde gekomen?
Het was een spijtig accident geweest, zei ze. Hier was ’t gebeurd. Ze wees naar de grond. We stonden aan de rand van de parking waarop we nooit een andere auto hadden zien staan dan de onze. Op de plaats die ze met haar stok aanwees, was er op die tragische dag een auto weggereden… dwars over meneer die daar op dat moment voorbij gewandeld kwam. Niemand had iets gezien, niemand had iets gehoord. De chauffeur was niet gestopt. De auto werd opgespoord, maar niet gevonden. Meneer was ter plekke overleden.
Flor Vandekerckhove

vrijdag 12 juli 2013

Een vliegende sigaar


De oude Vuurtorenwijk, de oude vuurtoren, de oude spuikom.
Nevenstaande foto, genomen in augustus 1914, is om veel redenen merkwaardig. Ten eerste is hij dat omwille van de plek waar we hem gevonden hebben. Het beeld komt uit het boekje Bredene in oude prentkaarten
Hoezo Bredene?
Op de foto herkennen we meteen de oude vuurtoren van Oostende. De wijk die ervoor ligt is de inmiddels verdwenen oude Vuurtorenwijk, het zgn. negerdorp, waarover we eerder al een stuk gepubliceerd hebben. (1) Maar in 1914 was die wijk, ook bekend als Liefkemores, al lang geen Bredens grondgebied meer. Oostende had die gronden op het einde van de XIXde eeuw geannexeerd. 
Waarom staat die foto dan in een boekje over Bredene? U mag me tegenspreken, maar ik vermoed dat het gebied in de perceptie van de bewoners nog altijd tot Bredene behoorde; dat de mensen van het negerdorp zich liever Bredenaar dan inwoner van Oostende noemden.
Achter de wijk ligt een spuikom. Uiteraard is dat niet de Spuikom die we vandaag achter de Oostendse haven zien liggen. Deze oude spuikom ligt nabij de vuurtoren, vooraan in de haven, en bestaat inmiddels niet meer.
Het beeld is vooral merkwaardig door het drukluchtschip dat op de achtergrond te zien is.  De foto werd genomen bij de ontscheping van Britse troepen in Oostende: ‘Op de oever van de oude spuikom is men druk in de weer om de vliegtuigloods op te trekken, terwijl op het veld erachter een drukluchtschip van de Britse Marine, de Royal Naval Air Service, verankerd is.’
Daar willen we dus meer over weten. We werpen ons internet uit over het wereldwijde web en vangen ermee de weblog van ene Sebastian die een geschiedenis van de luchtdrukschepen schreef. (2) Indrukwekkend, maar of het ook juist is wat daar zo dicht opeen geschreven staat?
De geallieerden hadden geen luchtschepen. (…) Engeland produceerde meerdere luchtschepen in de HMA-reeks. De eerste heeft nooit echt opgestegen. Eveneens wegens de te grote kwetsbaarheid achtten de Engelse militaire strategen zulke luchtschepen als nutteloos in een oorlog. In 1916 ontwikkelden ze echter het HMA-project in versneld tempo. De Duitsers hadden immers met hun zeppelins reeds al teveel bombardementen uitgevoerd op Londen. Het lukte de Engelsen in dat jaar om een luchtschip 16 minuten in de lucht te houden. Tja, uiteindelijk lieten ze die riskante zaak toch ook maar voor wat ze waard was.’
De passage roept weer nieuwe vragen op. Hoe geraakte die vliegende sigaar in augustus 1914 in Oostende als de Britten er pas in 1916 in slaagden om zo’n luchtschip 16 minuten in de lucht te houden?
Zeppelin in de Oostendse haven. (Foto collectie D. Eyland.)
Van Daniël Eyland kregen we dan weer een andere foto. Daarop zien we een drukluchtschip dat in het water van de Oostendse haven terechtgekomen is. Op de achterkant staat een handgeschreven zin: 'Un zeppelin abattu devant Ostende 1917'. Werd hij door de Duitsers aan flarden geschoten? Of betreft het een Duitse drukluchtballon die door de Britten neergehaald werd?  
Toen ik dit stuk voor het eerst afsloot deed ik dat met een vraag. Is er een fotodetective, zo vroeg ik de lezers, die me uit mijn onwetendheid kan helpen?  Mijn bede leverde al meteen resultaat op.  Karel Mestdagh had maar twee muisklikken nodig om bijkomende informatie uit het net te vissen: 'Op 5 maart 1915 stort de (Duitse!) zeppelin LZ433 M L 8 te Oostende neer. Geraakt door vijandelijk vuur tijdens een patrouille strandde dat luchtschip ten zuiden van Oostende'.  Ook de Duitse zeppelin LZ43 P L 12 moet in Oostende een noodlanding maken, nadat hij op 10 augustus 1915 bij een aanval op Londen, Harwich en het gebied rond de Humber zwaar beschadigd wordt. Het drukluchtschip verbrandt tijdens de ontmanteling. Allemaal goed & wel, maar dat zijn Duitse zeppelins en wij zijn op zoek naar gegevens over een Brits drukluchtschip.
Karel stuurde me gelukkig ook nog de mooie foto van een Brits luchtschip dat in 1914 over de stad vloog en daar kennelijk veel bekijks had, de Astra Torres!  Is deze Astra Torres dezelfde zeppelin als deze die we op de allereerste foto van dit stuk boven de oude vuurtorenwijk zien hangen? 
1914. Het Britse luchtschip Astra Torres vliegt boven de
haven van Oostende, op weg naar Frankrijk. Links zien we de
oude vismijn (de 'cierk'). Op de achtergrond: de eerste
vuurtoren die op de Oosteroever gebouwd werd.

Vervolgens was het de beurt aan Denoix Kerger om zijn voelsprieten diep in het www te steken. Astra Torres? Er blijken er vier geweest te zijn.  Maar bij het uitbreken van WO I was alleen de Astra Torres HMA 3 bruikbaar om in de oorlogshandelingen ingezet te worden. (3) In augustus 1914 zou dat drukluchtschip inderdaad in Oostende toegekomen zijn. Dat wordt elders uitdrukkelijk bevestigd: Wing-Commander Neville verliet op 28 augustus om 6,30 uur Kingsnorth en landde in Oostende om 9,45 uur. Het werd daar ingezet voor patrouilleopdrachten en keerde elke avond terug naar Oostende. Na nog een gewaagde verkenningsvlucht boven Duinkerke keerde het een week later naar Engeland terug. Daar werd de Astra Torres ingezet in de verdediging van Londen. (4)
Enkele dagen geleden wist ik daar allemaal niets van.  Op 12 juli postte ik dit stuk en nauwelijks vier dagen later weten we zo ongeveer alles over de drukluchtballon die we op een foto boven Oostende zien hangen… of is het boven Bredene?
Flor Vandekerckhove
P.S.: Erwin Mahieu voegde daar nog het volgende aan toe: 'Deze eerste foto met de zogenaamde ‘Zeppelin’ nabij de vuurtoren is een ‘Astra Torres’, geen zeppelin! De Astra Torres, van Spaanse makelij, werd gekocht door de Britten bij de Fransen. De Britten hadden twee dergelijk toestellen.
Verschil tussen Zeppelin en Astra Torres: de gondel van deze laatste zit niet vast aan de met gas gevulde ballon, maar hangt eraan met kabels op enige meters afstand.
De Britten (mariniers) kwamen in Oostende eind augustus ’14. Het smaldeel met ongeveer 10 vliegtuien en het verkenningstoestel 'Astra Torres' bleven er slecht enkele dagen (Oosteroever).
Op 24 september ’14 (om 11 uur s’ avonds) werd er een bombardement op Oostende uitgevoerd door een echte Duitse zeppelin. Hij dropte vijf bommen.'


(1) http://florsnieuweblog.blogspot.be/2013/05/negerdorp.html
(2) http://duits.skynetblogs.be/tag/zeppelin
(3) Ian Castle, British Airships 1905-30.
(4) http://www.usbornefamilytree.com/neville1883.htm

woensdag 10 juli 2013

Tot in de kist


Wie op z’n twintigste geen communist was, is nooit jong geweest’.  In mijn persoonlijk opgestelde klassement van de giftigste uitspraken aller tijden neemt die zin een toppositie in. Giftig is hij vooral omdat het vervolg zich laat raden: ‘Wie op zijn veertigste nog altijd communist is, is nooit volwassen geworden. 
De uitdrukking is niet alleen giftig, hij is ook krachtig, want hij heeft de impact van een cliché. Daarvan wordt gezegd dat het wáár is wat ermee beweerd wordt en dat het juist daarom een cliché geworden is. Laat me toe om daar, voor wat dit geval betreft, sterk aan te twijfelen.
Was ikzelf twintig toen ik die woorden voor ‘t eerst las? En was ik toen een communist? Hoorde ik ze toen ik veertig geworden was? En was ik tegen die tijd een conservatief geworden? Heb ik ze iemand horen uitspreken? Heb ik ze ergens gelezen? Werden die zinnen als gemeenplaats gebruikt of waren ze een onverholen aanval op de levensweg die ik ingeslagen was? Ik weet het niet meer, maar ik herinner me wel dat ik meteen dacht: dit zijn de woorden van iemand die nooit communist geweest is, niet op z’n veertigste en evenmin toen hij twintig was.
Het is overigens niet gemakkelijk om de bron van die uitdrukking te traceren. Een eerste tocht leidt me naar Winston Churchill (1874-1965) die gezegd zou hebben: ‘If a man is not a socialist by the time he is 20, he has no heart. If he is not a conservative by the time he is 40, he has no brain.’ De communisten worden ingeruild voor socialisten. 
Maar was Churchill op zijn twintigste een socialist? Zijn biografie leert me dat hij toen een militaire opleiding volgde; dat lijkt me geen kweekvijver voor socialisten te zijn. Na een korte officierscarrière ging hij op z’n zevenentwintigste de politiek in, en neen hij deed dat niet via de Britse Labourparty.
Mogelijks is de oorsprong van het gezegde elders te vinden. Moet hij aan de Franse politicus Georges Clemenceau (1841-1929) toegeschreven worden? Een kennis zou deze radicale liberaal gewezen hebben op het buitensporig gedrag van diens zoon. Vader Clemenceau had een schitterend antwoord klaar: ‘Als hij geen communist geworden was op zijn tweeëntwintigste dan had ik hem onterfd. Maar als hij op z’n dertigste nog altijd communist is, dan zal ik hem op die leeftijd onterven.  Dat laatste bleek niet nodig te zijn, want zoon Michel werd wel politicus, maar hij nam een plaats in aan de rechterzijde van het parlement.  Neen, een communist was hij nooit geweest, ook niet toen hij twintig was.
De oudste versie, zo leert me het internet, wordt toegeschreven aan de Franse historicus en staatsman François Guizot (1785-1874): ‘Geen republikein te zijn als je twintig bent getuigt van een tekort aan hart; er een zijn op je dertigste getuigt van een tekort aan hoofd.’ De twintigjarige communist van Clemenceau en de jonge socialist van Churchill is bij Guizot een republikein. Maar laat het ook hier duidelijk zijn: Guizot is zelf nooit een republikein geweest. Hij is heel zijn leven een royalist geweest.
Dan verkies ik toch onze eigen, Vlaamse, onnavolgbare royalist Herman Decroo. Hij heeft een vergelijkbare uitspraak gedaan. Ik citeer uit het hoofd: ‘Als de gezondheid van de wereld je bekommert dan ben je jong. Wie oud is maakt zich vooral zorgen over zijn eigen gezondheid.’  Een teken van volwassenheid? Hoofd boven hart? Hersenen boven gevoelens? Niets van dat alles; het is praat van ouwe mensen, verpakt als politieke wijsheid.
Citaten van Guizot, Clemenceau en andere Churchills worden uiteraard maar gesprokkeld eens die mannen machtig geworden zijn. Ze uiten die woorden niet ter verstrooiing van de mensheid, maar om concurrenten, jong en oud, te schofferen die hun macht bedreigen.
De uitdrukking is een dooddoener van ouderen die geconfronteerd worden met een opdringerige concurrentie. Ze zeggen niets anders dan wat de jonge Alain Krivine (°1941) zoveel keer heeft moeten horen toen hij meer dan vijftig jaar geleden communist werd (en daar bovenop ook nog eens trotskist!): ‘Ca te passera avec l’âge’. Hij heeft het zoveel moeten horen dat hij de zin bovenaan zijn memoires plaatst. En ja, Krivine is het als hij twintig is en kijk, de kranige zeventigplusser is het vandaag nog steeds; trotskist tot in de kist!
Flor Vandekerckhove

Alain Krivine, Ca te passera avec l’âge. Flammarion. 2006. ISBN 978-2-0806-8340-3.


maandag 8 juli 2013

Verleden, heden en toekomst van de Oostendse vismijn, maar dan in een notendop


Op 22 juli '51 werd de nieuwe vismijn
feestelijk heropend. De Oostendse visserij
ging gouden jaren tegemoet.
Vooraf dit: het woord vismijn komt niet van het Franse mine, zoals dat met koolmijn wel het geval is, maar van het Middelnederlandse mien (mijn), de uitroep waarmee een koper de veilingmeester diets maakt dat hij zich de waar toe-eigent: Mien! Deze vis is mijn!  Het Vlaams kreeg in 't Frans een leenwoord, minque, dat in België en Frans-Vlaanderen gebruikt wordt. Verder in Frankrijk gebruikt men het woord minque niet, daar spreekt men van la criée; elders in het Nederlandse taalgebied gebruikt men het woord vismijn evenmin, daar spreekt men van veiling of afslag. 'k Zeg het maar opdat ook de onkundige lezer uit 't binnenland zou weten waarover we het hier hebben.
Tot in 1934 bevond de Oostendse vismijn zich in de stad. Daar meerden de schepen aan, daar vertrok de fameuze vistrein die het voedsel tot ver in Europa bracht.
Dat kon zo niet blijven duren. De stad werd te klein voor al die visserijbedrijvigheid.  Daarenboven stond de visserij er ook de ontwikkeling van het toerisme in de weg.  ‘Al op 20 maart 1907 had de voorzitter van de Handelskamer in de algemene vergadering gepleit voor het bouwen van een nieuwe vissershaven met vismijn aan de oostkant van de havengeul (…)  Het was juli 1911 als de regering (…) besliste dat er een nieuwe vissershaven zou komen ten oosten van de havengeul. (…) Niettegenstaande de minister bekwame spoed had beloofd voor de uitvoering, zou het nog meer dan 20 lange jaren duren vooraleer de nieuwe vissershaven te Oostende zou ingewijd worden.’ (1)
Daar zat WO I natuurlijk voor veel tussen. De Duitse legers trokken op 15 oktober 1914 de stad binnen. De haven kwam daardoor aan beschieting bloot te staan. In de inmiddels verdwenen Vuurtorenwijk alleen al vielen er 38 dodelijke burgerslachtoffers.
Na de oorlog werden de plannen voor een nieuwe vismijn weer ter hand genomen. ‘De werken duurden van 30 maart 1929 tot 17 februari 1932. (…)  Na heel wat moeilijkheden van technische aard kon de vissershaven eindelijk ingehuldigd worden op 15 september 1934.’ (2)
De sector verliet de stad en trok naar de Oosteroever.  Enkel de ‘bootsjouwers’ bleven het Schuildok in de stad als vaste meerplaats gebruiken. (De restanten ervan vindt u vandaag nog aan de beroemde Oostendse Vistrap.) 
‘De nieuwe vismijn was een modern complex, met lange, overdekte verkoophallen en een loskade die plaats bood aan meerdere vaartuigen. De vissersvloot telde inmiddels 270 eenheden, waarvan 150 in Oostende gebouwd, de aanvoer steeg en de visserij floreerde. In 1935 voerde men in Oostende alleen al ca. 20 duizend ton verse vis en ca. 12 duizend ton haring aan (ter vergelijking: in 2003 bedroeg de totale visaanvoer in Oostende ca 6 duizend ton).’ (3)
De nieuwe vismijn werd in 1934 geopend en enkele jaren later was het alweer oorlog.  Tussen 21 en 28 mei 1940 werden Oostende en de haven zwaar bestookt door de Duitse luchtmacht.  De ravage was enorm. 166 mensen, waaronder 34 Oostendenaars, werden gedood. 1500 Oostendse gebouwen werden vernield of zwaar beschadigd. Vernietigd was omzeggens heel de Kapellestraat. Het Stadhuis en de Openbare Bibliotheek gingen in vlammen op. De hotels op de dijk die niet vernietigd waren werden dichtgemetseld en werden deel van de Atlantikwal. Ook de vismijn was vernietigd. Vissen was alleen nog toegelaten in de kustwateren en onder militaire begeleiding.
Na de oorlog werd alles heropgebouwd. In afwachting werd de vis verkocht in een haastig opgetrokken gebouw langs wat nu de Hendrik Baelskaai heet. Deze tijdelijke vismijnhal werd omwille van de modderige ondergrond de ‘sliekmiene’ genoemd. In 1949 werd de nieuwe vuurtoren in dienst genomen. Ook de zwaar getroffen vismijn werd heropgebouwd.  Hij werd op 22 juli 1951 door koning Boudewijn ingehuldigd.  De Oostendse visserij was in feest, op de Opex werd een openluchtbal georganiseerd.
Nooit was er zoveel visserijbedrijvigheid in Oostende als tijdens de jaren vijftig en zestig. Vanaf de jaren zeventig werd het duidelijk dat de gouden jaren voorbij waren. De overbevissing begon zijn tol te eisen: IJsland ging de visgronden voor buitenlanders afschermen; de haringvisserij werd enkele jaren verboden (en kon nadien niet op gang getrokken worden); de aanvoercijfers daalden en daarmee ook de tewerkstelling. Het centrum van de visserijbedrijvigheid verlegde zich naar Zeebrugge. De Europese Unie begon de vloten van de lidstaten te ‘downsizen’, waardoor het aantal schepen nog eens verminderde; almaar strengere quotaregelingen maakten van de visserij een twijfelachtige zaak; riante slooppremies hielpen de reders om de visserij te verlaten; Nederlandse reders die de dure quotaregelingen in eigen land wilden ontwijken kochten Belgische rederijen op en namen de Belgische visquota mee naar Nederland…
De kapitaalinbreng van de NV Zeebrugse Visveiling (1988) was ook de start van een meedogenloze competitie om zich de resterende brokken van de Belgische visserij toe te eigenen.  In die concurrentiestrijd moest eerst de Oostendse rederscoöperatieve (OVA) de duimen leggen (2003) en later ook het autonoom gemeentelijk visbedrijf Exploitatie Vismijn Oostende.  De kapitalisten van de Zeebrugse Visveiling namen in oktober 2010 de Oostendse vismijn over en verwierven op die manier een quasi monopolie op de in België aangevoerde vis.
De nieuwe uitbater zegt de site te zullen heropbouwen. Een kleine, efficiënte vismijn, omringd door visverwerkende bedrijven, zou de visserij in Oostende blijvend verankeren. Tot vandaag zijn die plannen evenwel dode letter gebleven. In Oostende groeit de scepsis.
Een blik in onze kristallen bol leert ons dat de visserij ook de komende jaren onderwerp van gesprek blijft. Wordt het Oostendse Visserijdok al dan niet gedeeltelijk gedempt? Zal de Oostendse Oosteroever visserijonvriendelijk worden als de projectontwikkelaars er hun luxeappartementen slijten? Wordt er een nieuw, modern vismijngebouw opgetrokken of laat de directie van de Vlaamse Visveiling de boel daar vakkundig leeglopen? We zullen zien zei de blinde.
Flor Vandekerckhove

(1) Raymond Vancraeynest, De geschiedenis van de rederij Aspeslagh – Deceuninck.
(2) Raymond Vancraeynest, Nieuwe vismijn 50 jaar. In Ter Cure Bredene, Jaarboek 1984. p. 145-149..
(3) Frank Redant. Van “Cierk” tot “Miene, De geschiedenis van de Oostendse vismijn. (www.vliz.be/docs/groterede/GR13_cierk_tot_miene.pdf‎). p.17.

zaterdag 6 juli 2013

Gore taal


Onlangs las ik van Victor Klemperer het merkwaardige boek LTI, afkorting van Lingua Tertii Imperii, waarin hij nauwgezet de taal van het Derde Rijk onder de loep neemt. Klemperer moet zich als Jood koest houden van het begin van de jaren dertig tot midden de jaren veertig.  Hij schrijft in die periode veel dagboeken (die vervolgens ook verstopt moeten worden) en leest alles wat hij, veelal op sluikse wijze, te pakken kan krijgen.  In LTI toont deze taalkundig geschoolde medemens ons welke taaltrucs de nazi’s uithalen om hun macht te maximaliseren.(*)  Het is een indrukwekkend boek dat op de markt helaas alleen nog tweedehands te koop is, maar in de openbare bibliotheek gelukkig nog altijd gratis uitgeleend wordt.
Het boek is niet alleen indrukwekkend omdat het zo minutieus de taalpraktijken van de nazi’s onderzoekt, het is dat ook omdat het de lezer verwittigt: taal is niet neutraal.  Men gebruikt de taal om u om de tuin te leiden. De nazi’s deden het. En wat denkt u, gebeurt het vandaag nog altijd? De ‘newspeak’ in George Orwells roman 1984 laat ons alvast vermoeden dat het er na 1945 niet beter op geworden is.
Herinnert u zich nog de vernieuwende taal van het opkomende neoliberalisme? Als we die van hierboven mochten geloven dan betrof het een gezondheidswandeling. De afbraak van overheidsdiensten werd ons verkocht als ging het over een initiatief van de weight watchers: de ‘ontvetting van de staat’! De koppeling van de lonen aan de index werd omzeild door een zgn. ‘gezondheidsindex’. Bedrijven die mensen ontsloegen kwamen daarmee weg omdat ze aan ‘t ‘afslanken’ waren. Wie door deze afslanking moest stempelen kwam in een ‘werkloosheidsval’ terecht, dus had hij er zelf alle belang bij dat zijn uitkering zou verminderen. Eens hij in die val zat kreeg dat ding overigens een andere naam, dan heette het een ‘sociale hangmat’ te zijn.
Wij geloofden dat allemaal omdat men ons ervan overtuigd had dat er geen links meer was en geen rechts, alles was ‘midden’ geworden; er restte alleen een 'middenklasse' van 'hard werkende Vlamingen', met aan de rand daarvan een zootje werkloze ‘working poor’; soms 'hangjongeren', maar meestal 'patsers' die schaars gekleed in een marcelleke met een BMW rond de blok rijden. (Iets wat u omwille van het 'veiligheidsgevoel' best aan de politie meldt.)
Wat vroeger verkeerdelijk een inkomen heette te zijn, wordt nu passend 'koopkracht' genoemd — een inkomen komt in je zak terecht, koopkracht wordt meteen weer uit je zak gehaald.  Is het u overigens al opgevallen dat er vandaag geen economische crises meer zijn? Er zijn alleen nog ‘recessies’. Wat minder erg klinkt, want een recessie is niet veel meer dan een ‘relatietje’. Zelfs als de economie krimpt dan groeit hij nog, want dan spreken we van een ‘negatieve groei’! Ook de armoede is inmiddels volledig uitgeroeid, er is alleen nog een kans op ‘kansarmoede’. Zelfs de oorlogen hebben we in de barbaarse XXste eeuw achtergelaten; vandaag zijn onze jongens alleen nog betrokken bij ‘vredesmissies’.
Maar het strafste van al vind ik het vandaag alomtegenwoordige ‘duurzaam’. We hebben een duurzame economie die zich duurzaam aan ’t herstellen is, waardoor onze duurzame bedrijven de duurzame concurrentie in de duurzame toekomst met een duurzaam roze bril tegemoet mogen zien.
Flor Vandekerckhove

Victor Klemperer, LTI De taal van het Derde Rijk. 368 ps. Uitgeverij Atlas. ISBN 9789045002996.