donderdag 9 mei 2013

Negerdorp


Deze vuurtoren was de eerste die op de
Oosteroever gebouwd werd. 
Dat gebeurde 
in 1859, op toen nog Bredens grondgebied.
Lang, heel lang geleden, in een buitenwijk van Oostende, meer bepaald in de Marinestraat, werd Irma Maria Saelens geboren; dat gebeurde meer bepaald op 2 februari 1903.   Veel later, maar inmiddels toch ook alweer lang geleden, baarde Irma op haar beurt een kind.  Haar zoon werd Rudolf gedoopt en toen deze oud en wijs geworden was, nam hij het heuglijke initiatief om een geschiedenis te schrijven van de wijk waarin zijn moeder het levenslicht zag. (1) Daardoor weten we dat de Marinestraat in de wijk Liefkemores lag, aka de (Oude) Vuurtorenwijk, een gebied dat thans beter bekend is als de Oostendse Oosteroever. De Marinestraat zul je er niet meer vinden, want daar is vandaag haast niets meer dat aan Irma’s tijd herinnert.
Het gebied heeft een grote voorgeschiedenis waaraan we hier graag voorbijgaan. Alleen moet het ons van het hart dat die buurt tot kort voor Irma’s geboorte Bredens grondgebied was. In het kader van de havenuitbreidingsplannen werd de wijk in 1877 immers gedeeltelijk en in 1897 helemaal door Oostende geannexeerd. 
Dat annexeren heeft de stad trouwens wel meer gedaan. In de Bredense kring voor heemkunde houden ze die aanhechtingen nauwkeurig bij. (2)  Bredenaars vergeven wel, maar ze vergeten niet.
De kleine Irma kwam in de drukte terecht, want vanaf 1898 werd er hard aan de havenuitbreiding gewerkt, waardoor er ‘vreemd en ruw volk’ in de Vuurtorenwijk toestroomde. ‘Het gedrag van sommigen onder hen verwekte bij de plaatselijke bevolking beroering omdat er toen nogal eens baldadigheden gebeurden. Daardoor kreeg de wijk ook een minder goede naam.’
De wijk ‘ontplooide zich in de driehoek gevormd door de reeds in 1850 gedeeltelijk bestaande Fortstraat, de Vuurtorensteenweg (ongeveer de huidige Henri Baelskaai) en de Kongolaan (huidige Dokter Eduard Moreauxlaan).’ En het ging vooruit. De 700 bewoners van 1892 waren er in 1900 al 3.000 geworden.
Er werden nieuwe huizen gebouwd, straten aangelegd en er kwam een kerk die door deken Decannière ingehuldigd werd. Voorwaar een merkwaardig man, want ons werd een van ’s mans preken overgeleverd waarin hij zijn evangelische waarden als volgt uit: ‘Dedéé die Kristus aan ’t kruus genageld hen da was van da goedje, van dat gespuus, hoe zoen ‘k het zeggen, lijk da volksje dat op de bassing kolen lost.’ Moet kunnen!  Het was da volksje, dat gespuus, da goedje, dat in de Vuurtorenwijk huisde.
Aan de andere kant van de haven, in het mondaine Oostende, werd die wijk geringschattend ’t Neigerdorp genoemd. Het is een naam waarvan de oorsprong niet eenduidig is. Die kan verband hebben met het bestaan van een Kongolaan, maar hij kan ook verwijzen naar het zwarte uiterlijk van de kolenlossers en stokers die er woonden of naar hun kinderen die er vuil en slecht gekleed bijliepen.  Zelf verkiezen we Leopold Soenens als vader van deze benaming, een pastoor die zijn kwispel op ’t Hazegras zwaaide. Toen hij een bezoek aan zijn buitenparochie in de Vuurtorenwijk bracht zou hij uitgeroepen hebben: ‘’t Is hier precies een negerdorp.’ De bewoners maakten er een geuzennaam van: ‘Wieder van ’t Neigerdorp’.
De Noordstraat toont ons dat het negerdorp een volwaardige wijk was, 
met winkels, stenen straten en voetbpaden. Op het einde van de straat 
zien we een groot schoolgebouw.
Naarmate de wijk groeide, vestigde er zich ook een middenstand: ambachtslui, winkeliers, handelaars. Naast de gelijkvloerse arbeidershuisjes kwamen er woningen met twee verdiepingen, al dan niet met erker of balkon. Aan de noordzijde van de Fortstraat stonden zelfs enkele villa’s. En er waren veel cafés. Verschillende cafénamen uit de oude wijk zag men trouwens later terugkomen in de nieuwe Vuurtorenwijk, zoals Tivoli en Zeemanshuis.  Dansen kon men in ’t zaaltje van Stance in de Liefkemoresstraat of bij Boelings in de Stokerstraat.
Rudolf Weise geeft ons in zijn studie een uitputtende opsomming van namen en toenamen van mensen die in het negerdorp gewoond hebben. Veel herbergiers, matrozen en stokers, dokwerkers, kolenlossers, visleurders en vissers, dagloners, allerhande stielmannen, enkele bedienden, winkeliers, enkele aannemers van metselwerken; veel verdwenen beroepen ook: vuurtorenwachter, stoomtramstoker, aansteker van straatlantaarns… Er was een politiebureau en er waren twee schooltjes.
Volgens Weise zou de kunstschilder Leon Spilliaert vóór de Eerste Wereldoorlog in de wijk gewoond hebben, meer bepaald in de Jacobsenstraat. Iets wat Norbert Hostyn niet vermeldt in de biografie die in een catalogus gepubliceerd werd naar aanleiding van Spilliaerts overzichtstentoonstelling in 1996.
Constant Permeke woonde met zijn gezin in
het negerdorp, in de Fortstraat 9. We zien het
huis (met dakvensters) op de achtergrond.
Zeker is wel dat Constant Permeke in de wijk gewoond heeft. Na zijn huwelijk met de Brugse Maria ‘Mieke’ Delaere woont hij, met uitzondering van de oorlogsjaren, van 1912 tot 1922 in de Fortstraat 9.  Zijn atelier bevindt zich voor die oorlog in de Jacobsenstraat, waar wellicht ook Spilliaert aan het werk is. 
In 1914 wordt Permeke aan het front gewond en naar Engeland afgevoerd.  Tijdens die oorlog krijgt de wijk het hard te verduren. Bij bombardementen en beschietingen vallen er 38 doden, allemaal burgers, ook kinderen.
In 1919 komt Permeke er weer wonen, in het fel gehavende huis in de Fortstraat dat hij eigenhandig restaureert.  Hij verhuist in 1922 als de saneringsplannen van de wijk het slechtste laten vermoeden. Zijn woning is bij de eerste die afgebroken worden. Dat de wijk een grote aantrekkingskracht op kunstenaars uitoefende verwondert ons niet. Het volkse karakter, de nabijheid van de zee, de maritieme bedrijvigheid… Dat alles trekt daar ook nu nog artiesten aan. Vandaag kun je er de kunstschilder Thierry De Cordier in zijn atelier aan ’t werk zien.
Al sinds 1907 waren er plannen om in Oostende een nieuwe vissershaven aan te leggen en een nieuwe, daarop aansluitende woonwijk die meer landinwaarts zou liggen, ten oosten van de Kongolaan. Vanaf 1922 werden de gronden op de oude Vuurtorenwijk onteigend. In datzelfde jaar startten de werken om het Visserijdok aan te leggen, de schutssluis, de vismijn, het bestuursgebouw en de slipway. De nieuwe vissershaven werd in 1934 ingehuldigd. De werken voor de aanleg van een nieuwe Vuurtorenwijk (in de volksmond nog altijd de OPEX) verliepen moeizamer, maar dat is een ander verhaal.  Feit is dat de oude wijk in 1930-‘31 helemaal leeg liep. ‘Veel Vuurtorenaars hebben toen met gekuiste stenen van de afgebroken huizen, waarover ze vrij mochten beschikken, geheel of gedeeltelijk, een nieuwe woning opgetrokken. Dit gebeurde onder meer op de Bredense Groenendijkwijk, waar vanaf 1925 een tweehonderdtal huizen gebouwd werden, en op de wijk Sas-Slijkens.’ In 1932 woonden er in het negerdorp maar 24 mensen meer.
En kijk, vandaag, tachtig jaar later, is daar weer een sanering aan de gang. Weer krijgt het gebied een nieuwe bestemming. Weer wordt er onteigend, weer wordt het negerdorp verlaten. De afgelopen vijftien jaar zijn daar 91 ondernemingen verdwenen.  Ze hebben opgehouden te bestaan of ze zijn verhuisd. De geschiedenis herhaalt zich. Marx voegde daaraan toe dat dit de ene keer als tragedie gebeurt en de andere keer als klucht. Dat de wijk veel tragedie gekend heeft, wordt afdoende aangetoond in de studie van Rudolf Weise. Of de nieuwe plannen van de projectontwikkelaars een klucht genoemd mogen worden zal de toekomst uitwijzen.
Flor Vandekerckhove

(1) Rudolf Weise, De schorre van Lissemoris en de oude Vuurtorenwijk, 42 ps. Herziene uitgave, november 2004. Alle citaten komen uit dat werk.
(2) Oostende annexeerde zeven keer een stuk van Bredene. Dat gebeurde in 1823, 1877, 1896, 1897, 1900, 1971 en 1991.
Een reactie plaatsen