vrijdag 1 maart 2013

Work in progress (VI)


[Onlangs ben ik aan een autobiografie beginnen schrijven, meer bepaald aan een verbeelde variante op het genre. Ik ben daarmee gestart op mijn vierenzestigste verjaardag en hoop een eerste versie af te hebben op de dag dat ik vijfenzestig word. Zo nu en dan presenteer ik een nieuw hoofdstuk. Wie (eerst) eerdere hoofdstukken wil lezen, drukt op een van de labels onderaan.]

VI. 
De martinet, een hulpmiddel bij het opvoeden. Vandaag
alleen nog te gebruiken als seksspeeltje.
Door al het voorgaande dreigen we de chronologie uit het oog te verliezen.  In de volorde der dingen sta ik nog altijd nergens.  Ik kom pas tot leven. Ik heb de kraamafdeling van het ziekenhuis nog maar pas verlaten. Ik ben voor het eerst in mijn prille leven thuisgekomen. Ik kan niets, ik weet niets. Schone Schijn wordt nog niet op de televisie vertoond (er bestaat niet eens tv). Ik heb tante Moustache nog niet ontmoet, mijn moeder heeft me nog niet in de kelder opgesloten en ik heb nog niets over het (niet) bestaan van Roksemberg vernomen. Wellicht heeft mijn doopmeter Aline haar hoofd al eens in mijn wieg gestoken, misschien is roste Miel al eens komen kijken, misschien heeft mijn dooppeter Edmond er al een gekraakt om mijn thuiskomst te vieren, maar dat alles heeft me geen concrete herinneringen opgeleverd.
Dat wil niet zeggen dat ik aan mijn verblijf in dat eerste huis geen herinneringen overhoud. Ik heb die wel degelijk, meer zelfs dan je denkt, en ik zal ze straks ook wel met je delen. Maar eerst moet ik nog iets verklappen over een technisch aspect van dit boek.  Inmiddels is me immers iets duidelijk geworden, iets waaraan ik niet eerder gedacht heb, maar dat zich nu duidelijk begint te manifesteren, iets dat om een technisch-literaire oplossing schreeuwt.
Eerder zei ik het al, dit is een autobiografie waarin fictieve elementen wedijveren met het waarheidsgetrouwe verslag van concrete gebeurtenissen. Ik meng dat alles door elkaar omdat ik wil benadrukken dat zo’n soort boek, een autobiografie, altijd een subjectieve weergave van een mensenleven is, en dus partijdig, verbloemend, verschonend zelfs. Verschilt een autobiografie daarmee van het leven zelve? Nauwelijks. Ook in ’t leven zelf zijn werkelijkheid en verbeelding, waarheid en leugen tegelijk aanwezig, dat is mijn overtuiging. Daarom staan in dit boek waarheid en leugen soms zelfs samen in één en dezelfde zin. Jawel, er is over nagedacht.
Je kunt opperen dat ik het daarmee nodeloos ingewikkeld maak, en je kunt de mening toegedaan zijn dat ik beter een doorslaggevende keuze gemaakt had. Je kunt proberen me te overtuigen en zeggen dat een mens moet kiezen in ’t leven, dat het ’t een of ’t ander is. Maar daar kan ik je niet in volgen, want in ’t leven is het, zo heb ik in vierenzestig jaar wel geleerd, zelden ’t een of ’t ander. In ’t leven is het bijna altijd ’t een èn ’t ander.
Wel besef ik dat die keuze me moeilijkheden kan bezorgen, narigheid die niets met het schrijven zelf te maken heeft. Ik kan er ruzie door krijgen. Met een of andere nicht bijvoorbeeld, die zich geschoffeerd kan voelen omdat ik haar in dit boek iets laat doen dat zij in ’t echt nimmer gedaan heeft. Of wanneer ik iets vertel dat zij wel degelijk gedaan heeft, maar wat zij, om redenen die mij niet eens aangaan, liever ontkent. Of dat er iets in dit boek beschreven wordt dat zij wel gedaan heeft, iets wat ze zich nu niet meer herinnert en daardoor meent te moeten ontkennen. Dat kan allemaal, da’s menselijk, maar dat zou dan mijn woord tegenover ’t hare zijn en ik weet nu al dat niemand in die kwestie mijn kant zou kiezen. Dat kan grote gevolgen hebben, niet alleen voor mijn toch al precaire familiale relaties, maar, wat erger is, voor de verdere afwikkeling van dit boek, want ik ben daarin een beetje afhankelijk van familieleden die regelmatig mijn herinneringen aanvullen. Als die weigeren nog langer met me te spreken dan stokt dit boek, wat spijtig zou zijn, want het wordt me hoe langer hoe meer duidelijk dat ik hier een meesterwerk aan ’t schrijven ben.  Er is meer. Er kunnen juridische moeilijkheden uit voortvloeien met familieleden, zelfs met mensen waar ik normaliter nauwelijks nog contact mee heb. Of met gewezen buurmeisjes en hun moeders, waarvan ik op nog te schrijven bladzijden al dan niet naar waarheid beweer dat ik mijn hoofd ooit onder hun rok gestoken heb; jawel, zowel onder de rok van die meisjes als van hun moeders. Er kunnen daardoor zelfs ruzies ontstaan in andere families. Je ziet welke nare gevolgen zo’n boek allemaal kan opleveren. Wat een hoop miserie! En daar hangt dan nog een staart aan. Tegengestelde partijen, moeder vs. dochter bijvoorbeeld, kunnen de zaak voor de rechtbank sleuren en de winnaar van zo’n rechtbankzaak, degene die kan bewijzen dat ik mijn hoofd nooit ofte nimmer onder haar rok gestoken heb, kan mij vervolgens een proces aandoen, laster, eerroof! Ik mag me dan in zo’n beklaagdenbank wel afvragen waarom dat mens zich in die kwestie eigenlijk van haar eer beroofd voelt, ik weet tegelijk wel zeker dat ik zo’n proces met glans verlies. Dat komt doordat ik… Ja vooruit, ik ben Karl Ove Knausgård niet, een woordkunstenaar die het zich kan permitteren om zes dikke boeken bijeen te pennen waarin hij familieleden, vrienden en kennissen te pas en te onpas, met naam en toenaam, met gaven en gebreken opvoert. Wat de mensen van zo’n goeie schrijver pikken, aanvaarden ze niet van een randfiguur. Ik zeg dat niet graag, maar het is wel waar. Een mens moet zijn plaats kennen.
Dat stelt me dus voor een probleem, een probleem dat ik niet heb zien aankomen, ook omdat ik bij de aanvang van dit boek niet zeker wist of ik het tot een goed einde zou kunnen brengen. Maar het blijkt inmiddels zo goed vooruit te gaan dat ik binnenkort aan passages toekom waarin ik kwalijke dingen zal schrijven over dode mensen en heerlijke dingen over nog levende mensen, maar in beide gevallen toch dingen waar die mensen, of hun nageslacht, mogelijkerwijze niet erg tevreden mee zullen zijn. Dat is het probleem.
Maar het is wel een probleem waarvoor ik intussen een oplossing bedacht heb, want ik mag dan een marginaal schrijver zijn, dat betekent nog niet dat ik mijn stiel niet beheers. Telkens ik een passage neerpoot waarvan ik bovenstaande en andere soortgelijke moeilijkheden verwacht zal Rachel opgevoerd worden, een fictief personage dat vele gedaantes aanneemt en dat reëel bestaande, maar ook zelfbedachte personen camoufleert. Rachel kan man of vrouw zijn, jong of oud, wijs of roekeloos, haar contouren kunnen vaag zijn of welomschreven, haar daden waardevol, pervers of beide tegelijk, maar altijd is het de persoon die de auteur voor moeilijkheden behoedt. Dit boek wordt op die manier niet alleen een autobiografie, maar ook een sleutelroman waarbij Rachel de rol van loper toebedeeld krijgt, Rachel als het spreekwoordelijke deksel dat op elk potje past, en vooral op ‘t mijne.
Op die regel zal er weliswaar een uitzondering zijn, want ik voorzie ergens ook een korte passage waarin ik een echt bestaande Rachel opvoer. Maar ik zal je daar dan wel ten gepaste tijde van verwittigen, want zo ver zijn we nu bijlange nog niet. Eerst wil ik verder uitweiden over de situatie in mijn allereerste ouderlijke woning.
Eerder heb ik het al over de kelder gehad waarin ik door mijn moeder opgesloten werd. Omdat dit boek gaandeweg, al groeiend, hoofdstuk na hoofdstuk, nog voor het in zijn geheel gepubliceerd wordt, in een blog verschijnt, krijg je interactie met de lezers. Die hebben me inmiddels al over die kelderhistorie bevraagd. Ik begrijp dat, want een opvoedingspraktijk waarbij een klein kind in een donkere kelder opgesloten wordt, is niet meer van deze tijd. Je denkt dan al gauw dat die kelder aan mijn verbeelding ontsproten is. Maar toen ik klein was, midden in de vorige eeuw, waren dat wel degelijk gangbare praktijken. Niet overal, maar evenmin alleenlijk bij het soort nonnen dat in The Magdalena Sisters opgevoerd wordt. Ja, het is waar dat mijn moeder me menig keer in die kelder opgesloten heeft, want haar toorn, dat was nogal iets. Je kunt je zo’n toorn vandaag nog moeilijk voorstellen, dat is iets uit de tijd dat mensen uit het niets een leven probeerden uit te bouwen in het zweet des aanschijns; met alleen maar de kracht van hun handen, zonder dat ze een nagel hadden om aan hun gat te krabben.  Dat gaf stress. Dat gaf meer stress dan je je vandaag kunt voorstellen, alhoewel het woord toen nog niet uitgevonden was, ook omdat de mensen het te druk hadden om de dingen te benoemen. Er was geen tijd voor tierelantijntjes — Gauw! Gauw! —, daar heerste de ijzeren moraal van de dwingende vooruitgang. Gij zult uzelf pijnigen zoals gij ook uw naasten pijnigt!  Dat was niet alleen bij mijn ouders zo. Heel de maatschappij was daarvan doordrongen.  Iedereen liep er toornig bij, nijdig, gejaagd. Ouders, politieagenten, bouwvakkers, voetgangers… iedereen en dus ook de onderwijzers die de jonge mens bij voorkeur al krijsend, tuchtigend, nijpend, schoppend en slaand opvoedden. Gauw! Voorwaarts in de vaart der volkeren!
Er was niet alleen bij mij thuis zo’n kelder. De nonnen van de kleuterklassen hadden ook zo’n kelderding, daar was ‘t een bezemkot onder de trap, een onverlichte, onverluchte, stoffige ruimte waar kinderen in opgesloten werden tussen emmers en borstels, in ’t vuil, in ’t stof, want er was in die tijd nog niets te doen rond de problematiek van het fijn stof. Omdat men alom bezig was het land weer op te bouwen, was er eigenlijk alleen maar grof stof, en dat was dan ook overmatig aanwezig. Wie zijn neus snoot zag dat in zijn zakdoek, snot, jawel, maar met een fikse zwarte rand.  In andere gezinnen kwamen kinderen dan weer in het koolkot terecht — die hadden pas zwart snot! —  en in welgestelde milieus was er een chauffagekot waar maatschappelijk meer geslaagde ouders zo’n kind dreigend op de vuurhaard in de ketel wezen als voorafbeelding van de hel waarin het terecht zou komen.
Onovertroffen in dat soort didactische methodes was meester Rachel Warlop die de meetstok gebruikte om ermee, in het derde leerjaar van de lagere school, op de knoken van weerbarstige kinderhanden te slaan. Neen, ik heb het niet over de pedagogische tik, ik heb het over mishandeling. Ik ben er getuige van geweest hoe mijn klasgenootje Gilbert Huysmans verondersteld werd zijn hand bovenop de tafel te leggen tot Rachel Warlop er met zijn houten liniaal op gemept had, wat die jongen natuurlijk niet zomaar onderging. Terwijl die stok van op grote hoogte naar beneden gierde, trok Gilbert in ’n reflex zijn hand weg, en da’s maar goed ook, want het liniaal kwam met zo’n kracht neer dat de splinters in ’t rond vlogen. De maatstok brak in gruizelementen en ik… ik brak proestend in lachen uit, waarmee ik me solidair toonde met de getergde Gilbert, wat ik beter niet gedaan had, want ik kreeg prompt straf en moest honderd keer ‘Ik ben een nete’ schrijven, een straf die verdubbeld werd toen ik durfde te vragen wat een nete is. (Weet jij wat een nete is? Een nete bestaat niet, maar een neet is, zo heb ik later opgezocht, een eitje van een luis.) Ik ben een luizenei! Ik ben een luizenei! Ik ben een luizenei! Ik ben een luizenei! Ik ben een luizenei! Tweehonderd keer onder elkaar.
Mijn moeder: ‘Wat ben je aan ’t doen?’
Ik (onzeker): ‘Ik ben straf aan ’t schrijven’.
Zij weer (maar nu met opengesperde ogen): ‘Wat moet je schrijven?’
Ik (almaar onzekerder en met een piepstem): ‘Ik ben een nete.’
Zij weer (geboeid door het onbestaande woord): ‘Wat is dat, een nete?
Ik (al wenend): ‘Ik weet het niet.’ 
Zij (afrondend op een toon die geen tegenspraak meer duldt): ‘’t zal zijn dat je ‘t verdiend hebt.
’t Is niet bepaald iets wat je later doet blaken van zelfvertrouwen. Maar goed, zo werden wij, babyboomers, dus opgevoed. Degenen die ons vandaag verwijten dat we hen belasten met ons pensioen, mogen daar ook wel eens aan denken. In vergelijking met ons, zijn zij het die met hun gat in de boter gevallen zijn, wat aan hun gewicht trouwens te zien is.
Vind je die kelderstraf niet erg overtuigend? Wil je het nog straffer? Dat kan. Thuis bij Rachel Beirens werd het vaderlijk gezag gehandhaafd door middel van de martinet. Da’s een gesel met een aantal staarten uit leder, een instrument dat vandaag alleen nog als seksspeeltje aangewend wordt, maar dat oudere varianten kent, stammend van gesels die in de scheepvaart ter tuchtiging van opstandige matrozen dienden. Wanneer Rachel haar vader hoorde zeggen ‘Wie niet horen wil moet voelen’ dan wist ze wel hoe laat het was, want dan werd de martinet bovengehaald.  Zo ging dat er aan toe in die tijd. Neen, ook toen was geluk niet gewoon, alhoewel er een lied is dat het tegendeel beweert.
Met die Rachel Beirens is het uiteindelijk wel goed gekomen, al weet ik natuurlijk niet wat zich achter haar gordijnen afspeelt. 
Ik keer weer naar mijn herinneringen aan het eerste huis, in de Golfstraat, waar mijn moeder een kleine voedingswinkel uitbaat. Die winkel zorgt er trouwens voor dat mijn moeder altijd thuis is. Altijd, behalve één keer.
Ze zegde dat ze niet lang weg zou blijven. Vervolgens liet ze me achter en ik zat in m’n eentje op de keukenvloer te spelen terwijl ik genoot van de rust die haar afwezigheid veroorzaakte, ook doordat ze bij haar vertrek de voordeur afgesloten had waardoor er geen volk voor de winkel binnenkwam. Voor de eerste keer werd ik me ervan bewust hoe graag ik alleen ben.
Ik hoopte dat ze heel de dag zou wegblijven, maar dat deed ze niet. Toen ze weer thuiskwam was ze razend.  Ze keerde haar tas om en stortte vlak voor me een pak speelgoed op de grond. Ze huilde van woede. Mooie stukken zaten er tussen, tweedehands maar heel erg bruikbaar. Ik wist niet wat ik meemaakte. Enerzijds was er het meegebrachte speelgoed, wat positief was, anderzijds was er de manier waarop ze het op de grond uitgestort had, wat betekende dat er stront aan de knikker zat.
Omdat ik het vervolg niet kon inschatten, kroop ik alvast in een hoek. Ik kon alleen maar hopen dat het niet deze was waar de klappen zouden vallen, want erg goed kende ik al die hoeken nog niet. Met een oog hield ik mijn moeder in ’t oog, met het andere keek ik naar het speelgoed. Wat een impasse. Omdat ik instinctmatig aanvoelde dat haar woede iets met mijn vader te maken had, vroeg ik onzeker ‘En waar is papa?’ Waarna ze me snikkend toeriep dat papa aan ’t dansen was met slechte mama’s. Haar toon maakte duidelijk dat ze mij daarvan de schuld gaf.
Papa danst met slechte mama’s! Het is een zin om nooit te vergeten en dat heb ik dan ook niet gedaan. Ik weet nog dat ik daar een pak tegenstrijdige gedachten bij ontwikkelde, dat er vooral veel vragen in mij opkwamen, vragen die ik aan niemand kon stellen.
Verwarring, verwarring. Het is klaarlichte dag en mijn vader is ergens aan ’t dansen, in plaats van thuis te zijn, bij mij, bij zijn kind dat bescherming nodig heeft tegen moeders toorn. En dat speelgoed? Als zij dat van die slechte mama’s gekregen heeft, dan kunnen ze toch zo slecht niet zijn als zij beweert. Bovendien begrijp ik wel dat mijn vader ergens afleiding moet zoeken voor de toorn van die vrouw die hem, zo denkt het kind, even erg treft als dat bij mij het geval is. En tenslotte… waarom reageert zij haar frustratie eigenlijk op mij af en niet op de man waarover het gaat? Wat heb ik eigenlijk met die twee te maken? Niets toch. Kijk, eerst is het hier rustig en zodra ze thuiskomt is de spanning te snijden. En mag ik met dat speelgoed aan de slag gaan of net niet?
Het zijn gedachten van een kind dat het geheel niet kan overzien. Heeft het lang geduurd voor ik die dingen — want zo waren er wel meer — een plaats kon geven? Ik weet het niet. Inmiddels besef ik uiteraard wel dat mijn moeder in de situatie opgesloten zat, dat ze door die winkel en door dat kind aan het huis gekluisterd was, terwijl haar man zijn duivels uitleefde in kroegen van bedenkelijk allooi. Hoe eenzaam moet het voor haar geweest zijn om in een boerse familie terecht te komen waar men niet echt hoog opliep met de stadsmaniertjes van een Gentse, bij een echtgenoot die er niet was.  Daar zat ze dan, getrouwd, en daardoor vastgeketend aan een dronkaard, want dat was mijn vader natuurlijk wel, een dronkaard, alhoewel ik dat woord thuis nooit ofte nimmer, naar hem wijzend, heb mogen uitspreken.
Heeft ze die situatie vervloekt? Ongetwijfeld. Heeft ze haar man vervloekt? Heel zeker. Heeft ze mij vervloekt? Ik zou denken van wel. Ze heeft ongetwijfeld ook zichzelf vervloekt. Hoe stom is ze geweest te trouwen met een dronkaard, zij die als kind zelf ondervonden heeft hoe een dronken man het leven van een vrouw kapot kan maken? En nu gebeurt het weer.  
Heeft het lang geduurd vooraleer ik het allemaal kon plaatsen? In elk geval lang genoeg om het nooit meer te vergeten, lang genoeg zelfs om er niet in te slagen van mijn moeder te gaan houden, zelfs later niet, toen ik wel begrepen had dat het met het alcoholisme van mijn vader te maken had en dat het bijgevolg haar schuld niet was. Want ’t is niet omdat je het begrijpt, dat je het vergeeft, laat staan vergeet.
Golfstraat 11 Bredene, mijn eerste
ouderlijk huis.
Uiteraard was het niet allemaal kommer en kwel in dat huis. Er was een hondje, Eppie — misschien wel Happy, maar ik herinner het me als Eppie — , dat mijn moeder uit Gent meegebracht had. Dat hondje placht bij me te zitten bovenop het tafeltje van mijn kakstoel, waar het over me waakte, zo althans vertelde mijn moeder het me. Zelf heb ik daar geen herinneringen aan en evenmin aan het moment dat ze het hondje weggedaan hebben omdat het een deur kapotgebeten had. Vreemd genoeg herinner ik me wel die geschonden deur. Die zal er nog geweest zijn lang nadat dat hondje weg was.
Na al het voorgaande zal het je verwonderen, maar mijn ouders zagen elkaar graag. Ze deden dat als geschonden oorlogskinderen, beiden vrucht van dronken vaders, beiden ongeschoold en er alleen voor staand. Maar kijk, ze gingen er wel op vooruit. Ik herinner me de eerste personenwagen van die twee. Ik herinner me dat mijn moeder me op haar arm naar buiten droeg om naar die auto te kijken. Trots. De eerste gezinswagen. Tweedehands, een oud model waar de mensen een beetje lacherig over deden, hoekig, een beetje als een T-Ford, groene vilt op ’t dashboard (ik mag het aanraken), gordijntjes voor de achterruit, een wagen uit de tijd dat de auto’s er nog altijd een beetje als koetsen uitzagen. En ik herinner me dat mijn vader op ’t dak van dat hoekig ding menige kist placht te laden, met daarin levende kippen, zo hoog gestapeld dat ik dacht dat die wagen om zou keren. Maar neen, dat deed die auto niet, mijn vader was de sterkste man van Bredene en hij was daarenboven ook nog eens een stapelkunstenaar.
Nog een leuke herinnering. Misschien is mijn liefde voor de taal op dat moment ontsproten, zo bedenk ik nu voor het eerst. Ja, dat kan wel degelijk het geval zijn, omdat ik op dat moment geleerd heb dat de taal mij naar succes kan leiden. Als dat waar is, dan is ook dit boek de vrucht van dat gebeuren, zestig jaar geleden. Het is avond. Vader is niet thuis, zoals gewoonlijk. Ik zit onder de tafel met houten blokken te spelen. Opeens weet ik dat ik het kan, zomaar, als in een openbaring. Ik kom vanonder de tafel tevoorschijn en zeg rrrrrrrrrrrrrr. Mijn moeder is trots op me. Voor ’t eerst in mijn leven slaag ik erin de letter r uit te spreken. Ze neemt me mee naar het achterhuis waar mijn doopmeter Aline woont en daar doe ik het nog een keer, rrrrrrrrrrrrrrrrrr. Beide vrouwen klappen in de handen. Taal is leuk!
Een reactie posten