dinsdag 5 maart 2013

Allemaal Brigitte Bardot


Vooraan in de Oostendse Kapellestraat was er de
cinema Cameo. De zaal dateert van 1920 en werd
eerst Cinema Moderne gedoopt. De Cameo sloot in
1966. Het gebouw werd gesloopt. Daar kwam dan
de Standaard Boekhandel en nog later een filiaal
van Zeeman.
Het einde van de Oostendse cinema Rialto mag een historische gebeurtenis genoemd worden, want daarmee verdwijnt de laatste cinema uit het stadscentrum. De uitbaters hebben dan ook een plechtige verklaring voorbereid: Na lang en zorgvuldig overleg zijn we tot het besluit gekomen dat we de uitbating van onze bioscoop, ingaande vanaf begin oktober, niet zullen verderzetten. Een eenduidige oorzaak is hiervoor niet aan te wijzen, maar de opkomst van digitale media en de dure instap naar digitale projectie heeft ons toch gedwongen tot een versnelde evaluatie.’
Als we die mededeling van haar franjes ontdoen dan staat daar dat de uitbaters de (ongetwijfeld dure) stap naar de digitalisering niet willen zetten. Dus moeten ze wel sluiten, want de verdeelhuizen distribueren voortaan alleen nog digitale films.
Exit Rialto. Had het anders gekund? Elders maken kleine bioscopen wel degelijk de overstap: Capitole in Aalter, Cityscoop in Roeselare, De Keizer in Lichtervelde, Rio in De Haan… Onmogelijk is het blijkbaar niet. 
Ik herinner me dat ik voor het eerst met mijn ouders naar een bioscoopfilm ging kijken: Peter Pan.  Hoe jong was ik? Walt Disney had de film in 1953 gedraaid. In 1953 was ik vier. Wanneer werd die film in Oostende getoond?
De blogger John Aspeslagh heeft een beter geheugen. (*) Op zijn site heeft hij zijn eigen geschiedenis van de Oostendse cinema’s geschreven: In de zalen van het centrum werden de nieuwste producties vertoond. De wijkzalen programmeerden minder recente prenten, maar de prijs van het toegangsticket was dan ook navenant. Men miste er echter wel het zit- en kijkcomfort van de gerenommeerde zalen.’
Hij heeft het o.a. over cinema Roxy. ‘Voor de prijs van twintig frank bekeek je er een of andere western of avonturenfilm. De houten stoelen zaten wel niet zo gemakkelijk.’ Op het einde van jaren vijftig kwam er de Orly bij: ‘Spektakelfilms, die hun beste tijd achter de rug hadden, werden hier in tweede circuit vertoond: Quo vadis, Ben Hur, De Tien Geboden...’.  Nog voor de oorlog had de Christelijke Volksbond een eigen zaal aan de A. Colensstraat: Cinema Nova. ‘Het weekoverzicht was de week voordien al vertoond in de grotere zalen. Dus oud nieuws. Pas op het einde van de jaren 50 werd de zaal uitgerust voor "cinemascoop" en werden recentere prenten geprogrammeerd.’
De echt grote zalen bevonden zich in het centrum. In de Kapellestraat was er de Cameo. Aspeslagh weet nog dat ‘het Cameootje’ bekend was voor zijn ‘kiekenkot’, een soort tweede balkon waar men voor een appel en een ei de film kon volgen, met gegarandeerd een stijve nek na de vertoning.
Tussen het Wapenplein en de Langestraat lag cinema Forum. Wat verder in de vonden de filmliefhebbers de Paris en de Metro. ‘Eerstgenoemde zaal was bekend voor seksueel getinte, “gewaagde” films. De Metro, die eerst Studio heette, was heel wat kleiner. Oorspronkelijk was de Metro bedoeld om er uitsluitend documentaire films te tonen. Gebrek aan belangstelling zorgde ervoor dat de Studio na korte tijd een gewone bioscoop werd en herdoopt werd tot Metro.’
In de Langestraat kon de cinefiel terecht in de Plaza.  De tweelingzalen Corso en Rialto waren mee met de filmactualiteit. De veel recentere Capitole specialiseerde zich in de 'spektakelfilm'. Ook de Ritz, gelegen aan de Witte Nonnenstraat, werd pas in de jaren 50 geopend en was van in den beginne uitgerust voor vertoning van films in cinemascope. ‘Deze zaal kende een weinig glorieus einde en werd al vlug een parkeergarage’. In de A. Buylstraat was er tenslotte nog de Palace.
Aspeslagh heeft daarmee niet alle cinema’s opgesomd. Dat gebeurt wel in het onvolprezen naslagwerk dat Johan Geuvens & Régis Benoit over de Oostendse cinema’s schreven. (**)
In Het Visserijblad haalde ook sluiswachter Pascal Deckmyn jeugdherinneringen op aan de Oostendse cinema’s, bekeken vanuit het vissersmilieu. (***) Blijkt dat het cinemabezoek voor de vissers een intense bezigheid was: ‘De vissers bekeken die films niet alleen, ze beleefden ze ook. Sommigen vereenzelvigden zich met de acteurs en als ze het zelf niet deden dan deden anderen het in hun plaats. Wie lang, zwart haar had ging als Zorro door het leven. Een visser met een klein snorretje werd Errol Flynn. Wie goed de kunst van het triest kijken beheerste mocht zich Humphrey Bogart noemen. Alle jonge meisjes met een blonde paardenstaart waren Brigitte Bardots. Nu en dan werd zelfs een schip naar een film genoemd: Ben-Hur, Quo Vadis, Cleopatra…’
‘De vissers trokken met de hele familie wekelijks naar de cinema, ongeacht de prent die er vertoond werd. Sommigen gingen op zondag maar liefst drie films bekijken. Ze begonnen eraan om twee uur ’s middags en waren ook nog present tijdens de laatste vertoning die om 20.30 uur begon.’  Alle zalen zaten tijdens de weekends bomvol. Deckmyn: ‘En dat waren geen kleine zaaltjes. Sommige cinema’s hadden drie verdiepingen.’
Spektakelfilms waren kaskrakers: ‘Aan het loket stonden files van wel vijftig meter. Je wachtte tot de ouvreuse kwam zeggen dat er weer een plaats vrij was. Je moest de film immers niet vanaf het begin zien. Je ging bijvoorbeeld halverwege de vertoning binnen en je bleef na de film zitten tot je in de volgende voorstelling alle beelden gezien had die je eerst gemist had. Als het zover was, verliet je de zaal en dan kon de ouvreuse weer een andere klant binnenloodsen.’
Geuvens & Benoit weten alles over de geschiedenis van de
Oostendse cinema's.
Vissersfamilies deinsden er niet voor terug om de nodige versnaperingen mee te brengen. ‘Soms kreeg je de indruk dat de film in de vismijn gedraaid werd. Iemand had een droge Schotse “schulle” mee, een andere deed het met een gerookte “elebut” of met gekookte “wullocks" en als het goed ging was er ook een zakje met “kreeftengatjes”.’
‘Er was geen eenheidsprijs. Vooraan in de zaal betaalde je pakweg tien frank, achteraan was dat twintig. Het duurst waren de privéloges die wij de vrijerskotjes noemden.’  Vooraan zou je nooit vissers vinden. Dat waren de goedkoopste plaatsen en de vissers wilden tonen dat ze méér dan hun dagelijkse brood verdienden: ‘Het visserskoppel ging dan ook altijd in vol ornaat naar de cinema: ringen, horloges, kettingen. En thuis stond de brylcrème nooit ver weg.’
Flor Vandekerckhove

(*) http://siagrius.be
(**) Geuvens & Benoit, De wonderlijke wereld van pluche & pellicule. De geschiedenis van de Oostendse cinema’s. 383 bladzijden. 2010. 
(***) Pascal Deckmyn, De vissers en de cinema’s. HVB 1997/1/p.20 e.v.

Een reactie posten