donderdag 21 februari 2013

Work in Progress (V)


[Onlangs ben ik aan een autobiografie beginnen schrijven, meer bepaald aan een verbeelde variante op het genre. Ik ben daarmee gestart op mijn vierenzestigste verjaardag en hoop een eerste versie af te hebben op de dag dat ik vijfenzestig word. Zo nu en dan presenteer ik een nieuw hoofdstuk. Wie (eerst) eerdere hoofdstukken wil lezen, drukt op een van de labels onderaan.]


Mijn vader, Marcel Vandekerckhove, op de
rolschaatspiste van het casino van Bredene.
Als de foto in 1939 genomen werd dan is
mijn vader hierop 17 jaar.
Over mijn moeders jeugd heb ik het al gehad. Wat ik daarover in een eerder hoofdstuk geschreven heb, kom ik pas te weten wanneer ze al in het rusthuis verblijft. Ik heb het daar nog uit haar wankele geheugen weten te sleuren, terwijl dr. Alzheimer in toenemende mate met ons komt meeluisteren. Al wat ze me tijdens die bezoeken vertelt is nieuw voor me.  Dat komt doordat ik eerder nooit erg in haar geïnteresseerd geweest ben. Ja, in m’n eigen moeder, inderdaad. Neen, een erg voorbeeldige zoon ben ik nooit geweest, maar ik ben wel blij dat ik er haar op de valreep toch nog naar kunnen vragen heb. Ware dat niet het geval geweest dan bleef ik hier wellicht voor de rest van mijn leven met een leegte zitten. Laat het een wenk zijn voor mijn nageslacht.
Over de jeugdjaren van mijn vader dacht ik meer te weten. Verkeerdelijk, zo blijkt, want ik zit hier al een kwartier naar die zin te kijken, een zin die gevolgd moet worden door al datgene wat ik over ’s mans jeugd weet. En daar stokt het schrijven. Opeens loert de fameuze writer’s block om de hoek.
Ik ga het anders aanpakken. Laat me eens kijken of het ene woord het andere meebrengt. Misschien helpt de écriture automatique me uit deze impasse.
Wat heb ik je al over die man verteld? Je weet dat hij een oliehandel overgenomen heeft, van een zondagsschilder nog wel. Verder… Vaders oom, roste Miel, en diens echtgenote, tante Eugenie, die heb ik al vermeld en over die mensen moet ik nog wel meer schrijven, maar dat is voor later.
Ha, er zijn uiteraard nog andere familieleden die ik me herinner. Hij had ook een tante die een snor had en die daarom door ons tante moustache genoemd werd, terwijl ze nochtans als Irma boven de doopvont gehouden was. Wie zich daarbij een vrouw met donzige snorhaartjes voorstelt, rijp om geëpileerd te worden, vergist zich. De snor van tante Moustache was mooi verzorgd, zoals de rest van die vrouw dat overigens ook was. Tante Moustache had een echte mannensnor, enigszins vergelijkbaar met het exemplaar van de heer Hitler A.
Ieder jaar, bij een gebeurtenis die Westkerke kermis heet, gingen we bij haar op bezoek; bij haar en bij haar echtgenoot, nonkel Cyriel, die als het ware onzichtbaar werd in de aanwezigheid van zijn indrukwekkende echtgenote die met haar snor al mijn kinderlijke aandacht naar zich toe zoog.  Die man had nochtans ook iets.  In de oorlog had hij een been verloren en ik hield van zijn jaarlijks terugkerende verhaal waarin zijn met fruit geladen vrachtwagen door een Brits militair vliegtuig beschoten werd, met alle gevolgen van dien.  Ik begreep niet goed waarom die piloten een vrachtwagen vol fruit viseerden en evenmin waarom ze op een mijner landgenoten — hun bondgenoot toch — schoten, maar dat kleine onbegrip was verwaarloosbaar in vergelijking met de totale onverstaanbaarheid van heel dat oorlogsgebeuren. Dus vroeg ik er niet verder naar. Ook mocht ik telkens tegen ‘s mans houten prothese tikken, wat ook wel leuk was, maar kort van duur en dus ging mijn blik al gauw weer uit naar de bovenlip van zijn kwebbelende echtgenote. 
Ik herinner me niet wanneer die twee gestorven zijn. Wel weet ik dat de graven van het kerkhof in Westkerke inmiddels bijeengeharkt werden. Dat heb ik enkele jaren geleden gezien toen ik daar, op weg naar het Permekemuseum in Jabbeke, passeerde. De dode Westkerkenaren hebben plaats moeten maken voor een autoparking en liggen nu samen in een massagraf, onder een talud.  Misschien ligt de prothese van nonkel Cyriel daar ook nog onder, want die was van keihard hout gemaakt, zo had ik gevoeld toen ik er met mijn knoken op tikte, misschien was dat hout zelfs harder dan de snorharen van tante Moustache. Het was zeker duurzamer dan een mensenleven,
Tante Moustache en nonkel Cyriel waren familie van Zoë Van Lysebettens, de moeder van mijn vader. Zoë kwam uit die familie van fruithandelaars, gecentraliseerd in Westkerke.  Toen de tijd daar rijp voor was, trouwde ze met Edmond Vandekerckhove, een werkman, die daar waarschijnlijk niet ver vandaan woonde, want de eerstgeborene uit die echt, in de familie gemeenzaam Onze Marcel genoemd, kwam op 22 juni 1922 in Roksem ter wereld. Roksem en Westkerke, dat ligt allemaal op een kluitje.
Mijn vader zei al gekscherend wel eens dat hij op Roksemberg geboren was. Roksemberg! Dat was, zo herinner ik me, altijd een voltreffer op familiefeesten. Wellicht was dat zo geestig omdat Roksem echt wel het platteland is, platter dan dat ga je het nergens vinden. Ik kan me voorstellen dat je daar in 1922 tot aan de einder kon kijken, niets dan beemden en akkers, een eindeloos uitzicht dat niet echt belemmerd werd door een veldkapel her en der. Roksemberg? Over zo’n berg vind ik op het internet niets, wel over een gebied dat in de volkmond Roksemput genoemd wordt, een waterplas die tot stand kwam door zandwinning, nodig voor de aanleg van een autoweg. Die werd evenwel pas in 1973-76 aangelegd, lang nadat mijn vader geboren was.
Wat moet een mens daar nu allemaal van denken? Wellicht dateren mijn herinneringen daarover uit de jaren zeventig en vond de creatie van Roksemput zijn dialectische omkering in mijn vaders Roksemberg. (Kijk, dat heb je nu met zo’n autobiografie, dat je dingen ontdekt die je anders nooit had kunnen bevroeden, bijvoorbeeld dat je vader niet gespeend was van enige dialectisch aandoende finesses; wel wel.)
Veel van zijn kindertijd bracht mijn vader door bij de u inmiddels bekende roste Miel en tante Eugenie. Ik zal u vertellen hoe het komt, want het zegt iets over het milieu waarin ik zal opgroeien en over de scheve maatschappelijke situatie waarin ik terechtkom nadat ik uit de kraamafdeling van het ziekenhuis gedeporteerd werd.
Hier grijpen twee afzonderlijke fenomenen op elkaar in. Twee totaal verschillende manifestaties van de menselijke cultuur resulteren in wat ik verder als het Hyacinthsyndroom zal omschrijven, een geheel van maatschappelijke verschijnselen dat ons een ziektebeeld toont dat hier voor het eerst, en wel via de techniek van de écriture automatique, beschreven zal worden. Laat het mijn bijdrage zijn tot de ontwikkeling van de sociale psychologie.
U vraagt zich nu wellicht af waarheen dit alles u zal leiden. Daar kan ik u nu evenwel nog niet op antwoorden, want ik heb er geen idee van. Laat me toe mijn gedachtestroom niet te onderbreken. We zien samen wel wat ervan komt.
Wellicht kent u het populaire Engelse televisiefeuilleton Keeping Up Appearances, alhier mooi vertaald als Schone Schijn. Daarin volgen de kijkers het gezinsleven van vrouwe Hyacinth Bucket die zich liever Bouquet laat noemen. Hyacinth doet zich beter voor dan ze is. Haar pogingen daartoe worden onbedoeld belemmerd door haar overactieve vader, het heftige seksleven van haar zuster Rose, de proletarische gewoontes van haar schoonbroer Onslow… Samengevat: door de werkelijkheid. Het taalgebruik van Hyacinth is legendarisch (The Bouquet-residence, the lady of the house speaking.’). Het hebben en houden van de Buckets bestaat uit prullaria, zoals ‘het dure servies’ dat de buurvrouw haast niet meer durft vast te nemen. En onder al die oppervlakkigheid zou er, lees ik hier tot mijn verwondering, een psychologisch probleem schuilen dat ik het hyacinthsyndroom noem. Is dat niet merkwaardig? 
Nu moet ik doorgaan tot het einde. Er is geen terugweg meer.
Zowel van moederszijde als van de kant van mijn vader stam ik uit een diepgelovige katholieke familie. In zo’n familie wordt niet licht omgesprongen met pakweg de zondagsplicht, want dat is een van de vijf geboden van de kerk: 'Op zondagen en verplichte feestdagen deelnemen aan de eucharistie en zich van slaafse arbeid onthouden.’ In de familie waar ik in 1949 terechtkom wordt daaraan vastgehouden, zij het vooral aan het eerste deel.
Naast de vijf kerkelijke geboden zijn er ook nog de tien Goddelijke. Zo heeft God er wel aan menen te doen het seksuele leven van de mensheid in goede banen te leiden. Dat resulteert onder andere in het zesde gebod dat in zijn meest moderne versie als volgt luidt: ‘De lichamelijke vereniging is moreel alleen toegestaan, wanneer een definitieve levensgemeenschap tussen man en vrouw tot stand is gekomen.’ Waarbij met ‘lichamelijke vereniging’ seks bedoeld wordt en waarbij ‘definitieve levensgemeenschap’ voor het huwelijk staat. Het spreekt vanzelf dat die Goddelijke geboden nog strenger nageleefd worden dan de kerkelijke, want die laatste zijn mensenwerk, terwijl de eerste van de grote baas zelve komen.
Maar wat zie ik? Nauwelijks vijf maanden nadat mijn ouders de weg van de definitieve gemeenschap ingeslagen zijn, word ik al geboren. Vijf maanden, geen negen! Een vroeggeboorte? Een onbevlekte ontvangenis? Een speling van de natuur? Een ongelukje?
Niets daarvan, zelfs geen ongelukje. Er blijkt een systeem achter te zitten. Dat leer ik van mijn nicht Nadine die van de familiegeschiedenis haar hobby gemaakt heeft. Grootmoeders, tantes, nichten, de vrouwelijke aan- en bloedverwanten… Ze trouwen in regel niet vooraleer ze bezwangerd zijn. En op zondag trekken ze in hun mooiste kleren ter kerke. Het ophouden van de katholieke schone schijn, tegengesproken door de werkelijkheid, is een van de fenomenen die, samen met andere waarover ik het verder zal hebben, het hyacinthsyndroom vormen.
Zo ging het met mijn ouders en zo ging het eerder al met tante Eugenie en roste Miel. Ook Eugenie geraakte zwanger vooraleer er van een definitieve levensgemeenschap sprake was. De twee moesten trouwen. Helaas bleek de vrucht niet levensvatbaar te zijn, het stel bleef kinderloos en mijn vader nam tijdens de vakanties de plaats in van het kind dat er nooit gekomen is.
Het trouwen omwille van de schone schijn is uiteraard onvoldoende om al van een maatschappelijk syndroom te spreken. Er is daarvoor meer nodig dan een pak kalotenmanieren.
Er valt dan ook wel degelijk meer over te zeggen.  Nadat projectontwikkelaars de gronden verkaveld hebben van wat later Bredene-Duinen genoemd zal worden, vestigen zich daar niet alleen maar rijkaards. Ook het overtollige volk uit de polderdorpen komt toegesneld. De rijkaards komen om geld uit te geven. De dorpelingen komen om dat geld te incasseren. Dat doen ook Zoë en Edmond. Daar in de Duinenstraat van Bredene, op een flinke boogscheut van het strand, openen ze ten behoeve van de toeristen en van hun portefeuille een groentewinkel. Die toeristen komen vooral naar zee tijdens de schoolvakanties. Mijn ondernemende grootouders hebben dan niet zoveel tijd om zich met de kinderen bezig te houden en ze sturen hun eerstgeborene naar het binnenland, alwaar de kinderloze Eugenie er zich graag over ontfermt. Het toerisme is bijgevolg de tweede reden waarom mijn vaders jeugd zich in belangrijke mate bij roste Miel en Eugenie afspeelt. 
Op zich heeft die vakantieregeling niets met het hyacinthsyndroom te maken, maar de sector van toerisme & handel, waarin de familie sindsdien haar economische activiteiten ontplooit, is wel voor de honderd percent schone schijn. Klanten vragen erom bedrogen te worden, zo weet ik al van kindsbeen af, en toeristen al helemaal. Dus moet je hun dat geven. Is het de schone schijn van het toerisme niet die in de zomer de prijzen omhoogstuwt? Wordt de onzichtbare hand van de vrije markt niet op slinkse wijze een extra handje toegestoken door commerciële praktijken die een Bucket weten aan te prijzen als zijnde een… Bouquet?
Dat allegaartje van hypocriet katholicisme, bedrieglijke commerce en het degraderen van de toeristische medemens tot winstobject doet iets met een mens, zoveel is zeker. Dat geheel, dat ik hyacinthsyndroom noem, sluipt in je lijf, je brein, je ziel, je zijn. Wie in zo’n milieu opgroeit draagt daar veel sporen van. Je begrijpt dat ik het over mezelf heb. En je begrijpt vooral dat ik dit hoofdstukje over mijn vaders jeugd tot een goed einde gebracht heb dank zij de écriture automatique, waarvoor ik André Breton & de zijnen hier uitdrukkelijk wil bedanken. Merci André.
Een reactie posten