zondag 17 februari 2013

Work in Progress (III)


[Onlangs ben ik aan een autobiografie beginnen schrijven, meer bepaald aan een verbeelde variante op het genre. Ik ben daarmee gestart op mijn vierenzestigste verjaardag en hoop een eerste versie af te hebben op de dag dat ik vijfenzestig word. Zo nu en dan presenteer ik een nieuw hoofdstuk. Wie eerdere hoofdstukken wil lezen, drukt op een van de labels onderaan.]

III.
Aangekruist: de winkel van monsieur Gillot: kachels en schilderijen.
Op 12 februari 2013, op mijn vierenzestigste verjaardag, heb ik besloten mijn autobiografie te schrijven. Ik hoop een eerste versie af te hebben tegen mijn volgende verjaardag. Ik doe dat niet omdat ik denk dat u in mijn levensloop geïnteresseerd bent. (Dat bent u niet.) Ik doe het om dezelfde reden waarom ik altijd al geschreven heb; om te kijken of ik het kan. En ik wil het ook nu weer doen zoals ik al dat voorgaande geschreven heb, ik wil het doen zoals Van Eyck het deed, ‘als ic can’, zo goed ik kan. Toneelwerk, enkele romans, een novelle, korte verhalen, essays, een enkel gedicht, memoires, polemieken en pamfletten, ik heb dat allemaal geschreven om te kijken of ik het kan en ik heb dat allemaal geschreven zo goed ‘als ic can’. Dat er maar weinig zijn die het vervolgens ook gelezen hebben, deert mij blijkbaar niet, want ik weet duidelijk van geen ophouden, integendeel. Schrijven is, zo moet ik constateren, datgene wat ik doe. En nu dus een autobiografie.
Ik loop al een tijdje met de idee rond, maar op de laatste dag dat ik drieënzestig was, tijdens een wandeling, wist ik ook hoe ik het aan boord moet leggen. Dit boek moet Dichtung und Wahrheit worden, alles door elkaar. Feiten en verbeelding moeten dooreenlopen, vermoedens en zekerheden moeten haast onherkenbaar met elkaar verweven zijn, ik zeg haast, want dit boek moet er toch ook een beetje als een roomtaart uitzien, overdadig en buitensporig. 
Dat ik er een pak Dichtung aan toevoeg heeft overigens een goede reden, want mijn leven is naar Wahrheit veel te saai om er een boek mee gevuld te krijgen en zoals ik het eerder al zei, u wilt over dat saaie leven niets lezen.  Het imaginaire moet in deze autobiografie wedijveren met controleerbare feiten. Ik vraag me af of ik het voor mekaar zal krijgen en ook nog altijd wel een beetje hoe ik dat zal doen.
Trouwens… Worden niet alle autobiografieën op die manier geschreven? Ik vraag het mij af. Maken ze niet allemaal het leven mooier dan het is? Deze van Wolfgang von Goethe heel zeker, want dat boek heet zelfs letterlijk Dichtung und Wahrheit. Daar staat dus een hoop verbeeld leven in. Wat een genre, wat een genre!
Ik ben benieuwd of ik het op die manier uithoud tot pakweg pagina 220.  Maar tot hiertoe gaat alles wel goed. Ik ben nog maar pas aan de slag en ik heb al meer dan 1.600 woorden geschreven, daarin geholpen, zo moet ik eerlijkheidshalve zeggen, door korte stukjes memoires die ik eerder al gepubliceerd heb. Er staat tot hiertoe al veel waarheid in en ook al een pak verbeelding. En er staat ook al iets in waarvan ik niet weet of het 't een of 't ander is. 
Maar laten we eerst terugkeren naar 1949. 
Lang kan ik in de materniteit niet blijven, want mijn ouders zijn kleine zelfstandigen en het moet vooruitgaan. Ik neem afscheid van verpleegster Elvire Casier, een zwartharige jonge vrouw, overdadig veel krullen, grote mond, fijne lippen. Ze ziet er uit als mijn eerste kleuterjuffrouw en ze heeft merkwaardig genoeg ook dezelfde naam. Ik ben verliefd op haar, maar ik ben kansloos want de kamer is inmiddels alweer bezet door weer een nieuwe moeder die alweer een nieuwe mens ter wereld gebracht heeft. Ik voel het aan alsof ik daar verwijderd wordt, gedeporteerd.  Ik hoor de deuren van de materniteit ook vandaag nog altijd achter mij dichtslaan en ik begrijp dat er geen weg terug is. Regressie is voor doetjes, zo lees ik in de ogen van mijn moeder, het moet vooruitgaan. Buiten de materniteit begint het echte leven. Voorwaarts!
Niet alleen bij mijn ouders moet het vooruitgaan. Gauw! Da’s het woord dat ik in mijn kindertijd het meeste gehoord heb. Gauw! Alles moet gauw gebeuren. De oorlog ligt nog maar vier jaar achter ons en alles moet gauw heropgebouwd worden, huizen, straten, bedrijven, evengoed als de mensheid zelve die ook kapotgeschoten is. Er wordt volop gekweekt en wij zijn de mensenkinderen die later babyboomers genoemd worden. Ik kom ter wereld in een tijd waarin geen plaats is voor lanterfanters, zoals ik er helaas wel een zal blijken te zijn, maar dat weten mijn ouders dan nog niet en ik zal het hun ook niet zeggen.
Vader rijdt. Hij is zenuwachtig, want er moet ook nog mazout geleverd worden. Moeder zit naast hem in de kleine tankwagen waarmee hij huishoudens en vissersvaartuigen van brandstof voorziet. Moeder heeft me in een gehaakt dekentje gewikkeld, op mijn hoofd een zelfgebreid mutsje in de kleuren van voetbalclub A.S.Oostende. Achter ons klotsen duizenden liters mazout heen en weer, op en neer, heen en weer. Drs. P. zal er later een lied aan wijden.
Die tankwagen had vader overgenomen van meneer Gillot die eerder zijn baas geweest was.  Toen vader trouwde deelde hij zijn patroon mee dat hij zelf een mazouthandel zou starten. Gillot was te oud om tegen zoveel ondernemingszin in te gaan en liet de boel de boel. Vader nam diens vrachtwagen en het erbij horende cliënteel over en toog op weg. Van meneer Gillot mocht hij al werkend de overname afbetalen.
Ik herinner me monsieur Gillot en ook madame, Franstalige inwijkelingen die een graantje kwamen meepikken van de zich snel ontwikkelende toeristische wijk.  De Gillots hadden naast de handel in brandstoffen een winkel waarin ze kachels verkochten. En schilderijen, want monsieur Gillot was een zondagsschilder. Zeezichten, duinzichten, bosdreven, pittoreske bruggetjes over de Brugse reien en een zelfportret dat boven zijn bureau hing. De Gillots bleven de winkel uitbaten en ik kwam er als kind veel over de vloer. Kachels en schilderijen, voorwaar een merkwaardige combinatie, maar het meest was ik onder de indruk van het daarachter liggende schildersatelier van monsieur Gillot, dat naar terpentijn rook en waar ik half uitgeknepen tubes olieverf zag liggen. Heimelijk hoopte ik dat die monsieur me zou leren schilderen, maar ik denk niet dat de altijd stuurs kijkende man ooit een woord tot mij gericht heeft. De conversatie liet hij over aan zijn echtgenote die wel Nederlands sprak.  Neen, hij heeft me niet leren schilderen. En ja, zo wilde ik wel dat mijn leven er later zou uitzien. Misschien, dacht ik, zou ik ook wel een winkel uitbaten waarin ik me niet erg veel moet vertonen en waarachter een atelier ligt waarin ik bosdreven schilder.
De Gillots zijn voor mij niet zonder betekenis geweest, want kijk, de laatste jaren van mijn beroepsleven geef ik een krantje uit waarmee ik me niet teveel moet bemoeien en achter het redactielokaal ligt mijn schrijfkot waarin ik me stuurs kijkend à la Gillot kan isoleren om er te schrijven over wat ik maar wil, zelfs over bosdreven.
Er is meer. Tot vandaag blijft de combinatie van kachels en schilderijen me boeien. Dat ik in een maatschappij geboren word waar alles uiteindelijk op de markt terechtkomt, kachels zowel als schilderijen, meubilair en poëzie, stoelen en verhalen, kitsch en kunst, auto's en seks, brood en rock-'n-roll, havermout en drugs… en dat de waarde van die dingen naar hun positie op de markt gemeten wordt, dat alles in cijfers uitgedrukt wordt, dat is iets waar ik tot vandaag maar moeilijk mee om kan gaan. Maar die winkel is voor mij ook het omgekeerde van zo'n markt, want ik herinner me niet dat ik er ooit een mens iets zien kopen heb, geen schilderij en ook geen kachel. Waarmee de winkel van monsieur Gillot ook een restant van een oude wereld is, een wereld die ik niet gekend heb, een wereld waar niet alles in geld uitgedrukt wordt, een wereld die nog niet onttoverd is. Wellicht is het daarom dat ik zo geboeid wordt door mensen die de wereld willen 'herbetoveren', ontroerd zelfs, zoals door de kortfilm De veer van César, waarin de poëzie van Peter Holvoet-Hanssen ons meeneemt naar een speelgoedwinkeltje zonder klanten, naar een wereld van verdwijnende schoonheid. Weg! Net zoals de winkel van monsieur Gillot weg is.
Maar het is uiteraard niet naar de Gillots dat we op die koude februaridag in 1949 rijden. We trekken gedrieën naar ons huis dat een beetje verder ligt, in de Golfstraat, waar mijn moeder een voedingswinkeltje uitbaat.
Ik herinner me die woning die wel een winkel had, maar geen winkelhuis was. Je kwam binnen in de gang. Links leidde een deur je de voorste kamer in, de voorplaats, en die plaats was tot winkeltje gepromoveerd. Enkele bakken melk, enkele dozen eieren, een rek waarop enige kruidenierswaren stonden. Onder de elektriciteitskast in de gang stond een reserve, enkele bakken prik. Een tussendeur scheidde de winkel van de woonplaats die ook als keuken en badkamer dienst deed. Er was een achterhuis waar Aline leefde, mijn grootmoeder, die samen met haar dochter naar Bredene verhuisd was.
Het waren harde tijden. Mijn ouders hadden eigenlijk niets. Geen scholing, geen diploma, geen kapitaal, zelfs geen geld, geen beroep. Ze hadden alleen maar mij, vrucht van een ongelukje, zo heb ik lang gedacht, maar dat klopt niet, want er was meer aan de hand dan een ongelukje, dat leg ik later nog wel uit.
Gelukkig waren er ook nonkel Miel en tante Eugenie.  Die nonkel van mijn vader, roste Miel, was poelier en baatte een winkel uit in de nabijgelegen Duinenstraat. Later zouden mijn ouders de zaak van roste Miel overnemen. In afwachting mochten zij van roste Miel ook gevogelte en konijnen in hun eigen winkeltje verkopen, iets dat wellicht wel meer winst opleverde dan de bak prik die daar in de gang stond.
Ik houd aan dat huis in de Golfstraat enkele herinneringen over. Ik word er door moeder zo nu en dan, om redenen die me tot vandaag duister zijn, in de kelder opgesloten. Het is daar donker, maar er is een raam waarlangs gebunkerd kan worden en waaruit ik desnoods zou kunnen ontsnappen. Ontsnappen, want de toorn van mijn moeder maakt dat ik op alles voorbereid moet zijn. Dat raam stelt me gerust, ik ervaar dat kelderverblijf nauwelijks als een straf, ik moet alleen maar van de muren wegblijven, want die zijn akelig vochtig en er zitten spinnen op. Soms verstop ik me in die kelder een wijl onder een vrouwenkleed dat daar aan een kapstok hangt. Het kleed is gemaakt uit een stof die ik niet meer kan definiëren, synthetisch zo denk ik, een stof waarvan ik vandaag wel nog de sensualiteit kan aanvoelen. Misschien is dit wel de eerste sensuele ervaring die ik me kan herinneren, meer zelfs, het lijkt me het eerste proeven van de verboden vrucht van de seksualiteit te zijn, want ik besef ten volle dat mijn moeder me daar zo niet mag zien, daar met mijn hoofd onder dat kleed. Of dat er (weer) iets zal zwaaien. Ik leer er ook iets door: dit doet me iets. Het is lekker toeven onder dat kleed. Later, als ik groot ben, wil ik mijn hoofd zoveel mogelijk onder vrouwenrokken steken.
Het is nogal wat, al die dingen die een mensenleven beïnvloeden en er zelfs bepalend voor blijken te zijn. Een vrouwenkleed in een kelder, een zondagschilder die kachels verkoopt, dokter De Beul die mijn vader een sigaret aanbiedt… En we zijn nog maar aan het begin.
Een reactie posten