donderdag 14 februari 2013

Work in progress (I)


Dit is wellicht de eerste foto die van me genomen werd. Ik
ben twee maanden en vijf dagen oud en ik steek al mijn 

vuistje omhoog.

[Met dit hoofdstuk vat een boek aan dat inmiddels helemaal geschreven is. Ik heb het digitaal (in PdF) uitgegeven en het is gratis te krijgen aan wie er me om vraagt. Mijn e-mailadres vindt u onder mijn profiel dat u hiernaast kunt aanklikken.]

I.

Deze vertelling begint, zoals het hoort, met een schreeuw. Een start, een schreeuw, de dingen nemen een aanvang. Maar omdat dit tegelijkertijd een boek is waarin fictie en werkelijkheid met elkaar wedijveren, begint het ook met een leugen. Het vangt helemaal niet aan met een schreeuw, maar met de woorden: ‘Deze vertelling begint, zoals het hoort, met een schreeuw.’ Indien deze zin naar waarheid was geschreven dan had er minstens eerst Whaaaaeaaah! moeten staan. Wellicht had u dat ook wel begrepen zonder die omstandige uitleg, en het verandert ook niet erg veel aan de feitelijke situatie. Het is 1949, het is winter en het is bar. Met een schreeuw kom ik tot leven.
Het is geen pretje om in de winter geboren te worden. Ik zie de dag — wat zeg ik? — ’t is midden in de winter en daardoor erg vroeg donker, ik zie de nacht. Daarbij komt nog dat ik eigenlijk niets kan zien, nog niet, want daarvoor ben ik te klein. Op het allerbelangrijkste moment van mijn leven is er van enig licht geen sprake. U kunt zich wel voorstellen dat dit niet zonder gevolgen blijft. De duisternis waarin ik terechtkom is veelzijdig. Het heeft met het wolkendek te maken, dat donkergrijs van de sneeuw staat die het in zich draagt. En ’t heeft ook met de menselijke ontwikkeling te maken die kinderen blind ter wereld brengt. Maar er is meer, er is altijd meer. Donker is het ook omdat de oorlog nog niet erg lang geleden afgelopen is. Het land moet nog altijd heropgebouwd worden, en de lampen zijn schaars. Het kapitalisme is bijlange de spektakelmaatschappij nog niet die het later wel zal worden, de schijnwerpers, lichtorgels en theaterlampen staan nog maar aan ’t begin van hun ontwikkeling, net als ik. En ten slotte is het ook wel duister omdat de katholieke kerk nog te veel over de dingen heerst. Dat laatste zeg ik met enige terughoudendheid, want ik kom terecht in een katholieke familie, waarin ik, gezien mijn precaire situatie als boreling, geborgenheid moet vinden, maar omdat ik in dit boek toch wel en soort volledigheid nastreef, moet ik het er wel aan toevoegen: ook dat katholieke milieu zorgt voor duisternis, en nog niet zo’n klein beetje. Het is in alle opzichten duister en het is 12 februari.
Ik hoor de verpleegster zeggen dat het een jongen is en ik hoor hoe haar schort knispert, een geluid dat ik later, veel later, in verband kan brengen met het gebruik van stijfsel van het merk Remy, een product dat nu wellicht niet meer gebruikt wordt, maar dat in die tijd schorten knapperende geluidjes liet produceren. Ik hoor hoe de dokter onmiddellijk daarna de deur achter zich dichtklapt (ik herinner me echt die klapdeur), ik voel de tocht die hij produceert wanneer hij er als een hazenwind vandoor gaat, want het is, zoals gezegd, al laat; de man wil naar huis om daar naar het gesproken dagblad te luisteren, want de dokter is een intellectueel en de koningskwestie eist zijn aandacht op.
Die dokter komt ’s anderendaags nog eens naar mij kijken. Hij heet De Beul, maar het kan ook zijn dat ik die naam verwar met die van mijn vaders tandarts. Het geheugen heet niet voor niets een onbetrouwbare getuige te zijn.
Tegelijk met de dokter komt ook Marcel me bezoeken. Voor het eerst buigt mijn vader zich over me. Hij draagt een overall. Ik ruik zijn adem. Hij ziet er, zo denk ik, een beetje vergiftigd uit, rode plekken in ’t aangezicht, waterige ogen, want hij heeft gisteren zijn eerstgeborene gevierd. En daar is veel alcohol aan te pas gekomen. Die alcohol wasemt hij nu over mij uit. Dat is iets… Daar heeft men in die tijd allemaal geen aandacht voor, een term als ‘passief meedrinken’ is nog niet tot de ziekenhuisvloer doorgedrongen, bijlange niet, maar de zerpe geur dringt — drinkt? — wel mijn al te jonge neus binnen, in mijn hoofd gaat die geur op zoek naar het klein pakje hersenen dat onder mijn nog zachte schedel nog warm ligt na te genieten. Daar geeft die reuk een oppepper aan remmende chemische stofjes die pas een halve eeuw later ontdekt zullen worden en waarvan ik de naam niet ken, terwijl de van nature prikkelende stofjes, die daar uiteraard eveneens aanwezig zijn, door diezelfde geur tot zwijgen gebracht worden. Een paradoxale en complexe toestand is ‘t en de gevolgen zullen er naar zijn. Maar dat kan mijn vader niet weten, want over de werking van de hersenen is op 12 februari 1949 nauwelijks iets bekend. Zelf weet ik op dat moment evenmin hoe belangrijk die geur voor mij zal worden, want ik weet nog niets, helemaal niets, zelfs niet wat in die tijd algemeen bekend is.
Ik zal nog zestien jaar moeten wachten vooraleer ik me die vaderlijke wasem op een bepaalde manier zal herinneren, maar dat gebeurt later wel degelijk wanneer ik voor het eerst een glas bier achterover sla. Op de bodem van dat glas zie ik mijn vader weer die zich voor het eerst over me buigt. Het is een moment van herinnering dat nauwelijks een oogwenk duurt, ook omdat ik het glas meteen wegschuif om het weer te laten vullen.
De Beul en mijn vader vertellen elkaar enige mannelijke algemeenheden. Ze spreken over het weer, over de politiek, over het ijzeren gordijn dat almaar strakker aangespannen wordt en over het vrouwenstemrecht dat een half jaar eerder ingevoerd werd en dat het land naar de verdoemenis zal leiden.
De dokter presenteert iedereen een sigaret van het merk Sprint. Mijn vader aanvaardt, mijn moeder bedankt (mij wordt niets gevraagd) en terwijl de blauwe rook de kamer vult, gaat ook die geur aan de haal met mijn hersenen, maar niet met het deel dat al door de alcoholwasem aangetast is, maar met een ander deel, een hersendeel dat vlugger reageert, want het resultaat van die ervaring laat niet zestien jaar op zich wachten, het is er meteen. Godver ja, dat wil ik ook; ik wil ook zo’n sigaret.
Daar ben ik natuurlijk te jong voor, ik mag alleen nog maar passief roken, alhoewel ook die term dan nog niet bekend is. Ik begin te huilen, wat voor de dokter het sein is om weer eens verder te gaan. Nadat de dokter, ritsel, ritsel (Remy) verdwenen is, durft mijn vader mij voor het eerst vast in zijn immens grote handen nemen. Hij steekt me omhoog, tot ik haast volledig in de blauwe walm van de sigarettenrook verdwijn. Tegelijk hou ik op met huilen. Van de aldus ontstane stilte maakt hij gebruik om de historische woorden uit te spreken: ‘Van u zal ik een beenhouwer maken!’ Hij doet het in het West-Vlaams, want mijn vader woont in Bredene, een gemeente aan de Vlaamse kust, waar ik inmiddels na veel omzwermen, ook weer gaan wonen ben. Vanuit de hoogte, in mijn vaders handen, kijk ik uit het ziekenhuisraam neer op de straten van Oostende, mijn geboortestad. Zelf kan ik niets zien, maar de wereld ziet mij wel degelijk. Sneeuwvlokken dwarrelen terwijl ze naar mij kijken. Ze dwarrelen naar beneden, wat wonderlijk is, want alles is nieuw en dus wonderlijk.  De straat is een tapijt van wit poeder. Godver, ik wil ook zo’n sigaret, van het merk Sprint. Weer begin ik te huilen.
Een reactie posten