zondag 24 februari 2013

Terug naar de toekomst





Weet je wanneer ik er gefrustreerd bij loop? Als er in het buitenland weer eens een boek verschijnt dat ik door de taalbarrière niet ten volle tot mij kan nemen. Dat ervaar ik bijvoorbeeld telkens wanneer Michaël Löwy romantiek en marxisme samenbrengt in een essay waarin hij het ogenschijnlijke onverenigbare toch verenigt.  De werken van deze Braziliaans-Franse filosoof mochten dan in bijna dertig talen beschikbaar zijn, het Nederlands was daar niet bij… tot nu. En dat is mede dank zij Johny Lenaerts die dertien teksten van Löwy vertaald heeft.
Zopas heb ik Herbetovering van de wereld dichtgeslagen, een boek met als ondertitel Romantische wortels van linkse denkers. Een openbaring! Ik weet nu veel meer over tal van denkers en kunstenaars die mij stuk voor stuk interesseren, bovendien weet ik nu ook meer over mezelf.
Zelf dacht ik dat de Romantiek een literaire beweging was uit het begin van de negentiende eeuw. Löwy ziet dat anders: ‘Voor ons is de Romantiek, als cultureel protest tegen de moderne industrieel/kapitalistische beschaving, een van de belangrijkste vormen van de moderne cultuur, en ze loopt van Rousseau — om de grondlegger ervan te noemen — tot in onze dagen (…).’
Wie meent te weten dat de Romantiek altijd conservatief is, zelfs reactionair, moet eveneens zijn standpunten herzien. Romantiek is ‘een beweging die zowel realistische als niet-realistische, mystieke als sensuele, revolutionaire als contrarevolutionaire, democratische als aristocratische, reactionaire als utopische vormen kan aannemen.’
Er bestaat, zo toont Löwy aan, ook een romantische stroming die langs een omweg in het verleden de richting van een nieuwe toekomst wil inslaan. Het is voor die revolutionaire stroming dat Löwy een lans breekt. ‘[D]eze vorm projecteert de nostalgie naar een prekapitalistisch verleden in een radicaal nieuwe toekomst. Men verwerpt zowel de illusie van een radicale terugkeer naar de organische gemeenschappen uit het verleden als de gelaten aanvaarding van het burgerlijke heden of de verbetering ervan door middel van hervormingen. Deze revolutionaire of utopische romantiek beoogt bijgevolg – op een min of meer radicale, een min of meer contradictorische manier – de opheffing van het kapitalisme en de instelling van een egalitaire utopie waarin bepaalde aspecten of bepaalde waarden van de vroegere maatschappijen weer opduiken.’ Ook daarin zijn dan weer verschillende stromingen te onderscheiden: een jacobijns-democratische, een populistische, een utopisch socialistische/humanistische, een libertaire en een marxistische.
Er bestaat dus ook een romantisch marxisme. Dat mag dan wel verketterd worden door degenen die zich geroepen voelen het ‘officiële marxisme’ te ijken, bestaan doet het wel degelijk: ‘[H]et marxisme van André Breton [behoort] tot een ondergrondse stroming, namelijk die van het romantisch marxisme, die, in weerwil van de reusachtige dammen die de orthodoxie opgeworpen heeft, door heel de twintigste eeuw loopt. Ik versta daar een denkvorm onder die gefascineerd wordt door bepaalde culturele waarden van het prekapitalistische verleden, die de kille en abstracte rationaliteit van de moderne industriële beschaving afwijst — maar die deze nostalgie opvat als een essentieel element in de strijd voor de revolutionaire transformatie van de huidige wereld. Het is waar dat alle romantische marxisten in opstand komen tegen de burgerlijke onttovering van de wereld. Die onttovering is immers het logische en noodzakelijke resultaat van de kapitalistische kwantificering, mercantilisering en reïficatie van de sociale verhoudingen.’
Laat u niet tegenhouden door bovenstaande terminologie. De hoofdstukjes in het boek zijn kort, de inleidingen verhelderend, het geheel inspirerend. En je komt wel degelijk veel te weten over culturele grootheden als Marx, Engels, Ernst Bloch, Lukács, Dostojevski, Rosa Luxemburg, zelfs Charles Péguy en Martin Buber. Guy Debord en zijn situationisten krijgen uiteraard ook hun plaats in het boek, net als de surrealisten. Er is zelfs plaats voor een (mij) onbekende, maar wel interessante marxist als Mariategui en voor de mannen van de Frankfurter Schule. Libertairen zijn er ook: Kafka, Landauer.
En wat heb ik nu door dat boek over mezelf geleerd?
Toen ik een kwarteeuw geleden Het Visserijblad begon uit te geven, had ik nog maar pas afscheid genomen van een militante praktijk, geïnspireerd door het marxisme. In dat blad begon ik al vlug de term ‘vissersgemeenschap’ te ijken. Waar kwam die term eigenlijk vandaan? Het was een begrip dat ik niet uit het marxisme meegebracht had. Het kwam evenmin uit de Vlaamse visserij zelf, want nooit eerder was die term daar gebruikt. Daar sprak men alleen maar over een visserijsector; er was daar blijkbaar alleen maar economie, geen gemeenschap. Trouwens, veel gemeenschap was daar op die kaaien ook niet te zien. Dus nogmaals: waar haalde ik die term dan vandaan?
De term situeert zich blijkbaar ergens in het ‘imaginaire’. De vissers zijn de laatste beroepsjagers in dit land. Bij nacht & ontij trekken zij het zeegat in om daar weken later weer uit tevoorschijn te komen in schepen volgeladen met buit. Zo’n aparte bezigheid, met alles wat bij ‘jacht’ en ‘zee’ bedacht kan worden, kan haast niet anders dan eigen zeden & gewoonten, normen & waarden voortbrengen. Ik kan me dan ook voorstellen (‘imaginer’) dat dit alles resulteert in een authentieke vissersgemeenschap.
Als die hier en nu niet te zien is dan komt dat doordat de koopmansgeest de eigenheid van die gemeenschap vernietigd heeft.  Net als de romantici voel ik de alomtegenwoordigheid van ‘de Geldgod, het verval van alle kwalitatieve sociale en religieuze waarden, alsook de verbeelding van de poëtische geest, de vervelende uniformisering van het leven, de louter “utilitaire” verhouding van de mensen tot elkaar en tot de natuur.’ En net als de romantische marxisten dat zouden doen gebruik ik de term vissersgemeenschap in dat tijdschrift als een springplank naar een nieuwe wereld, waarin een visserij bestaat die niet door winst & concurrentie gedomineerd wordt, maar door samenwerking, gemeenschappelijk belang en respect voor de natuur.
Dat ik een romanticus ben, dat heb ik uit dat boek geleerd!
Flor Vandekerckhove

Michaël Löwy, Herbetovering van de wereld. Romantische wortels van linkse denkers werd uitgegeven door Socialisme 21, Grenzeloos en Uitgavefonds Ernest Mandel. Leuven 2013. ISBN 9789081530521. Bestellen? Stort 15 € op rekening 523-0803570-97 met vermelding ‘Herbetovering’ en stuur een mail met je postadres naar info@socialisme21.be.



donderdag 21 februari 2013

Work in Progress (V)


[Onlangs ben ik aan een autobiografie beginnen schrijven, meer bepaald aan een verbeelde variante op het genre. Ik ben daarmee gestart op mijn vierenzestigste verjaardag en hoop een eerste versie af te hebben op de dag dat ik vijfenzestig word. Zo nu en dan presenteer ik een nieuw hoofdstuk. Wie (eerst) eerdere hoofdstukken wil lezen, drukt op een van de labels onderaan.]


Mijn vader, Marcel Vandekerckhove, op de
rolschaatspiste van het casino van Bredene.
Als de foto in 1939 genomen werd dan is
mijn vader hierop 17 jaar.
Over mijn moeders jeugd heb ik het al gehad. Wat ik daarover in een eerder hoofdstuk geschreven heb, kom ik pas te weten wanneer ze al in het rusthuis verblijft. Ik heb het daar nog uit haar wankele geheugen weten te sleuren, terwijl dr. Alzheimer in toenemende mate met ons komt meeluisteren. Al wat ze me tijdens die bezoeken vertelt is nieuw voor me.  Dat komt doordat ik eerder nooit erg in haar geïnteresseerd geweest ben. Ja, in m’n eigen moeder, inderdaad. Neen, een erg voorbeeldige zoon ben ik nooit geweest, maar ik ben wel blij dat ik er haar op de valreep toch nog naar kunnen vragen heb. Ware dat niet het geval geweest dan bleef ik hier wellicht voor de rest van mijn leven met een leegte zitten. Laat het een wenk zijn voor mijn nageslacht.
Over de jeugdjaren van mijn vader dacht ik meer te weten. Verkeerdelijk, zo blijkt, want ik zit hier al een kwartier naar die zin te kijken, een zin die gevolgd moet worden door al datgene wat ik over ’s mans jeugd weet. En daar stokt het schrijven. Opeens loert de fameuze writer’s block om de hoek.
Ik ga het anders aanpakken. Laat me eens kijken of het ene woord het andere meebrengt. Misschien helpt de écriture automatique me uit deze impasse.
Wat heb ik je al over die man verteld? Je weet dat hij een oliehandel overgenomen heeft, van een zondagsschilder nog wel. Verder… Vaders oom, roste Miel, en diens echtgenote, tante Eugenie, die heb ik al vermeld en over die mensen moet ik nog wel meer schrijven, maar dat is voor later.
Ha, er zijn uiteraard nog andere familieleden die ik me herinner. Hij had ook een tante die een snor had en die daarom door ons tante moustache genoemd werd, terwijl ze nochtans als Irma boven de doopvont gehouden was. Wie zich daarbij een vrouw met donzige snorhaartjes voorstelt, rijp om geëpileerd te worden, vergist zich. De snor van tante Moustache was mooi verzorgd, zoals de rest van die vrouw dat overigens ook was. Tante Moustache had een echte mannensnor, enigszins vergelijkbaar met het exemplaar van de heer Hitler A.
Ieder jaar, bij een gebeurtenis die Westkerke kermis heet, gingen we bij haar op bezoek; bij haar en bij haar echtgenoot, nonkel Cyriel, die als het ware onzichtbaar werd in de aanwezigheid van zijn indrukwekkende echtgenote die met haar snor al mijn kinderlijke aandacht naar zich toe zoog.  Die man had nochtans ook iets.  In de oorlog had hij een been verloren en ik hield van zijn jaarlijks terugkerende verhaal waarin zijn met fruit geladen vrachtwagen door een Brits militair vliegtuig beschoten werd, met alle gevolgen van dien.  Ik begreep niet goed waarom die piloten een vrachtwagen vol fruit viseerden en evenmin waarom ze op een mijner landgenoten — hun bondgenoot toch — schoten, maar dat kleine onbegrip was verwaarloosbaar in vergelijking met de totale onverstaanbaarheid van heel dat oorlogsgebeuren. Dus vroeg ik er niet verder naar. Ook mocht ik telkens tegen ‘s mans houten prothese tikken, wat ook wel leuk was, maar kort van duur en dus ging mijn blik al gauw weer uit naar de bovenlip van zijn kwebbelende echtgenote. 
Ik herinner me niet wanneer die twee gestorven zijn. Wel weet ik dat de graven van het kerkhof in Westkerke inmiddels bijeengeharkt werden. Dat heb ik enkele jaren geleden gezien toen ik daar, op weg naar het Permekemuseum in Jabbeke, passeerde. De dode Westkerkenaren hebben plaats moeten maken voor een autoparking en liggen nu samen in een massagraf, onder een talud.  Misschien ligt de prothese van nonkel Cyriel daar ook nog onder, want die was van keihard hout gemaakt, zo had ik gevoeld toen ik er met mijn knoken op tikte, misschien was dat hout zelfs harder dan de snorharen van tante Moustache. Het was zeker duurzamer dan een mensenleven,
Tante Moustache en nonkel Cyriel waren familie van Zoë Van Lysebettens, de moeder van mijn vader. Zoë kwam uit die familie van fruithandelaars, gecentraliseerd in Westkerke.  Toen de tijd daar rijp voor was, trouwde ze met Edmond Vandekerckhove, een werkman, die daar waarschijnlijk niet ver vandaan woonde, want de eerstgeborene uit die echt, in de familie gemeenzaam Onze Marcel genoemd, kwam op 22 juni 1922 in Roksem ter wereld. Roksem en Westkerke, dat ligt allemaal op een kluitje.
Mijn vader zei al gekscherend wel eens dat hij op Roksemberg geboren was. Roksemberg! Dat was, zo herinner ik me, altijd een voltreffer op familiefeesten. Wellicht was dat zo geestig omdat Roksem echt wel het platteland is, platter dan dat ga je het nergens vinden. Ik kan me voorstellen dat je daar in 1922 tot aan de einder kon kijken, niets dan beemden en akkers, een eindeloos uitzicht dat niet echt belemmerd werd door een veldkapel her en der. Roksemberg? Over zo’n berg vind ik op het internet niets, wel over een gebied dat in de volkmond Roksemput genoemd wordt, een waterplas die tot stand kwam door zandwinning, nodig voor de aanleg van een autoweg. Die werd evenwel pas in 1973-76 aangelegd, lang nadat mijn vader geboren was.
Wat moet een mens daar nu allemaal van denken? Wellicht dateren mijn herinneringen daarover uit de jaren zeventig en vond de creatie van Roksemput zijn dialectische omkering in mijn vaders Roksemberg. (Kijk, dat heb je nu met zo’n autobiografie, dat je dingen ontdekt die je anders nooit had kunnen bevroeden, bijvoorbeeld dat je vader niet gespeend was van enige dialectisch aandoende finesses; wel wel.)
Veel van zijn kindertijd bracht mijn vader door bij de u inmiddels bekende roste Miel en tante Eugenie. Ik zal u vertellen hoe het komt, want het zegt iets over het milieu waarin ik zal opgroeien en over de scheve maatschappelijke situatie waarin ik terechtkom nadat ik uit de kraamafdeling van het ziekenhuis gedeporteerd werd.
Hier grijpen twee afzonderlijke fenomenen op elkaar in. Twee totaal verschillende manifestaties van de menselijke cultuur resulteren in wat ik verder als het Hyacinthsyndroom zal omschrijven, een geheel van maatschappelijke verschijnselen dat ons een ziektebeeld toont dat hier voor het eerst, en wel via de techniek van de écriture automatique, beschreven zal worden. Laat het mijn bijdrage zijn tot de ontwikkeling van de sociale psychologie.
U vraagt zich nu wellicht af waarheen dit alles u zal leiden. Daar kan ik u nu evenwel nog niet op antwoorden, want ik heb er geen idee van. Laat me toe mijn gedachtestroom niet te onderbreken. We zien samen wel wat ervan komt.
Wellicht kent u het populaire Engelse televisiefeuilleton Keeping Up Appearances, alhier mooi vertaald als Schone Schijn. Daarin volgen de kijkers het gezinsleven van vrouwe Hyacinth Bucket die zich liever Bouquet laat noemen. Hyacinth doet zich beter voor dan ze is. Haar pogingen daartoe worden onbedoeld belemmerd door haar overactieve vader, het heftige seksleven van haar zuster Rose, de proletarische gewoontes van haar schoonbroer Onslow… Samengevat: door de werkelijkheid. Het taalgebruik van Hyacinth is legendarisch (The Bouquet-residence, the lady of the house speaking.’). Het hebben en houden van de Buckets bestaat uit prullaria, zoals ‘het dure servies’ dat de buurvrouw haast niet meer durft vast te nemen. En onder al die oppervlakkigheid zou er, lees ik hier tot mijn verwondering, een psychologisch probleem schuilen dat ik het hyacinthsyndroom noem. Is dat niet merkwaardig? 
Nu moet ik doorgaan tot het einde. Er is geen terugweg meer.
Zowel van moederszijde als van de kant van mijn vader stam ik uit een diepgelovige katholieke familie. In zo’n familie wordt niet licht omgesprongen met pakweg de zondagsplicht, want dat is een van de vijf geboden van de kerk: 'Op zondagen en verplichte feestdagen deelnemen aan de eucharistie en zich van slaafse arbeid onthouden.’ In de familie waar ik in 1949 terechtkom wordt daaraan vastgehouden, zij het vooral aan het eerste deel.
Naast de vijf kerkelijke geboden zijn er ook nog de tien Goddelijke. Zo heeft God er wel aan menen te doen het seksuele leven van de mensheid in goede banen te leiden. Dat resulteert onder andere in het zesde gebod dat in zijn meest moderne versie als volgt luidt: ‘De lichamelijke vereniging is moreel alleen toegestaan, wanneer een definitieve levensgemeenschap tussen man en vrouw tot stand is gekomen.’ Waarbij met ‘lichamelijke vereniging’ seks bedoeld wordt en waarbij ‘definitieve levensgemeenschap’ voor het huwelijk staat. Het spreekt vanzelf dat die Goddelijke geboden nog strenger nageleefd worden dan de kerkelijke, want die laatste zijn mensenwerk, terwijl de eerste van de grote baas zelve komen.
Maar wat zie ik? Nauwelijks vijf maanden nadat mijn ouders de weg van de definitieve gemeenschap ingeslagen zijn, word ik al geboren. Vijf maanden, geen negen! Een vroeggeboorte? Een onbevlekte ontvangenis? Een speling van de natuur? Een ongelukje?
Niets daarvan, zelfs geen ongelukje. Er blijkt een systeem achter te zitten. Dat leer ik van mijn nicht Nadine die van de familiegeschiedenis haar hobby gemaakt heeft. Grootmoeders, tantes, nichten, de vrouwelijke aan- en bloedverwanten… Ze trouwen in regel niet vooraleer ze bezwangerd zijn. En op zondag trekken ze in hun mooiste kleren ter kerke. Het ophouden van de katholieke schone schijn, tegengesproken door de werkelijkheid, is een van de fenomenen die, samen met andere waarover ik het verder zal hebben, het hyacinthsyndroom vormen.
Zo ging het met mijn ouders en zo ging het eerder al met tante Eugenie en roste Miel. Ook Eugenie geraakte zwanger vooraleer er van een definitieve levensgemeenschap sprake was. De twee moesten trouwen. Helaas bleek de vrucht niet levensvatbaar te zijn, het stel bleef kinderloos en mijn vader nam tijdens de vakanties de plaats in van het kind dat er nooit gekomen is.
Het trouwen omwille van de schone schijn is uiteraard onvoldoende om al van een maatschappelijk syndroom te spreken. Er is daarvoor meer nodig dan een pak kalotenmanieren.
Er valt dan ook wel degelijk meer over te zeggen.  Nadat projectontwikkelaars de gronden verkaveld hebben van wat later Bredene-Duinen genoemd zal worden, vestigen zich daar niet alleen maar rijkaards. Ook het overtollige volk uit de polderdorpen komt toegesneld. De rijkaards komen om geld uit te geven. De dorpelingen komen om dat geld te incasseren. Dat doen ook Zoë en Edmond. Daar in de Duinenstraat van Bredene, op een flinke boogscheut van het strand, openen ze ten behoeve van de toeristen en van hun portefeuille een groentewinkel. Die toeristen komen vooral naar zee tijdens de schoolvakanties. Mijn ondernemende grootouders hebben dan niet zoveel tijd om zich met de kinderen bezig te houden en ze sturen hun eerstgeborene naar het binnenland, alwaar de kinderloze Eugenie er zich graag over ontfermt. Het toerisme is bijgevolg de tweede reden waarom mijn vaders jeugd zich in belangrijke mate bij roste Miel en Eugenie afspeelt. 
Op zich heeft die vakantieregeling niets met het hyacinthsyndroom te maken, maar de sector van toerisme & handel, waarin de familie sindsdien haar economische activiteiten ontplooit, is wel voor de honderd percent schone schijn. Klanten vragen erom bedrogen te worden, zo weet ik al van kindsbeen af, en toeristen al helemaal. Dus moet je hun dat geven. Is het de schone schijn van het toerisme niet die in de zomer de prijzen omhoogstuwt? Wordt de onzichtbare hand van de vrije markt niet op slinkse wijze een extra handje toegestoken door commerciële praktijken die een Bucket weten aan te prijzen als zijnde een… Bouquet?
Dat allegaartje van hypocriet katholicisme, bedrieglijke commerce en het degraderen van de toeristische medemens tot winstobject doet iets met een mens, zoveel is zeker. Dat geheel, dat ik hyacinthsyndroom noem, sluipt in je lijf, je brein, je ziel, je zijn. Wie in zo’n milieu opgroeit draagt daar veel sporen van. Je begrijpt dat ik het over mezelf heb. En je begrijpt vooral dat ik dit hoofdstukje over mijn vaders jeugd tot een goed einde gebracht heb dank zij de écriture automatique, waarvoor ik André Breton & de zijnen hier uitdrukkelijk wil bedanken. Merci André.

Work in Progress (IV)


[Onlangs ben ik aan een autobiografie beginnen schrijven, meer bepaald aan een verbeelde variante op het genre. Ik ben daarmee gestart op mijn vierenzestigste verjaardag en hoop een eerste versie af te hebben op de dag dat ik vijfenzestig word. Zo nu en dan presenteer ik een nieuw hoofdstuk. Wie (eerst) eerdere hoofdstukken wil lezen, drukt op een van de labels onderaan.]

IV
Voor me ligt een oude foto die mij aan het boek Genesis laat denken. Het is een historische foto die het ontstaan van de wijk toont waarin ik opgegroeid ben. ‘In den beginne was er niets, behalve hotel Meiboom en de patisserie’.  Zo zou het scheppingsverhaal van Bredene-Duinen kunnen starten, de wijk waar ik enkele uren na mijn geboorte al terechtkom.
Maar helemaal juist is mijn beschrijving van die foto dan niet. Rechts vang ik een glimp op van de Duinenstraat waar blijkbaar ook al een huis gebouwd werd, en links, te midden de akkers en beemden, staan eveneens woningen en een hoeve.
Waaraan laat die foto me nog denken? Aan De Vlaschaard waarin Streuvels een soort weerbericht neerschrijft: ‘Het vlakke land lag er afgebakend in zijn nauwen einder, overwaterd met mist, onnuttig, zoppenat’. Maar bij nader inzien klopt dat evenmin, want de foto toont ons een beeld waarin het zand haast moeiteloos in de polders overgaat, waardoor het geheel meer als een droog woestijnlandschap oogt dan als Streuvels’ zoppenatte landbouwgrond.
Het beeld herinnert me ook aan de foto’s die na de Eerste Wereldoorlog van Ieper genomen worden, een lege vlakte met slechts her en der een huis. Ook dat is uiteraard een loze vergelijking. In Ieper is alle bebouwing door het oorlogsgeweld neergehaald, terwijl in Bredene alles nog moet beginnen.
Lang zal dat daarna evenwel niet meer duren. De Koninklijke Baan scheidt op de foto zichtbaar het platte duin van de wijk die erachter ligt. Vooraan, links op de foto, staat een klein gebouwtje waar de elektriciteit voor de tram omgevormd wordt. De infrastructuurwerken die het gebied voor het toerisme moeten ontsluiten zijn al uitgevoerd: allen daarheen!
De volkskundige auteur Raoul Eeckhout dateert de aanvang van de toeristische bedrijvigheid in Bredene in 1900, bijna een halve eeuw voor mijn geboorte, maar over een hotel Meiboom spreekt hij niet. Dat gebeurt wel in een inventaris van het historisch erfgoed die ik op het internet vind: ‘Aan het kruispunt Driftweg/Kapelstraat met de Duinenstraat ontstaan de eerste herbergen met logies. De uitbouw van de Koninklijke Baan in 1902-1904, gevolgd door de aanleg van de parallel lopende kusttram in 1905, werken de ontwikkeling van Bredene-Duinen in de hand. De eerste hotels "De Meiboom" en "L'Espérance" worden opgetrokken.’
De foto werd ook afgedrukt in een boek dat Frank Huyghebaert en Erwin Mahieu over Bredene-Duinen publiceerden.  Het onderschrift leert me dat café des Dunes daarop rechts naast In den Meiboom staat en dat het derde huis in de rij, de patisserie, door ene Plovie uitgebaat wordt. De hoeve op de achtergrond is deze van Seys (vandaag camping Duinzicht). Het huis in de Duinenstraat, waarvan we de zijgevel zien, is de kruidenierswinkel In den Anker die, zo stellen Huygebaert & Mahieu, in 1913 gebouwd wordt.  
Ik herinner me die namen — Meiboom, café des Dunes, In den anker — maar het wordt almaar moeilijker om me die huizen concreet voor te stellen. Waar stonden die ook alweer en welke huizen stonden ernaast?
Tijdens een zeldzaam moment van ondernemingsdrift heb ik geprobeerd om de site op de foto weer te fotograferen, maar dan bijna honderd jaar later. Het is me niet helemaal gelukt. De duinen hebben zich een beetje verplaatst, zodat ik de foto onder een andere hoek moet nemen. De begroeiing op die duinen is fors toegenomen, waardoor de Koninklijke Baan onzichtbaar is. Het platte duin is ei zo na verdwenen, net zoals hotel De Meiboom, café des Dunes en de patisserie dat zijn.
Het is niet zo erg lang geleden dat ik die foto voor het eerst gezien heb. En het is pas tijdens het schrijven van dit stuk dat ik begrijp dat de wijk waarin ik als kind terechtkom niet organisch gegroeid is, maar dat hij voortkomt uit een verkavelingplan van landeigenaren die nabij Oostende een graantje willen meepikken van het ontluikende toerisme.
Hier aan de kust kent iedereen de Opex, een wijk die vanaf 1925 ten oosten van Oostende uitgebouwd werd om er zeelui en havenarbeiders in onder te brengen (en ook wel om de vissers uit het stadscentrum weg te gommen).
Opex is een afkorting van S.A. Ostende-Phare et Extensions.  De bewoners ervan weten dat hun wijk naar de projectontwikkelaar genoemd werd die daar destijds de gronden mocht verkavelen. Omdat het letterwoord inmiddels gemeengoed is, stellen we ons daar geen vragen meer bij, toch is het merkwaardig dat een woonwijk naar een naamloze vennootschap genoemd wordt.
Wie waren die ‘Opexvennoten’? Dat weet ik niet, want hun aandelen waren naamloos. Ongetwijfeld waren het bourgeois, want hun naamloosheid past perfect in de definitie die Roland Barthes van dat soort mensen geeft: ‘De bourgeoisie definieert zich als de maatschappelijke klasse die niet benoemd wil worden.’  Mooi gezegd van Barthes. Desalniettemin waren er in die tijd ook wel bourgeois die uit de anonimiteit van de naamloze vennootschappen traden om juist wel benoemd te worden. 
Dat was bijvoorbeeld het geval bij degenen die een beetje verder, op een steenworp van de Opex, al eerder aan ’t verkavelen gingen. Hun was het niet om vissers te doen, maar om toeristen. In tegenstelling tot de vennoten van de Opex wilden zij wel hun eigennaam op het gebied kleven.
In 1903 wordt de verkavelingmaatschappij S.A. Breedene-sur-mer lez-Ostende opgericht. Op braakliggende grond vlak achter de duinen willen die naamloze vennoten een toeristische wijk uitbouwen. ‘Om de verkoop te stimuleren bouwt de vennootschap villa's voor eigen rekening bestemd om te verhuren of volledig afgewerkt te verkopen; bovendien staat ze in voor het eventuele afsluiten van leningen en hypotheken.’
De projectontwikkelaars tekenden de residentiële villawijk rond wat eerst Avenue centrale n° 5 genoemd werd. Die naam, die eerder aan een werkkamp of een kolchoz dan aan een villawijk laat denken, werd al gauw vervangen. De straat werd dan Avenue le Grand genoemd naar een Gentse grootgrondbezitter die medeoprichter van de S.A. Breedene was. Pas in 1939 kreeg de straat haar huidige naam, Zeelaan.  Er was ook een André Danielslaan. Die werd genoemd naar een Oostendse architect die een stimulerende rol speelde in de uitbouw van deze verkaveling. Daniels was een van de eersten die in de wijk een villa bouwde en zijn voorbeeld werd enthousiast gevolgd. De oorspronkelijke André Danielslaan heet sinds 1939 Strandlaan.  De Prinses Marie-Josélaan heette tot 1939 Marc Samdamlaan, naar een Gentse nijveraar die meerdere villa's in de straat bezat. De Meeuwenlaan heette Segonzaclaan, naar een Frans familielid van le Grand.  Wat vandaag de H. Consciencelaan is, was tot 1939 de Vandersmissenlaan, zo genoemd naar een Schaarbeekse groothandelaar. De Kroonlaan was deels Avenue de Boeck en deels Avenue G. Hendrickx en die laatste was een Brusselse architect-landmeter. De Noordlaan was dan weer de Avenue Gielen, naam van een medebeheerder van de S.A. Breedene. De Peter Benoitlaan was de August Pedelaan. Die Pede was een Oostendse vis- en wijnhandelaar.  Merkwaardig is de naamsverandering die de Avenue de France in 1939 onderging. Die werd toen logischerwijs tot Frankrijklaan vervlaamst. Maar de Avenue de France werd eigenlijk niet naar ons buurland genoemd, maar naar Antoine de France, landmeter die gronden van de familie le Grand behandelde.
De Golfstraat, waar ik kom te wonen maakt evengoed deel uit van de plannen van die projectontwikkelaars. Ook dat leer ik nu pas terwijl ik dit stuk schrijf. Deze autobiografie begint daardoor een beetje te lijken op een soort Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan, de titel van een roman die Louis Couperus meer dan een eeuw geleden geschreven heeft.
De houten villa op de voorgrond werd in 1911 door aannemer G.
Versluys gebouwd in opdracht van ene Florent Roelens (of Rullens). 

Hij noemde het aan de Golfstraat gelegen bouwwerk 'Onze rust'.
Als eerste verhuurde hij in Bredene-Duinen gemeubileerde
'Franse appartementen' bestemd voor toeristen.
Terwijl Couperus dat boek aan ’t schrijven was werden de contouren van de wijk vastgelegd waarin ik later zou opgroeien. De acte waarmee deze vennootschap gesticht werd, is tegelijk de geboorteaangifte van Bredene-Duinen.
Op het internet valt mijn oog weer op die erfgoedbeschrijving: ‘[A]an de vooravond van de Eerste Wereldoorlog telt Bredene-Duinen twaalf villa's en een eerste ‘appartementsgebouw’ "Onze Rust", een houten constructie aan de Golfstraat, in 1911 opgetrokken door de Bredense aannemer G. Versluys (…)’  Welwel. Onverwachts stoot ik op mijn straat, de Golfstraat, en ook op de naam van iemand – Gustaaf Versluys — die ik in mijn kindertijd gekend heb. Het wordt tijd om de draad weer op te nemen.

dinsdag 19 februari 2013

Mars


Ook in die tijd bestonden er paparazzi. Leopold II wordt 
achternagezeten door de pers. —
Toeristen komen van overal, maar de tekeningen komen van Mars. Dat zou een mooie ondertitel voor dit stukje kunnen zijn.
Toen de Belgische staat in 1830 gesticht wordt, is Oostende nog een echte vissersstad. Van toerisme is daar in die tijd nauwelijks sprake. Vergeten we niet dat het woord zelf, toerisme, pas in 1839 voor het eerst in het Nederlands neergeschreven wordt.
De stad heeft in die tijd ook weinig te bieden aan de zeldzame bezoekers die naar de zee komen kijken. Daar wordt langzaam maar zeker iets aan gedaan. In het stadhuis richt het bestuur in 1837, tijdens de zomermaanden, een casino in. Op de smalle dijk, die in die tijd van de stad gescheiden wordt door vestinggrachten, staat een vuurtoren en rond die ‘Phare’ kan je vanaf 1845 iets consumeren in het café-restaurant dat terecht Cercle du Phare genoemd wordt. Wat verder staat het Pavillon des Bains waar men warme en koude baden kan nemen.
De vestinggrachten belemmeren de ontwikkeling van het oprukkende toerisme. In het album Souvenirs d’Ostende (1854) weidt drukker-lithograaf Daveluy hierover uit: ‘Wat jammer dat Oostende een versterkte stad is! Zij zou moeten openstaan naar de vier windstreken, vermits men voor de zee komt, dat de zee dan tenminste zichtbaar weze. Moesten de wallen gesloopt worden, de grachten gedempt en de stad rechtstreeks in verbinding staan met de zeedijk, zou op het puin van de vestingen een nieuwe dijk verrijzen met zicht op de brede oceaan.’
De overheid is uiteraard dezelfde mening toegedaan. In 1865 wordt begonnen met de ontmanteling van de stad en in 1868 is Oostende bevrijd van het knellende keurslijf.
Daarna gaat het vlug. In koortsachtig tempo wordt de stad geürbaniseerd: de zeedijk wordt rechtgetrokken en verbreed en in 1874 wordt het Koninklijk Chalet opgetrokken, een geprefabriceerd houten gebouw dat Leopold II uit Engeland laat komen. Naar analogie met verschillende badsteden aan de Engelse zuidkust wil de koning Oostende ombouwen tot een ‘seaside resort’. Het is dan ook mede door zijn talrijke projecten dat de stad uiteindelijk de ‘Koningin der Badsteden’ zou worden.
De bouw van dat Koninklijk Chalet geeft ook aanleiding tot het ontwikkelen van een nieuwe ringbaan, de Koninginnelaan. Deze verbindt de dijk met de belangrijkste invalswegen en met het nieuw te creëren park, genoemd naar koningin Maria-Hendrika (voor de Oostendenaars ‘het bosje’). Deze ringweg wordt verder verfraaid met twee ‘squares’, de pleinen Prinses Stéphanie en Prinses Clémentine, beide genoemd naar dochters van de vorst. Naast deze squares komen er mondaine voorzieningen, zoals paardenstallen (De Koninklijke Stallingen – gebouwd 1903 in dezelfde stijl als het Koninklijk Chalet) en een tennisclub.
In 1875 wordt een aanvang gemaakt met het bouwen van een kursaal. In 1882 heeft de inwijding plaats van het nieuwe station. In 1885 wordt de renbaan aangelegd, op de plaats waar Napoleon eerder Fort Royal wilde bouwen (de bouw werd echter voltooid door de Engelsen die het – o, zoete wraak - Fort Wellington noemen). Ook de nieuwe haveninstallaties, waarvan Leopold II in 1898 de eerste steen legt, zijn voor de ontwikkeling van het toerisme in Oostende uiterst belangrijk.
Veel van die bouwwerken worden ook gefinancierd door de koning zelve die daarvoor geld gebruikt dat hij uit zijn persoonlijke kolonie Kongo-Vrijstaat haalt.
[Hier past een opmerking die ik uit de Wikipedia ventileer. De 23 jaar dat Kongo onder ‘s mans persoonlijke bewind viel werden gekenmerkt door volkerenmoord, slavernij, ontvoeringen, martelingen, verkrachtingen, onthoofdingen en het afhakken van handen. Het aantal slachtoffers was aanzienlijk. De Britse diplomaat Roger Casement heeft het over drie miljoen tijdens twaalf van de twintig jaar. Peter Forbath noemt ten minste vijf miljoen. Adam Hochschild spreekt van tien miljoen en de Encyclopedie Britannica spreekt van een totale bevolkingsafname van twintig tot dertig miljoen naar acht miljoen.]
Door toedoen van Leopold II wordt Oostende een toeristische attractiepool. Elk seizoen geeft het mondaine Europa daar rendez-vous. De trein verbindt de stad met heel het vasteland, terwijl de maildienst Oostende-Dover vanaf 1846 een brug slaat over het Kanaal.
Van een vissersstad veranderde Oostende in een toeristisch centrum.
Al het voorgaande levert wel degelijk resultaten op.
In 1896 woonden in Oostende zo’n 30.000 mensen. In datzelfde jaar verbleven er in de stad al 41.898 toeristen: 39.924 kwamen uit Europa, maar er waren ook 1.691 Amerikanen, 169 Afrikanen, 63 Aziaten en 51 Australiërs. De mondaine wereld had de stad ontdekt en de neringdoeners konden er alleen maar wel bij varen.
Ook de uitgevers pikten een graantje mee. Samen met de ontwikkeling van het toerisme ontstond een nieuw genre: het toerismeboek. Steden als Londen, Parijs, Spa, Biarritz en ja, ook Oostende werden in boekvorm gegoten, veelal gebeurde dat door tekenaar Maurice Charles Mathieu Bonvoisin, die zich Mars liet noemen.
Mars was een fabrikantenzoon die de leiding van de onderneming in Verviers aan zijn broer overliet om Europa te doorkruisen, terwijl hij in opdracht van uitgeverijen en ten behoeve van de toeristen het ‘pittoreske’ leven van steden en streken tekende.
In 1896 verscheen La Vie d’Ostende. Het was dan wel een periode van sociale onlusten, maar daarvan valt in dat boek niets te zien. De burgerij beleefde immers haar ‘belle époque’. We zien in het boek vooral dames die zich in zee wagen om er te baden. Strandcabines op wielen brengen die dames tot aan de zeerand. Mars laat ons vooral vrouwen zien die ingewikkelde badpakken dragen die hun indrukwekkende ‘derrières’ nochtans niet kunnen camoufleren, als ze die al niet benadrukken. Hij tekent taferelen op de renbaan, op het strand, in de duinen, in het casino, op de dijk. Uiteraard ontbreekt Leopold II niet, maar er is ook veel aandacht voor figuren uit de visserij, die Mars wellicht bijzonder pittoresk vond.
Op de zeedijk en in de voornaamste straten werden prachtige verblijven gebouwd waarin rijke industriëlen en edellieden hun tijd doorbrachten in zalig nietsdoen. Ze kwamen er genieten van de rijkdom die ze zelf niet verdiend hadden. In het kursaal, het casino en de luxewinkels waren de prijzen voor de vissers onbetaalbaar. Die moesten vele maanden zwoegen om datgene te verdienen wat de rijken in enkele uren aan nutteloze zaken besteedden. De stad werd daardoor een plek van confrontatie tussen onmetelijke rijkdom enerzijds en schrijnende ellende anderzijds.
Dat was uiteraard niet bevorderlijk voor het toerisme. Dus diende er naar een andere locatie voor de vissers gezocht te worden.  Onderwijzer Foutry die een geschiedenis van Oostende schreef formuleert het zo: ‘Verder was heel het visscherskwartier één woonkazerne geworden en waren de kroegen zoodanig in aantal toegenomen dat ons zeevolk in een gealcoholiseerd ras dreigde te ontaarden. Men begrijpt dat, ook op zedelijk gebied, een ware ondergang van ons volk voorzien was. (…) Vergeten we daarbij niet, dat de visscherskinderen op die wijze bewaard blijven voor het beroep van hun voorvaderen, daar allerhande “postjes” in een te nabije seizoenstad tal van zeemanszonen aan de scheepvaart ontrukten.’
De maatschappij ‘Ostende Phare et Extension’, afgekort tot Opex, was de naam van de firma die eind 19de eeuw werd belast met de bouw van een totaal nieuwe wijk voor de vissers en arbeiders aan de Oosteroever van de haven, langs de toenmalige Congolaan (nu E. Moureauxlaan). De huidige Oostendse wijk tussen de E. Moreauxlaan en de Oostendse Spuikom (intussen ook een gewone woonwijk met een combinatie van rijhuizen, bungalows, villa's en appartementen) wordt trouwens nog steeds ‘den Opex’ genoemd.
Flor Vandekerckhove

zondag 17 februari 2013

Work in Progress (III)


[Onlangs ben ik aan een autobiografie beginnen schrijven, meer bepaald aan een verbeelde variante op het genre. Ik ben daarmee gestart op mijn vierenzestigste verjaardag en hoop een eerste versie af te hebben op de dag dat ik vijfenzestig word. Zo nu en dan presenteer ik een nieuw hoofdstuk. Wie eerdere hoofdstukken wil lezen, drukt op een van de labels onderaan.]

III.
Aangekruist: de winkel van monsieur Gillot: kachels en schilderijen.
Op 12 februari 2013, op mijn vierenzestigste verjaardag, heb ik besloten mijn autobiografie te schrijven. Ik hoop een eerste versie af te hebben tegen mijn volgende verjaardag. Ik doe dat niet omdat ik denk dat u in mijn levensloop geïnteresseerd bent. (Dat bent u niet.) Ik doe het om dezelfde reden waarom ik altijd al geschreven heb; om te kijken of ik het kan. En ik wil het ook nu weer doen zoals ik al dat voorgaande geschreven heb, ik wil het doen zoals Van Eyck het deed, ‘als ic can’, zo goed ik kan. Toneelwerk, enkele romans, een novelle, korte verhalen, essays, een enkel gedicht, memoires, polemieken en pamfletten, ik heb dat allemaal geschreven om te kijken of ik het kan en ik heb dat allemaal geschreven zo goed ‘als ic can’. Dat er maar weinig zijn die het vervolgens ook gelezen hebben, deert mij blijkbaar niet, want ik weet duidelijk van geen ophouden, integendeel. Schrijven is, zo moet ik constateren, datgene wat ik doe. En nu dus een autobiografie.
Ik loop al een tijdje met de idee rond, maar op de laatste dag dat ik drieënzestig was, tijdens een wandeling, wist ik ook hoe ik het aan boord moet leggen. Dit boek moet Dichtung und Wahrheit worden, alles door elkaar. Feiten en verbeelding moeten dooreenlopen, vermoedens en zekerheden moeten haast onherkenbaar met elkaar verweven zijn, ik zeg haast, want dit boek moet er toch ook een beetje als een roomtaart uitzien, overdadig en buitensporig. 
Dat ik er een pak Dichtung aan toevoeg heeft overigens een goede reden, want mijn leven is naar Wahrheit veel te saai om er een boek mee gevuld te krijgen en zoals ik het eerder al zei, u wilt over dat saaie leven niets lezen.  Het imaginaire moet in deze autobiografie wedijveren met controleerbare feiten. Ik vraag me af of ik het voor mekaar zal krijgen en ook nog altijd wel een beetje hoe ik dat zal doen.
Trouwens… Worden niet alle autobiografieën op die manier geschreven? Ik vraag het mij af. Maken ze niet allemaal het leven mooier dan het is? Deze van Wolfgang von Goethe heel zeker, want dat boek heet zelfs letterlijk Dichtung und Wahrheit. Daar staat dus een hoop verbeeld leven in. Wat een genre, wat een genre!
Ik ben benieuwd of ik het op die manier uithoud tot pakweg pagina 220.  Maar tot hiertoe gaat alles wel goed. Ik ben nog maar pas aan de slag en ik heb al meer dan 1.600 woorden geschreven, daarin geholpen, zo moet ik eerlijkheidshalve zeggen, door korte stukjes memoires die ik eerder al gepubliceerd heb. Er staat tot hiertoe al veel waarheid in en ook al een pak verbeelding. En er staat ook al iets in waarvan ik niet weet of het 't een of 't ander is. 
Maar laten we eerst terugkeren naar 1949. 
Lang kan ik in de materniteit niet blijven, want mijn ouders zijn kleine zelfstandigen en het moet vooruitgaan. Ik neem afscheid van verpleegster Elvire Casier, een zwartharige jonge vrouw, overdadig veel krullen, grote mond, fijne lippen. Ze ziet er uit als mijn eerste kleuterjuffrouw en ze heeft merkwaardig genoeg ook dezelfde naam. Ik ben verliefd op haar, maar ik ben kansloos want de kamer is inmiddels alweer bezet door weer een nieuwe moeder die alweer een nieuwe mens ter wereld gebracht heeft. Ik voel het aan alsof ik daar verwijderd wordt, gedeporteerd.  Ik hoor de deuren van de materniteit ook vandaag nog altijd achter mij dichtslaan en ik begrijp dat er geen weg terug is. Regressie is voor doetjes, zo lees ik in de ogen van mijn moeder, het moet vooruitgaan. Buiten de materniteit begint het echte leven. Voorwaarts!
Niet alleen bij mijn ouders moet het vooruitgaan. Gauw! Da’s het woord dat ik in mijn kindertijd het meeste gehoord heb. Gauw! Alles moet gauw gebeuren. De oorlog ligt nog maar vier jaar achter ons en alles moet gauw heropgebouwd worden, huizen, straten, bedrijven, evengoed als de mensheid zelve die ook kapotgeschoten is. Er wordt volop gekweekt en wij zijn de mensenkinderen die later babyboomers genoemd worden. Ik kom ter wereld in een tijd waarin geen plaats is voor lanterfanters, zoals ik er helaas wel een zal blijken te zijn, maar dat weten mijn ouders dan nog niet en ik zal het hun ook niet zeggen.
Vader rijdt. Hij is zenuwachtig, want er moet ook nog mazout geleverd worden. Moeder zit naast hem in de kleine tankwagen waarmee hij huishoudens en vissersvaartuigen van brandstof voorziet. Moeder heeft me in een gehaakt dekentje gewikkeld, op mijn hoofd een zelfgebreid mutsje in de kleuren van voetbalclub A.S.Oostende. Achter ons klotsen duizenden liters mazout heen en weer, op en neer, heen en weer. Drs. P. zal er later een lied aan wijden.
Die tankwagen had vader overgenomen van meneer Gillot die eerder zijn baas geweest was.  Toen vader trouwde deelde hij zijn patroon mee dat hij zelf een mazouthandel zou starten. Gillot was te oud om tegen zoveel ondernemingszin in te gaan en liet de boel de boel. Vader nam diens vrachtwagen en het erbij horende cliënteel over en toog op weg. Van meneer Gillot mocht hij al werkend de overname afbetalen.
Ik herinner me monsieur Gillot en ook madame, Franstalige inwijkelingen die een graantje kwamen meepikken van de zich snel ontwikkelende toeristische wijk.  De Gillots hadden naast de handel in brandstoffen een winkel waarin ze kachels verkochten. En schilderijen, want monsieur Gillot was een zondagsschilder. Zeezichten, duinzichten, bosdreven, pittoreske bruggetjes over de Brugse reien en een zelfportret dat boven zijn bureau hing. De Gillots bleven de winkel uitbaten en ik kwam er als kind veel over de vloer. Kachels en schilderijen, voorwaar een merkwaardige combinatie, maar het meest was ik onder de indruk van het daarachter liggende schildersatelier van monsieur Gillot, dat naar terpentijn rook en waar ik half uitgeknepen tubes olieverf zag liggen. Heimelijk hoopte ik dat die monsieur me zou leren schilderen, maar ik denk niet dat de altijd stuurs kijkende man ooit een woord tot mij gericht heeft. De conversatie liet hij over aan zijn echtgenote die wel Nederlands sprak.  Neen, hij heeft me niet leren schilderen. En ja, zo wilde ik wel dat mijn leven er later zou uitzien. Misschien, dacht ik, zou ik ook wel een winkel uitbaten waarin ik me niet erg veel moet vertonen en waarachter een atelier ligt waarin ik bosdreven schilder.
De Gillots zijn voor mij niet zonder betekenis geweest, want kijk, de laatste jaren van mijn beroepsleven geef ik een krantje uit waarmee ik me niet teveel moet bemoeien en achter het redactielokaal ligt mijn schrijfkot waarin ik me stuurs kijkend à la Gillot kan isoleren om er te schrijven over wat ik maar wil, zelfs over bosdreven.
Er is meer. Tot vandaag blijft de combinatie van kachels en schilderijen me boeien. Dat ik in een maatschappij geboren word waar alles uiteindelijk op de markt terechtkomt, kachels zowel als schilderijen, meubilair en poëzie, stoelen en verhalen, kitsch en kunst, auto's en seks, brood en rock-'n-roll, havermout en drugs… en dat de waarde van die dingen naar hun positie op de markt gemeten wordt, dat alles in cijfers uitgedrukt wordt, dat is iets waar ik tot vandaag maar moeilijk mee om kan gaan. Maar die winkel is voor mij ook het omgekeerde van zo'n markt, want ik herinner me niet dat ik er ooit een mens iets zien kopen heb, geen schilderij en ook geen kachel. Waarmee de winkel van monsieur Gillot ook een restant van een oude wereld is, een wereld die ik niet gekend heb, een wereld waar niet alles in geld uitgedrukt wordt, een wereld die nog niet onttoverd is. Wellicht is het daarom dat ik zo geboeid wordt door mensen die de wereld willen 'herbetoveren', ontroerd zelfs, zoals door de kortfilm De veer van César, waarin de poëzie van Peter Holvoet-Hanssen ons meeneemt naar een speelgoedwinkeltje zonder klanten, naar een wereld van verdwijnende schoonheid. Weg! Net zoals de winkel van monsieur Gillot weg is.
Maar het is uiteraard niet naar de Gillots dat we op die koude februaridag in 1949 rijden. We trekken gedrieën naar ons huis dat een beetje verder ligt, in de Golfstraat, waar mijn moeder een voedingswinkeltje uitbaat.
Ik herinner me die woning die wel een winkel had, maar geen winkelhuis was. Je kwam binnen in de gang. Links leidde een deur je de voorste kamer in, de voorplaats, en die plaats was tot winkeltje gepromoveerd. Enkele bakken melk, enkele dozen eieren, een rek waarop enige kruidenierswaren stonden. Onder de elektriciteitskast in de gang stond een reserve, enkele bakken prik. Een tussendeur scheidde de winkel van de woonplaats die ook als keuken en badkamer dienst deed. Er was een achterhuis waar Aline leefde, mijn grootmoeder, die samen met haar dochter naar Bredene verhuisd was.
Het waren harde tijden. Mijn ouders hadden eigenlijk niets. Geen scholing, geen diploma, geen kapitaal, zelfs geen geld, geen beroep. Ze hadden alleen maar mij, vrucht van een ongelukje, zo heb ik lang gedacht, maar dat klopt niet, want er was meer aan de hand dan een ongelukje, dat leg ik later nog wel uit.
Gelukkig waren er ook nonkel Miel en tante Eugenie.  Die nonkel van mijn vader, roste Miel, was poelier en baatte een winkel uit in de nabijgelegen Duinenstraat. Later zouden mijn ouders de zaak van roste Miel overnemen. In afwachting mochten zij van roste Miel ook gevogelte en konijnen in hun eigen winkeltje verkopen, iets dat wellicht wel meer winst opleverde dan de bak prik die daar in de gang stond.
Ik houd aan dat huis in de Golfstraat enkele herinneringen over. Ik word er door moeder zo nu en dan, om redenen die me tot vandaag duister zijn, in de kelder opgesloten. Het is daar donker, maar er is een raam waarlangs gebunkerd kan worden en waaruit ik desnoods zou kunnen ontsnappen. Ontsnappen, want de toorn van mijn moeder maakt dat ik op alles voorbereid moet zijn. Dat raam stelt me gerust, ik ervaar dat kelderverblijf nauwelijks als een straf, ik moet alleen maar van de muren wegblijven, want die zijn akelig vochtig en er zitten spinnen op. Soms verstop ik me in die kelder een wijl onder een vrouwenkleed dat daar aan een kapstok hangt. Het kleed is gemaakt uit een stof die ik niet meer kan definiëren, synthetisch zo denk ik, een stof waarvan ik vandaag wel nog de sensualiteit kan aanvoelen. Misschien is dit wel de eerste sensuele ervaring die ik me kan herinneren, meer zelfs, het lijkt me het eerste proeven van de verboden vrucht van de seksualiteit te zijn, want ik besef ten volle dat mijn moeder me daar zo niet mag zien, daar met mijn hoofd onder dat kleed. Of dat er (weer) iets zal zwaaien. Ik leer er ook iets door: dit doet me iets. Het is lekker toeven onder dat kleed. Later, als ik groot ben, wil ik mijn hoofd zoveel mogelijk onder vrouwenrokken steken.
Het is nogal wat, al die dingen die een mensenleven beïnvloeden en er zelfs bepalend voor blijken te zijn. Een vrouwenkleed in een kelder, een zondagschilder die kachels verkoopt, dokter De Beul die mijn vader een sigaret aanbiedt… En we zijn nog maar aan het begin.

vrijdag 15 februari 2013

Work in progress (II)


[Onlangs ben ik aan een autobiografie beginnen schrijven, meer bepaald aan een verbeelde variante op het genre. Ik ben daarmee gestart op mijn vierenzestigste verjaardag en hoop een eerste versie af te hebben op de dag dat ik vijfenzestig word. Zo nu en dan presenteer ik een nieuw hoofdstuk. Wie eerdere hoofdstukken wil lezen, drukt op een van de labels onderaan.]

II.
Henriette De Clercq in 1942.
In 2006, kort voor mijn moeder stierf, kwam ik tot de verontrustende conclusie dat ik nauwelijks iets over haar verleden afwist, haar afkomst, kindertijd, jeugdjaren… En hoe had zij, Henriette, een Gentse, een steedse meid, Marcel leren kennen, een boerse Bredenaar die haar echtgenoot werd en kort daarna mijn vader, de man in de overall die van mij een beenhouwer wilde maken?
Aan die vader, al in 1989 overleden, kon ik het niet meer vragen, maar tussen moeders papieren vond ik documenten die me haar verleden konden verhelderen. Ik vulde ze aan met de verwarde herinneringen die ze me er nog bij kon vertellen. Het werd een wedloop tegen de tijd, want dr. Alzheimer luisterde in toenemende mate met ons mee. Maar toen ze in 2006 stierf was ik er wel in geslaagd haar jonge leven zo’n beetje samen te vatten.
Henriette werd, zo leerde mij haar trouwboekje, op 5 maart 1923 in Gent geboren als dochter van Josephus De Clercq en Adelaïde Adolphina Joanna Hofman. Zo godsvruchtig als de strijkster Aline was, zo wild was nachtwaker Joseph.  Zelf heb ik die Jef nooit gekend. Moeder beweerde dat het een mooie man was, maar het is vooral duidelijk dat Aline er geen goeie partij aan had, want Jef — Tjeef op zijn Gents — ging er algauw weer vandoor om zich fulltime te wijden aan het consumeren van sterke drank en lichte meisjes.
De jaren dertig van de XXste eeuw waren crisisjaren en het armlastige gezin moest buiten de stad gaan wonen om aan eten te geraken. Die zoektocht leidde de twee in 1934 naar de kust en meer bepaald naar Bredene waar dr. Blanckhoff het sanatorium Marin uitgebouwd had. Aline werd er strijkster en haar dochter begon in Bredene school te lopen.
Mijn moeder is elf wanneer ze daar toekomt. Ze speelt met de autochtone jeugd en met de kinderen die in het sanatorium verblijven. In de bescherming van dat instituut geraken Aline en haar kind zonder veel kleerscheuren doorheen de crisis. Zo groeit Henriette op tot een jonge vrouw van zeventien die in de werkzaamheden van het sanatorium ingezet wordt.
Het uitbreken van WO II betekent het einde van het sanatorium. Patiënten en personeel gaan ervandoor om aan het oorlogsgeweld te ontsnappen. Het hele gezelschap trekt met de tram naar De Panne, waar het voorlopig in een hotel ondergebracht wordt. Daar krijgt het personeel de raad om naar de plaats van herkomst weer te keren. Aline en Henriëtte trekken met hebben en houden naar Gent.  Ze doen het met de vrachtwagen van de Bredense  familie Vandekerckhove, wat betekent dat ze de zoon Marcel al voor de oorlog moet gekend hebben.
Over de oorlogsjaren van mijn moeder is mij weinig bekend. Ik probeerde die gegevens wel nog uit het wrakke geheugen van moeder te vissen, maar het ging van kwaad naar erger. Feit is dat persoonlijk contact tussen de kust en het binnenland tijdens die oorlog verbroken werd. De kust was door de Duitse bezetter tot ‘Sperrgebiet’ uitgeroepen. Alleen wie een speciale pas had kon uit het binnenland naar de kust komen en omgekeerd. Dat ze tijdens die oorlog Marcel nog gezien heeft, is bovendien weinig waarschijnlijk omdat hij in de loop ervan door de bezetter opgeëist werd en verplicht in Duitsland te gaan werken.
Aline en haar dochter werden in Gent opgevangen door een tante Romanie, maar daar konden de twee niet lang blijven. Hebben ze vervolgens de oorlog in Gent doorgebracht? Het lijkt logisch.  Hoe Henriëtte vervolgens weer naar Bredene afgezakt kwam, is onzeker. Wel weet ik dat ze vlak voor de vlucht voor het oorlogsgeweld een aantal persoonlijke bezittingen bij vrienden achtergelaten had en dat ze na de oorlog met een groep vriendinnen naar Bredene gefietst is, waar ze enkele dagen bij dat gezin verbleven heeft of… soep gekregen (alleen dat laatste herinnerde ze zich goed). De Gentse meiden hebben in Bredene de bloemetjes buitengezet, waarschijnlijk naar aanleiding van de plaatselijke kermis of tijdens het zomerseizoen, en Henriette gaat er dansen, in gezelschap van de autochtone meisjes.
Het kindrijke gezin Vandekerckhove woonde in de Duinenstraat waar vader Edmond en moeder Zoë een groentewinkel uitbaatten. Een van Henriettes vriendinnen was Alice, de zuster van Marcel, en waarschijnlijk hebben Marcel en Henriëtte elkaar tijdens die danspartij, via zuster Alice, beter leren kennen, misschien wel in alle betekenissen van het woord.
Wie haar in Gent vervolgens is komen ‘halen’ was haar niet meer duidelijk. Soms zei ze dat het mijn vader was, maar dan blijkt ze Marcel en ene Henri Bogaert met elkaar te verwarren. Dit is meteen de missing link uit haar persoonlijke geschiedenis. Zelf vermoed ik dat het wel degelijk Marcel was die, nadat hij had vernomen dat Henriëtte zwanger was (een gevolg van de danspartij?), haar ten huwelijk is komen vragen. Dat vermoeden wordt versterkt doordat ik me meen te herinneren dat mijn ouders herinneringen aan die tijd ophaalden en dat het dan ook over de anekdote ging waarbij ze Tjeef in een café moesten opzoeken, waar hij de toestemming voor het huwelijk ondertekende, want mijn moeder, had blijkbaar, alhoewel ze meerderjarig was, de officiële vaderlijke goedkeuring nodig om te trouwen. Ja ’t waren rare tijden.
Feit is dat ze uiteindelijk, op 11 september 1948, in Gent getrouwd is met de Bredenaar Marcel Vandekerckhove. Nog een geluk, want ‘t was ‘van moeten’.  Nauwelijks vijf maanden later werd ik geboren.