woensdag 23 januari 2013

Onder filosofen


Het vermoeden had ik al, maar nu heb ik ook de zekerheid. Lieven De Cauter heeft het me bevestigd: de grootste filosofische vraag die we ons vandaag kunnen stellen is deze naar de zin van de geschiedenis.(1) Om die vraag te beantwoorden kun je overigens vanuit twee tegengestelde vooronderstellingen vertrekken. Je kunt ervan uitgaan dat de geschiedenis stuurloos is. De Cauter:Een totaal stuurloze geschiedenis is meer dan ooit perfect denkbaar: als een overvolle Titanic zijn we op smeltende ijsbergen van de ecologische catastrofes aan het afstevenen.’ Of je kunt stellen dat de geschiedenis wel degelijk te sturen valt.
Wie naar dat laatste neigt, stelt algauw de vraag: wie/wat stuurt die geschiedenis dan aan.  Is het God? Niet volgens Nietzsche, want die verklaarde God dood. Is het de voorzienigheid van Kant? Wordt die voorzienigheid geholpen door de homo economicus, de ondernemende mens die door zijn egoïsme de wereld voortdrijft, zoals liberale filosofen menen? Of wordt de geschiedenis voortgedreven door de absolute geest van Hegel? Is het de materie die de geschiedenis voortdrijft en speelt het proletariaat daarin de rol van historisch subject, zoals Marx meende? Keuze te over.
De Cauter is overigens van mening dat er zich een nieuw subject aandient: Wij (en niemand anders) moeten de geschiedenis in handen nemen, en dus de blinde machten van het kapitalisme en de technologie bedwingen, wij moeten de politieke onderdrukking van de dictatuur, de regressies van het fundamentalisme en de nationalistische identiteitspolitiek afwentelen. Het zal van onze zwermintelligentie afhangen of we die blinde machten kunnen overwinnen.’  De Cauter volgt daarin de Italiaanse filosoof Antonio Negri die het begrip multitude (de menigte) als historisch subject ijkte. Eerst geloofde De Cauter geen snars van wat Negri daarover zei, maar op het Tahrirplein in Cairo zag hij hoe geschiedenis daadwerkelijk en dwingend in een richting gedwongen werd door, jawel, de menigte.
Of dat laatste effectief het geval is moet nog blijken, want de gebeurtenissen op dat plein behoren bijlange nog niet tot de geschiedenis. Uiteraard mag dat filosofen niet beletten om daar nu al over te speculeren; dat is namelijk wat filosofen horen te doen: ordelijk nadenken over de fundamenten van het zijn en hoe we daar al dan niet verder kunnen op bouwen.
Ik lees ze graag die filosofen, althans de antikapitalisten onder hen en dan vooral zij die daarbij op een of andere manier een dialectische gedachtegang ontwikkelen. Zelfs als ik ze niet altijd begrijp, wat nogal eens het geval is; zelfs als ik er niet akkoord mee kan gaan, wat ook meer dan eens voorkomt. Ik denk dat ik ze vooral graag lees omdat hun denken naast antikapitalistische munitie ook mooie teksten oplevert.
Van wijlen Daniël Bensaïd heb ik veel gelezen, een trotskistische filosoof die een rigide militante praktijk wist te combineren met een open kijk op concurrerende marxismen.  Over die filosoof schreef ik al eerder in deze blog. (2)  Later moet ik daar zeker nog op terugkomen. Ik heb me al eens aan Alain Badiou gewaagd, een maoïst! Ook die zal ooit een plek in deze blog krijgen. Van Slavoj Žižek, een andere controversiële filosoof, heb ik een aantal korte teksten gelezen.(3) Deze Žižek (‘de Elvis van de filosofie’) wordt door de meeste marxisten met een scheef oog bekeken, maar dat belet hem niet een lezing te beëindigen met: ‘So yes, we communists are back!
Van en over de door De Cauter vermelde neomarxist Antonio Negri heb ik trouwens ook een en ander gelezen, teksten waarvan ik me al lang afvraag hoe ik daar in deze blog iets over kan schrijven. En waar ik nu een poging toe onderneem, al moet ik zeggen dat het geen gemakkelijke klus wordt, ook omdat ik trouw wil blijven aan de poëtica die ik voor deze blog hanteer. (4)
Van die Negri kun je veel beweren, maar niet dat hij een kamergeleerde is, opgesloten in de ivoren toren van de wetenschap: activist, banneling, gevangene, auteur van zowel filosofische bestsellers als van boeken waar ik nooit eerder over gehoord heb. Hij heeft een militante praktijk achter de kiezen om U tegen te zeggen, een activisme dat hem voor vele jaren achter de tralies gebracht heeft. Wie overigens mocht denken dat Het Vrije Westen geen politieke gevangenen meer kent, moet er eens ’s mans biografie op naslaan. (5)
Van hem heb ik gretig De menigte gelezen, een boek dat hij samen met Michael Hardt geschreven heeft. (6) ‘De menigte, hoewel ze meervoudig en intern gedifferentieerd blijft, is in staat tot gemeenschappelijk handelen en kan dus zelf regeren (…) De menigte is het enige sociale subject dat in staat is democratie, de regering van iedereen door iedereen, te verwezenlijken. De inzet is, met andere woorden, buitengewoon hoog (…) Mettertijd kan de menigte (…) zichzelf autonoom uiten en zichzelf regeren.’ (p.112-113) Of dit correct is weet ik niet, maar dat zo’n zinnen bijdragen tot een interessante kijk op wat zich afspeelt, bijvoorbeeld op dat Tahrirplein in Cairo, is een feit, vooral omdat Negri schrijft: ‘De vraag die moet worden gesteld luidt niet: “Wat is de menigte?” maar “Wat kan de menigte worden?”’ (p.117)
Uiteraard valt er veel over de filosofie van Negri te zeggen en er valt ook wel veel voor & tegen het begrip multitude in te brengen. Dat wordt dan ook à volonté gedaan, bijvoorbeeld op het internet. (7) Maar het mooiste wat over de theorieën van Negri geschreven werd, komt van Sonja Lavaert, een Vlaamse filosofe. (8) Haar boek is een filosofisch werk van de bovenste plank, ook omdat ze het opgevat heeft zoals ze een schilderij zou maken: ‘In feite laat ik de lezer zoveel mogelijk de weg volgen die ik zelf heb afgelegd. Dit wil zeggen dat ik (…) de lezer deelgenoot maak van mijn perspectief, en dus ook van mijn onbeslistheid en twijfels. Er is geen lineaire volgorde of continue lijn. (…) Ik speur naar details, lapsussen en ongezegdheden evengoed als naar de dragende motieven, lees een tekst achterstevoren of vanuit de voetnoten. Ik besteed aandacht aan de auteurs levensverhaal als dit van doen is, op het moment dat een verband zich opdringt, soms ook helemaal niet. Ik speel met volgordes en behandel auteurs van verschillende tijdsperiodes als tijdgenoten. (…) Ik volg een stem, stel me in de plaats van een perspectief, plaats daar tegenover mijn eigen perspectief, zoek naar gemene delers, verschillen en tegenstellingen.’ (p.8-9) Ja, zo lees ik ze graag, de filosofen, temeer omdat Lavaert ook drie composities van Bach voor ogen stonden bij het kiezen van haar uiteenzettingmethode. Als dat niet als muziek in de oren klinkt…
Dat alles maakt dat we Negri bijvoorbeeld ook kunnen volgen tijdens zijn gevangenisjaren waarin hij zich, om de beproeving te overleven, buigt over teksten die lijden en pijn als thema hebben, zoals het boek Job (een boek uit de bijbel) waarover Negri vervolgens… zelf een boek schrijft. Hoe veelzijdig kan een mens zijn?!
U begrijpt dat het boek van Lavaert niet samen te vatten is. Het is een van die werken die het waard zijn om te kopen omdat je er een leven lang in kunt lezen. En eigenlijk zouden dat de enige boeken mogen zijn die je in je bibliotheek houdt.
Flor Vandekerckhove

(1) Lieven De Cauter, De engel van de geschiedenis – Een filosofische nieuwjaarsbrief. In De Wereld Morgen: http://www.dewereldmorgen.be/artikels/2013/01/01/de-engel-van-de-geschiedenis-een-filosofische-nieuwjaarsbrief
(2) ‘Over identiteit’ publiceerde ik in december 2011: http://florsnieuweblog.blogspot.be/2011/12/over-identiteit.html
(3) Slavoj Žižek, Geweld, Zes zijdelingse bespiegelingen. 2009. Boom A’dam. 224 ps. — Een interessante kritiek in ’t Nederlands op Slavoj Žižek vindt u op: http://socialisme.nu/blog/nieuws/15209/in-zee-met-zizek/
(4) Want in tegenstelling tot wat de lezer wellicht vermoedt, wordt er wel degelijk nagedacht over deze stukjes: ze moeten lichtvoetig zijn en toch betekenis hebben; ze moeten een eigen, desnoods marginale kijk ontplooien; zelfs de meer nostalgische stukjes bevatten, zij het steeds impliciet, een sociale commentaar; ze moeten kort zijn, zoveel mogelijk jargon vermijden en uiteraard moeten ze vooral goed geschreven zijn.
Wie het met beelden wil doen, vindt op het www een interessante documentaire van bijna een uur: http://www.youtube.com/watch?v=B7u63oVfPPs
(6) Michael Hardt & Antonio Negri, De menigte. Oorlog en democratie in de nieuwe wereldorde. 2004, De bezige bij A’dam. 391 ps. Voor zover ik dat kan nagaan is het boek vandaag alleen nog tweedehands te koop.
(7) Voor de marxist Alex Callinicos zijn de ideeën van Negri ‘an obstacle to the development of a succesful movement against the global capilalism (…)’.  Wie daarover meer wil weten, voldoende Engels kent en bovendien goed ingewerkt is in het marxistische begrippenapparaat zal enige tijd koest zijn bij het lezen van Toni Negri in Perspective: http://www.marxists.org/history/etol/writers/callinicos/2001/xx/toninegri.htm
(8) Sonja Lavaert, 2011. Het perspectief van de multitude. Agamben, Machiavelli, Negri, Spinoza, Virno. VUBPress Brussel. 493 ps.

zaterdag 19 januari 2013

Home Astrid


Het Werk der Gezonde Lucht werd gesticht door twee Gentse filantropen, de progressieve 
liberaal en advocaat Constant Heynderyckx en de apotheker Theo Van de Velde.
Adelaïde (Aline) Hofman, mijn mémé, was een Gentse alleenstaande moeder die in 1934 met haar dochter naar de kust afgezakt kwam om er een leven op te bouwen. Ze kwam als strijkster aan de kost in het sanatorium Marin in Bredene. Ik schreef er in deze blog eerder al een stukje over. (1)
Dat sanatorium was in 1920 van start gegaan. De helende werking van de zee leidde in die tijd overigens tot veel soortgelijke initiatieven die er alle op gericht waren om de kleine man, de volksmens, de zieken en de kinderen uit de impassen mee te laten genieten van het in Bredene ontwakende toerisme. In 1925 werd bijvoorbeeld Rustoord Ons Volk geopend waarover ik ook al een stukje schreef. (2) Er waren er nog. Zo was er ook het Werk der Gezonde Lucht dat vanaf 1902 van start ging onder de dynamische leiding van het Œuvre du Grand Air pour les Petits de la ville de Gand.
Het Werk kocht grond aan in Bredene. In 1902 werd daarop een grote houten barak gebouwd. In dat jaar verbleven er 21 behoeftige kinderen. In 1903 telde men er al 80 en in 1913 werden er in totaal 212 kinderen opgevangen.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd het gebouw door de Duitsers bezet. Daarna lag het in puin. In 1921 kon het heropend worden. Eind 1926 besloot het stadsbestuur van Gent zijn klassen in Bredene te sluiten. Na het wegvallen van de subsidies verzamelde het Werk zelf fondsen om het uit te baten. Ook betalende kinderen werden nu aanvaard. In 1924 was het Werk een vzw geworden die in 1927 de bescherming kreeg van prinses Astrid. Voortaan sprak men niet meer van het Werk der Gezonde Lucht, maar van Home Astrid.
Wanneer het houten chalet vervangen werd door een bakstenen gebouw is me niet duidelijk. Een tekst (3) vermeldt twee architecten, Emiel Van de Velde en Bosmans. Na laatstgenoemde werd het jaartal 1902 genoteerd. Betekent dit dat Bosmans de ontwerper van het chalet was en Van de Velde (niet te verwarren met zijn naamgenoot Henry) het bakstenen gebouw van 1927 ontwierp? Het home werd in 1927 inderdaad ‘verbeterd’, zo lees ik, door de houten slaapzaal te vervangen door een duurzame constructie. In 1933 werd het home nog vergroot en in 1937 werd de tuin aangelegd.

In 1939 werd Home Astrid gebruikt om kinderen uit gevaarlijke, te ontruimen gebieden op te vangen. In 1940 werd het bezet door Duitse troepen. In 1942 werd het comité door het gemeentebestuur van Bredene verwittigd dat de Duitsers zouden overgaan tot de afbraak. De materialen moesten dienen voor de bouw van de Atlantikwall. Dat ging wel niet door, maar na de oorlog was het gebouw toch een puinhoop geworden. 

De beheerraad was nu niet meer in staat het home in stand te houden. Men begon nog aan de heropbouw, maar in september 1965 werd het onafgewerkte tehuis verkocht.
Zo moet ikzelf het gebouw nog gezien hebben. 
Toch schrik ik er nu van dat het zo groot was.
Zelf heb ik het gebouw leeg weten staan. Voor ons, kinderen, was den Astrid een ijkpunt, zoals er in die buurt nog waren. Daarnaast, in wat nu Paalsteenveld heet, lag toen het mijnenveld en daarachter in het Sparrenbosje lag Frisco, een bunker, door ons zo genoemd omdat er reclame voor dat merk op geschilderd stond.
Op het internet vind ik er niets van weer, maar het gebouw is in de tweede helft van de XXste eeuw ook verschillende jaren gebruikt om er de gemeentelijke basisschool in onder te brengen. (Werd het in 1964 door het Werk aan de gemeente Bredene verkocht?) Wat ik wel vind is dat het gelijknamige appartementsgebouw dat daar nu staat in 1984 gebouwd werd. Samen met de Nautilus en de Callista van de Groenendijk vormt residentie Astrid tot vandaag de enige hoogbouw van Bredene. (4)
Flor Vandekerckhove

(1) Het stuk over het sanatorium Marin staat in de blog (in de reeks die gepubliceerd werd in juli 2012) onder de titel Henriette en de missing link: http://florsnieuweblog.blogspot.be/2012/07/henriette-de-missing-link.html
(2) Ons Volk vindt u in de bijdragen die in september 2012 gepubliceerd werden. Er werden intussen al veel interessante foto’s aan toegevoegd: http://florsnieuweblog.blogspot.be/2012/09/ons-volk.html
(3) Alles over het Werk der Gezonde Lucht en over het Home Astrid: http://www.vakantiekolonies.be/index.php?option=com_content&task=view&id=26&Itemid=26
(4) https://inventaris.onroerenderfgoed.be/dibe/geheel/21818

vrijdag 18 januari 2013

Een vrijheidsstrijder uit Bredene


— Gentenaars brengen hulde aan Zegher Janszoone.  —

Ook Bredene heeft een Vlaamse held. Hij is minder bekend dan Jacob Van Artevelde, Jan Breydel & Pieter De Coninck, maar toch. Hij heeft hier een monumentje. 
In 1323 kwamen de boeren uit de kuststreek in opstand. De opstandige Kerels van Vlaanderen plunderden kastelen en bestreden baljuws en belastingontvangers. Leiders waren o.a. Nicolaas Zannekin, Lambert Bonin, Hughe Blauwel zoon Beukels en de Bredense boer Zegher Janszone.
De opstand blijft niet tot de kust beperkt. Al van bij de start is er steun van het gemeen uit de steden. De doelstellingen veranderen ook tijdens de rebellie. 
In een eerste fase (1323-1324) richten de opstandelingen zich uitsluitend tegen corrupte ambtsdragers. Vanaf 1325 wordt de bevoorrechte stand als zodanig geviseerd. Nu worden ook de graaf en de clerus doelwit van acties. ‘Deze fase kunnen we een “sociale revolutie” noemen: het willen omverwerpen van de bestaande orde.’
Begin 1325 zwicht Gistel onder de druk van de troepen van Zegher Janszone. Dit is het startsein voor een optocht langs de kust. Hij verovert Nieuwpoort, Veurne, St.-Winoksbergen, Duinkerke en Cassel.
De koning van Frankrijk probeert orde op zaken te stellen. In 1326 komt er een verdrag (de Vrede van Arques), maar de opstandelingen hebben daar geen oor naar. De laatste fase van de opstand wordt gekenmerkt door een verdere radicalisering: geen enkel wettig gezag wordt nog erkend.
Uiteindelijk worden de opstandelingen in de Slag bij Cassel (1328) verslagen. Zannekin sneuvelt en Janszone vlucht naar Zeeland. Hij wordt pas in februari 1329 gevat wanneer hij een nieuwe opstand probeert te ontketenen. Zeger Janszone vluchtte naar Zeeland maar na Onze Vrouwe Lichtemisse kwam hij tot Oostende met wel 500 kloeke gasten en deden ze die van Bredene met hun zweren en die zulks niet zou doen en wilden ze dood smijten, zo komende naar Oudenburg. De baljuw van Brugge dit horende, kwam daar naar toe om met hen af te rekenen en hij werd voor het klooster van St. Aernouts gevangen met zijn zoon en met 20 van zijn principaalste medeplichtigen en dan zijn ze naar Brugge gebracht waar hij met gloeiende ijzers gestoken is geweest en is hij gesleept tot aan de galg. De andere zijn geradbraakt geweest en daarna onthoofd, de lichamen onder de oksels gebonden met koorden aan nieuwe galgen en de hoofden op staken gesteld.’ 
De goederen van al de opstandelingen werden verbeurdverklaard. Het land had meer dan 3200 doden te betreuren. 
Flor Vandekerckhove

donderdag 10 januari 2013

Katholiek Bredene op straat


— 16 juni 1938. In Bredene gaat een processie uit. Ik herken de maagd die later mijn moeder zou worden (aangekruist). Op de foto is ze vijftien. —
Bij mijn weten wordt er in Bredene maar één processie meer georganiseerd. De Vissersbedevaart trekt van ‘t Dorp naar het Visserskapelletje. Hij houdt stand, zij het als minuscule optocht waarin geen visser meer te bespeuren valt.
Ooit was die processie indrukwekkend. In die tijd vertrokken stoeten uit de kerken van Bredene en ook uit deze van de Opex in Oostende, om bij de Visserskapel samen te vloeien. In katholiek belang werd de Vissersprocessie nauwelijks overtroefd door de Zeewijding, een optocht die vandaag niet meer door de straten trekt.  Die werd vervangen door een Duynewake.
Ooit was dat helemaal anders. Aan die tijd worden we herinnerd door Marc Reynebeau die onlangs een mooi geïllustreerd boek bijeenschreef over de geschiedenis van het katholicisme in onze contreien. (°) Het boek toont ons hoe de kerk destijds het openbare domein inpalmde. Ook wij hebben die tijd meegemaakt. Bij processies, het inhalen van een nieuwe pastoor, bedevaarten, vieringen, zeewijdingen, auto- en andere paardenzegeningen maakte iedereen de weg vrij voor de kaholieken.
Van die manifestaties werden ook veel foto’s genomen, zo leert me een blik in het familiearchief. Ik stoot daarbij zelfs op een ware ontdekking. Op de ommezijde van een fotootje staat 16 juni 1938. De foto toont me een beeld van een processie. In ’t wit gehulde maagden houden linten vast die naar een centraal omhooggehouden bloemenkrans leiden. Onder die krans stapt de centrale figuur, bloementuil in de hand. Als ik er een loupe bijhaal, herken ik in een van de begeleidende maagden Henriette De Clercq die elf jaar later mijn moeder zou worden. In die processie is ze vijftien.
De uit Gent afkomstige Henriette verblijft in die tijd in Bredene. Dit is dus wel degelijk een Bredense processie, misschien zelfs de eerste van de gloednieuwe parochie van Bredene-Duinen. De centrale figuur met zwarte kap verbeeldt wellicht Theresia van Lisieux, een heilig verklaarde non naar wie de kerk van Bredene-Duinen genoemd wordt. 
Die kerk bestaat in 1938 evenwel nog niet, maar: ‘In 1936 ontstaat de zelfstandige parochie Sint-Theresia, voorheen ressorterend onder de parochie Sint-Rickiers van Bredene-Dorp. In 1939 start de bouw van nieuw bedehuis ten noorden van het voorlopige, ten gevolge van het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog pas ingehuldigd in 1947.
Flor Vandekerckhove

(°) Marc Reynebeau, ‘Katholiek Vlaanderen. Een beeldverhaal’, uitgeverij Lido, 272 blz., 39,90 €.

dinsdag 8 januari 2013

Flandriens uit Bredene


Flandriens ofte fransmans tijdens de bietenoogst in Frankrijk, wellicht tijdens WO II.We herkennen de Bredenaars Raymond Vansieleghem 
(derde van rechts) enEdmond Vandekerckhove (tweede van rechts, naast de militair). Herkent iemand andere Bredenaars?
Het is de legendarische wielerjournalist Karel Van Wijnendaele, zo leert me schrijfster Ann De Craemer, die ervoor verantwoordelijk is dat we bij de term flandrien allemaal aan heroïsche coureurs moeten denken. Oorspronkelijk werden daarmee evenwel de Vlamingen benoemd die destijds als seizoenarbeiders naar Frankrijk trokken om er in de bieten te werken of in de ast: ‘Rond de eeuwwisseling werkten ruim 50.000 Vlamingen op de Noord-Franse suikerbietvelden. Elk jaar lieten ze overwegend West- en Oost-Vlaanderen achter zich, de baluchon op de rug, een laatste keer omkijkend naar vrouw en kinderen die ze maandenlang niet zouden zien. (…) Vandaag kennen we de seizoensarbeiders als “fransmans” of “trimards”, maar door de lokale Franse bevolking werden ze “flandriens” genoemd.’ (1)
In 1901 trekt journalist August De Winne door Vlaanderen om er de werk- en leefomstandigheden van het volk te beschrijven. De reportage verschijnt eerst in Le Peuple en later in boekvorm. (2) Over de flandriens schrijft hij: ‘De Fransmans trekken vooral naar Brie (…). Ze trekken ook naar Beauce (…) en tot in de omstreken van Lyon en Morvan in Midden-Frankrijk.’
‘In Basse-Brie en Brie-Pouilleuse kom je boerderijen tegen van twee- tot driehonderd hectaren. Tarwe oogst men er met machines. In Haute-Brie laat de rotsachtige en beboste grond dat niet toe. Daar vind je de grootste landbouwondernemingen: boerderijen van 400, 600 en 800 hectaren. In Bonneval, dichtbij Meaux, ligt de grootste boerderij van Frankrijk: meer dan duizend hectaren. (…) Er werken zestig Belgen. Een tiental onder hen blijven er het hele jaar door.’
‘Beauce bestaat uit vlakke velden, honderdvijftig tot tweehonderd hectaren groot. Het is het land bij uitstek van tarwe en suikerbieten (…) In de departementen van het Noorden en het Nauw van Calais en Seine-Inférieure zijn de landbouwbedrijven niet zo groot. In Beauce en Brie kom je alleen Vlaamse arbeiders tegen, in het Nauw van Calais en in het Noorden zijn er ongeveer evenveel Walen als Vlamingen.’
De fransmans hebben hun sporen ook nagelaten in de Nederlandse literatuur. Stijn Streuvels schreef er in 1938 over in Leven en dood in den ast. Zonder toeven of verpoozen, ononderbroken, gehaast, vordert het werk in een baarlijk herhalen derzelfde beweging, het een door 't ander in gang gehouden, voortgestuwd, zonder zichtbaar doel of uitkomst, oneindig, streng en onmeedoogend gelijk de wanhopig gispende regen, 't lijfelijk blazen van den wind, de onafzienbare grauwheid der wolkenvracht die loodzwaar over de wereld weegt. Aan 't derve gelaat van den dag is de gang der uren niet te onderscheiden, - alle dagen der week zijn eender van uitzicht, vervuld met 't zelfde weerkeerend werk.’ (3) Hugo Claus, die in 1947 zelf als fransman werkte in een suikerfabriek in Noord-Frankrijk, schreef er in 1950 een novelle over, in 1952 worden er dat zelfs twee en in 1958 is Suiker de titel van een toneelstuk over de flandriens. (4) Zijn protagonisten werken voor een hongerloon van € 25 per seizoen. Ze moeten bieten rooien en in karren gooien. Daarom stelen ze vaak zakken suiker om een cent bij te verdienen. Dat geld gebruiken ze om naar de hoeren te gaan en om chocolade, sigaretten en goedkope wijn te kopen. Meestal bedrinken ze zich om de miserabele levensomstandigheden te vergeten. In de tijd die rest spelen ze kaart. Aldus Claus.
Ook in mijn familie zijn er flandriens geweest. Mijn nicht Nadine bezorgde me bovenstaande foto waarvan ze weet dat die tijdens de Tweede Wereldoorlog in Frankrijk genomen werd. Daarop staat een groep flandriens afgedrukt waarop we de Bredenaars Raymond Vansieleghem (°1897-†1955) en mijn grootvader Edmond Vandekerckhove (°1897-†1960) herkennen. Helaas is dat ook het enige wat we over die foto weten. Waar in Frankrijk werd die genomen? Staan daarop nog andere Bredenaars afgebeeld? Gingen Raymond en Edmond regelmatig bieten kappen in Frankrijk of was het eenmalig? Wat doet die militair op de foto? Bewaakt hij de fransmans? Zoveel vragen die onbeantwoord blijven omdat we ze helaas te laat zijn beginnen stellen.
Flor Vandekerckhove

(1) Ann De Craemer, ‘Flandrien met de handen, niet met de benen’, in De Morgen, 23.11.2012.
(2) ‘A travers les Flandres’, Volksdrukkerij Gent, 1902. In 1982 in ’t Nederlands uitgegeven door Kritak als ‘Door arm Vlaanderen’. ISBN 9063030770. Er werden herdrukken van gemaakt. Een ervan is nog te koop bij www.standaardboekhandel.be.
(3) De novelle ‘Leven en dood in de ast’ van Stijn Streuvels is tweedehands te koop (ISBN 9789022309346) bij www.bol.com.
(4) De novelle ‘Suiker’ is tweedehands te koop (15de druk – 1973 - ISBN: 9023440129) bij www.2dehands.be/winkel/deboekenhoek.

zaterdag 5 januari 2013

Chandler


Wijlen Jacques Chandler
In mei 2011 overleed Chandler. Ik vermoed dat zijn voornaam Jacques was, maar zeker weet ik dat niet meer, want hij werd destijds door ons gemeenzaam bij zijn familienaam genoemd, Chandler.
In de Vierde Moderne van de humaniora was Chandler een klasgenoot van me. Hij was een zittenblijver.  In die klas wachtte hij zijn achttiende verjaardag af, leeftijd waarop hij eindelijk van de schoolbanken verlost zou worden.  
Die schoolbanken beknelden hem. Die banken beknelden hem letterlijk, want hij was een lange slungel die zich nog maar met moeite in zo’n bank kon wringen. Ze deden dat ook figuurlijk, want Chandler had geen enkele interesse in het onderricht dat hem daar gegeven werd. 
Alhoewel hij maar enkele plaatsen van mij verwijderd zat, heb ik hem in dat jaar niet goed leren kennen. We hadden geen gemeenschappelijke interesses, in zijn vrije tijd hield hij zich op in etablissementen waar ik mezelf niet durfde te vertonen, er was enig klassenverschil (Chandler was duidelijk van betere komaf, zo verraadden het gouden polshorloge en de al even gouden ring die hij droeg) en zijn waterige oogjes wezen al op enig drankmisbruik.  Hij lachte ook teveel, vooral om zichzelf.
Vervolgens vernam ik meer dan veertig jaar lang niets meer over hem. Dat duurde tot ik in een krant een reportage las over daklozen in Oostende. Daar hoorde een interview bij. Een van die daklozen vertelde de interviewer dat hij in betere tijden een winkel uitgebaat had die failliet gegaan was, waarna hij van de regen in de drop terechtgekomen was. De foto toonde me een man die ik al eerder verschillende keren op straat gezien had, zich inderdaad ophoudend tussen de daklozen. Hij was me opgevallen omdat hij me van een ander kaliber leek te zijn dan zijn kompanen. Hij oogde aristocratisch; een dakloze van betere komaf. Er was nog iets waardoor de man mijn aandacht trok, maar ik kon er de vinger niet op leggen.
Enige tijd later liep ik, al joggend, een andere oud-klasgenoot tegen het lijf. Hij was het die me vertelde dat Chandler de geïnterviewde was. Meteen wist ik ook wat mijn aandacht op de man gericht had: ik had hem herkend, zonder dat ik erin geslaagd was die herkenning thuis te wijzen.
Vanaf dat moment hield ik de daklozengemeenschap in Oostende nauwlettend in het oog, maar Chandler heb ik er niet meer gezien. Had hij zich ‘herpakt’ en zichzelf weer een dak aangeschaft? Was hij in een ziekenhuis of instelling opgenomen? Was hij vertrokken om zonniger oorden op te zoeken?
Later zag ik die andere klasgenoot weer. Hij had het bericht in de krant gelezen. Chandler was overleden. Niet alleen de schoolbanken hadden hem bekneld, het leven had dat al evenzeer gedaan. Hij was nauwelijks vierenzestig geworden.
Flor Vandekerckhove

Dit bericht had ik in 2011 al in een (inmiddels gecrashte) blog geplaatst. Ik wilde het stukje hier hernemen, maar niet vooraleer ik er een passende foto bij gevonden had. Dat is inmiddels gebeurd. Op de foto bevindt Chandler zich (aangekruist) rechts op de middelste rij.
1964-’65. Van links naar rechts. Bovenste rij: Albert Tas, Norbert Vandamme, Freddy Buffel, Ronny Beyen (†), Somers, R. Sanders of Arthur Legein, René Deweert, Jean-Pierre Boentges, Honoré Pitteljon, Boydens, Bernard Vanneuville. Midden: Raf Vanzandweghe, Jacky Hoogenboom, Adelain Claeys, Flor Vandekerckhove, Jean-Pierre Casier, Albert Declerck, Pierre Joye, Bernard Staelens, ? Dhulst, ? Van Der Meulen, Daniël Pots, Jacques Chandler (†), Daniël Decorte. Onder: Daniël Vandenbussche, ? Cromplond?, ?Provoost, Marc Vanmiddelem (†), Michel Philippe, klastitularis Michel Duyck, Willy De Keyzer, ? Dewilde, Ludo van Kerschaever , Werner Verbiest. Aan de handtekeningen op de achterzijde zie ik dat daar verder ook nog Dany Tilleman opstaat, maar op die naam kan ik geen gezicht meer plakken. Wie dat wel nog kan, mag het mij zeggen, dan vervolledig/corrigeer ik de gegevens.

woensdag 2 januari 2013

Pijpen


Fellatio, zei hij, ik heb er nooit iets mee gehad. Ik begrijp ook niet wat anderen er zo leuk aan vinden.
De man had samen met mij de kerk verlaten en nu liepen we naast elkaar op het voetpad. Ik kende hem niet. Hij leek me een gewone man te zijn.
’t Is een kwestie van zelfbescherming denk ik. ’t Is me te gevaarlijk, zo’n vrouw die aan je zuigt, haar mond rond je pik… Haar tanden! Ik mag er niet aan denken. Ik heb het natuurlijk ook al eens voorgehad, zo’n vrouw die zich naar beneden manoeuvreert, goedbedoeld wellicht, dat zeg ik niet, maar… Er niet aan denken? Dat kan ik niet. Je ziet dat toch gebeuren. Je kunt toch niet de andere kant opkijken en doen alsof er niets aan de hand is… Er niet aan denken? Met die tanden?
Was het tegen mij dat hij het had? Ik keek om me heen om me ervan te vergewissen of er geen derde in 't spel was. Er was niemand. We hadden als eersten de dienst verlaten en het andere kerkvolk zat nog binnen. Ik vertraagde mijn pas en de man vertraagde eveneens. Ik stond stil en zo deed ook die man.
Met een vrouw weet je het nooit. Met een man trouwens evenmin. Het heeft niet per se iets met vrouwen te maken, begrijp me niet verkeerd. ’t Is me gewoon te kwetsbaar en trouwens… Daar dient een pik niet voor. De mijne toch niet.
Ik vreesde dat hij me er een vraag over zou stellen, dat hij naar mijn mening zou vragen, en ik zette mezelf weer in beweging. Prompt vervolgde ook hij zijn weg. Ik durfde hem niet meer aan te kijken.
Ik vraag me af of de mannen die daar zo hoog mee oplopen ooit de krant lezen. Je verneemt daar toch regelmatig iets over, over mannen die tijdens het pijpen hun pik afgebeten worden. Da’s ook logisch, want je bent op dat moment het kwetsbaarst, er is geen verweer mogelijk. Voor een vrouw is dat een buitenkans. En eens ze er de tanden ingezet heeft, laat ze natuurlijk niet meer los. Neen, dan gaat ze door tot de finish. Je mag erop slaan, het bloed mag eruit zeiken, je mag roepen en tieren, ophouden zal ze niet.
We waren aan de hoek gekomen. Zonder omkijken stak hij de straat over. Dit was mijn kans. Ik sloeg resoluut rechtsaf. Pas nadat ik er zeker van was dat hij me niet volgde, stopte ik. Ik zag hoe hij verder stapte; een gewone man, een kerkganger, een mens waarop niets aan te merken viel. Ik bleef kijken tot hij in de massa opgenomen was. Daarna ging ik naar huis waar ik een zeer kort verhaal schreef over een man die samen met mij de kerk verlaten had.
Flor Vandekerckhove

dinsdag 1 januari 2013

Louis van Dievel, Jan de Hartog en ik


Er zijn veel soorten auteurs. Je hebt kunstenaars (Ivo Michiels) en je hebt vaklui (Aster Berkhof); er zijn er die het om den brode doen (Pieter Aspe) en er zijn er die er nauwelijks een boterham aan overhouden (Peter Holvoet-Hanssen); er zijn er waar we nooit iets van lezen (Dimitri Casteleyn) en er zijn er waarvan we de boeken verslonden hebben (Louis Paul Boon); er zijn er die het ontdekken waard zijn (Elvis Peeters) en er zijn er waarvan we vandaag niets meer te lezen krijgen (Jos Vandeloo); er zijn er die massaal veel woorden nodig hebben (Karl Ove Knausgard) en er zijn er die het extreem kort houden (A.L.Snijders)…
Waar moet een mens als ik zich in zo’n lijst plaatsen? Een kunstenaar ben ik niet en geld hou ik er evenmin aan over. Er zijn maar weinig mensen die iets van me lezen en ik heb telkens wel meer woorden nodig dan me lief is. Ongetwijfeld plaatst dat alles me ergens onderaan de literaire ladder. Mocht ik een wielrenner zijn dan zou je me bij de eliterenners zonder contract moeten zoeken. In de top duizend van de godsdiensten zou ik helemaal onderaan bengelen, nog achter Jehova’s getuigen. Op de beurs zou mijn koers de belegger terecht grote zorgen baren.
Maar goed. Gelukkig ben ik op de beurs niet te vinden, gelukkig moet ik me niet te pletter fietsen en gelukkig sta ik op geen ladder. Maar waar sta ik dan wel?
Ik sta op een stoel. Ik sta op een stoel op het plein en doe daar — volk of geen volk, weer of geen weer —­ mijn ding. Ik sta er naast vele anderen en ik sta daar op mijn plaats. Kijk, wijlen Jan de Hartog staat er ook: ‘Ik ben dus een afstammeling, niet van de literator, maar van de verteller. Wij staan al eeuwenlang in ons luizige ondergoed op de markt tegenover de kerk en doen die daarbinnen concurrentie aan: we zijn natuurlijk ook moralisten en we gaan ook met de hoed rond. Daar sta ik veel dichter bij dan bij de literator (…).’
En kijk daar eens, Louis van Dievel staat op datzelfde plein, ook op een stoel, zijn ding te doen. In de krant zegt hij: ‘Het verhaal is belangrijk, niet dat je een zin moet ontleden, welke mooie woorden zijn er gebruikt, dat is aan mij niet besteed. Een aantal collega’s zijn wél beoefenaar van de schone letteren en ik vind dat zo saai. Ik begin altijd vol goede wil maar ik krijg dat niet uitgelezen.’ 
Dat laatste is, eerlijk gezegd, ook wat ik telkens weer ervaar. Zo’n fel bejubeld boek als Vader, van zo’n fel bejubelde auteur als Karl Ove Knausgard… Wie krijgt dat eigenlijk uitgelezen, vraag ik me al lezend heel de tijd af. En zo’n klassieker waarin Marcel Proust een half uur doorgaat over een luchter die in ’t salon hangt… Dat zal wel tot het rijk van de schone letteren behoren, maar zelf heb ik dat boek destijds in zee gekieperd! Neen, dan liever van Dievel: ‘Ik ben geen letterkundige, ik schrijf geen schone letteren, geen bellettrie, absoluut niet. Een roman moet een verhaal hebben dat de lezer bij zijn nekvel pakt en hem mee naar het einde van het boek neemt.’
Mij lijkt dat trouwens ook al moeilijk genoeg te zijn.
Flor Vandekerckhove

(*) Louis van Dievel, Hof van Assisen. 2011, 448 blz. € 22,50, Uitgeverij Vrijdag, ISBN: 9789460011184.