donderdag 27 december 2012

De ideologie van de N-VA ontrafeld


Ico Maly leverde een proefschrift af over de achterliggende ideologie van de N-VA in het algemeen en die van Bart De Wever in het bijzonder. De uitgeverij EPO maakte er een boek van en dat boek is op vele vlakken van grote betekenis. Niet in de laatste plaats omdat niet-academici, zoals ik, daardoor in staat gesteld worden de filosoof Maly te volgen op de vele wegen die hij inslaat om een ideologie te doorgronden.
Een aantal van die wegen zijn hoofdwegen (de hedendaagse en historische denkers naar wie De Wever en de zijnen refereren), andere zijn zijwegen (over taal & politiek, over de nieuwe media…), maar al die wegen openen vergezichten die de specifieke queeste van Maly verduidelijken, zelfs ver overschrijden. Meer bepaald roept het boek bij mij de vraag op of dergelijk onderzoek naar de ideologie van andere politieke partijen ook zo’n verhelderend en interessant werk zou opleveren. Wat zouden we allemaal te weten komen als iemand van het kaliber van Maly zich over de ideologie van de Open VLD zou buigen? Zou de ideologie van de sp.a vandaag ook nog gegrondvest zijn op grote denkers? (Dan slagen de socialisten er toch wel in die goed weg te steken.) En wat mij persoonlijk nog ’t meest interesseert: zou de lezer schrikken wanneer hij dergelijk diepgravend onderzoek te lezen krijgt over de ideologie van de PvdA. (Komen we dan weer bij ‘Een andere kijk op Stalin’ terecht?)
Hoe dan ook, ik heb door dat boek van Maly veel bijgeleerd. Over de anti-Verlichting bijvoorbeeld (waarvan De Wever een volgeling is en waarover ikzelf nooit eerder gehoord had), over de rol van de taal in de politiek, bladzijden die mij uitermate geboeid hebben (‘De betekenis van taal ligt dus niet vast, maar is onderdeel van een constante (machts)strijd’). Over de omvangrijke rol die micromedia (websites, blogs e.d.) spelen in het populariseren van de ideologie van de N-VA. Maly ontrafelt al die uitingen die op ’t internet te vinden zijn en komt tot de conclusie dat een beperkt aantal mensen een zeer divers aanbod aan dergelijke Vlaams-nationalistische micromedia aanbieden. Daar zitten toonaangevende figuren en organisaties tussen, maar ook rare kwasten.
Zo’n rare kwasten kom je ook tegen op straat, zo voeg ik er persoonlijk aan toe. Zo kwam er onlangs iemand in ’t nieuws die het blijkbaar als zijn levenstaak beschouwt om alle anderstalige woorden in de reclame op de Lijn aan te klagen. Een mens vraagt zich toch af: wie in godsnaam houdt zich met zoiets bezig? Of pak nu de volksgenoot die ik zomer na zomer op de Oostendse Zeedijk zag wandelen, een enorme leeuwenvlag ter hand. Met toegesnoerde bottines tussen de zonnekloppers, houzee!  Wat beweegt zo’n mens eigenlijk? Wel, het boek van Ico Maly heeft het me nu uitgelegd. Maar minder schrik van dat soort volk heb ik er niet door gekregen, integendeel.
Flor Vandekerckhove

Ico Maly, N-VA, Analyse van een politieke ideologie, 2012 EPO Berchem, 34,95 €. ISBN 978 94 91297 30 4.

woensdag 26 december 2012

De strijd om de straat(naamborden)


Dit stukje gaat over straatnamen in het vredige Bredene. Maar ik heb een aanloop nodig en verplaats me daarom eerst naar het woelige Antwerpen. In ‘t Stad woedt namelijk een debat over de naam van het De Coninckplein, genoemd naar de historische figuur Pieter De Coninck. Het literaire kunstencentrum Behoud de Begeerte stelt evenwel voor om de naam te veranderen in Herman De Coninckplein, naar de in 1997 overleden dichter. Burgemeester Bart De Wever is daar tegen: ‘Ik heb zelden een dergelijk idioot voorstel gehoord.’
Twee prenten die destijds in het inmiddels verdwenen kapelletje
in de Kerkstraat te Bredene Dorp te zien waren,
samen met twee andere waarop de slachtoffers van WO I vermeld werden.
Vandaag bevindt er zich een vergelijkbaar monumentje nabij
de ingang van de openbare bibliotheek. (Archief Louis Vande Casteele.)
Wij, nuchtere Bredenaars, kunnen dit debat terzijde schuiven als zijnde typisch voor Antwerpenaren die van een mug een olifant weten te maken en daarenboven de verwerpelijke gewoonte hebben om hun dorpstwisten over heel het land uit te smeren.
Maar er is meer aan de hand. Het lijkt erop dat er in 't land een strijd om de straat(naamborden) is losgebarsten. In Aalst is een partijgenoot van De Wever schepen van Vlaamse Zaken geworden. Hij wil de straatnaamborden vervangen door nieuwe exemplaren waarop een Vlaamse leeuw afgebeeld staat. Er zijn nog zo'n mandatarissen van Vlaamse Zaken. Je vindt ze ook in Brasschaat, Affligem, Beersel, Dilbeek, Halle, Kortenberg, Meise, Opwijk, Sint-Pieters-Leeuw en Steenokkerzeel. Ook in Temse werd er na de jongste gemeenteraadsverkiezingen soortgelijke schepenbevoegdheid bedacht. Daar wil de N-VA meer standbeelden van ‘Vlaamse groten uit Temse’ in het straatbeeld zien verschijnen.
De Vlaams-nationalisten breken blijkbaar niet alleen in het stadhuis door.  Politiek — we waren het een beetje vergeten — wordt inderdaad niet alleen in vergaderzalen uitgevochten, maar overal: op het internet, op de werkvloer, in cultuurhuizen, galeries, musea en jawel… ook op straat.
In Bredene is het vandaag rustig, maar of het zo blijft is onzeker. Zeker is alleen dat er ook sporen van ideologische strijd in (de geschiedenis van) een aantal Bredense straatnamen weer te vinden zijn.
Ik had het nooit opgemerkt, ware het niet dat ik in november een stukje over de oorspronkelijke straatnamen schreef van wat we in Bredene Duinen met een groot woord de villawijk noemen. (1) De lanen van die wijk werden oorspronkelijk genoemd naar de bourgeois die daar de gronden verkavelden en/of er als eersten villa’s lieten bouwen (Avenue le Grand, Marc Samdamlaan, Vandersmissenlaan…). Terwijl ik dat allemaal probeerde uit te vlooien, viel mijn oog op enige merkwaardigheden. Zo was er een laan ‘die het kruispunt van de Noordlaan/ Kroonlaan/ Strandlaan verbindt met de Parklaan. Aangelegd na de Eerste Wereldoorlog volgens een plan uit 1905 (…) Tijdens de Tweede Wereldoorlog Arteveldelaan genoemd.’ (2) en een andere ‘die de Prinses Marie-Josélaan met de Frankrijklaan verbindt. (…) Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de naam tijdelijk omgevormd tot "Jacob van Maerlantstraat".’ (3)
Een mens zou denken dat een gemeentebestuur tijdens zo’n oorlog wel andere dingen te doen heeft dan het bedenken van nieuwe straatnamen. Anderzijds is oorlog, zo leert ons het cliché, alleen maar de voortzetting van de politiek met andere middelen. Zou het kunnen dat oorlogsburgemeester Poppe de Vlaamse zaak op die manier een duwtje in de rug probeerde te geven? Was er tijdens die oorlog in Bredene al een soort schepen van Vlaamse Zaken actief? Zeker is dat niet, want ik vond nog een merkwaardig zinnetje: ‘1939: gemeente stelt nieuwe straatnamenlijst op waaruit persoonsnamen van eigenaars op één na [worden] geweerd.’ (4) Een lijst met de voorstellen vind ik evenwel niet. Maar ik denk niet dat de heren van Maerlant en Artevelde door gemeenteambtenaren verkeerdelijk tot de eigenaars gerekend werden. Toch krijgen zowel de Jacob van Maerlantstraat als de Arteveldelaan na de oorlog al vlug wéér nieuwe namen. De laatste wordt dan de Verbondenenlaan en de eerste kennen we sindsdien als IJzerlaan. Resultaat van een politieke strijd om de straatnamen?
Die oorlog liet in Bredene ook elders sporen na in de straatnamen. In Bredene Sas is er een Breendonklaan. De verbindingsweg tussen ’t Sas en “t Dorp werd dan weer naar Fritz Vincke genoemd. Tijdens WO II maakte deze Vincke deel uit van een verzetsgroep. Hij werd op 30 augustus 1943 in Klemskerke opgepakt. Uiteindelijk kwam hij in het concentratiekamp Gross-Rosen terecht en overleed tussen 10 en 12 februari 1945, op weg naar kamp Dora.
Het Frans Provoostplein werd genoemd naar een Bredense veldwachter, geboren in Bredene op 30 juni 1894 en gestorven te Dachau op 3 februari 1945. Deze verzetsman was ingedeeld bij de 1ste escouade (een groep van 10 man en een overste) van het eerste peloton Bredene. Hij werd op 3 april 1944 aangehouden. Uiteindelijk werd hij op transport gezet naar het concentratiekamp van Dachau waar hij overleed.
In 1952 werd de Louis Vander Schraeghestraat aangelegd. De verzetsstrijder uit WO II was leider van de 2de sectie van de verzetsgroep ‘Schuiloord Oostende’ dat onder bevel stond van Predhom François. Op 4 april 1944 werd hij aangehouden en overgebracht naar het concentratiekamp Flosenburg. In mei 1945 werd hij bevrijd.  Hij keerde terug naar Bredene waar hij op 17 juni 1946 overleed. (5)
Er is ook een Henri Vanblaerestraat. De automecanicien Henri Vanblaere werd eerder in deze blog al vermeld. (6) Tijdens WO II was hij in Bredene leider van het O.M.B.R. (Organisation Militaire Belge de Résistance). Hij werd door collaborerende Bredenaars verraden. Aangehouden op 9 september 1943 werd hij naar Duitsland gedeporteerd. Hij kwam via Gross-Strehlitz in het kamp van Gross-Rosen terecht. In dat kamp overleed hij begin december 1944. Over Vanblaere verklaarde een lotgenoot afkomstig uit Dinant: ’il a été courageux jusqu’au bout et il est mort en patriote et en bon chrétien (un prêtre l’a vu avant sa mort) ne regrettant rien de ce qu’il avait fait et prêt à recommencer.’ (7)
Voor mij ligt een stuk dat ik uit DS Weekblad gescheurd heb.(8) Daarin vertellen enkele oud-strijders over de verschrikkingen die ze in dergelijke naziconcentratiekampen moesten ondergaan. Die oud-strijders willen ons iets meedelen: ‘Wij herinneren eraan dat de N-VA haar oorsprong vindt in het Vlaams Nationaal Verbond (VNV) van tijdens de oorlog.’ Ze weigeren deel te nemen aan oorlogsherdenkingen waarop ook N-VA–politici aanwezig zijn.
Ja, de politiek is weer alom aanwezig, ook op straat. Vraagt u zich nu af of ’t verder wel zo’n vaart zal lopen? Daarop valt maar één antwoord te geven: we zullen zien. Of misschien ook wel: no pasaran!
Flor Vandekerckhove

(2) https://inventaris.onroerenderfgoed.be/dibe/geheel/7801
(3) https://inventaris.onroerenderfgoed.be/dibe/geheel/7781
(5) Met dank aan Louis Vande Casteele die me de gegevens over deze straatnamen doorstuurde.
(6) Henri Van Blaere wordt vermeld in het stuk dat we over Ons Volk schreven (http://florsnieuweblog.blogspot.be/2012/09/ons-volk.html) en in Garage Achille (http://florsnieuweblog.blogspot.be/2012/07/garage-achille.html)
(7) Uit het familiearchief van Mireille Vanblaere.
(8) ‘De Vlaamse leeuw, daar spuw ik op’, in DS Weekblad van 1 december 2012. p. 28 e.v.

zaterdag 22 december 2012

Kerstrozen op de scheepswerf, een kerstverhaal


Het werk was moordend. De wind waaide vrij door de loodsen. Het ijzer was zwaar, stomp en koud. Hoe meer ik de dingen aaneenlaste, hoe losser ze kwamen te zitten. Hoe meer ik brandde, hoe meer vonken er in het rond vlogen. Gloeiende splinters kropen in mijn schoenen en brandden er mijn voeten kapot. Ik had niet één paar gave sokken over. Mijn vingers deden pijn, mijn armen deden pijn, mijn hoofd deed pijn, mijn hele lijf schreeuwde het uit van miserie en het ergste was dat het allemaal geen zoden aan de dijk bracht. Doffe ellende.
Die 24ste december fietste ik weer naar ‘t werk. In een plastic zakje zat mijn middageten. Koude aardappelen, koude groenten, koud vlees. Overschotjes. Aan de overkant van het dok zag ik de werf liggen. Over één kwartier zou ik in dat gat verdwijnen. Over het water hing een smerige nevel, her en der zag ik ijsschotsen drijven. Op nauwelijks een meter van mij raasden de auto’s. Heel de stad was één stinkend, kankerverwekkend nest geworden.
Ik stapte het zwarte gat binnen. De geur van afgetapte olie en roestend ijzer baande zich een weg naar mijn hersenen. Hoe had ik het ooit in mijn hoofd gekregen hier te komen werken? ‘Kom mee’, zei de baas. Aan de poort stond een kleine laspost die ik naar een aak moest dragen. De baas en ik daalden het ruim in. Beneden stond een schipper. Hij was kwaad. Het duurde hem allemaal veel te lang. De baas legde mij het werk uit. Of ik het begrepen had? De schipper keek me kwaad aan. De patroon keek bedroefd. ‘Ja,’ zei ik, ‘ik snap het.’ Ik begreep er niets van.
Ze gingen weg. Ik keek rond. Waarmee zou ik beginnen? Wat moest ik doen? Ik verliet het ruim.  De vrieslucht was een verademing. Ik liep op de smalle rand tussen de kajuit en de kaai en hield me stevig vast om niet in het water te sukkelen. Terwijl ik naast de kajuit liep, zag ik door de raampjes de schippersvrouw. Ze was jong. Vijfendertig, hooguit veertig.  Niet overdreven mooi, maar toch te mooi voor zo’n dikke schipper.  Toen ik voorbij het deurtje kwam, riep ze me binnen.  ‘Hoi jongen,’ riep ze, ‘kom me eens helpen.’ Eigenlijk had ik geen tijd te verliezen. Maar tegelijk moest ik tijd zien te winnen. Nadenken. Op een idee komen. Ik ging binnen.
Nooit had ik een kajuit gezien die getuigde van goede smaak. Maar deze tartte alle verbeelding. Beeldjes en napjes.  (Onder elk beeldje past een napje.)  Alsof het niet genoeg was, stond er ook nog een kerstboom en een stal met wel dertig herders. Ik keek naar de vrouw. Ze mocht niet lelijk zijn, smaak had ze niet. Ze had een nachtkleed aan. Het kon gemaakt zijn van een oud overgordijn. Bloemenmotief. Grote kerstrozen. Onder het nachtkleed droeg ze niets. Dat kon je zien, want het ding was bovenaan half open en je zag haar  borsten wiebelen.
‘Mooie jongen, kan je me helpen die kast te verzetten?’ Ha. Een houvast. Als de schipper me zou vragen hoe het kwam dat het werk nog geen millimeter opgeschoten was, had ik een antwoord klaar, een alibi. Ja kijk, ik kan toch niet alles tegelijk doen. Ofwel organiseer ik een verhuizing, ofwel brand ik gaten in de scheepswand. Het is het één of ’t is ‘t ander.
Samen met de schippersvrouw begon ik de kast te tillen. Zware eik. Ik trok me bijna een beroerte.  Ik liep rood aan, keek vertwijfeld naar de vrouw die aan de andere kant van de kast stond te duwen.
En toen gebeurde het.  Ze keek me recht in de ogen. Haar overgordijn was helemaal opengevallen. Ook zij was helemaal rood aangelopen. Maar dat kwam niet door dat duwen. Haar witte borsten staken schril af tegen haar vuurrode gezicht. Ik schrok en begon vlug weer aan de kast te trekken. Het ding bewoog niet. Ik kon niet meer. ‘Wacht,’ zei ze. ‘Wacht. We zullen het anders doen.’ Ze knoopte slordig haar draperie dicht en schonk zichzelf een kop koffie in. ‘Ik zal je een neutje geven,’ zegde ze. ‘Daar doe je krachten van op.’
Ik wilde rechtstaan, maar er schoot iets in mijn rug.  Ik probeerde overeind te komen. Het ging niet. Ik had me een breuk getrokken en raakte niet meer overeind. Helemaal voorovergebogen strompelde ik tot bij de sofa. Traag legde ik me op mijn zij. Ik geraakte niet meer recht.
‘Pijn?’ vroeg ze, vanachter haar koffie. ‘Heb je je verwond, jongen?’ Ze kwam op me af. Voor haar ogen was een waas. Bij elke stap die ze dichter zette, viel haar japon een beetje meer open. Ik lag schuin op die zetel en kon me niet bewegen. Vlak voor mijn ogen zag ik alles gebeuren. De kerstrozen weken en maakten plaats voor haar witte lichaam. Ze toonde haar borsten, haar buik, haar dijen. Ze liet haar kamerjapon op de grond vallen. Ik lag op die zetel en kon niet bewegen. ‘Wacht.’ Zei ze. ‘Ik zal je helpen.’ Haar stem klonk schor. Ze ging vlak voor me op haar knieën zitten en begon aan de rits van mijn overall te friemelen. Help!  Niet nu, Zeker niet hier, in de kajuit van een dikke, kwaaie schipper. En de deur stond open. En iedereen kon zomaar door die ramen kijken. Handig was ze wel. In minder dan geen tijd had ze mijn rits open, haalde mijn pik uit en begon hem te kussen. Ik lag daar godverdomme als een gehandicapte en zij behandelde me als een stier. 
Opeens hoorde ik gerommel. In een mum van tijd had de vrouw haar draperieën weer omgesjord. Ik bleef daar in de zetel liggen, met een klein, maar heel bloot piemeltje.
 ‘Wat ben jij hier godverdomme met mijn vrouw aan het uitspoken? Wie denk jij wel dat je bent? Ik zal je smoel kapotslaan, stuk onbenul. Denk je dat ik hier 40 euro per uur betaal om je mijn vrouw te laten neuken?’ De schipper nam één van de lelijke beeldjes en keilde het naar mijn hoofd. Het trof me vlak boven mijn oog. Het bloed zeikte uit mijn wenkbrauw. Hij koos een groter beeld. Zijn vrouw probeerde hem tegen te houden. Ik liet me uit de sofa vallen en kroop op handen en voeten door de kajuit naar het trapje. ‘Hier! Ik zal je leren. Ik maak je kapot!’ Het tweede beeldje miste doel, het ging door het deurgat en ik hoorde het tegen de kaaimuur kapot knallen. Achter mij was er groot gestommel. De vrouw schreeuwde. De man schreeuwde.  Het ene woord bracht het andere mee. Moeizaam kroop ik de passerelle op. 
Boven veegde ik met mijn mouw het bloed weg dat me het zicht belemmerde. Ik zag de kaai vol mannen staan. Elkeen had het werk neergelegd om naar het spektakel te komen kijken.
Ik stond daar, gebogen als een knipmes, te bloeden als een varken. Met de grootste moeite beklom ik de passerelle.  Gebogen als een hyperbultenaar liep ik de kaai op. In de poort stond de baas. We passeerden elkaar en we zegden geen woord. Gekromd sukkelde ik naar mijn fiets. Ik legde die heel schuin, zodat ik erop kon stappen. Ik trok me op gang en op een sukkeldrafje reed ik de kaai af. Kerstavond begon al over de haven te vallen. Toen brak mijn fietsketting. En mijn val was geweldig.
Flor Vandekerckhove

dinsdag 18 december 2012

Waarom ik de roman Amandine geschreven heb




‘Ecrire est un acte d'amour. S'il ne l'est pas, il n'est qu'écriture’ (Jean Cocteau)

Op 31 december 2007 maakte ik een eind aan mijn bezigheid als auteur-publicist, een activiteit die ik tot dan in bijberoep uitgeoefend had. Eerder al had ik noodgedwongen een punt gezet achter mijn betrekking als redacteur van Het Visserijblad; de visserij was immers zo klein geworden dat het voor een journalist niet meer mogelijk was er een boterham aan over te houden.
Ben ik vervolgens opgehouden met schrijven? Godver neen. Wat eerst noodgedwongen beslist werd, is nadien een deel van mezelf geworden. Dat schrijven… dat blijkt voor mij als eten en drinken te zijn. Meer zelfs, de praktijk van het schrijven maakt me gelukkig. Waarom zou ik er dan mee ophouden?
Dat blijkt iets te zijn wat mensen maar moeilijk begrijpen (en officiële instanties al helemaal niet). Als je er niet voor betaald wordt, waarom zou je het dan doen? Waarom zou je je onledig houden met iets wat ‘niet opbrengt’? Het antwoord is nochtans eenvoudig. Haalt u dan een inkomen uit het ademen? Vraagt u geld om te eten? Rekent u iets aan om te vrijen? En als het antwoord neen is, waarom houdt u er dan niet mee op?
Wat als noodzaak begonnen was, werd een vrije keuze. De economie van de markt werd vervangen door deze van de gift. Wat een beroep was, werd een eigenheid. Je proeft de woorden die de jonge journalist Karl Marx al in 1842 neerschreef: ‘De eerste voorwaarde voor de vrijheid van drukpers bestaat hierin dat ze niet langer een vak is’. Je ervaart de vrijheid waarover dat citaat het heeft. Je verlaat het terrein van de dubbele moraal.  Een vrouw die vrijt om er geld aan te verdienen noem je een hoer, hoe heet een auteur dan die schrijft om er geld aan over te houden? Wat een inzicht!
En je blijft schrijven. Je doet het niet beroepshalve, maar dat betekent niet dat het een hobby wordt. Het betekent evenmin dat je het minder goed gaat doen. Je blijft schrijven om dezelfde reden die je laat ademen, eten, vrijen… Omdat je het kunt! Het devies van Van Eyck wordt het jouwe: als ic can.
Op die manier is ook de roman Amandine ontstaan.  Voor mij was het schrijven van Amandine de kers op de taart van een kwarteeuw schrijversengagement in de visserij.  Er was immers iets wat nog nooit over onze visserij geschreven was. Er bleef een gebied onaangeroerd, een zone die blijkbaar buiten het gezichtsveld valt en desondanks deel uitmaakt van de visserij. 
Hoe moest ik dat gebied omschrijven? Het ging over ervaringen die met persoonlijke gevoelens te maken hebben, het ging over angst, over de voortdurende interactie van mens en natuur; het ging over de bijna oneindig complexe, onderlinge relaties van mensen, de opbouw van het 'innerlijk leven', datgene wat de pastoor de 'ziel' zou noemen en Bart De Wever ‘identiteit’ en wat ikzelf het ‘imaginaire’ noem… En wie ‘imaginair’ zegt, zegt roman.  Die roman is er nu gekomen en hij heet Amandine.  Voor de rest kan ik alleen maar hopen dat ik in mijn opzet geslaagd ben, want ik heb Amandine geschreven, Van Eycks devies indachtig, zo goed als ic can.
Flor Vandekerckhove

Dat het boek vervolgens ook beschikbaar gemaakt werd, is dan weer helemaal de verdienste van Jo Clauwaert die het niet alleen illustreerde en vorm gaf, maar ook voor eigen rekening liet produceren. Wilt u het thuisbezorgd krijgen dan stort u 24,99 € op rekening van CDVProductions te De Pinte (iban: BE06 0011 9550 7822 -bic: GEBABEBB). Wie meer wil weten vraagt het per mail aan cdvproductions@skynet.be.

woensdag 12 december 2012

Het hoofddoekendebat


‘Stel nu,’ zo begint hij zijn argumentatie, ‘dat er een religie zou bestaan die vrouwen verplicht een omgekeerde pispot op het hoofd te zetten…’
Hij zit op de eerste rij in de zaal die halfgevuld is met mensen die, zoals ik, hun tijd verliezen met het bijwonen van lezingen. Ze zijn eenzaam en zoeken het gezelschap op, ze zijn arm en zoeken de gratis warmte, ze zijn oud en ze zoeken iemand die bereid is om te luisteren.
Hij mist geen enkele lezing en hij mist geen enkele gelegenheid om zijn mening te ventileren. Hij is een querulant. ‘Zou je in het OCMW willen bediend worden door zo’n gelovige die met een pispot op het hoofd achter het loket zit?’ De stilte in de zaal maakt plaats voor geroezemoes, want het OCMW is ons terrein. Niemand lacht. Iedereen maakt zich dik.
Het gaat vanavond over het hoofddoekenverbod. Moslimvrouwen die in een openbare dienst werken mogen hun hoofd bedekt houden, maar niet als ze een functie hebben die hen met het publiek in contact brengt.
Er gaan vingers in de lucht. De ene mens vindt dit en de andere vindt dan weer iets anders. Iemand vindt het voorbeeld uit de lucht gegrepen, een andere weet dat gelovigen de raarste dingen doen. En ’t is waar, je ziet van alles op straat.
Het laatste woord is bijlange nog niet gezegd. De querulant heeft het hoofddoekendebat opengegooid en hij weet het. Hij gaat door: ‘Stel dat de mormonen een nieuwe regel uitvaardigen en dat hun missionarissen niet meer, zoals nu, in een deftig pak bij je aanbellen, maar met zo’n pispot op het hoofd… Zou je hen dan binnenlaten?’
Zelf laat ik nooit mormonen binnen, pispot of niet. De man werkt me op de zenuwen. Ik kijk op mijn horloge en zie dat het tijd wordt om op te stappen.
Ik zit op de laatste tram die me naar huis kan brengen. Voor me zit een jongen met een gekleurde hanenkam. Ik vraag me af of de querulant hem zou binnenlaten mocht die jongen aanbellen om van zijn geloof te getuigen. Zou die jongen als lesgever op een school toegelaten worden (bijvoorbeeld in een school waar de leerlingen verplicht worden om pispotten omgekeerd op het hoofd te dragen)? Kan zo iemand als adviseur in de bank werken (of laten de mensen zich liever een belegging aansmeren door een deftig burgermannetje)? Zou ik mezelf laten opereren door een steengoede chirurg met zo’n hanenkam (of verkies ik iemand die er deftig uitziet en er nogal eens naast snijdt)? Ik moet glimlachen om mijn avondlijke bedenksels, want er is weinig kans dat die jongen een lesgever is, nog minder dat zo iemand de beurskoers volgt en er is geen enkele kans dat hij een steengoede chirurg zou zijn, want die zitten niet op de tram.
Vrouwen daarentegen die omwille van hun geloof omgekeerde pispotten op het hoofd dragen … Ik weet niet wat ik er moet van denken.
Het is koud in mijn huis. Morgen is er een lezing over de klimaatopwarming.
Flor Vandekerckhove

vrijdag 7 december 2012

De memoires van Jef Turf


Jef Turf en Miel Dullaert (links) die Jef na diens defenestratie
in De Rode Vaan zou opvolgen. (foto Jo Clauwaert)
Ouder wordend ervaar ik een toenemend plezier bij het lezen van memoires en (auto)biografieën. Dat komt doordat er hoe langer hoe meer levensbeschrijvingen gepubliceerd worden van tijdgenoten. Die gaan over situaties die we zelf beleefd hebben, gedragen door mensen die we min of meer gekend hebben. Hun vragen waren de onze. We deelden hun antwoorden of we zetten ons ertegen af, maar het waren hoe dan ook antwoorden op vragen van onze eigen tijd. Dat geldt ook voor de memoires van de ex-communist Jef Turf (°1932).
Turf, van opleiding kernfysicus, werd in 1953 lid van de KPB (Kommunistische Partij van België, met een K, want wie progressief was gebruikte in die tijd de progressieve spelling). In 1963 werd hij partijfunctionaris. Later werd hij er Vlaams voorzitter van en politiek directeur van het partijweekblad De Rode Vaan. Nog later kwam hij in conflict met de partijleiding; hij werd ontslagen.
In memoires kun je niet over de anekdotes heenstappen. Dat zijn de balletjes in de soep van een mensenleven. Bovendien valt uit zo’n anekdotes veel te leren. Bijvoorbeeld: ‘Een ander gevolg van mijn vrije keuze voor de KPB had betrekking op de verwachte promotie van mijn vader voor de post van hoofdinspecteur voor het lager onderwijs. Hij greep naast die promotie. Later ontdekte hij in zijn dossier in Brussel een brief aan de minister, van de hand van de befaamde dichter en literator Karel Jonckheere. Daarin werd vermeld dat de zoon van de kandidaat-hoofdinspecteur Turf actief was als communist aan de Gentse universiteit. Dat moest doorgaan voor een argument tegen de benoeming van zijn vader. Daarbij dient vermeld dat mijn vader bevriend was met Karel Jonckheere, die destijds eveneens in Koksijde woonde, en die hij regelmatig trof in een plaatselijke culturele vereniging.’ (p.53) Zo ging dat in die tijd onder intellectuelen en zo gaat het vandaag waarschijnlijk nog.
Beweren dat ik Jef Turf goed gekend heb zou overdreven zijn, maar we waren in Gent beiden wel actief in wat klein links genoemd werd, een term die door de activisten ervan verfoeid werd. Hoe dan ook, dat klein links bestond uit de KPB, Amada (later PvdA) en RAL (later SAP). In verkiezingen dienden ze aparte lijsten in en na afloop ervan werden die partijtjes op de televisie uitgenodigd om het over hun povere resultaten te hebben. Daar werden de woordvoerders ervan telkens bijeengezet, wat de wederzijdse vijandigheid nog niet weinig accentueerde.
Om een lang verhaal kort te maken (*), Jef was over die andere twee partijtjes niet te spreken. Over een ervan schrijft hij: ‘Het ontstaan van Amada (…) werd met veel wantrouwen bekeken binnen de KPB. (…) de “Amadezen” benaderden de arbeiders net zoals de kolonialen de  inboorlingen bekeken: zij moesten bekeerd worden (…)’. (p.156) Over het derde en allerkleinste partijtje (RAL/SAP waarin ikzelf actief was) vind ik in de memoires niets terug, maar ik herinner me wel dat hij ons neerbuigend de bibliothecarissen van de revolutie noemde.
Bibliothecarissen of niet, we hanteerden wel een politieke tactiek waarbij we de andere opriepen om samen naar de verkiezingen te trekken. Dat was natuurlijk een lepe truc. Weigerden ze, dan konden we hen aanwijzen als zaaiers van verdeeldheid; stemden ze toe, dan konden we ons al te kleine karretje aan de toch iets grotere treinstellen van de andere vasthangen. Die waren echter ook niet van gisteren en ze hielden wijselijk de boot af… 
Behalve twee keer tijdens de gemeenteraadsverkiezingen aan het begin van de jaren tachtig. De KPB was toen al in volle electorale neergang en in een poging om die neergang te verdoezelen besloot Jef om in Gent op ons aanbod in te gaan. De eurocommunisten van Turf en de trotskisten van de RAL vormden samen met onafhankelijke kandidaten een verkiezingslijst, eerst KPE (Kommunistisch Progressieve Eenheid) en later WERK. Ik was een van de architecten van die samenwerking en in die periode leerde ik Turf toch enigszins van nabij kennen.
En zo kwam het dat de RAL erin slaagde om in haar Gentse lokaal (het inmiddels afgebroken Stapelhuis) een meeting te organiseren waarop o.m. Jef Turf het woord voerde. Voor ons was dat een overwinning, want het betekende dat de KPB ons niet langer kon verketteren.
Hier past een anekdote. We streefden het rotatieprincipe na. Gesteld dat iemand verkozen geraakte, dan zou die na enige tijd vervangen worden door een volgende. Jef, die de eerste plaats innam, was daar geenszins voor te vinden. Hij argumenteerde: ‘Als die mens dat goed doet, waarom zouden we hem dan vervangen?’ Ja, 'die mens' ambieerde al te lang een politiek mandaat dat hem salonfähig zou maken, hij ambieerde het daardoor een beetje te hard en dat kon hij niet wegsteken. Ik was niet de enige die het opgevallen was.
Die verkiezingen leidden weer eens tot niets en de partij van Jef werd almaar kleiner: ‘Heb ik destijds een goede keuze gemaakt? Misschien wel, misschien niet. Maar wanneer men in het leven een belangrijke beslissing neemt, moet men daaraan vasthouden en ze niet telkens weer in vraag stellen. Ik heb mij gehouden aan mijn moeilijke beslissing, tot het bittere einde, toen de KPB mij niet meer nodig had en zelf verdween in het stof van de geschiedenis.’ (p.85)
In zijn memoires besteedt Turf uiteraard veel plaats aan wat daarvan, zijns inziens, de oorzaken zijn en hij besluit: ‘Vandaar de conclusie dat (…) wij fout waren door onze bijna exclusieve aandacht te richten op de directe economische aspecten van de proletarische strijd. Culturele — dus natiegebonden — elementen speelden minstens een even grote rol (…) het overwicht van de Russische interpretatie van Marx zorgde ervoor dat elke vernieuwende benadering (…) verwezen werd naar de schroothoop van het revisionisme.’ (p.120)
Dat van die Russische interpretatie is ongetwijfeld waar, maar wanneer hij opeens ‘natiegebonden elementen’ benadrukt dan heeft hij daar toch wel slinkse bedoelingen mee. Die probeert hij te camoufleren met een citaat van de grote baas zelf, dat hij uit de catechismus van de marxisten haalt, Het Communistisch Manifest. Zegt Marx daar niet: ‘Het proletariaat, de onderste laag der tegenwoordige maatschappij, kan zich niet verheffen, niet oprichten, zonder dat de gehele bovenbouw der lagen, die de officiële maatschappij vormen, wordt opgeblazen.’? (p.120)
Wat u daar wellicht, net zoals ik, als een oproep tot maatschappelijke omwenteling leest, heeft volgens Turf een heel andere betekenis, want die vermeende ‘natiegebonden elementen’ leiden hem naar iets heel anders en wel naar het nationalisme: ‘Dit “nationalisme” is trouwens een voorwaarde voor het “inter-nationalisme”. Men kan het ene niet tegenover het andere stellen.’ (p. 237) Wellicht vindt Jef dat een geslaagd voorbeeldje van dialectiek, andere mensen zullen het een sofisme noemen.
Daarna is Turf niet meer te stoppen. De linkse politiek moet voortaan in de koelkast gestopt worden, aldus de gewezen voorzitter van de KPB. ‘First things first: aan de orde is de confederalisering van ons land (…). Concreet: ik heb in 2010 voor N-VA gestemd, en zal dat nog doen (…)’ Verbazing alom! Maar niet getreurd. Eens Vlaanderen vrij is zal hij de linkse politiek weer uit zijn koelkast halen en ‘de strijd helpen voeren voor een sociaal, democratisch en vooruitstrevend Vlaanderen en wellicht tegen de N-VA. Het is het onbegrip voor deze dialectiek die vele linksen in Vlaanderen hindert en hen belet een rol te spelen die eigen zou moeten zijn aan de linkerzijde (…)’ (p.240-243) Hmmmm, hebben we niet altijd al gezegd dat de dialectiek van de KP’ers langs geen kanten deugt?
Flor Vandekerckhove

Jef Turf, Memoires – Van kernfysicus tot Vlaams communist -. Lannoo, 280 p., 24,99 euro, ISBN 978 94 014 0511 9
(*) Dit blogstukje is geenszins geschikt om aan leken de verschillen tussen die drie partijtjes uit te leggen. Voor wat mijn persoonlijke politieke keuze uit die tijd betreft, verwijs ik naar een stukje (‘Met Camus in de rode Volvo naar de Aldi)’ dat op het internet te vinden is onder http://www.sap-rood.be/cm/index.php?option=com_content&view=article&id=463&Itemid=53

Wie op een van onderstaande labels drukt, vindt elders in de blog nog soortgelijke stukken.

woensdag 5 december 2012

De Teken-Dingen van Chris Wuytack (*)


Er zijn maar weinig argumenten die mij kunnen overhalen om naar een vernissage te trekken. Voor de vuist weg kan ik er maar twee bedenken en 't zijn dezelfde die een mens naar familiefeesten drijven: je doet er iemand een plezier mee en er is spijs & drank. Toen ik op vrijdag 14 september naar Gent trok was dat alleen maar om Chris Wuytack plezier te doen, want ik had al gegeten. 
Aldaar in het Geuzenhuis exposeerde ze tekeningen en tekenfilmpjes.(**)  Ik had al eerder tekeningen van Chris Wuytack gezien en ik had er mijn welgemeende waardering over geuit: ze maakt origineel, uitgepuurd, minimalistisch werk. Waardering uitte zij vervolgens ook over mijn blog. Tijdens dat geschrijf over en weer bleek dat we niet alleen gemeenschappelijke kennissen hadden, maar ook dat zij professioneel redactiewerk verricht had. Dat laatste heb ik vervolgens schaamteloos uitgebuit om de komma’s correct geplaatst te krijgen in een manuscript waarop ik dwaas gekeken was.
U begrijpt dat ’t ene plezier ’t andere waard is: ik naar Gent.
Chris had erg haar best gedaan om de aanwezigen lang aan boord te houden. Dichteres Lut De Block (***) spaarde geen woorden om het werk in te leiden. Die woorden werden zelfs nu en dan onderbroken om er een streepje muziek tussen te lassen, een taak die violist Stefaan Smagghe (****) voor zijn rekening nam. Toch konden die twee me niet beletten om er vlug weer vanonder te muizen.  Waarmee ik al veel gezegd heb over mijn afkeer van vernissages, maar weinig over mijn waardering voor het werk van Chris Wuytack.
Elk kind dat voor het eerst een potloodstreep op papier zet ervaart het: hier gebeurt iets dat eten en slapen overstijgt. Hier gebeurt iets waar mijn ouders buiten staan, dit komt uit mezelf (en 't is geen kak).  Ouders die hun kind zodoende bezig zien, ervaren het eveneens. Door hun kind met dat potlood in de weer te zien, worden zij eraan herinnerd dat ook zij het ooit gekund hebben: uit het niets een schepping oproepen.
Die magie verlies je bij het opgroeien, want op weg naar de volwassenheid leer je tussen de lijntjes te kleuren. Je begrijpt dat ik het niet alleen maar over kleurboeken heb. Je schrijft zinnen waarin onderwerp, werkwoord en meewerkend voorwerp op de juiste plaats staan en je verliest de poëzie van woorden. Je leert over primaire en secundaire kleuren, je leert hoe de verhoudingen van het menselijk lichaam er op een blad uitzien en je verliest de mogelijkheid om iets uit het niets te halen. Wat een kind als scheppingskracht in zich heeft wordt gekanaliseerd naar het rationele, het nuttige, het economische, het aanvaardbare. Je leert je te gedragen als een volwassene en dat is iemand die bijvoorbeeld op tijd en stond naar zo’n vernissage gaat.
Dat opvoedingsproces… We zijn er allemaal door gemoeten en ook dat kind dat hierboven zijn eerste potloodstreep aan ’t zetten is, zal er niet aan ontsnappen. Ik zie ook niet goed hoe ’t anders zou kunnen, maar… dat we onderweg iets kwijtgeraakt zijn is een feit.
Kunstenaars zijn zich daarvan bewust. Pablo Picasso zei dat hij achttien jaar nodig had om als een volwassene te leren tekenen en dat hij vervolgens zijn hele leven lang geprobeerd heeft dat weer als een kind te doen.
Chris Wuytack doet dat nu ook. Zij heeft het academisme achter zich gelaten en ze zet, als ware het voor ’t eerst, het potlood op papier; een daad waarover ze zich verwondert, een daad waarover ook de toeschouwer zich verwondert, zelfs ergert, zo heb ik die avond opgevangen. Op sommige tekeningen staan ook letters, woorden, zinsneden, krabbels die op woorden gelijken, teksten waaruit de regels van de spraakkunst evengoed verdwenen zijn. Ze produceert daarnaast tekenfilmpjes waaraan ze ongetwijfeld veel energie besteed heeft, maar die economisch totaal onnuttig zijn. En dat alles — die potloodlijnen, die woorden, die filmpjes — stelt ze daar in Gent tentoon onder de kinderlijke naam Teken-Dingen.
Er is nog een goeie reden om naar een vernissage te trekken.
Je komt er al eens iemand tegen die je al lang niet meer gezien hebt.
Greta bijvoorbeeld die hier gefotografeerd wordt terwijl ze
een foto van Wuytack en Vandekerckhove neemt.
Zelf heb ik het werk van Wuytack op het internet leren kennen. En ik was er, zoals ik al gezegd heb, danig van onder de indruk. De vernissage heeft daar niets aan toegevoegd; omgekeerd zelfs, er werd daar iets van weggenomen. Vervreemding is het woord dat mij te binnen schiet. Dat komt doordat Chris Wuytack werk maakt dat mijns inziens niet in de winkel thuishoort, want ja, alles van waarde is daar te weerloos voor. En dat is natuurlijk wat zo’n vernissage ook is, de opening van een winkel (al mag dat niet zo genoemd worden, om redenen die socioloog Pierre Bourdieu goed uitgevist heeft). Maar goed, dat is wat ik ervan denk. Kijk eens naar: http://vimeo.com/47478668 (****) en denk er het jouwe van. Vind jij dat dit in een winkel thuishoort?
Heeft Chris Wuytack daar iets verkocht? Het zij haar gegund, want… hoe moet de kunstenaar anders aan een bete broods geraken? Voorwaar een probleem waar we allemaal mee worstelen, een nijpende kwestie die vooraan in onze agenda moet staan, vlak onder de titel: ‘Verdwijnt gij oude vormen en gedachten.’
Flor Vandekerckhove
(*) http://chriswuytack.blogspot.be/
(**) http://www.geuzenhuis.be/p292
(***) http://www.literair.gent.be/html/lexicondetail.asp?ID=5&AID=236
(***) http://www.muziekcentrum.be/identity.php?ID=134418
(****) Zin in meer?: http://vimeo.com/48665647 en http://vimeo.com/39926486