vrijdag 31 augustus 2012

Sluipweg


In de Duinenstraat te Bredene, in het huis waar nu een
winkel van elektrische huishoudapparatuur is,
was eertijds de groentewinkel van Zoë Van Lysebettens en
Edmond Vandekerckhove, mijn grootouders.
De garage fungeerde als sluipweg.
De garage die deel uitmaakte van het huis van mijn grootouders deed dienst als stapelplaats en als sluipweg. Kinderen die in de Duinenstraat woonden, gebruikten die garage om naar de wijk erachter te trekken waar hun school lag die anders alleen via een omweg te bereiken was.
Mijn grootmoeder heerste krachtdadig over het huishouden en over de winkel, maar de garage was het terrein van mijn peter, door de buren gemeenzaam Mongsje genoemd, en door mij pépé. Hij bracht er veel van zijn tijd door omdat hij daar groenten schoonmaakte en fruit trieerde, en ook wel omdat die garage voor hem eveneens een sluipweg was, maar dan naar het café van Alida.
In die stapelplaats hing een menggeur van overrijp fruit, groenteafval en kak. Die merkwaardige mix werd deels veroorzaakt door de waren die er lagen, maar er was ook een ingebouwde wc: houten plank met uitgezaagde opening, grote spinnen onder het deksel, geen water, krantenpapier om je kont schoon te vegen. Daar kwam een beerputgeur vandaan.  Mede omdat die garage een tochtgat was, mengden al die geuren zich tot iets wat geen naam heeft, maar desondanks niet al te onaangenaam rook.
We ontmoetten elkaar daar vaak, mijn grootvader en ik, hij op de terugweg van Alida, ik op de terugweg van de school. Daardoor komt het dat Mongsje voor mij met die onnoembare stapelplaatsreuk verbonden blijft. Wanneer ik aan mijn overleden peter denk dan herinner ik me de aparte geur van die garage.
Ik zag mijn peter graag. Toen hij in 1960 stierf, heb ik tranen met tuiten gehuild en kort daarna heb ik er persoonlijk voor gezorgd dat hij in de hemel terechtkwam.  Dat laatste vraagt uiteraard om enige uitleg.
Hoe het er nu aan toegaat weet ik niet, maar in die tijd kwam de ziel na de dood van de mens in de hemel terecht, in de hel of in het vagevuur. Dat mijn peters ziel in de hel terechtgekomen zou zijn, was onaannemelijk. Een rechtstreekse tocht naar de hemel was eveneens uitgesloten, want daarvoor had Mongsjes lichaam al te veel gebruik gemaakt van de sluipweg die naar Alida’s café leidde. Pekelzonden waren dat, maar dan toch van het soort dat per vergrijp pakweg 150 jaar vagevuur opleverde. Tien keer was al goed voor 1.500 jaar, en stel dat hij dat sluipwegverkeer twintig jaar volgehouden had (een onderschatting) dan kwam hij aan 30.000 jaar vagevuur.  In het licht van de eeuwigheid was dat weliswaar een peulenschil, maar ik mocht er niet aan denken dat zijn ziel het daar zolang zou moeten uitzweten.
Gelukkig bestond er ook een sluipweg uit het vagevuur. Er was één dag in ’t jaar dat er volle aflaten te verdienen waren. Ik denk dat het op Witte Donderdag was, maar zeker ben ik dat niet meer. Met zo’n volle aflaat kon je iemand uit het vagevuur weghalen. De manier om dat te doen was poepsimpel. Je verliet de kerk, ging er vervolgens weer naar binnen, sloeg daar een kruisteken, zegde een Onzevader op, gevolgd door een Weesgegroet, dacht bij dat alles aan de ziel die je uit ’t vuur wilde redden en klaar was kees. Ongelooflijk maar Bardi! Volledigheidshalve moet ik er aan toevoegen dat dit alleenlijk lukte als je vooraf te biecht geweest was.
Ik had dat allemaal volgens de regels van ’t spel gedaan en daarmee mijn peter dertigduizend jaar vagevuur bespaard. In 1960 stierf hij en in 1961 kwam hij al in de hemel terecht; niet slecht voor een sluipweggebruiker.
Ik zie hem daar nu zitten, in de hemel, op een omgekeerde krat, terwijl hij naar ’t gesproken dagblad luistert. En het ruikt er naar een merkwaardige, maar niet onaangename menggeur van kak, fruit & groenten.
Flor Vandekerckhove

PS: Intussen begint 't hier berichten binnen te sijpelen m.b.t. bovenstaand stuk:
1. mijn dochter: 'Ja ik heb dat ook met geuren, geuren en herinneringen. ik heb bijvoorbeeld een sterke geur in mijn geheugen van Nieuwland.'k Moet eerlijk toegeven dat ik dat niet heb van de Ham of andere plaatsen. Dezelfde sterkte van geur bij bomma Avelgem. In mijn hoofd is daar nog niks veranderd en kan ik detail per detail voor de geest halen van dat huis, vanaf de voordeur. Maar dan alweer las ik dat herinneringen vreselijk bedriegen ;-);
2. Wolf Elsing.: 'Die "Aflaten verdiendag" alias sluipweg uit het Vagevuur :-) was op Goede Vrijdag en er moest ook nog een Akte van Berouw bij.' (Ikzelf twijfel aan 's mans theologische kennis, ik geloof er niets van.)
3. Iemand die onbekend wenst te blijven laat me weten dat volle aflaten alleen op Beloken Pasen geregeld kunnen worden. (Beloken Pasen? Nooit van gehoord.);
4. Willy Boey: 'De sluipweg uit het vagevuur heet "persjonkelen" en je kon volle aflaten verdienen op Allerzielen. 'Pertsjoenkeln' is een Oostends woord, opgenomen in het Oostends woordenboek van Roland Desnerck, op blz 344. 'Persjoenkelen, pertsjoenkelde, gepertsjoenkeld: een aflaat verdienen voor een zondaar, een ziel redden door met Allerheiligen of Allerzielen binnen in de kerk zes “Onze Vaders, zes Wees gegroeten en zes Glorie zij de Vaders te bidden; even buiten de kerk te gaan en eventueel rond de kerk te stappen, weer de kerk betreden en weer bidden.'
5. Gerda S.: 'Het was inderdaad op Allerzielen en niet op Goede Vrijdag, dat er gebeden werd om de zieltjes te verlossen. Mijn broer en ik maakten daar een wedstrijd van: na elke sessie, Weesgegroet, Onze Vader en Akte Van Berouw, liepen wij "om ter eerst rond de kerk" om dan opnieuw te beginnen aan een volgend zieltje. Ik herinner mij dat we dat toch enkele jaren gedaan hebben (verplicht door onze moeder die zeer gelovig was).
6. Ook Luc Blomme herinnert zich de 'sluipweg'. Hij schrijft me: 'Toen we als kind nog in de Gentstraat woonden sneden we een hoek af om naar school te gaan, zeker bij regenweer.Dat parcours liep... dwars door de groentewinkel en de tuin van je mémé Zoë! Van gastvrijheid en tolerantie gesproken. De dag van vandaag zou dat niet meer lukken.'

maandag 20 augustus 2012

Casino Bredene

— Zo zag het casino er oorspronkelijk uit. — 


In Bredene, langs de noordzijde van de Driftweg, op de smalle overgangszone tussen die Driftweg en de Koninklijke Baan, stond tot tegen het einde van de vorige eeuw een merkwaardige constructie die wij, Bredenaars, niet ‘het’, maar ‘de’ Casino noemden.
Dat Casino werd in 1939 gebouwd in de stijl van de Nieuwe zakelijkheid en met enige verbeelding kon je er een schip in zien met afgeronde boeg en achtersteven.
Een hoktent is het nooit geweest, wel een verbruikszaal met podium, met daarnaast in open lucht een rolschaatspiste en tennisvelden. Vanaf een terras bovenop het gebouw kon je over de rolschaatspiste uitkijken.
Zelf heb ik het casino nooit in zijn oorspronkelijke staat gezien. De grote, vierzijdige strooien koepel die het lagere gedeelte van het dak bekroonde, was toen al verwijderd. Ik kan me niet herinneren dat daar in mijn kindertijd nog tennisvelden waren.
Wel heb ik periodes mogen meemaken waarin de uitbating van het casino voorspoedig verliep. De rolschaatspiste werd in mijn kindertijd druk gebruikt. Moest er toegangsgeld betaald worden? Zeker is dat je ter plekke rolschaatsen kon huren die in de kelders van het gebouw in ruime mate voorradig waren; het rook er naar zweetvoeten.
Ik herinner me evengoed periodes waarin het gebouw leeg stond te verkommeren en de piste er, uiteindelijk zelfs met prikkeldraad overspannen, verwaarloosd bij lag. Het afgesloten casino trok dan puistige tieners aan die er de dingen kwamen doen die vandaag door hangjongeren ook nog gedaan worden. Het gebouw was daar inderdaad zeer geschikt voor, het had hoeken en kanten te over.
Ik kan me voorstellen dat het complex ooit ‘modern’ en ‘chic’ genoemd werd, maar naarmate ik opgroeide kreeg het hoe langer hoe meer een ouderwets imago. Neringdoeners die het opnieuw tot leven wilden brengen, moesten er vroeg of laat toch weer de brui aan geven. Te weinig klanten kwamen in een veel te grote zaal terecht.  Naamsveranderingen mochten niet baten: Palm Beach, Bredene Palace, Duinhof… het bleef ‘de’ casino zijn, een muf riekend restant van het interbellum.
Tijdens de overgang van de jaren vijftig naar de sixties kende het nog een hoogtepuntje. In 1958, het jaar van de wereldtentoonstelling, opende charmezanger Henk De Bruin (°1918-†1996) er zijn Casino-Duinhof waar hij met een eigen showorkest op de planken stond.
Ik herinner me dat de televisie zo’n optreden uitzond. Omdat wij, straatlopers, tijdens de repetities, met onze neus tegen de ruiten stonden te joelen, besloot men wijselijk ons binnen te laten, waar we achter de camera’s een plekje op de grond toegewezen kregen. Voor het eerst waren we getuige van een televisieopname. Vóór de camera’s zagen we Henk De Bruin de zaal binnenschrijden en de gasten groeten, handje hier, handje daar. Die gasten zaten daar al van ’s middags in avondkledij aan cocktails te nippen en kingsize sigaretten te roken. Tegelijk zong Henk een lied, waarbij hij van tafel naar tafel schreed om er ons onbekende, in avondjurk gestoken dames te charmeren. Ons leek het vooral slaapverwekkend te zijn en we poetsten algauw weer de plaat.  ’s Avonds konden we hetzelfde op de TV nog eens zien: De Bruin schrijdt binnen, doet alsof hij die mensen daar voor het eerst ziet zitten en zingt zijn lied.
Hoe lang Henk De Bruin het in ‘de’ casino uitgezongen heeft, weet ik niet. Vandaag is er op die plek trouwens niets meer wat aan dat gebouw herinnert. Het werd gesloopt en in de plaats kwam een park met lage begroeiing.
Ernaast, waar eertijds het verkeerspark Leburton lag (een oefencircuit om kinderen de verkeersregels aan te leren) werd nu een speeltuintje aangelegd en daar schuin tegenover rest evenmin nog iets van de cinema Fiesta of van de dancing ‘l’Espérance’ waarvan ik me herinner dat de uitbater te pas en te onpas de micro in eigen handen nam om zijn stem toe te voegen aan deze die uit de jukebox schalde.
Tempus fugit. Al die constructies zijn verdwenen, net zoals Henk De Bruin algauw verdween in de richting van De tijd van toen, een radioprogramma waarmee conferencier Jan Thijs de verveling van de zondagmiddag probeerde te doorbreken, veelal met het omgekeerde effect.

Flor Vandekerckhove

De vooroorlogse jeugd van Bredene op de trappen van het Casino. Van voor naar achter: Camiel Vandekerckhove, zijn broer Marcel die later mijn vader zou worden, Elza Devriendt,Jef Decraecker, Simone Vyncke, Alice Vandekerckhove met op haar arm haar jongste zus Erna, Helene Devriendt, José Boncquet die tijdens een bombardement om het leven komt en ten slotte Jef Brys. (Met dank aan Nadine Vansieleghem voor het opsnorren van de namen.)

zondag 12 augustus 2012

Luc & Els

Flor Vandekerckhove en Luc Martinsen (foto Jo Clauwaert)
Van mijn vrienden Luc Martinsen & Els Milh kreeg ik een schilderijtje cadeau, een tableau van de meester zelve. Mooi werk. Ik heb het in mijn fietstas mee naar huis genomen en nu staat het hier te pronken.
Ik zie die twee mensen graag. Luc & Els behoren tot de weinigen die ik in mijn leven toelaat, alhoewel je dat niet te ruim mag interpreteren, een mens moet maat houden zo heb ik geleerd, anders komen er vodden van (het schilderij dat ik kreeg heet niet voor niets Nooit meer drinken).
Luc & Els vormen al lang een kunstenaarsgezin. Verleden jaar zijn ze zelfs getrouwd, een gebeurtenis waaraan ik als getuige mocht participeren. Wat aantoont dat ook zij mij in hun leven toelaten, alhoewel dat evenmin ruim geïnterpreteerd mag worden. We gelijken daarin goed op elkaar.
Het huishouden van Luc & Els oogt als een bakkersgezin. De bakker bakt en de bakkersvrouw doet alles.  Luc schildert en Els houdt zich met de rest bezig, waardoor ze gaandeweg een allroundvrouw geworden is. Zij het niet helemaal, want waterleidingen dichten kan ze niet.
Els & Luc verblijven enkele dagen in mijn huisje in de Languedoc. Dat hebben ze eerder ook al gedaan, maar nu kreeg ik er, vlak voor hun vertrek, dat schilderijtje voor. Dat hadden ze niet moeten doen, want ik vraag niets in ruil. Ik ben blij dat iemand naar dat huisje trekt, anders staat ’t daar toch maar stof te vergaren. Ik wil nu iets terugdoen en schrijf dit stukje terwijl ze nog in het huisje verblijven.
De eerste dag: telefoon. Els: ‘De waterleiding is gesprongen. Wat moet ik doen?’ Ik leg haar uit dat er in het huis een brandertje staat en soldure. Ik zeg dat ze ’t water uit de koperen leiding moet laten lopen, daarna het buisje rondom het lek verhitten en het dan solderen. Omdat ik die twee een beetje ken zeg ik erbij dat buurman Max wel zal helpen.
Dag twee. Ik stuur een berichtje: ‘Is ’t gelukt?
De derde dag krijg ik antwoord: ‘Max is er niet en wij durven niet. We trekken ons plan. Het is hier zalig.’ Dat plantrekken zie ik voor me: het water in huis blijft afgesloten en Els vult emmers aan ’t kraantje in de straat. Ik zie nog meer voor me: wanneer ik in oktober naar dat huis trek om het voor de winter af te sluiten, kan ik meteen beginnen repareren.
Ik moet actie ondernemen. Dag drie. Ik stuur een nieuw bericht: ‘Probeer je ’t nog te fiksen voor je terugkeert? Pascal van ’t huisje beneden zal ook wel willen helpen.’
Twee dagen later krijg ik antwoord: ‘Quel bordel ici. Drie uur lang hebben drie man hier acht gaten gedicht. Pascal en Antoine hebben gezweet. Wij zijn gestrest. Hopelijk is ’t OK. We gaan nu een stukje eten.’ Hola, er is geen tijd geweest om eten te bereiden. Dat zal niet weinig stress veroorzaakt hebben. Ook daarin gelijken we op elkaar.
Ik blijf met enkele vragen achter. Wie is Antoine? En wie is de derde man? Luc? Ik kan bellen om het Els te vragen, maar ik doe het niet. Je moet elkaar niet teveel bellen, vind ik.
Flor Vandekerckhove

PS.: over de schilderkunst van Luc Martinsen schreef ik eerder al in deze blog. Wie in onderstaande labels op zijn naam drukt komt erop terecht.

woensdag 8 augustus 2012

Ferdinand Domela Nieuwenhuis, een vrije socialist

De Vrije Socialist, het blad van Nieuwenhuis
Jan Willem Stutje is een biograaf die zich buigt over kleurrijke figuren uit de arbeidersbeweging. Hij heeft eerder over de communist Paul de Groot geschreven en over de trotskist Ernest Mandel. Nu is er zijn biografie van Ferdinand Domela Nieuwenhuis met als ondertitel Een romantische  revolutionair.
Nieuwenhuis (1846-1919) is de best bekende Nederlandse anarchist, een protestantse dominee die van zijn geloof afviel en via het socialisme uiteindelijk bij het anarchisme terechtkwam, een anarchisme dat hij vrij socialisme noemde.
In de inleiding legt Marcel Van der Linden uit waarom die Nieuwenhuis vandaag nog steeds belangrijk is.  De socialistische beweging heeft onderweg iets verloren, zegt de inleider. Er is ‘sprake van een structurele gedaanteverandering die de subculturele banden met de achterban vrijwel geheel heeft doorgesneden.’ En verder: ‘Vernieuwd elan lijkt alleen mogelijk als wezenlijke elementen van het oude vrije socialisme weer tot leven worden gebracht.’ Van der Linden verwijst daarbij naar wijlen Hans-Jurgen Krahl. Volgens deze Duitse studentenleider is een ‘proces van bewustzijnsverandering’ nodig ‘dat zeker aan acties gekoppeld dient te zijn’, en dat veel tijd zal vergen. ‘Het gaat (…) om het tot stand brengen van een zeer langdurig proces van verlichting.’ Van der Linden weer: ‘Net zoals volgens Max Weber “de geest” van het kapitalisme “het product van een lang durend opvoedingsproces” is geweest, zo kan ook een socialistische samenleving slechts de uitkomst van een veelomvattend proces zijn.’  Daarover valt natuurlijk veel te zeggen en dat is dan ook al veel gebeurd en… het gebeurt vandaag nog steeds.
Ook over het volgende valt veel te zeggen. Domela werd aangetrokken door ‘prekapitalistische waarden, door het verlangen de verbroken eenheid en gemeenschap te herstellen. Hij was niet alleen een rationalist, hij was ook een romantische revolutionair.’
Die idee vinden we ook in de slotbeschouwing van biograaf Stutje: ‘Domela was een romanticus. (…) De hang naar waarden die verloren gingen, behelsde de kritiek op de moderne maatschappij en nam met de voorstelling van het socialisme als reconstructie van de verbroken totaliteit de vorm van een romantisch gevoede utopie aan. De blik van het verleden bood zicht op de toekomst. Domela zocht naar een herstel van de subjectiviteit van het individu, de ontwikkeling van het Ik in al zijn rijkdom en diepgang. Naar de mens, niet in eenzaamheid en vervreemding, maar hersteld in verbondenheid met zijn medemens en de natuur.’
Is dat iets uit het verleden? Niet helemaal, want de Franse marxist Michel Löwy vindt in het revolutionaire romantisme waarden die ook vandaag belangrijk zijn. Hij spreekt ter zake over ‘le véritable défi que nous voulons lancer aux doutes, aux fatigues, et aux nihilismes contemporains.’ (http://www.preavis.org/breche-numerique/article136.html)
Maar wat belette Nieuwenhuis om daarvoor in de sociaaldemocratie te blijven ijveren? Volgens hem was er in de arbeidersbeweging een klassenstrijd gaande. ‘Een bevoorrecht deel van het proletariaat, de “vierde stand”, op sleeptouw genomen door de kleine bourgeoisie, vocht tegen het ongeorganiseerde proletariaat, de zogenaamde “vijfde stand” van verstotenen en paria’s. Kleinburgerlijke elementen joegen hun conservatieve eigenbelang na en waren volop bereid water in de wijn te doen.’ De ongeorganiseerden, de verstotenen, de paria's? Herinnert ons dat niet aan 'de zieken, de zwakken en de misselijken' van Steve Stevaert, nog niet zo erg lang geleden voorzitter van de Vlaamse socialisten?
Bij de anarchisten lag het probleem dan weer elders: ‘Terwijl de sociaaldemocratie bouwde aan een krachtige partij en vakbeweging, sloten de anarchisten zich meer en meer op in de eigen parochie. Ze zonderden zich af in hun landbouwkolonies en productieve associaties. (…) Maar weinigen waren bereid met hem te ijveren voor de algemene werkstaking, voor de directe vakbondsactie en voor het antimilitarisme.’ En verder: ‘Om de kleinste dingen maakten ze ruzie. Het was eenvoudiger een dozijn muilezels bij elkaar te houden dan drie of vier anarchisten, verzuchtte hij.’
Het zijn kritieken die op het einde van de XIXde eeuw geformuleerd werden. Maar wie in de tweede helft van de XXste eeuw een links militant leven leidde, herkent die kritieken wel, zowel deze op de socialisten als op de anarchisten.
Waardoor deze biografie me iets geleerd heeft: niets ligt achter ons, alles gaat door; voorwaar een slotbeschouwing die tegelijk moedeloos maakt en hoopvol stemt.
Flor Vandekerckhove
Jan Willem Stutje, Ferdinand Domela Nieuwenhuis, Een romantisch revolutionair. 559 ps. Uitgevers Houtekiet – Amsab – Atlas Contact. ISBN België 978 90 8924 204 4. ISBN Nederland 978 90 978 90 450 2124 9.

maandag 6 augustus 2012

Van Compostela tot hier


Ooit had hij eraan gedacht naar Compostela te fietsen, maar toen hij las dat je dat beter te voet zou doen kwam hem dat goed uit, want hij wandelde graag, en al wandelend vroeg hij zich wel eens af waarom zo’n tocht eigenlijk naar Compostela zou moeten leiden en bijvoorbeeld niet naar Logrono of dichterbij zelfs naar plekken in eigen land die hij nooit eerder bewandeld had, waardoor het toch beter zou zijn, dacht hij, om bij een club aan te sluiten die alhier tochten organiseert die in wandelgidsen beschreven worden, maar ook in kranten, waardoor het eigenlijk niet nodig was om bij zo’n club aan te sluiten, en terwijl hij verder zijn gewone wandelingen maakte doorheen het Sparrenbosje dat naar de Duinbossen leidt die van De Haan tot in Wenduine strekken, waar hij bij de molen van Hubert altijd een appel at om daarna via het strand weer te keren, vond hij geen enkele goede reden om die wandeling niet nog eens over te doen, waardoor hij twintig jaar na elkaar dezelfde tocht bleef maken en na al die jaren nog altijd geen goede reden kon bedenken om die wandeling niet nog eens over te doen.
Flor Vandekerckhove

zondag 5 augustus 2012

De jongen en de vlag


Ik dacht dat het verloren gegaan was, maar onlangs bezorgde mijn dochter me een oud tableautje, waaronder ik een ander kon vermoeden. Ik schraapte de bovenste laag weg en vond wat ik wilde vinden: een tafereeltje dat ik in het begin van de jaren zeventig geschilderd had.  Kijk, nu ligt het hier voor mij.
Een technisch hoogstandje is het niet, daarenboven ook nog eens erg gehavend door het wegschrapen van de laag die het bedekte, maar het blijft desondanks het schilderij dat mij het dierbaarst is.
Een knaap staat op het strand dat voor de rest helemaal verlaten is. Ver achter hem ligt de zee. De jongen heeft een wit matrozenpakje aan en een baret. Hij houdt een schopje vast.  Rechts, ver achter hem, ligt een rode vlag ontvouwd, als een deken op het strand, een uitnodiging om te gaan zitten.
Toen ik het schilderde was ik een jongvolwassene. Ik was pas getrouwd. We hadden een huis laten bouwen. Ik had een beroep. Het waren de jaren waarin de jongen een man wordt, klaar om het leven te aan pakken. Ik maakte in die jaren ook fundamentele politieke keuzes en die waren fel rood gekleurd, want sterk beïnvloed door de gebeurtenissen van 1968.
Dat alles wordt op dat tableautje afgebeeld. De jongen staat met zijn rug naar de zee, emotieloos ten aanzien wat hij achter zich gelaten heeft, hij neemt het heft in eigen handen en kijkt onbeschaamd naar de toeschouwer. De rode vlag toont zijn politieke engagement. Het matrozenpakje is dat van de jeugd en de baret is die van de volwassenheid. Dit ben ik in 1972!
Maar waarom staat die jongen daar alleen op dat grote strand en waarom ligt die vlag daar achter hem gestreken? Het zijn vragen waarop ik toen al het antwoord wist, een antwoord dat ik kon schilderen, maar nog niet uitspreken. Ik had eerst nog werk te verzetten, kinderen op te voeden, een programma uit te werken. Ik moest eerst nog een stempel drukken, een voetdruk achterlaten, ik had net als Bram Vermeulen eerst nog een steen te verleggen.
Ik was, zo heb ik altijd al geweten, niet erg geschikt om het leven aan te pakken. Hoe klein het steentje ook was dat ik in Brams rivier te verleggen had, het woog mij toch altijd iets te zwaar. Hoeveel keer heb ik gevreesd dat ik er niet in zou slagen de rit uit te rijden? Hoeveel keer heb ik mijn koffer niet neergezet, om hem uiteindelijk toch weer op te pakken en ermee voort te gaan?
Inmiddels ligt het allemaal achter me. De vlag is gestreken. Die had ik in 1972 al op dat tableautje klaargelegd. Veertig jaar later kan ik eindelijk gaan zitten.  Ik mag nu het antwoord formuleren dat het schilderijtje in zich draagt. Net zoals Ismaël ben ik teruggekeerd naar de plek die ik lang geleden moest verlaten omdat ik een witte walvis te bejagen had. Eindelijk kan ik zeggen wat de oud-revolutionair Conrad Detrez me bij leven en welzijn voorgezegd heeft: ‘L’idée de dire la vie, ma vie, a remplacé le désir de refaire le monde’.
Flor Vandekerckhove

vrijdag 3 augustus 2012

Van katten en mensen, de dingen die voorbijgaan

Pol II luistert naar het tikken van de klok.
Ik ben een kattenmens, maar niet zo'n fanatieke. Ik heb ook wel eens een hond gehad en meermaals een konijn. En duiven. Maar daarover kan ik hier niets schrijven, want ’t moet een zeer kort verhaal blijven.
De eerste kat in mijn ouderlijk huis heette Pol, de kater van nonkel Miel, mijn vaders oom. Die bleef met tante Eugenie nog een tijd bij ons inwonen nadat mijn ouders hun huis gekocht hadden. En Pol bleef bij ons, ook nadat die nonkel en tante verhuisd waren.
Pol kon een pootje geven, net zoals een hond dat doet. Dat had nonkel Miel hem geleerd. Katten zijn niet stom. Veel later heb ik een kat gehad die kon apporteren. Hij bracht me kleine steentjes terug die ik voor hem wegsmeet.
De kattin die Pol opvolgde was bijzonder productief. Meerdere keren per jaar gaf ze leven aan een flink nest jongen. Ik hield een logboek bij waarin ik de bevallingen noteerde: datum, plaats, aantal, kleuren; haast een schriftje vol. Ik ben ermee gestopt nadat mijn moeder dat logboek ingekeken had. Ik had het als een inbreuk op onze privacy ervaren. Het was iets tussen de kat en mij geweest en nu was de magie weg.
Soms mocht ik een jong houden. Fidel was zo’n jong. Een schuw beest was het, dat alleen maar in huis kwam als ’t buiten stenen uit de grond vroor, en dan alleen nog maar wanneer ik alleen thuis was. Katten zijn aanhankelijk, maar onder voorwaarden.
Later, toen ik volwassen was, had ik een kat die met me in ’t park ging wandelen. Het beest werd doodgereden. Nadien heb ik van een vriendin een kattin gekregen die in een appartement grootgebracht was en die veel schrik moest overwinnen voor ze zich in de tuin durfde te wagen; zo’n grote ruimte had dat beest nooit eerder meegemaakt.
Die kattin heeft eens een stukje gebraad opgepeuzeld waaraan nog garen en een naald hing. Dezelfde nacht heeft de dierenarts de naald weer uit haar maag gehaald, ik mocht assisteren. Ja, een kattenmens maakt wat mee.
Ik heb vandaag nog altijd een kat. Weer een Pol. De eerste Pol hoorde bij het huis dat mijn ouders destijds verwierven. Pol II hoort bij het huis dat ik van mijn moeder geërfd heb. De cirkel is rond. Ik denk dat Pol mijn laatste is, zoals Pol mijn eerste was. 
Vroeger placht ik veel met mijn katten te spreken. Ik constateer dat ik dat hoe langer hoe minder doe. Pol en ik brengen de dagen zwijgend bij elkaar door. We luisteren naar het tikken van de klok.
Flor Vandekerckhove

[P.S.: Pol is op 16 augustus 2013 overleden.]