zondag 24 juni 2012

Een Oscar Goethalsstraat in Bredene

Van links naar rechts: Paula x; Laura x, twee onbekenden, Jenny Vandekerckhove, haar zus Erna en haar broer Camiel (met ooglap), Robert Vansieleghem, Fernand x, moeder Zoë, x, Alice zus van Zoë, vlak voor haar staat Jerome (Justin) Dekuyper (1907-1982), centraal op de foto bevindt zich uiteraard Oscar Goethals, rechts van hem staat Marcel Vandekerckhove, x, Jerome Depoorter, Gentile Decoutter en Gaston Steen.

De Bredenaar Oscar Goethals (°Bredene, 8 december 1920 - †Brugge, 20 juli 1989) was van 1943 tot 1953/1955 beroepsrenner. In 1944 won hij een wedstrijd in Aalst. In 1946 werd hij derde tijdens het nationaal kampioenschap veldrijden. Derde werd hij dat jaar ook in een wedstrijd in Oostduinkerke. In 1947 greep hij vlak naast de palm in Oostende en dat deed hij ook tijdens het nationaal kampioenschap halve fond op de baan. Dat laatste herhaalde hij nog eens in 1952. In dezelfde discipline werd hij in 1953 derde. Hij is zeer lang als recreatieve fietser actief gebleven en verongelukte al fietsend, op 20 juli 1989, tussen Sluis en Oostburg.

Dat is wat het internet me leert over deze wielrenner die in heel zijn professionele carrière maar één koers gewonnen zou hebben. Maar correct is dat niet, want ik vind in het familiearchief een foto waarop Oscar Goethals de palm toont van een wedstrijd die hij in Westkerke gewonnen heeft. Of misschien klopt het wel en heeft Goethals die wedstrijd gewonnen toen hij nog amateur was. Zeker is wel dat het een koers was die daar ter gelegenheid van de plaatselijke kermis georganiseerd werd.
Het jaartal waarin dat gebeurde is me helaas niet bekend.  De foto dateert van voor mijn geboorte, zo mag ik veronderstellen, maar over die kermissen weet ik wel mee te spreken. Toen ik jong was, trokken de Vandekerckhoves op die kermisdag steevast naar Westkerke, want daar woonde de familie van Zoë Van Lysebettens, echtgenote van mijn peter Edmond Vandekerckhove. Ik herinner me die familiebezoeken aan de zusters van Zoë, allemaal fruithandelaars.

De foto bewijst dat Oscar Goethals een trouwe schare Bredense supporters had, want er staan nogal wat Bredenaars op. Ik ben er inmiddels in geslaagd de meeste namen te achterhalen. Van links naar rechts: Paula x; Laura x, (Laura en Paula woonden in Westkerke en waren nichten van mijn vader), dan volgen twee onbekenden. De twee kleine meisjes zijn Jenny Vandekerckhove en haar zus Erna.  Hun broer Camiel heeft een ooglap op. We zien verder ook de Bredenaar Robert Vansieleghem die in mijn jeugdjaren in de Duinenstraat een garage uitbaatte, Fernand x Westkerkse neef van mijn vader, Zoë Van Lysebettens die in de Duinenstraat een groentenwinkel openhield, x, Alice, de in Westkerke wonende zus van Zoë, vlak voor haar staat Jerome Dekuyper, de oom van Robert Vansieleghem, centraal met de palm staat uiteraard Oscar Goethals, vervolgens mijn vader Marcel Vandekerckhove, een onbekende en ten slotte nog drie Bredenaars: Jerome Depoorter (brouwer en actief in de gemeentepolitiek), Gentile Decoutter en Gaston Steen die in mijn kindertijd allebei bekende fietsenmakers waren.

Inmiddels weet ik alweer meer over deze Goethals. Daniël Eyland deelde me mee dat Oscar een dochter heeft die nog steeds in Bredene woont en schepen Jacques Deroo wist me te zeggen dat Oscar later koersdirecteur was in triatlonwedstrijden. Daarenboven weet ik nu dat er over twee, drie jaar een Oscar Goethalsstraat in Bredene komt. Neen, die Oscar is hier bijlange niet vergeten.
Flor Vandekerckhove

zondag 17 juni 2012

De nonnenstaking

De man blijft nadenken, waardoor hij natuurlijk niet meer aan slapen toekomt. Door zijn hoofd spookt het nieuwsbericht dat de nonnen het werk neergelegd hebben; alle nonnen, wereldwijd. En het weerbericht voorspelt storm op zee. 
Hij staat op om een sigaret te roken. Middernacht heeft de nieuwe dag al aangekondigd, maar daar is op straat niets van te zien. Wel ziet hij door zijn venster hoe papierresten op een hoop gewaaid werden. In zijn hoofd doen warrige gedachten iets soortgelijks. 
Het zijn wel zijn zaken niet, maar toch denkt de man na over de gevolgen van zo’n nonnenstaking. Tegelijk ontwaart hij iemand die aan de overkant van de straat, in ’t duister van de nacht, de afrastering van het dierenpark doorknipt. Waarna de dierenbevrijder weer verdwijnt. De regen knettert tegen ‘t raam.  Een bevrijde emoe steekt de straat over om in zijn portaal te schuilen. 
De man vraag zich af of de kardinalen in Rome hun ondergoed nu zelf moeten wassen en hij hoort hoe de storm de kust vervaarlijk dicht aan ’t naderen is. Eén uur ’s nachts: nieuwsflash. De nonnen maken plannen om Vaticaanstad te bezetten. 
De slapeloze man kan alleen wachten op het moment waarop de krant in de bus valt ten teken dat de nacht voorbij is. En hopen dat de duinen sterk genoeg zijn om de storm terug te dringen, want 't uur van 't springtij nadert. 
Het hangbuikvarken, de eend en het konijn kiezen het hazenpad waarop de haas hen eerst gewezen heeft. De herten steken waakzaam hun kop door de omheining. In de nu bijna lege wei ontvouwen militante nonnen een spandoek waarop Vive la sociale geschreven staat. Gevolgd door de beesten trekt de betoging van de nonnen zich op gang. Op naar Rome! Hij schudt zijn vriendin wakker om het haar te vertellen, maar zij antwoordt dat hij moet slapen. Hij vindt dat ze gelijk heeft en sluit de ogen. Het duurt nog even vooraleer… Er moet nog een slotzin aan dit verhaal… Misschien moet daar iets staan als…  
Flor Vandekerckhove

vrijdag 15 juni 2012

Op zoek naar Patrick Van Molle

De klas van meester Blomme, halverwege de vorige eeuw. Boven van links naar rechts: Marcel Derdeyn, Hugo Pauwels, Robert Devisch, Willy Versluys, Jean-Pierre Beirens, Honoré Pitteljon, Albert Declercq, Johan Brauwers, x Verlee, x Rosseel, x Vandenbroucke, x Vansembroeck. Midden: Dirk Bergmans, Norbert Olders, Louis Vancleven, Freddy Versluys, Ivan Steen, Flor Vandekerckhove, Marcel Vanpaemel, Erik Pope, Fernand Devos, Chris Stuyts, Noël Denys, Patrick Van Molle. Onder: Gilbert Boey, Jacques Malfait, Fernand Moeyaert, Lucien Geryl, Jean-Pierre Boentges, x Dewilde, Albert Tas, x Vanlerberghe, x Warmoes, Hubert Derdeyn, x Utterwulghe (Met dank aan Annick Blomme die me de foto bezorgde.)
[Kan iemand me de ontbrekende namen laten kennen? Mochten sommige namen fout zijn of fout geschreven, wil je me dat dan ook meedelen? ] 


ER ZIJN MENSEN die je een leven lang tegen het lijf loopt. Je hebt ze voor het eerst in de kleuterklas gezien, je bent ze blijven zien en je komt ze ook nu nog regelmatig tegen. Je kent die mensen al zo lang dat je denkt dat het je vrienden zijn; een misvatting, maar een die te begrijpen valt. 
Er zijn ook mensen die je in die kleuterklas gekend hebt, maar die je daarna niet meer ziet… tot ze toevallig eens aan je deur passeren. Dat is me onlangs overkomen. 
En er zijn er ook die je nooit meer ziet. Opeens ontsnappen ze uit het kader waarin je leven zich beweegt en ze keren er nooit meer in weer. 
Patrick Van Molle is zo iemand. Nooit meer gezien, nooit nog gehoord. 
We liepen samen school. Hij was steevast de primus van de klas en torende met zijn percentages hoog boven iedereen uit. Vandaag zou men hem hoogbegaafd noemen, maar in die tijd bestond daar nog geen woord voor. 
Er was wel meer waardoor Patrick zich van ons onderscheidde. In het spel wilden wij allemaal bandiet zijn. Slechts één gaf zich telkens op als politieman: Patrick. In een ander spel — dat eigenlijk hetzelfde was — waren wij de smokkelaars en was alleen Patrick de douanier. Wanneer het er op aan kwam uit de gevangenis te ontsnappen nam Patrick graag de rol van cipier op zich… En hij droeg een Tiroler broek, een LederhosePatrick was, zo vonden wij, een beetje anders. 
Werd hij erom gepest? Dat denk ik niet, maar er waren er toch niet veel die hem thuis gingen opzoeken. Hij werd door ons gedoogd en hij gedoogde ons. 
Na zijn middelbare studies trok Patrick naar de universiteit. Zo waren er wel meer, maar die kwamen niet in de Université Catholique de Louvain terecht, om daar romaanse talen te studeren, zoals Patrick dat wel deed. Daarna hoorden we nauwelijks nog iets over hem. Hij zou professor geworden zijn en ergens een romaanse taal doceren. Hij zou een korte tijd getrouwd geweest zijn. Alles in de voorwaardelijke wijs. En daarna niets meer.
Ik googel zijn naam. Het is niet dat ik vermoed dat Patrick een facebookman zou zijn, maar zo’n bolleboos moet toch sporen op het internet achterlaten. Helaas, geen adres, geen foto. Ik vind de titel van een thesis die wellicht de zijne is: 'Les auxiliaires italiens du passif: problèmes de méthode et résultats concrets: mémoire présenté en vue de l'obtention du grade de licencié en philologie romane / Patrick VAN MOLLE. - 1971'. Diep in het net vind ik nog twee wetenschappelijke publicaties, waar ene Patrick Van Molle als medeauteur voor tekent. ‘Problèmes linguistiques des enfants de travailleurs migrants’ en ‘Conversazione in Sicilia’ met daar nog ’n resem ondertitels achter. Voor zover die studies zich op het internet laten inkijken vind ik er maar weinig in dat aan mijn ouwe klasgenoot toegeschreven wordt. Een pover resultaat is het. Bovendien dateren die studies al van 1977. Zou hij afgehaakt hebben? Is hij uit het universitaire kader gestapt om in Sicilië geiten te hoeden? Is het ergens misgegaan? Is hij overleden?
Flor Vandekerckhove

donderdag 14 juni 2012

Bredenaar van de week


Op zondag 17 juni duidde mijn gemeente de Bredenaar van het jaar 2011 aan. Deze werd gekozen tussen de verschillende inwoners die zich in dat jaar al eens Bredenaar van de week mochten noemen. 
Wellicht kent u dat eerbewijs niet, maar zelf ben ik al twee keer Bredenaar van de week geweest. Ik ben er bijzonder trots op, vooral omdat het de enige onderscheiding is die ik ooit heb mogen ontvangen.
Ja, tijdens mijn schooljaren heb ik ook wel enige onderscheidingen verworven, zelfs grote, maar dat komt doordat ik met Jacky Hogenboom een combine uitgedacht had waarbij ik de taalexamens voor mijn rekening nam en hij de wiskundeproeven. Achter de rug van de surveillerende leraar gooiden wij uitkomsten naar elkaar. Dat ik twee keer Bredenaar van de week geworden ben is daarentegen helemaal mijn eigen verdienste.
De eerste keer dat ik de onderscheiding kreeg is alweer bijna twintig jaar geleden. Ik was pas weer in Bredene komen wonen, in het landelijke deel ervan, het dorp, om daar de rest van mijn leven in peis & vree en vooral in ledigheid door te brengen.
Die peis & vree vielen nogal tegen, want het huisje lag vlak onder de klokken waarmee de gelovigen ter kerke geroepen worden. U zult dat wellicht niet erg vinden, maar dat komt alleen doordat u zelf niet onder die kerktoren gewoond hebt. Het viel zelfs twee tegen omdat m’n landhuisje vlak tegenover de parochiezaal lag waar regelmatig danspartijen plaatsgrepen waarbij zatte nonkels zich overdadig aan schlagers te buiten gingen. Erger nog, het viel drie keer tegen, want op zondagmiddag kwam er in die zaal ook nog eens een poporkestje repeteren.
Terwijl ik al dat lawaai probeerde gewoon te worden, kwam de plaatselijke oppositiepartij — alhier terecht de kaloten genoemd — in het geweer tegen een beslissing van het schepencollege om in de dorpskern een jeugdhuis te vestigen. Volgens hen zou dat burengerucht opleveren. En dus publiceerde ik in de plaatselijke krant een lezersbrief waarin ik hun vroeg tegelijk iets te ondernemen tegen het overdadige klokkengelui, het verhuren van de parochiezaal aan even luidruchtige als kansloze orkestjes en tegen nachtelijke uitspattingen in dezelfde zaal.
Onverwachts kwam ik daarmee middenin de gemeentepolitiek te staan.
De kaloten maken blijkbaar onderscheid tussen twee soorten lawaai, klerikaal en seculier. Wie seculier lawaai aanklaagt getuigt van burgerzin, wie over klerikaal lawaai klaagt getuigt van onverdraagzaamheid.  Het schepencollege, dat in Bredene uit sossen bestaat, vond in mijn lezersbrief dan weer een argument om de jeugdhuisplannen onverkort uit te voeren.
Mijn brief had drie gevolgen. Eén: aan het klerikaal lawaai, dat onverminderd bleef doorgaan, werd nu ook het seculier lawaai van een jeugdhuis toegevoegd. Twee: mij werd door de burgemeester de titel Bredenaar van de week toegekend. En drie: ik ben inmiddels verhuisd.
Verleden jaar mocht ik me voor de tweede keer Bredenaar van de week noemen. Nu kreeg ik de titel omwille van het opstarten van deze blog. Zei de burgemeester: ‘Op die manier zet je onze gemeente op een erg positieve manier in de kijker.’ En met dit stukje hoop ik daar nog een ferme schep bovenop te doen.
Flor Vandekerckhove
Wie op een van onderstaande labels drukt, vindt elders in de blog nog dergelijke stukjes.

vrijdag 8 juni 2012

Het leven zoals het is in Klein Charleroi

Papy Blues
Ik woon in Klein Charleroi. Andere mensen spreken over Brusselstraat & omgeving, maar in de besloten kring van mijn huis spreek ik van Klein Charleroi. Wellicht heb ik die naam bedacht toen er onder mijn venster een gevecht uitbrak tussen een groep Franstalige toeristen en een familie van kleine zelfstandigen die ik misschien wel verkeerdelijk Pakistani noem. Het was een hevig gevecht, vooral gevoerd door vrouwen. Beide families deden beroep op mijn burgerzin om hun verhaal te staven. Ik sloot wijselijk mijn raam en sindsdien noem ik dit stukje grondgebied liefkozend Klein Charleroi. (Kort na dat gevecht krijg ik van de politie een formulier in de bus waarin naar mijn veiligheidsgevoel gepolst wordt. Ik heb het bij ’t oud papier gekeild. Klein Charleroi is immers een buurt waar het prettig toeven is, althans voor wie niet per se tot de middenklasse gerekend wil worden.)
In de buurt woont er een sympathieke drugsdealer. Die mens doet dat om evidente redenen in stilte, maar het valt toch op, want er rijden nogal wat chique wagens tot voor zijn deur. Mooie, jonge, langharige blondines staan aan de overkant omhoog te kijken om te zien of de dealer aanspreekbaar is. Overlast geeft dat zeker, maar dan toch van het soort dat aangenaam is om naar te kijken. Het appartement van de dealer heet alhier De WinkelAndere winkels zijn er niet. Er is wel een drukke kapperszaak. Ook ik laat me daar knippen.
Om de hoek woont een mens die er eigenlijk twee is. Roept de ene: Waar is dat feestje? Antwoordt de andere: Hier is dat feestje! Toevallige voorbijgangers kijken op, ontwijken de zonderling, maar slagen er niet in hem te negeren. Wij, klein-carolorégiens, doen dat niet. Er is werk aan die mens, zoals aan ons allemaal, maar voor de rest doet hij niemand kwaad. Leven en laten leven, zo zijn wij. 
Veel bewoners van Klein Charleroi hebben boodschappenkarretjes die ze in de Lidl volproppen met bierblikken. Die mensen zijn getekend door het leven en ze bewegen daar ook naar. Etalagebenen. Veel gepensioneerden. Rachel, dik in de tachtig, woont hier. Haar heb ik leren kennen toen ik bitter jong was en zij de uitbaatster van café-pension Tourist, ook wel Bij de Mechelaar genoemd. Ik ging er mijn vaders kippen leveren en kreeg van Rachel altijd een vriendelijk woord, wat op mijn ronde zeer uitzonderlijk was. Ik heb er haar onlangs aan herinnerd en sindsdien zijn we maatjes geworden, ze zwaait me toe wanneer ik aan ’t raam een verhaal zit te bedenken. Papy Blues woont hier met zijn kokette vriendin. Hij is onze bekendste wijkbewoner, want onlangs werd hij nog door de Nederlandse televisie uitgeroepen tot de beste straatzanger van de Benelux. 
In Klein Charleroi hebben we een groot hart. We voederen de meeuwen die op onze ramen kakken, we geven eten aan elkaars katten en we dragen zorg voor de nòg zwakkeren onder ons. Dat deden we bijvoorbeeld ook voor Pierre de plakker. Zwaar gehavend door overmatige alcoholconsumptie was hij nauwelijks nog mobiel te noemen. We hielpen hem zo goed we konden. De dealer bezorgde hem een gratis joint, een drinkebroer leverde een extra blik… Tegen beter weten in stak iemand een appel in zijn bus en zelf voorzag ik hem van De Zeewacht. Speedy nam hem met krukken en al mee op zijn (wellicht gestolen) bromfiets om hem naar de kroeg te voeren. Pierre is inmiddels overleden, net zoals die ouwe die uit ’t zicht van zijn echtgenote, vlak om de hoek, hier vlug een door de dokter verboden sigaretje kwam opsteken. Mannen!  
Flor Vandekerckhove

woensdag 6 juni 2012

Snijders lezen op de Mont Floran

A.L. Snijders
Elk jaar trek ik erop uit, weg, naar Frankrijk, alwaar ik aan het einde van de rit, 1100 kilometer ver, tot rust kom op een berg. Altijd dezelfde reis. Altijd dezelfde berg. Waardoor ik die berg de mijne noem, le Mont Floran. Verkeerdelijk natuurlijk, want die berg heeft geen Franse naam en heet gewoon Puèg del Borion. (Puèg spreek je uit als piëche; borion is een verkleinwoord van bòria, hoeve). We bevinden ons in de Languedoc alwaar de dingen Occitaans zijn.
Op die berg heb ik een huisje overgehouden uit de tijd dat ik jong & dynamisch was en de koterijen op de Puèg del Borion dermate goedkoop waren dat zelfs ik er een kon kopen. Daar trek ik nu jaarlijks heen, mijn reisweerzin overwinnend omdat een reis naar je eigen huis nauwelijks zo genoemd mag worden. 
Aldaar aangekomen doe ik niets. Dat is overigens niet helemaal waar. Ik doe wel iets, zij het niet veel, en 't is daardoor dat een mens tot rust komt.
Elk jaar is ’t weer hetzelfde en elk jaar is het ook weer anders. Er is een jaar geweest dat het op le Mont Floran zo koud was dat ik alleen maar het bed uitkwam om hout te zoeken, te kappen en te stoken, waarna ik met kleren en al weer in bed dook. Het daaropvolgende jaar heb ik in ’t huisje enkele deuren geplaatst. Er was een jaar waarin ik op de radio avond na avond naar de Ring des Nibelungen van Wagner geluisterd heb, negentien uur muziek met teksten in een taal die ik niet begrijp, voorafgegaan door inleidingen in een andere taal die ik evenmin begrijp. Achteraf heb ik de betreffende CD’s gekocht om er nooit meer naar te luisteren. 
Onvergetelijk is ook het Jaar van de Slang! Sindsdien komt er nog maar weinig volk op bezoek. Er is een jaar geweest dat ik vanaf de Mont Floran een uitstap naar Lourdes ondernomen heb. Sindsdien ben ik een atheïstische liefhebber van die stad geworden, ook omdat ik er getuige geweest ben van menig mirakel. Er is een jaar geweest dat mijn auto er onderweg de brui aan gaf en sindsdien heb ik geen wagen meer en daardoor geld te over. Ja, dat zijn ferme avonturen, maar meestal gebeurt er niets.
Ik zit naast de stoof, onder de lamp, drink koffie, lees een boek met zeer korte verhalen van A.L. Snijders en verkneukel me, want hij schrijft dat er niets mooiers bestaat dan lezen onder de lamp.  Snijders heeft gelijk, maar niet helemaal. Hij had moeten schrijven: er bestaat niets mooiers dan lezen onder de lamp in een huisje op de flank van le Mont Floran. 
Hij schrijft wel meer waarin ik me verkneukel. Over de dadaïstische schilder Picabia bijvoorbeeld vertelt hij een anekdote. Deze ‘Picabia gaf journalisten geld als ze hem noemden in hun artikelen, de context deed er niet toe. Daarom verschenen er in Parijse kranten dikwijls verslagen van branden of opstootjes, waarin je lezen kon: Onder de toeschouwers bevond zich de heer Picabia.’
Het is waarschijnlijk nog waar ook, alhoewel je daar bij Snijders niet al te zeker mag van zijn. Zo schrijft hij ook: ‘Richard Appleby citeert in zijn boek Voyage and Painting een negentiende-eeuwse Engelse schilder die de Nijl opvoer tot de vierde cataract: “Wat ze zeggen over mijn schilderijen interesseert me niets, of de boot niet omslaat, daar gaat het om”.’ 
Snijders schreef dat in een krantenstukje en daar moesten de lezers het mee doen. Maar in het boek dat de stukjes bundelt, wordt bij elke column ook een ‘brief aan de hoofdredacteur’ gevoegd en daarin deelt Snijders mee dat Richard Appleby niet bestaat, het boek Voyage and Painting evenmin en dat hij het woord cataract gebruikt heeft omdat hij vond dat het eens in de krant moest staan.
Snijders is een heel andere mens dan ik, maar hij is toch een man van mijn hart. Hij heeft me een vers van Richard Minne leren kennen waarmee ik het alleen maar eens kan zijn: ‘veracht de burgerman, / doch ledig zijne kruiken.’ Hij schrijft over de vierkante meter van zijn bestaan. Hij hanteert een levensfilosofie die her en der nauw bij de mijne aanleunt. Hij is bijvoorbeeld zeer tegen religie. Hij is pro ‘nutteloze’ dingen, zoals het reciteren uit Het huwelijk van Willem Elsschot, iets wat ik ook graag doe. Hij idealiseert het heremietleven en hij zegt alleen maar van mensen te houden wanneer ze in een hol wonen waar ze niet uitkomen.
Voor de rest probeer ik, eveneens à la Snijders, de werkelijkheid op een scheve manier trouw te blijven. Het is valavond en de Franse buren eten samen aan een lange tafel die op straat staat. Les copains d’abord. Lampions en vleermuizen. Du pain, du vin, du Boursin. Veel tralala en ook paddenstoelen die cèpes heten. Zelf blijf ik in mijn hol zitten en kom er niet uit. Snijders zou dat ongetwijfeld appreciëren.
Flor Vandekerckhove

A.L. Snijders, Heimelijke vreugde 1, 2007 Uitgeverij Thomas Rap. ISBN 90 6005 7070.


vrijdag 1 juni 2012

Waarom ik geen beenhouwer geworden ben

Bredene, Duinenstraat 296. De Poularde,
de winkel van mijn ouders. Ze verkochten het
huis in de jaren zeventig. Het is vandaag nog
altijd een winkel.
Lang was mijn vader niet naar school geweest en een echt beroep, een stiel, had hij al doende evenmin geleerd. Als jongeman werkte hij bij een mazoutverdeler en toen die mens er de brui aan gaf, nam mijn vader zijn handel en de daarbij horende kleine tankwagen over.
Mijn moeder baatte dan weer een winkel uit.  Het winkeltje, dat eerst niet veel meer was dan een woonkamer waarin enkele bakken melk en water stonden, werd uitgebouwd. Op den duur kon je er niet alleen een melkfles kopen, maar ook charcuterie, gevogelte & konijnen. Dat laatste komt doordat mijn vader een oom had die poelier was, nonkel Miel, veelal roste Miel genoemd. Toen roste Miel ermee ophield, namen mijn ouders ook die zaak over en we verhuisden van de Golfstraat naar de Duinenstraat, wat in neringdoend Bredene een vooruitgang was.
De combinatie van de twee handelszaken bezorgde mijn ouders voldoende inkomen om rond te komen. In de winter kwam de broodwinning uit de mazouthandel, in de zomer uit de winkel.
Poelier worden kan iedereen. Je hebt er geen diploma voor nodig, je moet alleen maar bereid zijn met bloedend en krijsend pluimvee om te gaan. Beenhouwer daarentegen, da’s een stiel die aangeleerd moet worden, en ja, een beenhouwer verdient meer dan een poelier.
Je weet hoe het is met ouders, zij dromen van een betere toekomst voor hun kind. Dus wilde mijn vader dat ik beenhouwer zou worden. Ik sprak hem niet tegen, ten eerste omdat mijn mening niet gevraagd werd, ten tweede omdat ik vond dat beenhouwer Fernand Minne een toffe pee was die in zijn winkel worsten draaide terwijl hij sigaretten rookte. U merkt het, ik spreek over voltooid verleden tijden.
Toen ik zo’n dertien jaar geworden was, moest de zaak getrancheerd worden. Bij een beenhouwer in de leer gaan was uitgesloten. Mijn vader zei dat ik evengoed zijn winkel kon kuisen als die van Minne, mijn moeder vond dan weer dat ik te goed leerde om de school links te laten liggen. Even werd eraan gedacht mij naar de slagersschool van Anderlecht te sturen, maar daar zou ik intern moeten worden en ja, hoeveel zou dat alweer niet kosten. De zaak bleef onbeslist. Althans dat dacht ik.
In de winkel luisterde ik een gesprek af tussen mijn moeder en een klant. Dat deed ik wel meer, want het was een goede manier om iets te weten te komen over al datgene waarover kinderen in het ongewisse gelaten werden. Zo kwam mij ter ore dat ik uiteindelijk toch geen beenhouwer zou worden, want, zo zei mijn moeder, een col is vlugger gewassen dan een overall.
Voorwaar een uitspraak waarover ik moest nadenken, want hij riep nogal wat vragen op. Minne droeg immers geen overall maar een kiel. Daarnaast vond ik het problematisch dat een beroep beoordeeld werd naar de was die het voortbracht. Verder scheen het me toe dat het wassen van een boord ook niet simpel was, want Dash waste in die tijd bijlange niet zo wit als de reclame zegt dat ze dat vandaag doet.
Het waren evenwel vragen die naast de kwestie zaten. En de kwestie was dat ik geen beenhouwer zou worden. Er zat voor mij niets anders op dan verder goed te leren.
Flor Vandekerckhove
Wie op een van onderstaande labels drukt vindt in de blog nog soortgelijke verhalen