donderdag 31 mei 2012

Herinneringen aan Arthur Decabooter

Tuur Decabooter wint de sprint.
Op 26 mei is oud-wielrenner Tuur Decabooter overleden, zo las ik in de krant. Het bericht ervoer ik als een teletijdmachine die me een halve eeuw ver terugsmeet. Toen ik uit die machine stapte zag ik mijn vader weer. Hij stond achter me en ik stond op het dranghekken toe te kijken wie de sprint zou winnen. 
Mijn vader was een wielersupporter en ik was dat eveneens. Mijn held was Marcel Seynaeve, een beroepsrenner uit Bredene, die bij Groene Leeuw reed, de ploeg van Albert De Kimpe. Daar reed ook Tuur Decabooter bij.
Marcel Seynaeve was niet zo’n groot wielrenner. Als het goed ging, won hij wel een koersje, maar hij werd vooral gewaardeerd als het hulpje van kopman Frans De Mulder. Die Frans was een ronderenner en zo kwam het dat ook Marcel deel mocht nemen aan enkele grote rondes, zoals deze van Spanje en die van Frankrijk.
Zijn deelname aan de Ronde van Frankrijk was roemloos. Al bij de eerste bergetappe keerde Marcel weer naar huis. Ik zeg het onder voorbehoud, en dat geldt ook voor alles wat hier volgt, want ik spreek over lang vervlogen dagen.
Het dichtste bij de roem kwam Seynaeve toen hij in 1961 de vierde rit in de Ronde van Spanje won en daarmee even het puntenklassement mocht aanvoeren. Nogmaals, dat is wat ik mij daarover meen te herinneren, want dat klassement vind ik nergens op het internet terug. Misschien verwar ik mijn kinderlijke fantasie met de al te saaie werkelijkheid. Welke kleur had de trui van degene die dat puntenklassement mocht aanvoeren? Ik weet het niet meer.
Wel herinner ik me goed dat ik als twaalfjarige dagelijks de resultaten uit de krant sneed om de evolutie van mijn held in Spanje te volgen. Enkele dagen later gaf ik het op, want onze Marcel was al gauw weer weggezakt tot op de onbetekenende plaats waar waterdragers thuishoren.
Mijn maat Ivan Steen, later Ivan Gaze genoemd omdat hij om den brode gasflessen aan de man bracht, was kind aan huis bij de schoonfamilie van Marcel. Die baatte in onze wijk een kruidenierszaak uit die in mijn herinneringen 't Ankertje heet. Via Ivan kreeg ik een petje van Groene Leeuw, geel en groen, waardoor ik mij ook zichtbaar als fan kon manifesteren.
Ivan was een belangrijke informatiebron. Van hem kwam ik te weten dat Marcel uit de kop van dat klassement verdwenen was doordat ploegleider Berten De Kimpe wilde dat Decabooter die trui mee naar huis zou nemen, zoals hij dat een jaar eerder al gedaan had. Ik denk dat dit de eerste keer was dat ik een samenzweringstheorie te horen kreeg.
Van Ivan kwam ik nog meer te weten. Bijvoorbeeld dat er bij Groene Leeuw twee informele kampen waren. Het ene rond Tuur, het andere rond Frans De Mulder en onze Marcel zat natuurlijk in het kamp van deze laatste. Ik vond toen dat dit veel verklaarde, al zou ik vandaag niet meer weten wat.
Wat herinner ik me verder nog over Tuur Decabooter? Ik vertoef op de Visserskaai waar de koers eindigt. Ro-da-nia. Ik ben elf. Mijn vader heeft me met zich meegenomen. Ro-da-nia. Hij staat achter me en ik sta op het dranghekken. Ro-da-nia. Ik herinner me het beeld van de sprintende Decabooter. Een geweldenaar is het, met een gigantisch bovenlijf en met nog indrukwekkender benen; een stier die de eindmeet aanvalt. El toro wint!
Flor Vandekerckhove

vrijdag 25 mei 2012

Plaats voor velo’s

Bredene, het erf van boer Lagast. Geen plaats voor velo's meer.
Lang geleden, toen ik een knaap was, woonden mijn ouders in een straat die toepasselijk Duinenstraat heet, een verbindingsweg tussen het hinterland en de Noordzeeduinen.  Het was een drukke straat, niet in het minst tijdens de zomervakantie wanneer honderden dagjestoeristen via die straat naar de kust afzakten.  Dat afzakken gebeurde veelal per fiets, want ik heb het over een tijd waarin auto’s alleenlijk gekocht werden door mensen die daar echt nood aan hadden (alsmede door rijkaards, maar die kwamen niet naar Bredene, die gingen elders zonnen).
Tussen mijn ouderlijk huis en dat van de buren lag een afgesloten stuk grond te wachten op bebouwing. Aan de poort hing een bordje waarop Plaats voor velo’s aangekondigd werd.  Elke zondagmiddag werd naast dat bord een stoel gezet en op die stoel zat ik.
Kort na het middageten kwamen ze toegestroomd.  Ze kwamen van heinde en ze kwamen van ver; van Oudenburg en Westkerke, Ichtegem en Eernegem, van het Sas en van het Dorp; vaders met hun zoon op de buis, moeders met hun dochter op de bagagedrager, bromfietsers die zwoeren bij het onvolprezen merk Superia, jonggezellen, veel mannen die Wervik rookten en vrouwen met een hoofddeksel dat foulard heet en hun permanent beschermde tegen ’t zand. 
A rato van vijf frank konden ze hun fiets bij ons achterlaten. Op zonnige topdagen werden er zodoende vele tientallen en (in mijn misschien wel vervormde herinnering) zelfs meer dan honderd fietsen aan mijn hoede overgelaten.
En er was concurrentie. In diezelfde straat, vijftig meter voor ons huis, stond de woning annex woonerf van boer Jerome Lagast.  Ik herinner me dat daar jaarlijks graan gedorst werd. Voor de rest gebeurde er op dat erf niet veel. Dus was ook daar plaats voor velo’s.  Daar werden de zaken geregeld door Martha, een leeftijdgenote van mijn ouders en dochter van de oude Jerome.
Martha heeft het lang volgehouden.  De grond naast mijn ouderlijke woning was al lang bebouwd, zelf was ik al een man op zijn retour, boer Jerome was al lang dood & begraven, maar Martha bleef pal naast haar bordje Plaats voor velo’s staan. 
Jaarlijks verminderde het aantal fietsen dat op het erf van Lagast geparkeerd werd.  Kwam dat doordat het fietsslot intussen uitgevonden was?  De tijd had inderdaad niet stilgestaan, al was dat aan de kledij van Martha niet te zien.  Het merk Superia bestond niet meer.  De mensen uit de polderdorpen namen nu het vliegtuig naar Benidorm. Het zal vooral aan het toenemende autobezit gelegen hebben…
Het kon hoe dan ook niet blijven duren. Toen ik na veel omzwervingen terug in Bredene kwam wonen, zag ik haar nog altijd naast het bordje staan, waarop nu evenwel geschreven stond: Plaats voor auto’s.
Flor Vandekerckhove
Wie op een van onderstaande labels drukt vindt in de blog nog soortgelijke verhalen

donderdag 17 mei 2012

Myriam

Het graf van Myriam op het oud kerkhof
van Bredene Dorp. Het graf bestaat niet meer.
Ooit heb ik een zusje gehad. Niet lang, want het kind was prematuur geboren en heeft maar enkele maanden geleefd. Myriam, zo heette ze, heeft haar korte leven in een couveuse doorgebracht. Ze heeft de materniteit nooit verlaten.
Wellicht omdat kinderen verspreiders van ziektes zijn, heb ik haar nooit in die couveuse mogen zien. Wanneer mijn ouders bij haar op bezoek gingen, moest ik aan de receptie blijven wachten. Of ik bleef buiten spelen. Een welwillende verpleegkundige heeft Myriam eens aan het venster omhoog gehouden en zo komt het dat ik mijn premature zusje toch een keer gezien heb, al was er, zo moet ik eraan toevoegen, niet veel te zien, want ik stond buiten te kijken en de couveuse stond op de hoogste verdieping van de kliniek. 
De volgende keer dat ik haar zag, lag ze opgebaard. Ze hield een sliert gevlochten bloemen in haar dode minihandjes, wellicht witte lelies. Misschien komt het daardoor dat ik het tot vandaag nog altijd liever niet met bloemen zeg.
Myriam mag kort geleefd hebben, ze is voor mij wel belangrijk geweest. Door haar heb ik bijvoorbeeld geleerd dat er taboes bestaan. De zwangerschap van mijn moeder was zo’n taboe. Dat moeder zwanger was, hoorden kinderen in die tijd blijkbaar niet te weten. En mijn vader beantwoordde sowieso al geen vragen, hij zei alleen maar gauw gauw.
Ik was zeven. Opeens was mijn moeder weg. Er werd een kamer in gereedheid gebracht. Daar kwam naast een kinderbedje ook een ouderlijk bed te staan, zodat mijn ouders bij het minste onraad konden ingrijpen.  
Omdat mijn vader niet goed wist hoe hij mij in moeders afwezigheid onledig moest houden, kreeg mijn nicht opdracht met me te komen spelen. Dat deden we trampolinegewijs op dat ouderlijke bed, waarbij dat nichtje telkens schalks naar mijn piemeltje greep. Dat was fun en we krijsten het uit.  Zelf durfde ik niet naar haar kutje te tasten, want dat werd mij ingegeven door de duivel die me vanaf mijn linkerschouder vuile manieren aan ’t influisteren was. Dat wist ik dan weer doordat er op mijn rechterschouder een engel zat, van het type engelbewaarder, die me erop wees dat kutjes grijpen not done was.
Bijna was die tweestrijd in het voordeel van de duivel beslecht toen mijn vader onverwachts, kwaad omwille van het door ons geproduceerde lawaai, de deur bruusk open stak en ons luid gauw gauw toesnauwde, waarna mijn nicht verschrikt op de vlucht sloeg om thuis onder moeders rokken te gaan schuilen.
Voor het eerst in mijn leven stelde ik me een existentiële vraag: What the fuck doet al dat gewicht op mijn prille schouders? Aan de geboorte van Myriam heb ik als ’t ware mijn eerste geloofscrisis overgehouden. Tegelijk nam ik me voor nooit ofte nimmer nog zo’n kans voorbij te laten gaan. Het leidde me later naar een libertair liefdesleven dat me veel parten gespeeld heeft.
Niet lang daarna zaten mijn makker Gilbert Huysmans en ikzelf op straat tegen een muurtje naar onze zwarte knieën te kijken. Opeens voelde ik, met een intensiteit die me in paniek bracht, dat ik er dringend vandoor moest. Ik voorvoelde echt dat er iets ernstigs gebeurd was. Ik liet de verbouwereerde Gilbert achter en liep als de weerlicht naar huis. Daar stond de pastoor. Hij had mijn ouders zojuist de mare gebracht dat mijn zusje overleden was.
Tijd om samen te vatten. De zwangerschap van mijn moeder had me het fenomeen van het taboe leren kennen, de geboorte van Myriam was aanleiding geweest voor mijn eerste geloofscrisis, mijn kinderlijke overdenkingen ter zake leidden me naar een libertair liefdesleven en haar dood had me een ervaring laten meemaken die anderen als paranormaal omschrijven. Dat kind heeft dat alles bewerkstelligd in een leven dat nauwelijks enkele maanden geduurd heeft.
Flor Vandekerckhove
[Myriam leefde van 10 november 1956 tot 5 maart 1957.]

zaterdag 12 mei 2012

De klant is koning

Het park dat de vrouwen doorkruisten.
Wat gaan we hier nog allemaal meemaken? De twee vrouwen lachten. Ja, en die kleermaker… Heb je gezien hoe ontredderd hij keek? De vrouw trok een scheef gezicht om de kleermaker te imiteren. De andere bestierf het bijna van het lachen. En ik zou graag de rekening van zo’n verlengde kist eens zien. Ze schudde haar hand van ohlala, dat zal niet weinig zijn.
De vrouwen liepen het parkje in waar enkele dagen eerder ook Eenman gelopen had. Hij had dat parkje doorkruist terwijl hij op weg was naar huis. Eerder had hij een brief gepost, waarna hij bij de bank langsgelopen was om daar geld af te halen en tegelijk een klein bedrag te doneren aan een goed doel.  Daarna was hij eens lekker gaan eten, zodat zijn dag tegelijk nuttig en aangenaam geweest was.
Thuis, drie hoog, legde Eenman, zoals gepland, de sleutel onder de mat in het halletje vlak voor zijn appartement. Binnen rook hij een vage geur van Dettol waarmee hij daags voordien zijn woonst gekuist had.  Hij ging meteen naar de slaapkamer, legde zich op het opgemaakte bed, plaatste een geschreven opdracht op het nachtkastje, legde er de omslag met geld naast en dronk de cocktail die hij diezelfde morgen klaargezet had. Hij had niet getwijfeld.
De brief die Eenman eerder gepost had kwam ’s anderendaags toe bij de bestemmeling. Die schoot meteen in actie. Hij begaf zich, samen met de wijkagent, naar het opgegeven adres, nam daar de trap, drie hoog, schatte omkijkend de moeilijkheid in waarmee hij straks geconfronteerd zou worden en vond de sleutel, zoals het in de brief aangegeven was, onder het matje.
Oppervlakkig bekeek hij het interieur. Hij vond algauw de deur naar de slaapkamer, klopte pro forma aan en toen er, zoals verwacht, geen antwoord kwam, ging hij binnen. Hij bekeek de zaak, belde een bevriende dokter op en begon de instructies te lezen die hij bij het binnenkomen meteen op het nachtkastje had zien liggen.
Die instructies waren klaar & duidelijk en erg gedetailleerd. Wat, hoe, wanneer, de timing, de muziek… alles stond nauwkeurig genoteerd, en onderaan stond het adres van een te contacteren kleermaker. In een dikke omslag die naast de instructies lag, zat een bom geld, op het eerste gezicht ruim voldoende om de klus te klaren. Dus: aan de slag! 
Nadat de dokter en de wijkagent de formaliteiten vervuld hadden, belde de man zijn helpers op en samen hadden ze de zaak vakkundig het gebouw uitgekregen. Business as usual.
De kleermaker schrok. Ja, hij kende Eenman. Ja, hij wist van het pak. Ja, dat pak was klaar. Ja, hij wist dat hij het vandaag moest bezorgen, want dat alles had Eenman met hem afgesproken. Schrikken deed hij van het adres waar het geleverd moest worden. Het leek wel een grap. Hij durfde er aan de telefoon verder niets over te vragen. Maar, zo werd hem ongevraagd verzekerd, een grap was het geenszins, het was bittere ernst.
Dat zag de kleermaker zelf ook wel toen hij een uur later de bestelling kwam leveren. En of hij geen tijd wilde verliezen, want de instructies waren duidelijk, ook wat de tijdsbesteding betreft.
Twee vrouwen die alles klaargemaakt hadden, stonden in de koelkamer te wachten. De kleermaker gaf hun de dozen en vroeg fluisterend wat er gebeurd was, maar daar konden de vrouwen geen antwoord op geven.
Gedrieën begonnen ze aan het karwei dat geen van hen ooit eerder had moeten uitvoeren. Ja, de vrouwen hadden wel ervaring ter zake en ook de kleermaker had al soortgelijke opdrachten vervuld, maar wat ze nu voor elkaar moesten krijgen, was toch van een heel andere orde. Ze hielpen elkaar, de vrouwen geoefend in het ontkleden, de kleermaker gespecialiseerd in het aankleden.
Het pak zelf zou het eenvoudigste deel van de klus worden. Meer moeite brachten de accessoires met zich mee.  Het linnen pak met kleurrijke leeuwen en kronen zat veel te ruim, zo zagen de vrouwen meteen. Zo hoort het, beantwoordde de kleermaker hun vragende blikken en hij haastte zich om de vulling te halen. De vrouwen onderdrukten een lach toen ze zagen hoe gegeneerd hij was toen hij weer binnenkwam met zijn armen vol stro.  Het te ruim zittende pak werd er helemaal mee gevuld; eerst de broekspijpen, dan de mouwen, tenslotte de jas. De vrouwen moesten Eenman rechtzetten omdat het anders, neerliggend, met een strooien bult vooraan en een achteraan, geen gezicht was. Ze plaatsten een extra kussen achter het hoofd. De kleermaker bracht een witte kraag aan en zette zijn ijskoude klant een witte, nauwsluitende muts op. Gedrieën brachten ze rond diens middel een gordel aan met negen bellen; een apertintaille, zo zei de kleermaker vakkundig. 
Dat was het moment waarop de ondernemer — begrafenisondernemer zo had u inmiddels wel begrepen — de kamer betrad om het werk te keuren.  Voortmaken, voortmaken, er zijn nog klanten die wachten. De kleermaker reikte de vrouwen de klompen aan, het schoeisel dat bij het pak hoorde. Daarna opende hij de laatste doos. Voorzichtig haalde hij er de hoge hoed met veren uit. Echte struisvogelpluimen. De kleermaker zei het op een manier die duidelijk maakte dat hij er heel wat moeite had voor moeten doen.  En nu wist hij niet goed wat ermee aan te vangen. Je kon de hoed niet recht op de borst van Eenman plaatsen, zoals dat wel eens met de kepie van een piloot gedaan wordt, want dan leek het alsof de afvallige een al te fors gevulde vaas met pluimen op zich had staan, je kon de hoed evenmin plat op de borst leggen, want dan werd Eenmans gezicht door de pluimen bedekt. Bovendien waren er de instructies. De begrafenisondernemer las ze voor en kijk, ook wat de hoed betreft was er geen vergissing mogelijk. Eenman wilde expliciet gekist worden met zijn hoed op. De hoed moest op het hoofd aangebracht worden.
De vrouwen waren al bezig een tafeltje bij te zetten dat de pluimen achter de aflijvige moest ondersteunen.  De ondernemer stapte de totale lengte af, pluimenhoed inbegrepen. Dat zal problemen geven voor de kist, zo sprak hij ondernemend. Die zal een halve meter langer moeten zijn dan het standaardmodel. Hij dacht even na. Ik kan vandaag wel nog zo’n extra lange kist laten aanslepen, ik kan een bestaand model verlengen, maar of dat in het crematorium aanvaard zal worden… Ik zal een beetje extra geld moeten bovenhalen om ze daar te overtuigen. 
De kleermaker vroeg wanneer de verbranding gepland was. Morgen al, zo antwoordde de ondernemer.  Dat was het moment waarop de vrouwen zagen hoe de vertwijfeling toesloeg bij de kleermaker. Hij stamelde: Maar… maar dan betekent dat… dat al mijn werk alleen maar vandaag te zien zal zijn? De vrouwen moesten hun uiterste best doen om ernstig te blijven. Ja, zei de ondernemer, ’t Is alleen maar voor de begroeting, ’t Is alleen maar voor vandaag, dat wil zeggen voor deze middag, want kijk, het is al twaalf.
Het was de ondernemer zelf die vlug de final touch aanbracht. Hij plaatste het masker op het gezicht van Eenman en schakelde de recorder in; muziek van trommels, koper- en houtblazers. De koelkamer vulde zich met de typische klanken van het carnaval in Binche.
De vier keurden het geheel. Voor hen lag een dode Gille, helemaal gekleed in groot ornaat. Een vreemde keuze, zo zei de kleermaker nog bij het buitengaan, en dan te weten dat mijn klant helemaal niets met dat carnaval te maken had, niet in Binche en evenmin hier in Oostende. De vrouwen keken naar elkaar en vroegen zich af waarom die klant dan als een carnavalprins opgedirkt diende te worden. De ondernemer gaf het enige zinnige antwoord dat op die vraag te geven was: De klant is koning. En hij heeft ervoor betaald.
De vier verlieten de kamer en gingen elk hun weg. De begrafenisondernemer vertrok naar weer een tevreden klant. De vrouwen wandelden naar huis en kruisten daarbij het parkje waar enkele dagen eerder ook Eenman nog gelopen had. De kleermaker ging een glas drinken om de emoties door te spoelen.
Het mortuarium bleef open tot ’s avonds laat. Toen het de deuren sloot was niemand de aflijvige Eenman komen groeten. Daardoor komt het wellicht ook dat niemand u eerder dit vreemde verhaal heeft kunnen vertellen.
Flor Vandekerckhove
[Wie een van onderstaande labels aanstipt, vindt elders in de blog nog soortgelijke verhalen.]

maandag 7 mei 2012

Gerry Healy, de Pol Van Den Driessche van het trotskisme

Trevor Griffiths (Foto Jo Clauwaert)
De titel boven dit stuk is tevens het slot ervan, want ik begin deze tekst te schrijven zonder dat 'k goed weet waarover ik het hebben wil. Erg vreemd is dat niet. Het gebeurt wel meer dat schrijven een ontdekkingsreis is.
Zo verging het ook dit stuk. Het begon met een boek dat m’n spitsbroeder Jo Clauwaert me onlangs toestopte, een scenario geschreven door Trevor Griffiths, u misschien bekend als een van de scenaristen van de veelgelauwerde film Reds.
Ik google Trevor Griffiths en tast het web af. Mijn oog valt op A New World: A Life of Thomas Paine by Trevor Griffiths. Laat me eens kijken wat daar geschreven staat. Er staan foto’s bij, en godver, ook een portret dat Jo van Griffiths geschoten heeft. Welwel, een foto van de Gentse Clauwaert op een Amerikaanse website. Gods wegen zijn waarlijk ondoorgrondelijk.
Ik blijf een wijl op die stek hangen, want dat is het uithangbord van de International Committee of the Fourth International (ICFI), een van de vele trotskistische splinters die deze strekking geproduceerd heeft. Door mijn politieke verleden ken ik wel een en ander van deze merkwaardige biotoop van lambertisten, pablisten, posadisten, morenisten en andere rare tisten, zoals de healisten. 
Die healysten werden genoemd naar de politieke avonturier Gerry Healy. Van deze Gerry vernam ik voor het eerst iets in 1985, toen hij politiek al helemaal gemarginaliseerd was. In dat jaar werd hem de finale slag toegebracht door enkele leden van zijn eigen partijtje, die hem ervan beschuldigden vrouwelijke activisten lastig te vallen. Dat maakte destijds wel ophef. Ik herinner me een vergadering waarop iemand een Engelse krant onder de neus van Ernest Mandel duwde, waarin onthuld werd dat die Gerry zijn poten niet kon thuishouden. Mandel genoot zichtbaar van de totale afgang van Healy. Ernest zag er wellicht de bevestiging in dat de man nooit politiek gedeugd had.
Vanessa Redgrave in 1974, terwijl ze campagne voert 
als kandidate op de lijst van de Workers 
Revolutionary Party van Gerry Healy.
Healy kwam in 1985 dus in de positie te staan die ook Pol Van Den Driessche onlangs leerde kennen. 
Ik herinner me dat de man (ik bedoel Healy, niet Van Den Driessche) tegen de aantijgingen verdedigd werd door de actrice Vanessa Redgrave die tot zijn club behoorde.
Gerry had namelijk nogal wat artistiek volk rond zich weten te verzamelen. Ook Trevor Griffiths bleek door deze vreemde politicus gecharmeerd te zijn, want in zijn stuk The Party voerde hij Healy welwillend ten tonele in de figuur van John Tagg.
In/rond het partijtje van Healy, dat by the way een tijd lang zelfs een dagblad(!) uitgaf, was inderdaad nogal wat artistiek volk te vinden: film- en theaterregisseurs als Ken Loach en Roy Battersby; auteurs als Jim Allen, Trevor Griffiths, John Arden, Margaretta D’Arcy, David Mercer, John McGrath, Colin Welland, Neville Smith, Tom Kempinski en Troy Kennedy Martin; producenten / uitgeversTony Garnett, Kenith Trodd en Roger Smith; journalist Francis Wyndham; kunstenaar David King; veel acteurs ook, waaronder Tony Selby, Jack Shepherd, Frances de la Tour, Malcolm Tierney, David Calder, David Hargreaves, Vanessa Redgrave en ook haar broer Corin, alhier minder bekend dan zijn zuster, maar wel te zien in In the Name of the Father (1993), Four Weddings and a Funeral (1994), Persuasion (1995) and The Forsyte Saga (2002).  
Ja, dat alles was toch van een ander niveau dan de miss België kandidaten waarmee Pol Van Den Driessche zich placht te omringen. Gerry werd tegen de aantijgingen verdedigd door Vanessa Redgrave, Pol moest het met Mia Doornaert doen. Van Den Driessche waande zichzelf al burgemeester van Brugge, maar Healy dacht dat hij de Lenin van Groot-Brittannië was. 
Valt daaruit iets af te leiden? Misschien wel ja. Hoe miniem dat trotskisme ook geweest mag zijn, het was blijkbaar toch van een ander kaliber dan wat de N-VA ons vandaag kan laten zien.
Tijd om af te ronden. Rest me nog een naam voor dit vreemde stuk te bedenken. Waarover gaat dit hier uiteindelijk? Wat denk je van Gerry Healy, de Pol Van Den Driesche van het trotskisme’? Of is dat erover?
Flor Vandekerckhove

dinsdag 1 mei 2012

De Markt

Er is een tijd geweest waarin de schrijver niet echt een schrijver was. Schrijven? Hij wilde wel, maar deed het niet, hij dacht er alleen maar aan.  Hij was een werkman die aan schrijven dacht.
Werken wilde hij dan weer niet, maar hij deed het toch, want om over koopkracht te beschikken moest hij zich op de arbeidsmarkt begeven. Dat viel niet mee, want veel vaardigheden bezat hij niet, toch niet van het soort waarmee je een knelpuntberoep invult. Bovendien lag de arbeidsmarkt hem niet zo goed. Hij vond het beledigend om, zoals een groente, gewikt en gewogen te worden. Een mens zou er communist van worden, zo zei hij menigmaal. Dat deed hij uiteindelijk ook, communist worden, wat ook al geen meerwaarde bood op de arbeidsmarkt.
Lezer, kent u deze markt, de arbeidsmarkt? U ziet hem niet, maar hij bestaat wel degelijk. Hij bestaat uit werklozen. Vroeger kon je die in lange rijen aan de zogenaamde dop zien staan, alwaar ze dagelijks een stempel kwamen halen. Vandaar dat ze geringschattend stempelaars genoemd werden, dompelaars met een stempel. Omdat die rijen op den duur te lang werden — het was geen gezicht — besloot de overheid ze van de straat weg te halen. De arbeidsmarkt werd van het doplokaal naar de werkloosheidsval verplaatst, waar de werklozen voortaan in een hangmat moesten wachten tot hun prijs danig gezakt was. Allee allee mensen, profiteert ervan, twee voor de prijs van één!
Maar laat ons terugkeren naar de goeie ouwe tijd. Soms werd de schrijver, die nog geen schrijver was, op de arbeidsmarkt gerekruteerd. Dat was bijvoorbeeld het geval toen De Markt een secretaris zocht. Die vereniging was een club van hardwerkende Vlamingen, specialisten in de verkoop van onzin. Zo werd de werkman een secretaris en leerde hij De Markt goed kennen. Hij dacht er het zijne van en schreef dat op in een schriftje, want De Markt vormde een haast onuitputtelijke bron van inspiratie. Tegen de tijd dat hij dat cahiertje volgeschreven had, was hij een schrijver geworden. Hij gaf het schrift toepasselijk de naam De Markt en stuurde het naar een uitgever die er ook het zijne van dacht en het in de prullenmand gooide.
Het allereerste verhaal uit dat weggegooide cahier had het over een man die met veel succes onzin kon verkopen en omwille van die bedrevenheid tot Marktleider verkozen was. Zijn vaardigheden werden trouwens ook buiten De Markt erkend, waardoor hij in de politiek terechtgekomen was, wat het functioneren van De Markt zeer ten goede kwam. Maar elk voordeel heb zijn nadeel. Te pas en te onpas maakte hij reclame voor zijn partij. Dat vond heel De Markt wel ongepast, maar niemand zegde er iets over, want hij was tenslotte de leider.
In dat allereerste verhaal moest De Markt de jaarlijkse groepsreis organiseren. Het bestuur nam plaats, de secretaris nam zijn schriftje, de Marktleider nam een slok. Wat iedereen gevreesd had gebeurde ook. Weer begon de Marktleider over zijn partij te spreken. Zijn partij dit en zijn partij dat. Zijn partij hier en zijn partij daar. Dat hij een kadervorming meegemaakt had en veel vijven en zessen. En hoe interessant het was, een partijkader te zijn, en hoe leerzaam die kadervergaderingen waren, want deze keer bijvoorbeeld hadden ze het over communisten gehad.
De bestuursleden onderdrukten een geeuw en sommigen grepen al naar de fles. De secretaris, die zoals gezegd een communist geworden was, spitste de oren. ‘Weet De Markt’, zo vroeg de Marktleider vervolgens, ‘hoe communisten te werk gaan?’ Het was een retorische vraag. Uiteraard wist niemand het, ook al omdat het niemand interesseerde. De secretaris wist het wel, maar hij zei wijselijk niets. De Marktleider wist het ook, want dat had zijn partij hem bijgebracht. De communisten, die zijn met niet veel, zo begon hij ongevraagd de rode tactiek uit te leggen. Dat kon de secretaris beamen, maar hij bleef zwijgen. Wel, zo vervolgde de Marktleider, genietend van de onwetendheid van de anderen, ze plaatsen hier en daar een mannetje in verenigingen met invloed. In De Markt bijvoorbeeld hahaha. En ze proberen daar de dingen te beïnvloeden. In hun richting natuurlijk!
De bestuursleden keken naar elkaar. Dacht de Marktleider dat een van hen een communist was? Had hij zijn verstand verloren? De secretaris wist dan weer niet wat hij hoorde, want hij beïnvloedde niemendal in welke richting ook. Ging dit over hem? Zou De Markt hem royeren? Hij bereidde zich al voor om met rode kaken de zaal te verlaten, richting stempellokaal. En toen zei de Marktleider onverwachts: ‘Maar laat ons naar de dagorde terugkeren, de groepsreis. Ik stel voor dat we onder de leden tien keer twee reizen naar Spanje verloten.’
Iedereen was blij dat men eindelijk tot de dagorde overging. De secretaris schreef het voorstel op, maar besefte al schrijvend ook de politieke implicaties ervan. Het waren de nadagen van het Francoregime. De caudillo lag op sterven, maar had nog voldoende levenskracht om een aantal tegenstanders richting wurgpaal te sturen. In heel de wereld werd geprotesteerd en de linkse beweging organiseerde een boycot. Niemand naar Spanje! En uitgerekend op dat moment zat de beginnende schrijver in een club die mensen per se naar dat land wilde sturen.
De secretaris, die ervan overtuigd was dat de voorzitter zijn communistische sympathieën verder aan het ontbloten was, koos voor de vlucht vooruit. Hij vroeg het woord: ‘Mijnheer de Marktleider, dit is echt niet het geschikte moment…’. Waarna hij de politieke situatie op het Iberische schiereiland begon uit te leggen. Aan tafel schudde men eenparig het hoofd. Voor De Markt was Spanje gewoon alle dagen zon en serenades aan ’t balkon. Dat had De Markt geleerd van de geliefde schlagerzangeres Samantha die in die tijd overal te horen was. Met politiek had zo’n reis dus niets te maken. Bezwaren weggewuifd.
De secretaris greep nu zijn kans om De Markt met opgeheven hoofd te verlaten. Hij stond recht en sprak met luide stem: ‘Indien u dit beslist dan kan ik dat niet met mijn geweten in overeenstemming brengen. Ik zal ontslag moeten nemen.’ Dat had veel effect.  Iedereen riep en joelde. Belachelijk en chantage waren de twee vriendelijkste woorden die uit het tumult naar voor kwamen. De secretaris klapte zijn schriftje dicht, stapte kordaat richting uitgang, maar werd onderweg tegengehouden door de Marktleider die inzag dat hij aan de dop niet onmiddellijk een vervanger zou vinden, toch niet aan zo’n voordelige prijs.
Laat ons geen ruzie maken over een bagatel’, zo sprak hij verzoenend zoals het een Marktleider past, ‘Laat ons dit jaar kiezen voor… kiezen… kiezen voor… Zweden!’ Het gejoel verstomde, de bestuursleden monkelden. Ja, Zweden, zo zag je ze denken, dat waren langharige blondines, vrijgevochten meiden met veel seksuele appetijt, mjaa, misschien… En naar Spanje was iedereen al eens geweest. ‘Wat denk je secretaris,’ vroeg de Marktleider vervolgens, ‘Zweden, kan dat volgens jou? Olav Palme is daar premier. Dat is een socialistisch land.’  Dat was goedgeplaatste onzin vanwege de Marktleider die alom bekend stond omwille van zijn flexibiliteit. De secretaris begreep dat hij nu niet meer kon opstappen. Hij ging weer zitten, heropende zijn schriftje, schrapte Spanje en schreef het tegenvoorstel op: Zweden. 
Daardoor eindigde het eerste verhaal van de schrijver met De Markt die naar Zweden trok, waar het op dat tijdstip helaas buitensporig veel regende voor de tijd van het jaar.
Flor Vandekerckhove
[Wie op een van onderstaande links drukt, vindt elders in de blog nog dergelijke verhalen.]