donderdag 26 april 2012

Ensor en zijn bende in Oostende

Pyrogravure van Jo Clauwaert (© 2012)
In een winkel vol
Muilen en prullaria
Krast hij een wereld bij elkaar,
Waarin vissers dood zijn als aristocraten,
Egmont, Hoorn, te midden van soldaten,
Nonnen, een geweer en een pastoor
Om ’t volk te weren,
Het naar de sloppen in de Witte Nonnenstraat,
Het Portje van Hourrah terug te laten keren.

Door zijn winkelraam
Ziet hij het vergaan ontstaan
Van Claus, van Arno
En de IJslandvaarders,
Terwijl de storm luidruchtig
Guirlandes en confetti,
Tips voor paardenrennen en voor koopjes
Over uitgewaaide kaaien jaagt
In het Straatje zonder Einde.

Pyrogravure van Jo Clauwaert (© 2012)
Als de perfecte commerçant
(Altijd een fopneus bij de hand)
Groet hij Zweig en Roth die,
Gestrand op een Grand Tour
Die er toch geen was,
Luisteren naar het kraken van de stad,
Onder het beuken
Van een stoet die
Nader uit het oosten komt.

Terwijl de dode rat Oostende viert,
Verlaat het schip De Hoop de kaai.
Het schuim verzwelgt de Vlaand’renstraat.
Permeke houdt zijn boog al klaar
Waarmee hij tierlantijnen schiet
Op meisjes die
Hun witte kousjes hebben aangedaan,
Niet voor Spilliaert, maar
Om naar ’t bal van Stephanie te gaan.

Ons niet gezien.
Niemand leert ons toten trekken,
Pyrogravure van Jo Clauwaert (© 2012)
Wij troosteloze wezen van het carnaval.
Kijk, de maskers komen van het strand,
Lucy Loes speelt het harmonium
En de waard zet al de roemers klaar.
Terwijl wij als de wachtman waken
Onder de spin boven zijn graf in ’t zand,
Neuriet Cowboy Henk het avondlied.

2006 Flor Vandekerckhove
[Dit gedicht verscheen eerder in een Oostende-special van het weekblad Knack.]

dinsdag 24 april 2012

Dina en het oneindige

Dina Martein en Flor Vandekerckhove buigen
zich over de kwestie van de oneindigheid.
(Foto Katrien Vervaele)
Aan mijn parate viskennis is het niet te merken, maar ik heb wel degelijk visserijschool gelopen. We spreken dan over een tijd waarin er bijlange nog geen sprake van was dat ik Het Visserijblad zou uitgeven en dat doe ik inmiddels toch al bijna een kwarteeuw. Het is dus zeer lang geleden.
De klas, in de Oostendse John Bauwensschool, bestond uit vissers die daar ter sociale promotie een opleiding scheepsmotoren kwamen volgen. Ik was de vreemde eend in de bijt. Ik woonde in Gent en had nooit eerder een voet op een vissersvaartuig gezet. Wat ik in die visserijschool kwam zoeken is voer voor een stukje dat ik later wel eens zal publiceren.  Maar wat ik zeggen wil is dit. Telkens ik het maritiem instituut Mercator bezoek, kom ik daar nog altijd oude bekenden tegen: de secretaris waarmee ik tijdens de middagpauze een kaartje placht te leggen, Eddy Lycke, nu kwaliteitscoördinator, die me de werking van scheepsdieselmotoren probeerde bij te brengen en ook Dina Martein die ons de beginselen van de meetkunde onderwees… Dina was toen pas afgestudeerd en gaf les aan mannen nauwelijks jonger dan zij, als ze al niet ouder waren, zoals dat bij mij het geval was. Het is niet gemakkelijk om aan volwassen vissers les te geven, maar Dina deed dat voortreffelijk. Stap voor stap bracht ze ons meetkundige stellingen bij, de ene na de andere. En ze verbaasde ons door de schoonheid waarmee zo'n jonge vrouw wiskundige bewijzen op het bord zet. Een keer ging het mis. Dina definieerde twee evenwijdige lijnen door te stellen dat deze elkaar nooit snijden, ‘zelfs niet in het oneindige’Dat ‘oneindige’ rukte me uit de halfslaap waarin ik gewoonlijk verkeer. Het toeval wilde immers dat ik diezelfde morgen een boek aangesneden had waarin me uitgelegd werd dat er een wiskunde bestaat die het allemaal zònder het oneindige klaart, het zgn. finitisme. Het is niet dat ik veel van dat boek begreep, maar ik was toch in de ban geraakt van de oneindigheid die ook filosofische implicaties heeft. Tegen beter weten in besloot ik om dieper op de kwestie in te gaan en met Dina een boompje op te zetten over het oneindige en zo’n dingen. Ik keek naar het bord waarop ze twee evenwijdige rechten getrokken had, (a) en (b). En in een zeldzaam moment van wiskundig inzicht — zeg maar een epifanie — werd mij geopenbaard dat Dina er glad naast zat. Ik stak mijn hand omhoog, schraapte mijn keel, sprak & zeide: ‘Twee evenwijdige rechten snijden elkaar wèl in het oneindige’Het werd een welles nietes spel dat geamuseerd gadegeslagen werd door de vissers die het niets kon schelen, maar mij omwille van de ambiance gelijk gaven. De schoolbel maakte een einde aan de impasse.
Onlangs zag ik Dina weer en we herinnerden ons de oude discussie. Weer trok ze twee evenwijdige lijnen op het bord, (a) en (b), en nog altijd waren we het oneens. Snijden die twee lijnen elkaar al dan niet in dat oneindige? En bestaat dat dat oneindige eigenlijk wel?
Dina Martein en Flor Vandekerckhove besluiten het bij 
het eindige te houden. (Foto Katrien Vervaele)
Thuisgekomen besloot ik de kwestie voor eens en altijd te beslechten. Ik ging te rade bij het wereldwijde web en las: ‘Vroeger werd wel geleerd dat twee evenwijdige lijnen elkaar in het oneindige snijden. Dit is gebaseerd op het verschijnsel, dat de hoek tussen twee elkaar snijdende lijnen steeds kleiner wordt naarmate ze de evenwijdige toestand naderen. Daarbij komt het snijpunt steeds verder weg te liggen. In de limiet, bij evenwijdigheid, zou het snijpunt dan in het oneindige liggen. Ha! Maar elders lees ik dan weer: Je hebt volledig gelijk als je zegt dat rechten die elkaar snijden niet evenwijdig zijn. (…)"Oneindig" is dan ook een begrip dat in de wiskunde voorkomt, maar nooit bereikt kan worden. (…) Een goede raad: als je niet gek wilt worden, houd je het best bij onze eindige leefwereld.’ 
Ja, die goede raad lijkt me wel waardevol te zijn. Daarover zijn Dina en ik het ongetwijfeld eens. 
(En toch had ik gelijk.)
Flor Vandekerckhove

zondag 22 april 2012

Aardbeienconfituur


Aan het station nam de schrijver de tram. De wattman nam plaats in zijn cabine. Op diezelfde tram zat ook een politieman die in de wattman Ali Nasiruddin al-Albani dacht te herkennen, een moslim van salafistische strekking. Wat deed deze Ali in de stuurcabine van de tram? De politiehersenen werkten razendsnel, zij het op benevelde wijze.
Ali zette er vaart in. Door de snelheid werden de passagiers dooreen geschud, wat de politieman als een bevestiging van zijn vermoeden interpreteerde. Deze tram werd vlak voor zijn ogen door de salafistische Ali gekaapt. Dit was niets minder dan een vliegtuigkaping op Vlaams niveau, een tram op zoek naar zijn eigen twin towers.
De politieman stond op om dichter bij Ali te geraken, maar deed dat op een plek waar de tramrails een scherpe bocht maakten. Hij verloor het evenwicht en viel bovenop de schrijver, waardoor de aardbeien, die de schrijver juist gekocht had, vermorzeld werden. Rode smurrie alom.
Die val had twee gevolgen. Ten eerste zou de schrijver dit jaar geen aardbeienconfituur maken, ten tweede trok het incident de aandacht van de andere passagiers die meenden dat twee ruziemakers elkaar tot bloedens toe aan 't slaan waren.
Een wakkere burger vond dat hij iets moest doen en duwde op de alarmknop, waardoor Ali prompt op de rem ging staan. De passagiers werden op een hoop gegooid. Er was geween en tandengeknars, gevloek en getier, en dat alles werd overstemd door het schuren van gloeiend hete wielen op de rails. Waarna de tram vlak voor het huis van de schrijver bruusk tot stilstand kwam.
In de tram was het een zootje van opeengestapelde passagiers, bagage, colablikjes en aardbeiensmurrie. Ali opende de deuren en de passagiers klauterden hals over kop uit het voertuig. Dat deed als laatste ook de schrijver die de straat overstak en zich in zijn huis opsloot. 
Diezelfde avond nog, nadat hij een bad genomen had, schreef hij het verhaal dat u zojuist gelezen hebt. En dat verhaal legde hij bovenop de stapel die de uitgever niet had willen uitgeven.
Flor Vandekerckhove

zaterdag 14 april 2012

Een gelukkig paar in Slijpe

Slijpe
Pier en Maria waren beiden vijfenvijftig.  Het paar woonde al een huwelijksleven lang in een oude rijwoning van het landelijke Slijpe, in wat we daar met enige overdrijving de hoofdstraat mogen noemen.
Het koppel was kinderloos gebleven en daardoor erg gelukkig.  Gespaard van de kommer & kwel die het reproduceren van de menselijke soort met zich meebrengt, hadden die twee evenmin veel moeten werken.  Ook daardoor gingen ze na al die jaren nog steeds liefdevol met elkaar om.
Meer zelfs. In het echtelijke bed van Pier en Maria werd nog altijd veel en vooral lekker gevrijd. Een prestatie is dat, na dertig jaar samenzijn, zoals alle getrouwde mensen dat ootmoedig zullen toegeven.
Dat ik dit alles weet, komt doordat de oude rijwoningen in Slijpe uitermate gehorig zijn, waardoor de buren verschillende keren per week uit hun slaap gerukt worden door Pier die bij het klaarkomen steevast en luidkeels de naam van zijn echtgenote schreeuwt: MARIAAAAAAA!  Waarop ook zij pleegt klaar te komen en het op haar beurt met hoge stem uitroept: ‘PIEREUUUUUU!’
Het is een gewoonte als een andere en het zou door de buren goed te verdragen geweest zijn, ware het niet dat de zinsnede ‘verschillende keren per week’ een understatement is. Recht evenredig met het wassen van de maan nam het vrijen en het klaarkomen toe, en bij echt volle maan galmde het zelfs ettelijke keren per nacht over de Slijpense daken: MARIAAAAAAA! Uit hun slaap gerukt restte de buren vervolgens niets anders dan te wachten tot de kreet met PIEREUUUUUU! beantwoord werd.
Dat ging zo door tot 12 april.  Weer was het volle maan. Klokslag twaalf klonk over het ingeslapen dorp even onverwachts als onvermijdelijk de stem van Pier: ‘MARIAAAAAAA!’ De buren links en rechts van het huis, alsmede deze van de overkant en ook die van de boerderij die daar op een steenworp van verwijderd ligt, schrokken die nacht al voor de tweede keer wakker. Her en der klonk een ingehouden vloek.  Gewoontegetrouw wachtte half Slijpe vervolgens op Maria’s antwoord.  Vader ging eens plassen, moeder controleerde eens te meer de wekker. Terwijl vader op de terugweg van ’t WC de koelkast opentrok, keek moeder door een kier in het rolluik om te zien welk weer het was.
Zodoende ging er al gauw een kwartier voorbij. Maar wat komen moest, kwam niet. De kreet van Pier werd niet beantwoord en een uur later lag iedereen weer te slapen. Iedereen behalve Pier. Die dood was. En Maria die stilletjes en liefdevol, zonder dat iemand ’t horen kon, zijn naam murmelde. 
Meer valt hier niet over te vertellen, maar ’t is toch een mooi verhaal.
Flor Vandekerckhove
PS: Wie op een van onderstaande labels drukt, vindt verder in de blog soortgelijke verhalen.

dinsdag 10 april 2012

De garre van Cornelis

De Hasseltstraat in Bredene,
eertijds de Garre van Cornelis
Het huis van Cornelis bestaat niet meer. Het werd afgebroken en vervangen door een meergezinswoning. De garage van bakker Devisch is al langer uit het straatbeeld verdwenen. Daar is nu een coiffeuse aan de slag. En de garre van Cornelis is de Hasseltstraat geworden.
Garre!  Op het internet is het woord nauwelijks te vinden. Er bestaat, lees ik, een Brugse steeg die De Garre heet; een rechte, smalle doorsteek. 
Een steeg was ook de garre van Cornelis. Hij leidde naar garages en hovingen, en liep uiteindelijk dood op landbouwgrond. Maar smal was hij geenszins. Een wijde, gapende diepte was ‘t, een leegte waarin de polders en de luchten samenvielen in een holte waarin de wind vrij spel had.
Hoeveel meter lag er tussen het huis van Cornelis langs de ene en de garage van bakker Devisch langs de andere kant? Ik zou het kunnen nameten; een straatbreedte is het, pakweg tien meter. Maar in de jaren vijftig van de vorige eeuw zag het er veel breder uit, zeker als het in het donker bekeken werd door een achtjarige.  Een zwart tochtgat was het, waaruit schrikbarende fantasieën naar je toewaaiden.
Hoe anders was die garre overdag. Je kon dan achteraan bij buren binnenlopen. In de verte waren keuterboeren in de weer, mijn vader liet er zijn kippen lopen. Na de regen rook het gras zoals het alleen maar in je kindertijd kan ruiken, terwijl je tegelijkertijd ook nog eens de koekoek hoort.  Cornelis legde er zijn bloemenperken aan en onze moeders hingen er de was op. Het was een speelterrein met grachten, omheiningen en ouderlijke raadgevingen die overwonnen moesten worden. De katten kwamen er bijeen om daar in gemeenschap afstandelijk te zitten zijn.  Het rook er naar teer en hooi en in de verte hoorde je de populieren ruisen. Marcel leerde er ons Kom van dat dak af te zingen. (Hij werd later een deejee.) Vera zat er in haar tent. (Ze trouwde met een ander.) Gilbert kreeg er een pin van de omheining in zijn bil gespietst. (Hij week later uit naar Limburg.)  Marie-Josée vroeg me er met haar pop te komen spelen. (Ook zij trouwde met een ander).  Noël woelde er in de poldergrond (wat hij nu nog altijd doet).  Norbert werd er naar huis geroepen door het fluitje van zijn moeder: etenstijd.
Waarna de nacht weer over de garre viel. En weer spanden lucht en grond er samen om alleen nog maar donkere leegte te zijn. Het zwarte gat!  Wee degene die nu nog de garre van Cornelis moest passeren. Voor hem openden zich tien lopende meter bedenksels van het kwalijkste soort, een haast onoverkomelijke afstand die desondanks overschreden moest worden. 
Flor Vandekerckhove

zondag 8 april 2012

Voil janetten (over identiteit II)

Bart De Wever

[Essay] — Het Vrije Visserijblad van mei publiceert een essay waarin ik pleit voor het ontwikkelen van een meerduidige en open identiteit in de laatste gemeenschap van beroepsjagers die Vlaanderen kent, de visserij. In dat stuk heb ik het over het symbolische en het imaginaire en over het belang van beide perspectieven (een idee die ik bij filosoof Hub Zwart haal); over de rol van het romantische en het passionele in het streven naar een betere toekomst (wat de marxist Michaël Löwy en psychiater Paul Verhaeghe mij geleerd hebben) en over het belang van ‘verhalen’ bij het vormen van een identiteit waarvoor ik uit een essay van Bart De Wever citeer. (1)
Het stuk dat Het Vrije Visserijblad publiceert is zoals gezegd een essay, een probeersel, een poging. Ik probeer daarin mijn denken over de visserij vorm te geven; het is een reflectie over een gemeenschap waarin ik ei zo na een kwarteeuw actief ben.
Op het eerste gezicht is zo’n essay niet interessant voor mensen die niet tot die vissersgemeenschap behoren, ook omdat die sector de jongste decennia dermate verschrompeld is dat het buitensporig lijkt er nog veel aandacht aan te besteden. Toch heb ik dat essay ook aan De Wereld Morgen aangeboden. (2)  Dat komt doordat een van mijn bronnen, met name het krantenstuk van Bart De Wever, onderwerp werd van een interessante polemische strijd (3), waarin, zo denk ik, zijdelings ook mijn stuk over de vissersgemeenschap past.
Bart De Wever is het natuurlijk om zijn nationalistische project te doen. Zegt hij: Toch verbinden wij het debat over de relatie tussen identiteit en geschiedenis bijna automatisch met nationalisme. Dit komt omdat de constructie van een nationale identiteit de ambitie heeft om een hele gemeenschap te omvatten. Nationale identiteit probeert een veelvoud van onderliggende individuele en groepsidentiteiten te overspannen in één verbeelde gemeenschap. De natie is een sociale constructie die via verhalen wordt opgeroepen in de hoofden van al haar leden.’
Zelf voel ik helemaal niet de behoefte om mijn individuele en groepsidentiteit overdekt te zien door een Vlaams dak. Derden die de ambitie hebben me die ‘overspanning’ te verkopen stuiten bij mij op weerstand. 
Naar aanleiding van een in memoriam dat ik in deze blog publiceerde over een overleden flamingant (4) schreef mijn vriend en historicus Rik D. me onlangs nog hetzelfde: ‘(…) ik kan flaminganten niet goed uitstaan omdat ik verondersteld word om iets (het Vlaming zijn) met hen gemeen te hebben. Wat nooit het geval is, want ik heb zo'n eenzaam traject afgelegd dat ik me op den duur meer verwant voel met een personage wiens archief ik beschrijf dan met die mens van “mijn” volk.’  Rik vindt de Vlaams nationale identiteit een achterhaalde en illusoire term die al te vaak tot foute dingen leidt. De Wever beschouwt die dan weer als het verbindend element dat onze samenleving vorm geeft. Ik denk dat Rik gelijk heeft.
In de politiek is de kwestie van de nationale identiteit echter bijzonder hot, zo blijkt ook uit de polemiek die het essay van De Wever oproept. Het gaat dan veelal over een Vlaamse identiteit versus een Belgische; een woordenstrijd tussen nationalisten van de ene en de andere soort. Die nationalisten worden dan weer tegengesproken door enige kosmopolieten die alhier ook rondwaren, alsook door een soort tussengroep die zich graag Europeaan noemt.
Wat meteen aantoont dat identiteit een ferm rekbaar begrip is. Je kunt voor deze of gene identiteit kiezen, in dat geval Belg, Vlaming, Europeaan of kosmopoliet (maar, waarom niet, ook Aalstenaar, gesteld dat je daar woont of vandaar afkomstig bent).  Dat gaat zo: je verbeeldt je een gemeenschap van Belgen, Europeanen, wereldburgers, Aalstenaars of Vlamingen. (En wellicht is het dat laatste, zoals het merkwaardige stemgedrag van onze medemensen wel duidelijk maakt.) Je hecht waarde aan het gemeenschappelijke verleden en aan gedeelde ervaringen van de gemeenschap naar keuze en je identificeert je daar vervolgens mee.
Wellicht doe je dat om het dagdagelijkse leven (métro, boulot, bistro, dodo) draaglijk te maken.  Het geeft je het gevoel deel uit te maken van iets wat groter, en vooral grootser, is dan het dagelijks geploeter waarmee je je staande moet houden.  Net zoals roken een strategie is om de stress onder controle te houden, zo is het aanmeten van zo’n overspannende en eenduidige identiteit een strategie om de zgn. ondraaglijke lichtheid van het bestaan te kunnen verdragen.
Vervolgens gebeurt er iets dat toch wel merkwaardig is.  De mens die zich zo’n identiteit toe-eigent gaat er zich vervolgens ook naar gedragen, waardoor hij ook door anderen herkend wordt als deel uitmakend van die verbeelde gemeenschap, waardoor die gemeenschap een… realiteit wordt.  Want er ontstaat nu een groep mensen die elkaar herkennen als zijnde van dezelfde soort. (5)
Misschien kan het begrepen worden door de termen ‘an sich’ en für sich’ van Hegel en Marx over te nemen. De arbeidersklasse is voor Marx een 'klasse an sich' (een groep mensen die omwille van haar plaats in het productieproces een specifieke maatschappelijke klasse vormt), maar daarom niet noodzakelijk een 'klasse für sich' (die zich bewust is van haar maatschappelijke positie en die van daaruit in actie kan komen). Kunnen we die redenering op andere identiteiten toepassen?  Mensen die in Vlaanderen wonen kunnen wellicht wel een gemeenschap an sich genoemd worden, net zoals diezelfde mensen, samen met hun Franstalige buren, ook een Belgische gemeenschap an sich zijn en net zoals de inwoners van Aalst Aalstenaars an sich zijn. Een gemeenschap ‘für sich’ worden ze pas als ze zich daarnaar gaan gedragen. De Vlaamse identiteit wordt dan niet gedragen door de mensen die in Vlaanderen wonen (gemeenschap an sich), maar door de flaminganten (gemeenschap für sich); de Belgische identiteit van haar kant wordt niet gedragen door Belgen (gemeenschap an sich), maar door de Belgicisten (gemeenschap für sich) en de Aalsterse identiteit wordt dan niet door de bewoners van Aalst gedragen, maar door de voil janetten.
Flor Vandekerckhove

(1) Voor Hub Zwart, zie http://www.woordenwisseling.com/tuinvijver.htm ; Paul Verhaeghe, schreef ‘Het verdorven genootschap. De vergeten radicalen van de verlichting’. Uitgeverij De Bezige Bij. Michaël Löwy, Marxisme et romantisme révolutionnaire: Essais sur Lukacs et Rosa Luxemburg. Uitgeverij Sycomore. U kunt Löwy over dat onderwerp zien en horen op het internet. http://vimeo.com/30642099 ; het essay van Bart De Wever stond in De Standaard van 24 maart: ‘Wat Lisa Simpson ons over onszelf leert’.
(3) Luc Huyse gaf in DS 31 maart een kritiek op het essay van De Wever in ‘Doe wel en zie om’. Op 2 april reageerde Karel De Gucht in hetzelfde blad: ’Si non è vero…’. Daarna gaf Bart De Wever in DS van 4 april een wederwoord: ‘Ze zullen hem niet temmen…’. In De Morgen van 7 april haalde Etienne Vermeersch er Christus bij om het over dezelfde problematiek te hebben: ‘Jezus Christus: waarheid of mythe?’. Ten slotte (?) reageerden ook de historici Koen Aerts, Berber Bevenage en Lore Colaert met ‘Ieder zijn verhaal’ in DS van 5 april. Al deze stukken zijn na te kijken op de websites van de betreffende kranten.
(5) Dat merkwaardige fenomeen heb ik zelf mogen ervaren: http://florsnieuweblog.blogspot.com/2011/12/over-identiteit.html

zaterdag 7 april 2012

Victor Serge trotskist?

Victor Serge
In mijn kast staan twee boeken die Victor Serge (°1890-†1947) geschreven heeft: ‘Year one of the Russian Revolution’ en ‘Mémoires d’un révolutionnaire’. Het eerste heb ik gelezen, in het tweede ben ik ergens halverwege blijven steken. Ergens moet ik ook nog het kleine boekje ‘Wat een revolutionair moet weten over repressie’ hebben staan, maar dat vind ik in mijn kast niet meer terug. (*)
Serge was ook een romancier. Ooit werd ‘De aanslag op kameraad Toelajev’ in het Nederlands vertaald en ook ‘De jaren zonder genade’; twee boeken waarnaar ik op zoek ben.
Over Serge zelf heb ik ook een en ander gelezen. Vele jaren geleden was dat al ‘The Ideas of Victor Serge’, met de mooie ondertitel ‘A life as a work of art’. Onder redactie van Susan Weissman werden daarin de veelzijdige activiteiten van Serge (pseudoniem van Viktor Lvovitsj Kibaltsjitsj) belicht. Onlangs voegde ik daar de politieke biografie aan toe die dezelfde Weissman in 2001 over hem gepubliceerd heeft. (**)
Victor Serge heeft een merkwaardig politiek parcours afgelegd. In Frankrijk vinden we hem terug in de anarchistische rangen van de beruchte bande à Bonnot. In Rusland wordt hij bolsjewiek, maar hij vergeet daarbij zijn anarchistische erfenis niet mee te nemen: ‘Serge adhère au Parti Bolchevik en mai 1919. Il ne met pas pour autant fin à ses relations avec les poètes, les écrivains, les anarchistes et les sociales-révolutionnaires. Il est membre de la Libre association philosophique (…) qu’il caractérise  comme le “dernier club de la libre pensée”. Il reconnaît  en être probablement le “seul membre communiste”.’
‘Le marxisme de Serge, profondément humaniste, est imprégné par l’esprit libertaire.(…)’
S’il  considère l’anarchisme comme une façon de mener sa vie, les bolcheviks sont pour lui désormais l’incarnation d’une technique de la révolution qui rend complète la théorie de l’émancipation.’
In 1923 kiest hij met de linkse oppositie partij tegen Stalin. Net als Trotsky (die hij bewondert en wiens werken hij vertaalt) wordt hij verbannen. Maar mag Victor Serge daarom ook een trotskist genoemd worden? ‘Fraternelle, la correspondance de l’été 1936 clarifie néanmoins les points de désaccords et de rupture. Les divergences commencent à se manifester à propos des individus dont beaucoup, selon Trotski, se trouvent de l’autre côté de la barricade dans les batailles importantes. Serge, quant à lui, pense qu’il a une dette personnelle envers ceux de ses amis qui ont lutté pour sa libération et il n’est pas prêt à les rejeter dans les poubelles du réformisme ou de la réaction.’
‘Trotski semble en fait vouloir attaquer politiquement tous ceux qui ne partagent pas son projet de fondation d’une quatrième internationale. Ainsi est-il indigné que Serge écrive dans La Révolution prolétarienne, considérant cette collaboration comme un acte hostile à la 4e Internationale.’
Trotski is van mening dat Serge een twijfelaar is, een kleinburgerlijke, ontmoedigde intellectueel die zich met andere zogenaamd verwarde geesten (in Spanje Andreu Nin, In België Vereecken, in Nederland Sneevliet, in Frankrijk Pivert, Molinier) verbindt om de ware marxisten rond Trotski te beschuldigen van sektarisme en despotisme. (p. 323)
Desondanks blijft Serge de werken van Trotski vertalen en bij het grote publiek blijft hij dan ook bekend als een trotskist. De trotskisten zelf zijn een andere mening toegedaan. Zegt Serge zelf daarover: ‘J’étais devenu pour eux un “intellectuel petit-bourgeois” dont il fallait “utiliser l’influence” et la “douteuse sympathie”.’
Is dat de reden waarom hij door Trotski voorgesteld wordt om gecoöpteerd lid te worden van het bureau dat de oprichting van de IVde Internationale voorbereidt? Serge aanvaardt hoe dan ook de uitnodiging, maar is niet overtuigd van de zin het project: ‘: ‘Je revins d’Amsterdam désolé: l’impression d’un mouvement de secte, dirigé par des manœuvres d’en haut, atteint de toutes les dépravations mentales contre lesquelles nous avions lutté en Russie: autoritarisme, fractionnisme, intrigues, manœuvres, étroitesse d’esprit, intolérance. (…)’ Serge neemt nog deel aan de stichtingsconferentie van de IVde Internationale, maar haakt kort daarna af o.a. omwille van de z.i. sektarische houding die de trotskisten etaleren t.a.v. de Spaanse marxisten van de POUM.
Victor Serge sterft in Mexico, geïsoleerd en arm als de straat.  Er valt een lijn te trekken in het merkwaardige engagement van deze auteur en revolutionair: ‘En réalité, c’est dès sa prime jeunesse qu’il a agi de la sorte et il a conservé cette ligne de conduite tout au long de sa vie. Tout en étant acquis au bolchevisme, il se lie en URSS aux théosophes et aux anarchistes. En France, il fréquente à la fois les syndicalistes-révolutionaires, les socialistes de gauche et les trotskistes. En Espagne, il est avec le POUM et en Belgique avec les partisans de la 4e Internationale. Au Mexique, il fréquente les milieux psychanalytiques, révolutionnaires, anarcho-syndicalistes et sociaux-démocrates. En réalité, il a été partout et de tout temps un franc-tireur, c’est-à-dire un militant et un penseur révolutionnaire indépendant sur lequel on ne peut coller d’étiquette.’
Flor Vandekerckhove

(*) Veel van wat Victor Serge geschreven heeft, vind je op de Engelstalige website www.marxists.org/archive/serge. Ook in het Nederlands staan enkele teksten op het web: www.marxists.org/nederlands/serge.
(**) ‘Dissident dans la révolution, Victor Serge, une biographie politique’ van Susan Weissman. Uit het Engels in het Frans vertaald. 481 pagina’s. Ed. Syllepse, 2006. ISBN 2-84797-088-6.

dinsdag 3 april 2012

Geboeid

Ze belde aan. Toen het spionnetje geopend werd, zegde ze het wachtwoord. Ze werd binnengelaten in een halfduistere hall. Er brandden kaarsen en er speelde zachte muziek. Een jonge vrouw vroeg haar te wachten terwijl ze de voorzitster ging halen.
‘Welkom,’ zei de voorzitster, waarna ze er fluisterend aan toevoegde: ‘We hebben een mooi exemplaar op de kop getikt. Kom ik zal je naar binnen leiden.’ 
Uit de kamer ontsnapte een wolk parfum. Ze zag wel twintig andere dames staan. Sommige vrouwen waren jong, andere waren van middelbare leeftijd en enkele waren de vijftig al flink voorbij. Ze werd hartelijk begroet. Wangkussen, slappe handjes, gekir. 
Centraal stond een geblinddoekte man die door iedereen bekeken en gekeurd werd, iemand kneep hem zelfs in de kont. Niemand nam de moeite iets tegen hem te zeggen. 
Ze had meteen gezien dat al die vrouwen kleren droegen waarin hun vrouwelijkheid geaccentueerd werd, kleren waarmee ze zich in normale omstandigheden zelfs niet hadden durven te vertonen, veel satijn, veel kant, veel decolleté, spannende rokken, soms lang, soms kort.
‘Kom,’ zei de voorzitster, we gaan beginnen. Ze trok de man met zich mee. Tegelijk werden zijn handboeien zichtbaar. ‘Ooooooh!’ Er ging een langgerekte kreet door de kamer.  Alle vrouwenogen werden door de handboeien aangetrokken. ‘Prachtig! Holala! Subliem! Wunderbar!’ (want er was ook een Duitse vrouw bij).
Flor Vandekerckhove

zondag 1 april 2012

Boele en de calvacade

De cavalcade in Bredene
(Foto Louis Vande Casteele)
[Herinneringen] — Een mens maakt wat mee. Je groeit op in een wijk waar iedereen elkaar bij de voornaam noemt en tegen de tijd dat je oud geworden bent, wordt diezelfde wijk bevolkt door onbekende medemensen afkomstig uit streken die je op de kaart niet eens kunt aanwijzen.  Het vraagt veerkracht om daarmee om te gaan. Dat niet iedereen die veerkracht opbrengt, mag blijken uit het eigenaardige stemgedrag dat de verkiezingen ons keer op keer weer openbaren.
Ik begrijp het natuurlijk wel.  Wij mochten destijds wel gedrild worden in het feilloos aanduiden van de Grote Gete en de Kleine Nete, maar van Tsjetsjenië of Azerbaijan had geen van ons gehoord. Waarom zou iemand ons op Tsjernobyl gewezen hebben? De kronkelende loop van Durme & Demer, dáár was het om te doen. Alles baadde in zekerheden. Stroomt niet al het water naar de zee?  En aan de zee, daar woonden wij. 
Nadenken was dan ook niet echt nodig, want God wist en zag alles.  Wij hadden alleen maar to go with the flow. Omdat er van enige flow evenwel geen sprake was, zaten wij muurvast. En alhoewel er een liedje bestaat dat van het tegendeel getuigt, kan ik je wel dit zeggen: ook toen was geluk heel ongewoon.
In de kerk zaten mannen rechts en vrouwen links.  (Links was ook de kant van het kwade.) Die mannen hadden in de kerk hun hoofddeksel afgezet, in tegenstelling tot de vrouwen die, zeker dáár, het hoofd bedekt moesten houden. Wij vonden dat normaal.  In de klas zongen wij nationalistische liederen. Wij vonden dat normaal. Wat Waals is vaals is, sla dood!
Wat ik zeggen wil: wij hebben niet zo goed leren omgaan met verschillen.
In heel mijn kindertijd heb ik op straat één zwarte medemens gezien. Dat was in de tijd dat we nog neger mochten zeggen. Hij tekende jaarlijks present op de dag dat de cavalcade door de straten trok (een cavalcade is een stoet).  Op de stoep stonden toeschouwers zich vele rijen dik te vergapen aan Vlaamse praalwagens en nog meer aan (de inderdaad indrukwekkende billen van) Nederlandse majorettes. Maar voor het zover kwam, passeerde daar eerst nog de pikzwarte Boele.  Hij had een mooi pak aan, glom van het zweet en leurde met snoep.  Terwijl hij voorbij de wachtende massa’s voortschreed, prees hij zijn waar aan, luidkeels ‘boules’ roepend. Van zodra we hem in ’t zicht kregen, begonnen wij, kinderen, opgewonden te roepen: ‘Boele is daar! Boele is daar!’  Want hij was de voorbode van de cavalcade. 
Dat hij ook de voorbode was van de verstedelijking, de globalisering en de interculturele maatschappij, konden wij niet weten.
Boele is inmiddels overleden, zo vermoed ik. De cavalcade gaat al lang niet meer uit en in de kerk mogen de vrouwen vandaag overal gaan zitten, zo veronderstel ik, behalve op de plaats van de pastoor of course
Flor Vandekerckhove
P.S.: Op 25 juni, lang na het publiceren van dit stuk, las ik een column van Ann De Craemer in De Morgen. In 'Het dorp bestaat niet meer' vertelt ze hoe haar vader in 1959 een man gezien heeft 'die hem altijd is bijgebleven en die op bijna alle plaatselijke wielerwedstrijden opdook: een zwarte man, toen nog "neger" genoemd, maakte zijn tochr langs dranghekkens met in zijn hand een doos snoepjes en schreeuwde luid "Karra Boeia, Karra Boeia, spekka voor de keela".' Dit zou voorwaar wel de Boele kunnen zijn die ik me herinner.


P.S.: Wie hieronder op het label 'herinneringen' drukt vindt in de blog nog dergelijke stukken. Wie op 'Bredene' drukt, vindt andere stukken over die gemeente.